DEEL 6 — FINANCIEREN EN BELEGGEN
INLEIDING
In deze inleiding van de module ‘Financieren en Beleggen’ geven wij de inhoud van de module kort weer. De module voldoet aan de leerdoelen. Daarnaast worden onderwerpen behandeld die niet in de leerdoelen van de NVHP worden genoemd, en die wij voor een goed begrip van beleggen wel hebben opgenomen.
In de module verwijzen wij op verschillende plaatsen naar wetsartikelen en naar besluiten. Deze besluiten kunt u onder meer vinden op de website van het ministerie van Financiën. U kunt deze als achtergrondinformatie beschouwen. Ook op de website van het ministerie van Sociale Zaken treft u nuttige informatie aan. Beide ministeries zijn te bereiken via www.rijksoverheid.nl.
Een tweede belangrijke tip is om bij het bestuderen van de stof de Leerdoelen en Toetstermen Hypothecaire als leidraad te raadplegen.
Samen met uw voorkennis van de Wft modules basis, consumptief krediet, vermogen en hypothecair krediet vormt deze module de lesstof voor het examen en uw naslagwerk als beginnend praktiserend hypothecair planner.
Deze module is bijgewerkt tot 1 maart 2025. Nádeze datum aangenomen wetgeving is niet verwerkt, en dit geldt ook voor besluiten die na deze datum bekend zijn geworden of zijn gewijzigd.
NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender.
Wij wensen u veel studieplezier tijdens het bestuderen van de module.
Gezicht op Arnhem, Jan van Goyen, ca. 1644
1. ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT
In dit hoofdstuk beschrijven we enkele economische instrumenten van de Europese en Nederlandse overheden. Deze instrumenten zijn van invloed op de indicatoren die de vraag naar beleggingsobjecten beïnvloeden. Deze economische instrumenten zijn voor de beleggers indicatoren voor een bepaalde beleggingscategorie te kiezen. De indicatoren die we hier behandelen zijn de economische cyclus, rente, inflatie en de wisselkoersen.
1.1 WAT IS MACRO-ECONOMIE?
Als hypothecair planner is het nuttig om macro-economische kennis hebben omdat ontwikkelingen in de economie directe invloed hebben op de financiële situatie van uw klanten en de hypotheekmarkt.
Dit zijn de belangrijkste redenen waarom dit essentieel is voor een goede hypothecaire planning: 1. Renteontwikkelingen en monetair beleid: de rente op hypotheken wordt beïnvloed door het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) en de algemene economische situatie. Inflatie en economische groei bepalen of de ECB de rente verhoogt of verlaagt, wat invloed heeft op hypotheeklasten. 2. Inflatie en koopkracht: hoge inflatie verlaagt de koopkracht van consumenten, waardoor het lastiger kan worden om hypotheeklasten te dragen. Inflatie beïnvloedt ook de huizenprijzen, omdat hogere kosten en stijgende lonen invloed hebben op de woningmarkt. 3. Ontwikkelingen op de woningmarkt: als hypothecair planner begrijpt u hoe vraag en aanbod op de woningmarkt werken en hoe factoren zoals bouwkosten, rentestanden en overheidsbeleid hier invloed op hebben. 15
Een oververhitte markt (weinig aanbod, veel vraag) betekent hogere prijzen en moeilijkere financiering. Een dalende markt kan leiden tot risico op onderwaarde. 4. Overheidsbeleid en regelgeving: fiscale voordelen, zoals hypotheekrenteaftrek, worden beïnvloed door macro-economisch beleid. Subsidies en regelingen zoals de NHG-grens veranderen regelmatig en beïnvloeden de betaalbaarheid van hypotheken. 5. Arbeidsmarkt en inkomenszekerheid: werkloosheidscijfers en economische groei beïnvloeden de inkomenszekerheid van klanten. In tijden van economische onzekerheid houdt u als hypothecair planner nóg meer rekening met inkomensrisico’s bij het verstrekken van advies. 6. Investeringen en beleggingen: veel klanten investeren in vastgoed, aandelen of pensioenproducten. De prestaties van deze markten hangen samen met de macro-economische situatie. Als hypothecair planner adviseert u over risico’s en kansen, bijvoorbeeld over het aflossen van een hypotheek versus beleggen.
Kortom, een hypothecair planner die macro-economische kennis heeft, kan betere risico-inschattingen maken en advies geven dat aansluit bij de economische situatie. Dit helpt klanten om weloverwogen beslissingen te nemen en financiële stabiliteit te behouden.
Macro-economie houdt zich bezig met de bestudering van economische systemen als geheel. Men neemt de consumptie van alle gezinnen in een land in beschouwing, dan wel de bestedingen die de ondernemingen in een bepaald land gezamenlijk doen voor het kopen van machines en materialen. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen de afzonderlijke producten of diensten.
In de macro-economie wordt de economie in sectoren ingedeeld. Een sector is een groep die in economische zin, bijvoorbeeld vanwege de economische functie of vanwege de plaats binnen de economische kringloop, een homogene groep vormen. De macro-economie probeert een beeld te krijgen van het handelen van de sectoren in de economie. Het geheel van handelingen van de sectoren is van invloed op de economie van een land. De handelingen beïnvloeden de inflatie, de staatsschuld, het financieringstekort en daarmee indirect de kapitaalmarkt waarop vermogenstitels worden verhandeld.
Binnen de macro-economie onderscheiden we de volgende sectoren: • consumenten • producenten • overheid • buitenland • centrale bank.
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT De consument neemt de belangrijkste plaats in binnen de macro-economie. Het grootste deel van het bruto nationaal product (bnp) in een land bestaat uit de vraag van consumenten naar producten. Het is voor een belegger dan ook van groot belang hoe de consument in een land zijn toekomst ziet. Goede toekomstverwachtingen leiden tot meer bestedingen en kunnen de economie een flinke stimulans geven. Is de consument negatief gestemd over de toekomst, dan heeft dit meestal een remmende werking op de economie. De overheid en de centrale bank proberen met behulp van diverse beleidsinstrumenten het gedrag van consumenten te beïnvloeden.
De producenten vormen het bedrijfsleven. Dit collectief van bedrijven probeert in de behoeften te voorzien van de consumenten of andere bedrijven. Een belangrijke taak van deze groep is innoveren. Binnen het algemeen economische speelveld kunnen de bedrijven diverse doelstellingen hebben. Voorbeelden hiervan zijn een maximale winst of een zo groot mogelijk marktaandeel. Door nieuwe producten te ontwikkelen kunnen zij doelstellingen verwezenlijken. Voor de ontwikkeling van producten voeren de bedrijven investeringsprojecten uit. Voor het uitvoeren van deze projecten moeten de bedrijven onder meer machines aanschaffen, arbeiders betalen enzovoort. Door de investeringsprojecten ontstaat dus een behoefte aan financiële middelen.
Wanneer de bedrijven niet zelf over deze middelen beschikken, kunnen zij deze proberen te verkrijgen op de financiële markten. Op deze markten zijn diverse aanbieders van vermogen aanwezig, zoals particuliere en institutionele beleggers. Zij verwachten voor het beschikbaar stellen van het vermogen een beloning van de bedrijven die van het aangeboden vermogen gebruik willen maken.
Wanneer een bedrijf investeringsprojecten kan uitvoeren waarvan de opbrengsten hoger zijn dan de kosten, en daardoor de beleggers kan belonen, kan zij besluiten vermogenstitels uit te geven (bijvoorbeeld een emissie van aandelen) om het aangeboden vermogen aan te trekken. Deze uitgegeven vermogenstitels zijn claims op de (onzekere) inkomsten die de projecten in de toekomst genereren (bijvoorbeeld dividend). Een bezitter van een vermogenstitel heeft zo recht op (toekomstig) geld dat door de onderneming wordt verdiend. Producenten laten zich vaak leiden door een visie op de toekomst. Afhankelijk van deze visie wordt bepaald of een investeringsproject op termijn de nodige cashflow zal opleveren.
De overheid treedt aan de ene kant op als afnemer en aan de andere kant als producent. Grote infrastructurele projecten worden meestal door de overheid uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de aanleg van een nieuwe snelweg.
Hierbij fungeert de overheid als producent. Het kopen van bijvoorbeeld asfalt voor de aanleg van de snelweg maakt de overheid ook afnemer. Via belastingheffing worden de investeringsprojecten van de overheid gefinancierd. De belastingheffing heeft niet alleen de rol van financieringsmogelijkheid. Via belastingheffing wordt ook inkomensnivellering teweeggebracht. Daarnaast probeert de overheid het sparen en consumeren van de consument via belastingheffing te sturen. De overheidsuitgaven worden niet alleen met belastingen gefinancierd. Ook de overheid geeft vermogenstitels uit om vermogen aan te trekken om daarmee investeringsprojecten te financieren.
Elk land handelt in meer of mindere mate met het buitenland. Hierdoor heeft het buitenland ook invloed op de economie van een land. Zowel buitenlandse investeerders als consumenten kunnen de lokale economie van een land of regio beïnvloeden. Daarom zal een land concurrerend moeten blijven met het buitenland. Grotere landen zoals de VS en China ondervinden door hun grote interne markt op korte termijn minder hinder van een sterk concurrerend buitenland. Bij kleinere landen zoals Nederland, die afhankelijk zijn van export en import, is het buitenland van wezenlijk belang op zowel korte als lange termijn. Door de productspecialisaties van de verschillende landen kan handel tot stand komen. Hierdoor neemt de economische groei toe en daarmee de groei van de wereldeconomie.
De centrale bank van een land (Federal Reserve in de VS, Fed) of van een unie van landen met dezelfde valuta (Europese Centrale Bank, ECB) voert een beleid ten aanzien van de wisselkoers van dat betreffende land of regio. De wisselkoers geeft de relatieve kracht aan van de valuta van een land ten opzichte van die van een ander land. Met rente probeert de centrale bank haar wisselkoers op de langere termijn te sturen. Het rentebeleid heeft ook invloed op het gedrag van consumenten en producenten. Zo kunnen binnen een economie tegenstrijdige belangen bestaan voor de verschillende spelerscollectieven. Ten aanzien van het wisselkoersbeleid in Europa heeft de ECB volledige beslissingsbevoegdheid met als doel de langetermijnstabiliteit van de euro.
Voor ons doel is het onderscheid tussen sectoren met een financieringsoverschot en die met een financieringstekort van belang. Een financieringsoverschot van een sector leidt tot aanbod van financiële middelen, een tekort tot vraag naar financiële middelen.
Er is bij een sector sprake van een financieringsoverschot wanneer de partijen binnen deze sector minder besteden dan het inkomen waarover zij beschikken. Zij hebben daardoor een overschot aan financiële middelen waarvoor zij op de financiële markten een belegging zoeken.
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT Tegenover een sector met een financieringsoverschot staat of staan één of meer sectoren waarvan de bestedingen groter zijn dan de inkomsten. Zij trekken op de financiële markten de door de overschotsectoren aangeboden middelen aan voor de dekking van hun tekorten.
1.2 FINANCIËLE MARKTEN
1.2.1 Economische kringloop
Op deze plaats behandelen we de onderlinge samenhang van de goederen-, diensten-, geld- en kapitaalmarkt. De financiële markt is de plaats waar het aanbod van en de vraag naar financiële middelen samenkomen. De vraag naar financiële middelen wordt uitgeoefend door partijen (ondernemingen, overheden en buitenland) die de wens hebben om meer uit te geven dan het inkomen waarover zij beschikken toelaat. Deze partijen wenden zich tot de financiële markten om geld te lenen voor de financiering van hun tekorten.
Het aanbod van financiële middelen is afkomstig van partijen die geld over hebben en dit sparen. Deze partijen willen een deel van het huidige vermogen niet op dit moment consumeren. Zij stellen hun consumptie uit en willen op een tijdstip in de toekomst meer besteden. Deze partijen wenden zich tot de financiële markten om hun besparingen tegen een vergoeding te beleggen.
De overdracht van financiële middelen van de vragers naar de aanbieders vindt plaats op de financiële markten. Op deze markten komt de prijs (rente) van de overdracht tot stand. Deze komt tot stand door vraag en aanbod op de kapitaalmarkt. Beleggers ontvangen in ruil voor hun belegde vermogen financiële titels, zoals aandelen en obligaties. Deze financiële titels vormen een recht op toekomstig geld.
Ook is het mogelijk dat partijen de aangegane verplichtingen vastleggen in de vorm van contractuele overeenkomsten die uitsluitend in de boeken van de betrokken partijen verschijnen. Denkt u hierbij aan een spaartegoed van een particulier bij een bank of aan een kortlopende lening van een bank aan een particulier.
directe financiering middelen middelen eventuele bemiddeling directe titels directe titels
uiteindelijke uiteindelijke geldvragers geldgevers
indirecte titels indirecte titels financiële intermediairs middelen middelen indirecte financiering
Financiële instellingen vormen de schakel tussen partijen die geld overhebben (sparen) en partijen die geld tekort hebben (lenen). Deze instellingen vervullen als tussenpersonen een belangrijke rol bij de afstemming van vraag en aanbod op de financiële markten.
De afstemming tussen vraag naar en aanbod van vermogen kan plaatsvinden doordat financiële instellingen direct bemiddelen bij die transacties. Financiële instellingen functioneren hier als bemiddelaar. Dat wil zeggen dat zij alleen behulpzaam zijn bij de afwikkeling van zaken tussen de uiteindelijke vrager en aanbieder. De aanbieder van het vermogen ontvangt de financiële titels van de geldvrager.
Daarnaast kunnen financiële instellingen zich opstellen als intermediair. Ondernemingen en overheden die een tekort aan financiële middelen hebben, bieden een bank financiële titels aan. Zij wensen voor deze titels vermogen. De financiële instellingen trekken vermogen aan van partijen met een overschot en geven deze vervolgens door aan de geldvragers. De financiële instellingen behouden zelf de titels van de geldvragers en geven zelf financiële titels uit.
1.2.2 Vermogensmarkt
1.2.2.1 Geldmarkt
Op de geldmarkt worden geldmiddelen verhandeld met een looptijd van minder dan één jaar. De geldmarkt wordt gekenmerkt door participanten op deze markt met kortstondige kasoverschotten en -tekorten. Op de geldmarkt treden, zoals op iedere markt, aanbieders van en vragers naar (geld)leningen met elkaar in contact. Door het aanbod van en de vraag naar geld wordt de hoogte van de rente bepaald. Als de geldmarkt stabiel is, dat wil zeggen, als vraag en aanbod met elkaar in evenwicht zijn, dan zal de rente niet aan schommelingen onderhevig zijn.
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT Is de vraag groter dan het aanbod, dan zal de rente een stijgende tendens hebben. Als het aanbod groter is dan de vraag, zal de rente dalen in plaats van stijgen.
De geldmarktrente wordt bepaald door de ECB. De markt voor geldleningen in Nederland wordt niet alleen beïnvloed door lokale Nederlandse omstandigheden. De Nederlandse markt ondervindt ook de invloed van de ontwikkelingen op de internationale geldmarkten.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de rente op de geldmarkt niet alleen te maken heeft met nationale vraag- en aanbodfactoren, maar ook met internationale ontwikkelingen zoals conjunctuur en crises. Kortom, de rente op de geldmarkt wordt ook door het buitenland bepaald.
1.2.2.2 Kapitaalmarkt
Op de kapitaalmarkt, waar geldmiddelen met een middellange of een lange looptijd worden verhandeld, handelen de marktpartijen met langdurige kasoverschotten of kastekorten. Deze overschotten en tekorten kunnen zelfs een permanent karakter hebben. De ontwikkeling van de rente, zoals wij beschreven bij de geldmarkt, geldt ook op de kapitaalmarkt. De kapitaalmarktrente komt tot stand door vraag en aanbod van geldgevers en -vragers.
1.3 INDICATOREN BELEGGINGSBESLISSINGEN
Een indicator is een getal dat een betrouwbare aanwijzing is voor de waarde van iets. Bij beleggen zijn dergelijke indicatoren van belang doordat zij aangeven welke kant het opgaat met de economie. Beleggers laten zich hierdoor leiden bij het nemen van hun beleggingsbeslissingen.
Er worden veel indicatoren gebruikt om voorspellingen te doen over de economie. Wij gaan in op de volgende indicatoren: • economische groei • rente.
1.3.1 Economische groei
Onder ‘economische groei’ verstaan we een toename van economische activiteit vergeleken met een eerder meetpunt. De schommelingen van de economische groei noemen we ‘conjunctuur’. Hierin wisselen periodes van hoogconjunctuur (sterkere groei) zich af met periodes van laagconjunctuur (tragere) of zelfs crisis (negatieve groei).
Om de economische groei aan te geven, gebruiken we meestal de procentuele toename van het bruto nationaal product (bnp) of bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking over een bepaalde periode (jaarlijks, per kwartaal of maandelijks). Het bnp geeft aan wat door de inwoners van een bepaald land wordt verdiend. Het is gelijk aan het bbp plus het inkomen van inwoners in het buitenland minus het inkomen van buitenlanders in het binnenland. Veranderingen in het bbp zijn een betere maatstaf voor de actuele economische groei dan veranderingen in het bnp. Dit laatste omvat behalve de feitelijke productie ook bijvoorbeeld opbrengsten uit eerdere investeringen in het buitenland.
Het bbp geeft de waarde weer van de totale productie in Nederland. De totale productie van goederen en diensten binnen een land is gelijk aan de totale vraag naar goederen en diensten plus de export van goederen en diensten minus de import van goederen en diensten (binnenland + export - import). Het bbp is een belangrijke maatstaf voor de economische prestaties van een land.
Een stijging van het bbp kan worden gesplitst in een stijging van het volume van de productie en een stijging van het prijspeil (inflatie). Een onverwacht sterke stijging van het bbp kan aanleiding geven tot inflatieangst en kan rentes doen stijgen.
1.3.2 Inflatie
De inflatie is ook een belangrijke indicator voor de ontwikkeling van de economie. Zowel een te hoge inflatie als deflatie (te lage) is dramatisch voor de economie.
Inflatie is in de economie het verschijnsel dat geld steeds minder waard wordt. Een inflatie van ongeveer twee procent per jaar wordt door de ECB als acceptabel beschouwd. Een product dat in enig jaar € 100 kost, zal het volgende jaar € 102 kosten. Als de lonen even sterk stijgen als de inflatie blijft de koopkracht gelijk. Bij een minder sterke stijging van de lonen daalt de koopkracht. Het handhaven van een lage inflatie is een belangrijk doel van de Nederlandse overheid of centrale bank. In Europa is dat de ECB.
Wij gaan nu in op de diverse soorten inflatie en de manieren waarop die bestreden kan worden. In het verleden heeft de econoom Irving Fisher een vergelijking ontwikkeld - de verkeersvergelijking van Fisher genaamd - waarmee de inflatie kan worden verklaard:
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT MxV=PxT waarbij: M = monetaire geldhoeveelheid V = omloopsnelheid van het geld P = prijs van de goederen T = aantal transacties
De monetaire geldhoeveelheid is de hoeveelheid geld die de centrale bank in omloop heeft gebracht om de consumenten en producenten hun betalingen te laten doen. De omloopsnelheid van het geld is het aantal keren dat het geld in een jaar wordt uitgegeven. Naarmate het geld vaker wordt uitgegeven, zal minder in omloop hoeven te zijn bij een gegeven bnp.
Voorbeeld Stel dat het bnp € 300 miljard is en de omloopsnelheid van het geld is drie. De centrale bank zal dan € 100 miljard in omloop moeten brengen. Is de omloopsnelheid daarentegen zeven, dan hoeft de centrale bank slechts € 50 miljard in omloop te brengen.
Wanneer de centrale bank meer geld in omloop brengt dan noodzakelijk is, ontstaat de kans op monetaire inflatie. Immers, als V (omloopsnelheid van het geld) en T (aantal transacties) gelijk blijven dan betekent een verhoging van M (monetaire geldhoeveelheid ) een verhoging van P (prijs van de goederen), oftewel een verhoging van het algemene prijsniveau. Om inflatie te doorbreken, is het van belang te weten met welk soort inflatie een land te maken heeft.
1.3.2.1 Monetaire inflatie
Monetaire inflatie wordt veroorzaakt door een te grote hoeveelheid geld die aanwezig is. Deze inflatiesoort is te bestrijden door de in omloop zijnde geldhoeveelheid te beperken.
1.3.2.2 Bestedingsinflatie
Bestedingsinflatie ontstaat door een te grote vraag van consumenten. Bij een positief consumentenvertrouwen en een grote bestedingsdrang worden producenten in staat gesteld de prijzen te verhogen zonder dat de vraag van de consumenten naar producten afneemt. Deze prijsstijging ontstaat vaak na een lange periode van economische groei, waarbij de consument duidelijk heeft meegeprofiteerd. De productiecapaciteit van de economie wordt dan meestal volledig benut, waardoor producenten zonder nieuwe investeringen niet nog meer producten kunnen maken. Het alternatief is in dit geval een verhoging van de prijzen. 23
In de verkeersvergelijking van Fisher betekent dit dat T (aantal transacties) niet meer kan stijgen door een beperkte productiecapaciteit. M (monetaire geldhoeveelheid) en eventueel V (omloopsnelheid van het geld) stijgen wel door de positief ingestelde consument, waardoor P (prijs van de goederen) stijgt en er bestedingsinflatie ontstaat.
Bestedingsinflatie wordt veroorzaakt door de consument en is te bestrijden door een restrictief monetair beleid te voeren dat is gericht op het afremmen van de bestedingen. Door de rente te verhogen, wordt het duurder om geld te lenen en daarmee bestedingen te verrichten. De consument zal de bestedingen beperken en de inflatie zal afnemen.
1.3.2.3 Kosteninflatie
Kosteninflatie ontstaat doordat de productiekosten stijgen. De productiekosten kunnen worden verdeeld in grondstofkosten, arbeidsloon, rente en valutaschommelingen. Voornamelijk de eerste twee kostensoorten zijn vaak de oorzaak van kosteninflatie.
Kosteninflatie wordt veroorzaakt door de kostencomponenten van het productieproces. Omdat de prijs van grondstoffen op de wereldmarkt wordt bepaald, is het beïnvloeden van deze prijzen door een individueel land vrijwel onmogelijk. Hierdoor is deze inflatiesoort moeilijk te bestrijden.
1.3.2.4 Looninflatie
Looninflatie is te bestrijden door goed overleg tussen werkgevers en werknemers in de jaarlijkse loonrondes. Belangrijk voor de bestrijding van kosteninflatie is dat meerdere economische participanten nodig zijn. Echter, deze hebben vaak tegenstrijdige belangen. Bij looninflatie zijn dat werkgevers en werknemers. Om deze reden is het bestrijden van kosteninflatie moeilijker dan bestedings- of monetaire inflatie. De centrale bank kan meestal met rente- en monetair beleid de bestedings- en monetaire inflatie eigenhandig beïnvloeden.
1.3.2.5 Deflatie
Deflatie ontstaat wanneer de prijzen van goederen structureel dalen. Dit verschijnsel deed zich voor in de grote depressie van de jaren dertig in de Verenigde Staten en Europa en ook in 2015. Vaak is een beperkt vertrouwen van zowel consumenten als producenten in de toekomst de oorzaak. Is er eenmaal sprake van deflatie, dan neigen consumenten er ook toe de bestedingen verder te beperken doordat geanticipeerd wordt op verdere 24 prijsdalingen. Om dit tegen te gaan, kan de overheid stimuleringsmaatrege-
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT len afkondigen en de structuur van de economie zodanig proberen te veranderen dat zowel consumenten als producenten de toekomstverwachtingen positief bijstellen.
1.3.2.6 Stagflatie
Stagflatie is een samentrekking van de woorden stagnatie en inflatie. Stagflatie is een verschijnsel waarbij economische stagnatie (krimp) samengaat met inflatie. Begin 20ste eeuw hielden de meeste economen dit voor onmogelijk: bij groei hoorde een prijsstijging (inflatie), bij krimp een prijsdaling (deflatie). De econoom Milton Friedman voorspelde dat stagflatie wel degelijk mogelijk was. In de jaren ‘70 bleek in Amerika zijn voorspelling in de praktijk.
De gangbare benadering gaat bij prijswijzigingen alleen van een wijziging in vraag naar producten uit. Prijzen zijn ook afhankelijk van het aanbod van een goed. Als bedrijven minder aanbieden (omdat zij bijvoorbeeld moeten inkrimpen), zullen de prijzen van dit goed bij een gelijkblijvende vraag dus gaan stijgen. Terwijl de productie terugloopt, loopt de prijs op.
Stagflatie is zeer moeilijk te bestrijden. Als men inflatoire maatregelen toepast, wordt inflatie nog verder in de hand gewerkt, en deflatoire maatregelen doen de toch al stijgende werkloosheid nog verder toenemen. Belastingverlaging kan bij stagflatie tot verbetering leiden, terwijl belastingverhoging stagflatie in de hand kan werken.
1.3.2.7 Monetair versus overheidsbeleid
Binnen de macro-economie zijn twee belangrijke beleidsinstrumenten voorhanden om de economie te sturen. Enerzijds kan (alleen) de overheid door budgettair beleid de economie in een bepaalde richting sturen met behulp van belastingen en overheidsuitgaven. Anderzijds kan door (alleen) de centrale bank met behulp van het (korte)rente-instrument de economie in een bepaalde richting worden gestuurd.
Er bestaan binnen het macro-economisch denken twee stromingen over de mate waarin en het tijdstip waarop welk beleidsinstrument gebruikt moet worden: de Keynesianen, die voor een sterke overheid met een gericht budgettair beleid pleiten, en de monetaristen, die niet geloven in de overheid en eigenlijk alleen monetair beleid als effectief beschouwen.
De kern van het debat tussen deze twee stromingen gaat over de invloed van de algemene rentestand. De Keynesianen menen dat de rentestand niet of nauwelijks invloed heeft op het gedrag van producenten. Ook zal het gedrag van beleggers niet worden beïnvloed bij een kleine rentewijziging. De over- 25
heid zal daarom moeten zorgen voor een positieve stemming onder producenten door de economie te stimuleren met grote investeringsprojecten. Hierdoor ontstaat een grotere vraag naar goederen en diensten en zullen producenten hun productiecapaciteit uitbreiden om zodoende aan de vraag te kunnen voldoen.
De monetaristen beweren dat de rente van wezenlijk belang is voor het gedrag van producenten. Bij een hoge rente zullen producenten weinig investeren, bij een lage rente zullen de investeringen hoog zijn. Ook zijn beleggers volgens de monetaristen erg gevoelig voor kleine veranderingen in de rente, zodat minder transacties zullen worden verricht als de rente licht stijgt.
Soms is het Keynesiaans stimuleringsbeleid effectief en soms het monetair beleid. In de jaren dertig waren zowel ondernemers als consumenten erg negatief. Het is hoofdzakelijk aan de doorgevoerde stimuleringsmaatregelen (Keynesiaanse model) in de Amerikaanse economie te danken dat de wereldeconomie weer op gang kwam. Daarentegen waren de overmatige bestedingen van de overheden in de jaren zeventig een belangrijke oorzaak van de hoge inflatie en rentestand, waardoor vele ondernemingen failliet gingen. Het Keynesiaans beleid werkt goed in tijden van sterke onderbezetting van het productieapparaat als gevolg van een negatieve consument en producent. Het monetair beleid werkt goed in tijden van hoge inflatie als gevolg van externe schokken.
1.3.3 Niveau rentevoeten
De rente is een belangrijke indicator voor beleggers met betrekking tot hun beleggingsbeslissingen. Rente kan worden onderscheiden in geldmarkt- en kapitaalmarktrente.
1.3.3.1 Beleggingsbeslissing
De overschotsectoren moeten besluiten op welke wijze zij hun overschot aan middelen gaan beleggen. Ze hebben daarbij de keuze uit diverse soorten financiële titels, zoals aandelen, obligaties, spaarrekeningen enzovoort. De financiële titels zijn onderling verschillend, waarover later meer.
De verdeling van de middelen van de overschotsectoren over de tekortsectoren vindt plaats op basis van het prijsmechanisme dat werkzaam is op de financiële markten. Er bestaat voor elke soort financiële titel een eigen financiële markt met een eigen prijs, vaak uitgedrukt in de vorm van een rentevoet. De hoogte van de rentevoet is de vergoeding voor het ter beschikking stellen van middelen op de betreffende markt. Er bestaan in beginsel 26 dan ook evenveel rentevoeten als er financiële markten zijn.
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT Verschillen in de hoogte van de rentevoeten zijn terug te voeren op verschillen in onder meer looptijd en risico van de titels. Hierna bespreken we kort een aantal factoren dat van belang is voor de hoogte van de rentevoeten op de verschillende deelmarkten van de geld- en de kapitaalmarkt, te weten: • buitenland • wisselkoersverwachtingen • inflatieverwachtingen.
1.3.3.2 Invloed buitenlandse rente
Naarmate een economie minder beperkingen heeft voor het internationale kapitaalverkeer en opener is, is het binnenlandse renteniveau sterker afhankelijk van het renteniveau in het buitenland. Ook de omvang van de economie is in dit verband van belang. De financiële markten in kleinere landen worden namelijk sterker beïnvloed door internationale ontwikkelingen dan die in grotere landen.
1.3.3.3 Wisselkoersverwachtingen
Verschillen in internationale renteniveaus komen onder meer door de verwachte veranderingen in wisselkoersen. De wisselkoers is de ruilverhouding tussen valuta’s en is gedefinieerd als het aantal eenheden van de eigen valuta ten opzichte van één eenheid van de vreemde valuta. Met verandering in de wisselkoers kan bedoeld zijn de devaluatie (depreciatie) of de revaluatie (appreciatie) ten opzichte van een vreemde valuta. Bij een depreciatie wordt de eigen valuta minder waard; de aanschaf van één eenheid vreemde valuta kost meer eenheden eigen valuta. Bij een appreciatie wordt de eigen valuta ten opzichte van vreemde valuta’s meer waard.
Wisselkoersverwachtingen zijn een bepalende factor voor de hoogte van de rente.
1.3.3.4 Inflatieverwachting
De inflatieverwachting vormt een andere bepalende factor voor de hoogte van de rente. Inflatie is van belang voor de hoogte van de rente doordat de reële renteopbrengst van een belegging bepaald wordt door de feitelijke prijsveranderingen tijdens de looptijd van een belegging.
Voorbeeld Stel dat gedurende een bepaalde periode tegen een rentevoet (rendement) van vijf procent kan worden belegd. Dit kan voor partijen die willen beleggen een bevredigend rendement op de beleggingen zijn.
Anders wordt het wanneer tijdens de beleggingsperiode een algemene stijging van de prijzen optreedt. Weliswaar zal het nominale rendement vijf procent blijven, maar als gevolg van inflatie zal er koopkrachtverlies ontstaan op de beleggingen en de verwachte opbrengst daarvan. Hierdoor zal het reële rendement, dit is het rendement van de belegging gecorrigeerd voor het opgetreden verlies aan koopkracht, lager zijn dan het nominale rendement. In het geval dat de feitelijke inflatie ten tijde van de belegging drie procent is geweest, zal het reële rendement aan het eind van de beleggingsperiode maar twee procent (vijf minus drie procent) bedragen. Wanneer de prijzen zouden stijgen met meer dan vijf procent, zal er zelfs sprake zijn van een negatief reëel rendement.
Beleggers zullen hun beslissingen baseren op een nagestreefde waarde voor het reële rendement. Verwachten de beleggers gedurende de beleggingsperiode inflatie, dan zullen zij een vergoeding verlangen voor het te verwachten koopkrachtverlies. Dit kunnen zij doen door een hogere nominale rente te eisen. Het verwachte koopkrachtverlies wordt dan gecompenseerd met een hogere renteopbrengst. Het geëiste reële rendement blijft dan gelijk.
1.3.3.5 Hypothecair plan en inflatie
De vraag ligt voor of een hypothecair plan zonder inflatiedoorberekening steekhoudt. Inflatie kan een grote rol spelen in een hypothecair plan en dus op de haalbaarheid van de doelen van de cliënt. Om het realiteitsgehalte van een hypothecair plan te verhogen, zou het effect van inflatie meegenomen kunnen worden.
De meeste gangbare methode om inflatie te verwerken binnen een hypothecair plan is door te werken met de reële koopkrachtbenadering. Bij deze methode worden alle bedragen weergegeven in en terugkerend naar de waarde in ‘euro’s van nu’. Dit gebeurt ook op deze manier in opgaven door pensioenuitvoerders van toekomstige pensioen- en AOW-uitkeringen. Ook schulden en vermogensbestanddelen worden teruggerekend naar euro’s van nu. Een aflossingsvrije hypotheek of een vermogensbestanddeel zonder rendement nemen bij deze methode af. Het voordeel van de reële koopkrachtbenadering is dat de cliënt zich sneller herkent in deze bedragen.
Behalve voor het realiteitsgehalte van een hypothecair plan speelt inflatie in werkelijkheid ook een belangrijke rol. Denkt u hierbij bijvoorbeeld aan indexatie van pensioenregelingen. Het lijkt dat betrokkenen op dat moment zich realiseren dat een gelijkblijvend pensioeninkomen een verlies aan koopkracht betekent.
Voorbeeld
ALGEMEEN ECONOMISCH INZICHT Een nominaal gelijkblijvend pensioen betekent bij een inflatie van twee procent per jaar een verlies aan koopkracht dat na 20 jaar 32,7 procent bedraagt. Een half procent meer aan gemiddelde inflatie (2,5 procent) leidt tot een verlies van 39 procent aan koopkracht na 20 jaar.
Gezicht op Arnhem, Jan van Goyen, ca. 1644
2. WETGEVING
2.1 INLEIDING
Het geven van een beleggingsadvies begint met het inventariseren van de situatie van de klant. Er kan pas een goed advies gegeven worden als bekend is wie de klant is en wat hij wil. Dit betekent dat de financiële situatie van de klant in kaart moet worden gebracht en vastgesteld moet worden wat zijn wensen zijn. Aan de hand van de inventarisatie van de financiële situatie kan bepaald worden of de wensen van de klant wel haalbaar zijn. Wanneer de situatie van de klant in kaart is gebracht, kan hij in een categorie worden ingedeeld. Een dergelijke categorie wordt ook wel een ‘klantprofiel’ genoemd.
Nadat het klantprofiel is vastgesteld, krijgt hij een beleggingsadvies. Er wordt een financieel product aan het klantprofiel gekoppeld. Het is belangrijk dat het beleggingsproduct goed bij het vastgestelde klantprofiel past en dat dit ook aantoonbaar is. Als dit niet het geval is, riskeert de beleggingsadviseur dat de klant een claim indient, met alle mogelijke gevolgen van dien. De bewijslast voor het geven van goed advies ligt bij de beleggingsadviseur.
De wetgever heeft de financiële instellingen verplicht over de belangen van hun klanten te waken. Financiële instellingen hebben de plicht om goed voor hun klanten te zorgen en moeten bij de advisering in het belang van de cliënt handelen. Het ‘handelen in het belang van de klant’ kan op gespannen voet komen te staan met de verdiensten van de beleggingsadviseur. Deze kan namelijk zijn eigen belangen belangrijker vinden dan die van de klant. Voor de bescherming van klanten zijn verschillende organisaties verantwoordelijk. Deze organisaties worden toezichthouders genoemd. De toezichthou- 31
ders houden er toezicht op toe dat de financiële instellingen handelen in het belang van de klanten en hebben de financiële instellingen zorgplichtregels opgelegd. Op deze plaats gaan wij in op een aantal aspecten van wetgeving op financieel en beleggingsadvies.
2.2 TOEZICHTHOUDERS
Tot 2002 waren er verschillende toezichthouders die ieder verantwoordelijk waren voor bepaalde sectoren van de financiële markt: • DNB voor de bankensector. • Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) voor de verzekeringssector. • Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor de beleggingssector (toen nog als Stichting Toezicht Effectenverkeer - STE).
Deze werkwijze sloot niet meer aan bij de ontwikkelingen in de financiële sector. De sectoren gingen steeds meer samenwerken en verschillende soorten diensten aanbieden. Zo gingen banken verzekeringen verkopen en verzekeraars kredieten verstrekken et cetera. Ook werden de financiële producten ingewikkelder. Voorbeelden hiervan zijn de beleggingshypotheek en de combinaties van beleggings- en verzekeringsproducten. Door deze ontwikkelingen werd het steeds vaker onduidelijk welke toezichthouder verantwoordelijk was, mocht er zich een probleem voordoen in de financiële markt. Dit had een aantal gevolgen voor de financiële markt.
2.2.1 Veranderde marktbenadering
Een gevolg van de hiervoor geschetste marktontwikkelingen was dat de marktbenadering van de wetgevers veranderde. DNB en PVK fuseerden tot DNB. De Minister van Financiën is de hoofdverantwoordelijke wat betreft het toezicht op de financiële markten. DNB is prudentieel toezichthouder en richt zich vooral op het voorkomen van faillissementen van financiële instellingen. De AFM is gedragstoezichthouder en richt zich op het gedrag van de financiële dienstverlener ten opzichte van de klant.
Het toezicht van de AFM bestaat uit drie onderdelen: 1. registreren van gegevens. 2. periodiek toetsen van waargenomen feiten aan normen. 3. corrigeren.
WETGEVING Dit betekent dat de AFM gegevens van bedrijven verzamelt, onderzoekt of deze gegevens voldoen aan de wettelijke eisen en als dat niet het geval is, de bedrijven duidelijk maakt dat ze niet aan de wettelijke eisen voldoen.
Om het toezicht uit te voeren, beschikt de AFM over een aantal bevoegdheden, bijvoorbeeld: de bevoegdheid om informatie te verkrijgen en uit te wisselen en corrigerende en sanctionerende bevoegdheden.
2.2.1.1 Bevoegdheid informatie te verkrijgen en uit te wisselen
De AFM heeft de bevoegdheid om bij verschillende personen en instellingen de benodigde inlichtingen in te winnen. De instellingen moeten een zodanige administratie hebben dat bij een inspectie van de AFM eenvoudig kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de normen.
Aan de volgende zaken moeten de instellingen aandacht besteden: • maken van klantprofielen bij het geven van advies; • correct bijhouden van een klachtenadministratie; • aandacht schenken aan de incidentenregeling zoals deze moet worden gevoerd; • aangesloten zijn bij de geschillencommissie; • beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering; • aandacht blijven schenken aan de betrouwbaarheid van de medewerkers en collega beleidsbeslissers.
2.2.1.2 Corrigerende en sanctionerende bevoegdheden
Als niet aan de norm wordt voldaan, heeft de AFM als toezichthouder de bevoegdheid om naleving van de gestelde regels af te dwingen. Zij heeft dan ook diverse handhavingsinstrumenten ter beschikking. Deze bevoegdheden zijn bijvoorbeeld verlening van ontheffingen van wettelijke verplichtingen, het geven van een aanwijzing, het opleggen van een bestuurlijke boete of een dwangsom en het openbaar maken van overtredingen.
In bepaalde gevallen wordt bij overtredingen gekozen een strafrechtelijke procedure te starten, waarbij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst-Economische Controledienst (FIOD-ECD) onderzoek doet naar de overtreding. Dit gebeurt vooral bij zware overtredingen van de financiële wet.
Als hypothecair planner wordt van u verwacht dat u publicaties op het gebied van hypothecair krediet van de AFM op correcte wijze toepast. Zie hiervoor onder andere Bijlage 1 van deze module.
2.2.1.3 Stichting Dutch Securities Institute
Om het toezicht te verbeteren, werkt de AFM samen met de Stichting Dutch Securities Institute (DSI). DSI richt zich op de effectenspecialisten. Deze personen zijn actief in de handel, de bemiddeling, de advisering en het beheer van effecten. DSI heeft ten doel het vertrouwen van het beleggende publiek in de effectenbranche te versterken door middel van het verstrekken van een keurmerk aan gekwalificeerde effectenspecialisten.
Een ander doel was, tot 1 april 2007, het beslechten van geschillen tussen particuliere beleggers en deelnemende financiële instellingen. Klachten die bij de DSI zijn ingediend vóór 1 april 2007 vallen onder het reglement van de Klachtencommissie DSI en zullen volgens dit reglement afgewikkeld worden. Klachten die zijn ingediend ná1 april 2007 vallen onder het landelijke Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
2.2.1.4 Klachteninstituut Financiële Dienstverlening
Het Kifid is zowel van toepassing op klachten van particuliere beleggers als op alle klachten op het gebied van financiële dienstverlening.
Het Kifid hanteert als uitgangspunt dat een consument zijn klacht eerst aan zijn dienstverlener moet voorleggen. Deze klacht moet conform de interne klachtenprocedure van de financiële instelling worden afgewikkeld. Pas als de consument en de financiële instelling niet tot een oplossing komen, is de consument ontvankelijk bij het indienen van een klacht. Hierbij heeft de consument geen advocaat nodig en de uitspraak is bindend.
2.2.1.5 Markets in Financial Instruments Directive II
Het doel van MiFID II is het efficiënter en transparanter maken van de Europese financiële markten en het vergroten van de bescherming van beleggers. MiFID II wijzigt bepaalde regelgeving voor beleggingsondernemingen en handelsplatformen.
De herziening van MiFID I en de introductie van de Markets in Financial Instruments Regulation (MiFIR) worden samen aangeduid als ‘MiFID II’. MiFIR is een Europese verordening.
MiFID II, dat begin 2018 in werking trad, heeft als doel de tekortkomingen van MiFID I te repareren en de ordelijke werking van de financiële markten en de bescherming van beleggers te versterken.
WETGEVING MiFID I is herzien omdat grote veranderingen op de kapitaalmarkten deze richtlijn hebben ingehaald. De tekortkomingen van MiFID I waren onder andere op het gebied van transparantie, toezicht op OTC-handel (over-thecounter) en technologische ontwikkelingen, zoals High Frequency Trading (HFT). Ook waren er onvoldoende regels voor markten die tot dat moment weinig gereguleerd zijn, zoals de handel in derivaten en gestructureerde producten.
Beleggersbescherming is een belangrijk onderdeel van MiFID II. Door aangescherpte gedragsregels is de bescherming van beleggers toegenomen.
Beleggingsondernemingen moeten vanaf de invoering van MiFID II meer informatie verstrekken over de kosten van een beleggingsdienst en over de onafhankelijkheid van hun beleggingsadvies.
Daarnaast moet bijvoorbeeld personeel met klantcontact voldoen aan vakbekwaamheidseisen. Door het stellen van organisatorische eisen biedt MiFID II meer beleggingsbescherming. Bijvoorbeeld doordat regels voor productontwikkeling ook voor beleggingsondernemingen gelden.
Ook zijn beleggingsondernemingen verplicht te rapporteren over de transacties die zij uitvoeren. Daarvoor hebben zij onder andere klantinformatie nodig, zoals het paspoortnummer of nationaal identificatienummer. De paspoort- en identiteitsgegevens worden uitsluitend gebruikt voor de toezichtdoeleinden en worden beschermd conform de Europese Wetgeving.
Op basis van MiFID II/MiFIR heeft de AFM een productinterventiebevoegdheid. Hiermee kan de AFM het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van een financieel instrument of gestructureerde deposito verbieden of beperken. Ook kan de AFM een soort financiële activiteit of praktijk verbieden of beperken. De AFM kan deze bevoegdheid inzetten als er significante zorgen zijn over de beleggersbescherming. Daarnaast kan de AFM de bevoegdheid inzetten bij bedreiging van de financiële markten of grondstoffenmarkten of het financiële stelsel.
MiFID II kent belangrijke regels op het gebied van grondstoffenderivaten, emissierechten en derivaten daarvan. Partijen die voor eigen rekening handelen in deze financiële instrumenten zijn onder MiFID II in beginsel vergunningplichtig. Partijen die voor eigen rekening willen handelen in grondstoffenderivaten of emissierechten of derivaten daarvan moeten over een vergunning beschikken of zich gemeld hebben bij de AFM.
MiFID II veranderde de marktstructuur en transparantie van Europese kapitaalmarkten op een aantal belangrijke punten. Zo is de vergunningplicht voor handel voor eigen rekening uitgebreid, bijvoorbeeld bij directe elektronische toegang en high frequency trading.
Ook is een nieuw type handelsplatform geïntroduceerd: de Organised Trading Facility. Daarnaast worden de verplichtingen met betrekking tot pre- en post trade transparantie en transactierapportage uitgebreid. Het doel van de MiFID II/MiFIR regels voor transactierapportage is om beter inzicht te krijgen in het handelsgedrag van marktpartijen en om de opsporing van marktmisbruik te verbeteren.
Met de inwerkingtreding van MiFID II zijn meer partijen gehouden aan de vergunningplicht. Daarnaast is de vergunningplicht uitgebreid voor bepaalde partijen.
2.2.1.6 Digital Operational Resilience Act
Digital Operational Resilience Act (DORA) is een Europese wet die financiële instellingen verplicht om hun digitale weerbaarheid en cybersecurity te versterken.
De belangrijkste punten van DORA zijn: • Brede reikwijdte DORA geldt voor banken, verzekeraars, pensioenfondsen, beleggingsondernemingen, en andere financiële instellingen. Ook IT-dienstverleners die met deze bedrijven werken, vallen onder de wet. • Verplichte risicobeheermaatregelen Financiële instellingen moeten sterke cybersecurity- en IT risicobeheersystemen opzetten. Ze moeten continu hun IT-systemen testen en kwetsbaarheden verhelpen. • Incidentrapportage Alle cyberincidenten moeten snel worden gemeld bij toezichthouders zoals DNB en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA). • Toezicht en sancties Toezichthouders krijgen meer macht om boetes op te leggen als bedrijven zich niet aan de regels houden. Dit zorgt voor een veiliger digitaal financieel systeem.
DORA is sinds 17 januari 2023 gedeeltelijk in werking en geldt vanaf 17 januari 2025 volledig. Financiële instellingen moeten vóór die tijd voldoen aan de 36 nieuwe eisen.
WETGEVING Als hypothecair plan krijgt u met DORA te maken, vooral op het gebied van digitale veiligheid, gegevensbescherming en compliance.
Dit zijn de belangrijkste invloeden op uw werk: 1. Strengere eisen voor gegevensbescherming: hypothecair planners verwerken veel persoons- en financiële gegevens. DORA vereist dat deze gegevens beter worden beveiligd tegen hacks, datalekken en cyberaanvallen. Dit betekent dat u moet werken met goed beveiligde software en versleutelde communicatie. 2. Verplichte risicobeoordeling en continuïteitsplanning: financiële instellingen, inclusief hypothecair planningskantoren, moeten IT-risico’s in kaart brengen. Dit kan betekenen dat u periodiek een cybersecurity-audit moet uitvoeren. Daarnaast is een plan vereist om door te werken bij IT-storingen of cyberaanvallen. 3. Striktere regels voor samenwerking met IT-dienstverlener: in het geval u software gebruikt voor hypothecaire planning of klantbeheer, moet die software voldoen aan DORA-normen. Bankinstellingen en grote financiële instellingen zullen hier streng op controleren. Dit kan betekenen dat sommige softwareleveranciers hun systemen moeten aanpassen of dat u een overstap moet maken naar veiligere tools. 4. Incidentrapportage: als er een cyberincident plaatsvindt (bijvoorbeeld een hack of datalek), moet u dit mogelijk verplicht melden bij toezichthouders. Dit kan via DNB of AFM, afhankelijk van de situatie. 5. Mogelijke impact op klantvertrouwen en compliance: klanten worden steeds bewuster van privacy en digitale veiligheid. Door te laten zien dat u werkt volgens de DORA-standaarden, kunt u het klantvertrouwen vergroten. U voorkomt boetes of problemen met toezichthouders door tijdig aan de wetgeving te voldoen.
Een datalek kan grote gevolgen hebben. Als hypothecair planner werkt u met gevoelige klantgegevens, zoals inkomensgegevens, BKR-informatie en belastingaangiftes.
Snel en correct handelen is cruciaal: 1. Beoordeel de ernst van het datalek – Wat is gelekt? (Bijvoorbeeld NAW-gegevens, financiële documenten, BSN, wachtwoorden) – Hoe is het gebeurd? (Bijvoorbeeld phishing, hack, verkeerd verstuurde e-mail) – Wie is getroffen? (Eén klant of meerdere? Zijn derden betrokken?) Als er een risico is op misbruik van persoonsgegevens, moet je dit melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
2. Onderneem direct actie om de schade te beperken Sluit het lek: – trek de toegang in als het om een verkeerd verzonden e-mail of bestand gaat. – schakel IT-ondersteuning in als het een hack betreft. – informeer betrokkenen (klanten, medewerkers, IT-afdeling). – wees transparant en geef aan wat er is gebeurd en welke stappen u neemt. – adviseer klanten om alert te zijn op misbruik (zoals phishing of identiteitsfraude).
3. Meld het datalek (indien nodig) – Binnen 72 uur melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) via hun meldloket. – Meldplicht aan de klant: Als er een hoog risico is op schade (zoals identiteitsfraude), moet u de betrokken klanten direct informeren.
Let op: kleine lekken (zoals een verkeerd geadresseerde e-mail zonder gevoelige info) hoeft u niet altijd te melden, maar moet u wel intern registreren.
4. Voorkomen van toekomstige datalekken – Gebruik veilige communicatiekanalen (geen gevoelige info via e-mail zonder encryptie). – Sterke wachtwoorden en tweestapsverificatie instellen op alle accounts. – Medewerkers trainen op phishing en cyberveiligheid. – Werk met betrouwbare software die voldoet aan DORA- en AVG-eisen.
5. Wat kunt u als hypothecair planner verder doen? – Gebruik beveiligde systemen voor klantgegevens en communicatie. – Werk met softwareleveranciers die voldoen aan de DORA-eisen. – Houd IT-risico’s en cyberdreigingen in de gaten. – Zorg voor een actieplan bij storingen of cyberaanvallen. – Informeer uzelf over incidentrapportageverplichtingen.
2.2.1.7 Erkenningsregeling KCAF
De Erkenningsregeling KCAF (Kwaliteitscriteria voor Adviseurs in Financiële Diensten) is een regeling die door de AFM in Nederland wordt gebruikt om de kwaliteit van de financiële adviespraktijk te waarborgen. De regeling heeft als doel om financieel adviseurs en bemiddelaars te voorzien van een keurmerk dat aantoont dat ze voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen op het gebied van advies en dienstverlening.
WETGEVING De Erkenningsregeling KCAF is gericht op het bevorderen van professionele en ethische standaarden binnen de sector en is bedoeld om het vertrouwen van consumenten in de financiële dienstverlening te vergroten. De regeling is van toepassing op verschillende categorieën bedrijven en partijen in de financiële sector die financieel advies verstrekken, waaronder hypothecair planners, pensioenadviseurs, en verzekeringsadviseurs. Het doel van de Erkenningsregeling KCAF is om bedrijven en adviseurs die financiële producten aanbieden of adviseren, te helpen voldoen aan de hoogste normen van klanttevredenheid, transparantie, en betrouwbaarheid. Het is een manier om de kwaliteit van financieel advies in de markt te waarborgen en te verbeteren.
De regeling is gebaseerd op een set van kwaliteitscriteria waaraan bedrijven en adviseurs moeten voldoen om erkend te worden. De criteria zijn gericht op verschillende aspecten van het adviesproces, zoals: • opleiding en vakbekwaamheid: adviseurs moeten beschikken over de juiste opleidingen en certificeringen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan eisen met betrekking tot kennis van de wet- en regelgeving, producten en diensten, en ethische standaarden. • klantenservice en transparantie: de adviseur moet transparant zijn over de kosten van het advies, de aard van de producten, en de mogelijke risico’s voor de klant. • Adviesproces: het advies moet op maat zijn en afgestemd op de persoonlijke situatie van de klant. Het advies moet goed onderbouwd zijn en rekening houden met de risico’s van de producten die worden aanbevolen. • Klacht- en geschillenregeling: bedrijven moeten een systeem hebben voor het afhandelen van klachten en geschillen, waarbij de klant altijd recht heeft op een eerlijke behandeling.
De Erkenningsregeling KCAF is van toepassing op verschillende categorieën bedrijven en partijen in de financiële sector, bijvoorbeeld: hypothecair planners, pensioenadviseurs, verzekeringsadviseurs en adviseurs banksparen.
Er worden strikte voorwaarden gesteld aan bedrijven en adviseurs die zich willen laten erkennen onder de regeling. Enkele van de belangrijkste voorwaarden zijn: • vakbekwaamheidseisen: adviseurs moeten beschikken over de nodige diploma’s en certificaten, zoals de Wft-certificaten, afhankelijk van de soort dienstverlening. • voldoende ervaring: er wordt vaak ook gekeken naar de ervaring van de adviseur in het vakgebied om te zorgen voor een gedegen en kwalitatief advies. • bedrijfscultuur en integriteit: bedrijven moeten een ethische bedrijfscultuur bevorderen, met aandacht voor de belangen van de klant. Dit bete- 39
kent ook dat bedrijven zich houden aan de gedrags- en integriteitsregels die de sector en de regeling voorschrijven. • compliance met wet- en regelgeving: de erkende bedrijven moeten voldoen aan alle relevante wet- en regelgeving in de financiële sector, zoals de Wft, de AVG voor privacy, en de DORA-regelgeving voor digitale veiligheid, afhankelijk van de aard van de dienstverlening. De AFM houdt actief toezicht op de naleving van de KCAF-regeling. De AFM heeft het recht om de erkende bedrijven en adviseurs regelmatig te controleren om te zorgen dat ze blijven voldoen aan de gestelde eisen. In het geval bedrijven of adviseurs niet voldoen aan de eisen, kan de erkenning worden ingetrokken of opgeschort.
Na succesvolle toetsing en goedkeuring van het dossier wordt een keurmerk afgegeven aan de adviseur of het bedrijf. Dit keurmerk wordt gebruikt om het vertrouwen van klanten te winnen en te tonen dat het bedrijf voldoet aan de kwaliteitsnormen van de Erkenningsregeling KCAF.
2.2.1.8 Productinnovaties
Op het gebied van hypothecaire planning zijn er verschillende productinnovaties die het werk van hypothecair planners kunnen vergemakkelijken en de klantbeleving kunnen verbeteren:
1. Digitaal hypotheekadvies en online platforms – Online adviesplatforms: er ontstaan steeds meer platforms die klanten in staat stellen om hun hypotheekaanvraag online in te dienen en zelfs via een digitaal adviesproces een hypothecaire geldlening te krijgen, zonder dat ze fysiek naar een adviseur hoeven. Dit biedt gemak voor zowel klanten als adviseurs. – Zelfservice tools: klanten kunnen via tools zelf simulaties doen van hypotheekbedragen, rentepercentages en maandlasten, zodat ze een beter idee krijgen van hun mogelijkheden voordat ze advies inwinnen. – Online portalen voor hypotheekaanvragen: systemen zoals HDN en Ockto stellen adviseurs in staat om snel en efficiënt gegevens op te halen bij klanten en geldverstrekkers, waardoor de administratieve rompslomp vermindert en het adviesproces versnelt.
2. Regiepartijen en samenwerking met geldverstrekkers – Regiepartijen: zoals we later bespreken, regelt een regiepartij de communicatie tussen hypotheekadviseurs en geldverstrekkers. Dit zorgt voor een sneller en efficiënter proces van aanvraag tot goedkeuring en biedt een breder scala aan hypotheekproducten van verschillende aanbieders.
WETGEVING – white-label hypotheekadviesplatformen: sommige advieskantoren kunnen gebruikmaken van een platform waarin de achterliggende technologie van een regiepartij verstopt zit. Hierdoor kan het adviesproces geautomatiseerd worden en kan de adviseur zich meer richten op het persoonlijke advies.
3. Gepersonaliseerde hypotheekproducten – Hypotheken op maat: meer geldverstrekkers bieden flexibele producten aan die zijn afgestemd op specifieke situaties van de klant, zoals hypotheken voor ZZP’ers, starters, of klanten met een tijdelijke arbeidscontract. – Groene hypotheken: met de stijgende vraag naar duurzaamheid en energiebesparing, worden er steeds meer groene hypotheken aangeboden die korting geven op rente als de woning voldoet aan bepaalde energiebesparende eisen (bijvoorbeeld zonnepanelen of isolatie).
4. Vastgoedwaardebepaling en geavanceerde data-analyse – Automated Valuation Models (AVM): in plaats van handmatige taxaties, wordt er steeds vaker gebruikgemaakt van automatische vastgoedwaardebepaling op basis van data-analyse van vergelijkbare woningen, marktomstandigheden, en andere factoren. Dit versnelt het proces en maakt het eenvoudiger om snel een nauwkeurige waarde te berekenen. – Big Data en Predictive Analytics: door middel van big data kunnen hypothecair planners beter risico’s inschatten en bijvoorbeeld voorspellen welke klanten het meest kans hebben op goedkeuring of welke hypotheekopties voor hen het voordeligst zijn. Het kan ook helpen om te zien of een klant in aanmerking komt voor bepaalde kortingen of subsidies (bijvoorbeeld voor energiebesparende maatregelen).
5. Blockchain in hypotheekadvies – Smart contracts: blockchain-technologie kan de manier waarop hypotheken worden geregistreerd en uitgevoerd veranderen. Smart contracts kunnen automatisch bepaalde handelingen uitvoeren zodra aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, zoals het overdragen van eigendom bij het sluiten van de hypotheek. – Veiligere gegevensuitwisseling: blockchain biedt ook de mogelijkheid om gegevens op een veilige, transparante en ongewijzigde manier uit te wisselen tussen verschillende partijen (adviseurs, klanten, geldverstrekkers, notaris).
6. Artificial Intelligence (AI) en chatbots – AI-gebaseerde hypotheekadviestools: sommige hypothecair planners maken al gebruik van AI om gepersonaliseerde adviezen te geven. Dit kan door gegevens van klanten te analyseren en te matchen met de meest geschikte hypotheekopties. – Chatbots en virtuele assistenten: chatbots kunnen klanten helpen bij het stellen van vragen over hun hypotheekopties, bijvoorbeeld over rentetarieven of voorwaarden. Ze kunnen ook worden ingezet om klanten door het proces van het aanvragen van een hypotheek te begeleiden.
7. Flexibele renteconstructies – Rentemodel met maandlastenflexibiliteit: in plaats van vaste maandlasten gedurende de looptijd van de hypotheek, bieden sommige geldverstrekkers flexibele renteconstructies aan die klanten de mogelijkheid geven om hun maandlasten aan te passen op basis van hun financiële situatie (bijvoorbeeld in geval van inkomensterugval).
8. Subsidies en toeslagen – Hypotheken met subsidiekansen: er zijn steeds meer hypotheken die klanten helpen profiteren van overheidsregelingen en subsidies, zoals subsidies voor energiebesparende maatregelen of een hypotheek met een rentekorting als de woning energiezuinig is.
9. Digitale ondertekening en eID – Eenvoudige digitale ondertekening: het gebruik van digitale handtekeningen maakt het ondertekenen van hypotheekcontracten gemakkelijker en sneller. Klanten kunnen documenten overal ondertekenen via hun smartphone of computer, zonder fysiek naar een notaris of bank te hoeven gaan.
2.2.2 De Wet op het financieel toezicht
Een ander gevolg van de hiervoor geschetste marktontwikkelingen is dat het Ministerie van Financiën in 2006 de Wet op het financieel toezicht (Wft) heeft ingevoerd.
Doel van de Wft en het daarbij behorende Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo): • consument een adequate bescherming bieden tegen de financiële dienstverlener; • markt voor financiële dienstverlening zo efficiënt mogelijk laten functioneren.
WETGEVING 2.2.2.1 Kwaliteitskenmerken
Ook was er behoefte om een aantal kwaliteitskenmerken van de financiële dienstverlener wettelijk te waarborgen: • betrouwbaarheid en geschiktheid • vakbekwaamheid • transparantie • financiële zekerheid • adequate en integere bedrijfsvoering • zorgplicht.
2.2.2.2 Vergunningplicht
Een belangrijk gevolg van de invoering van de Wft is dat alle financiële dienstverleners moeten beschikken over een vergunning van de AFM. Een vergunning wordt verleend voor een specifieke dienst in verband met een of meerdere specifieke productsoorten. De AFM houdt een openbaar register van de vergunningen bij, dat door iedereen kan worden geraadpleegd.
2.3 ZORGPLICHT
Op financiële dienstverleners rust een zorgplicht tegenover de klant. Hoewel er geen wettelijke definitie is gegeven van het woord zorgplicht, zijn er vele rechtelijke en Kifid-uitspraken, op grond waarvan de open norm ‘zorgplicht’ steeds verder wordt ingevuld.
De zorgplicht is voor de financieel dienstverlener in de wet als volgt uitgewerkt: • hij heeft de verplichting om de klant voldoende en juiste informatie te verschaffen. • hij moet de klant adviseren op basis van een klantprofiel. Zijn advies zal bij dit profiel moeten aansluiten. • hij moet klachten van klanten afdoende behandelen. • hij moet op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument of begunstigde in acht nemen. • de zorgplicht duurt voor hem zolang het product loopt.
2.3.1 Informatieverschaffing
Veel incidenten in de financiële sector zijn te verklaren door de informatie-ongelijkheid tussen klant en financiële dienstverlener. Deze ongelijkheid ontstaat doordat veel financiële producten ingewikkeld zijn en de financieel adviseur de werking van de producten beter begrijpt dan zijn klant. 43
Daar komt bij dat financiële producten niet vaak worden aangeschaft zodat ze onbekend blijven voor de klant. De zorgplicht eist daarom dat de klant, voordat hij een financieel contract afsluit, goed en begrijpelijk geïnformeerd wordt.
In de wet staat dat het de verantwoordelijkheid van de klant is om een financieel product wel of niet aan te schaffen. Die eigen verantwoordelijkheid vereist wel dat hij in staat is zich een oordeel te vormen over financiële producten en verschillende producten te vergelijken.
Voorbeeld Een rechter stelde in een uitspraak, als gevolg van een zaak die een klant tegen een financiële dienstverlener had aangespannen, dat de consument beschermd moet worden tegen ‘onkunde, onervarenheid en lichtzinnigheid’. Het ging hier om een aanbieder die met een klant een risicovolle overeenkomst had afgesloten. De rechter oordeelde dat het wel de eigen keuze van de klant was geweest om de overeenkomst aan te gaan, maar dat de aanbieder op geen enkele manier had gewezen op de risico’s. De eis van zorgplicht brengt blijkbaar met zich mee, dat de dienstverlener zich verplaatst in de positie van de klant. De bemiddelaar had zijn kennisniveau en de beleggingservaring moeten onderzoeken.
De mate van informatieverschaffing is afhankelijk van de vorm van de dienstverlening. In de wet worden twee vormen van financiële dienstverlening onderscheiden: execution-only en advies.
Execution-only Als een financiële dienstverlener werkt via het execution-only principe betekent dit dat de cliënt handelt zonder advies van de financiële dienstverlener. Hij handelt voor eigen rekening en risico. Wanneer de financiële dienstverlener het execution-only-principe hanteert, is hij alleen verplicht voldoende informatie te verstrekken over het product. De dienstverlener is niet verplicht om na te gaan of het product aansluit bij het risicoprofiel van de klant. De zorgplichteisen zijn bij het execution-only-principe veel minder verstrekkend dan bij advies. De klant moet wel duidelijk worden gemaakt dat er van deze situatie sprake is.
Advies Advies is volgens de wet ‘Het aanbevelen van één of meer specifieke financiële producten aan een bepaalde cliënt’. De eigen verantwoordelijkheid van de klant is beperkter als de dienstverlener hem adviseert. Bij het geven van advies hoort de verantwoordelijkheid om na te gaan of het product ook bij de 44 klant past.
WETGEVING 2.3.1.1 Precontractuele informatieverschaffing
Op basis van de wet is het verplicht een cliëntovereenkomst op te stellen bij een beleggingsadvies aan een niet-professionele belegger. De overeenkomst moet voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst verstrekt worden en moet informatie bevatten over de wederzijdse rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de cliëntovereenkomst.
In de cliëntovereenkomst maakt de beleggingsadviseur met de klant afspraken over zijn dienstverlening én de vergoeding die hiervoor wordt ontvangen. Belangrijk is dat de beleggingsadviseur heel goed omschrijft wat de dienstverlening inhoudt, wat de klant mag verwachten en wat de positie is van de beleggingsinstelling.
2.3.1.2 Verbod op provisie
Op 1 januari 2013 is het provisieverbod voor de adviseurs, bemiddelaars en aanbieder van financiële diensten in werking getreden. Advies en bemiddeling zijn aparte diensten die de consument los van het product afneemt en waar hij ook apart voor betaalt.
Het provisieverbod geldt voor adviseurs, bemiddelaars en aanbieders van financiële producten en dienstverleners onder het nationaal regime MiFID. Het direct writing kanaal van aanbieders moet de advies- en distributiekosten apart van de kosten van het product in rekening brengen.
Vanaf 2014 geldt er een provisieverbod voor het aanbieden van, adviseren over of bemiddelen in beleggingsinstrumenten (zie verder hoofdstuk 6).
2.3.2 Klantprofiel
Als een financiële dienstverlener een klant adviseert, moet hij zich vergewissen van diens persoonlijke situatie en zich een beeld vormen van diens wensen. De financiële dienstverlener moet invulling geven aan de ‘know-your-costumer-regel’ (‘ken-uw-klant’), dat wil zeggen het in kaart brengen van het klantprofiel. Het is dan ook noodzakelijk dat van het adviestraject een ‘paper trail’ wordt bijgehouden. De paper trail betekent dat de motivatie voor het advies (het klantprofiel) en het advies zelf op papier worden vastgelegd.
De wet kent overigens geen verplichting om een klantprofiel door de klant te laten tekenen. De tekst van artikel 4:23 lid 1 Wft luidt als volgt:
‘Indien een financiële onderneming een consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt adviseert of een individueel vermogen beheert: a. wint zij in het belang van de consument onderscheidenlijk de cliënt informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor haar advies of het beheren van het individuele vermogen; b. draagt zij er zorg voor dat haar advies of de wijze van het beheer van het individueel vermogen, voor zover redelijkerwijs mogelijk, mede is gebaseerd op de in onderdeel a bedoelde informatie; en c. licht zij, indien het advisering betreft met betrekking tot financiële producten die geen financiële instrumenten zijn, de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan haar advies voor zover dit nodig is voor een goed begrip van haar advies.’
Dit noemen wij ook wel de ‘adviesregel’. Alle relevante gegevens moeten worden geïnventariseerd. Op basis daarvan moet een passend advies worden gegeven, waarvan de klant aantoonbaar voldoende begrijpt en waarvoor hij toereikende informatie heeft gekregen om tot de juiste beslissing te kunnen komen. Het verzamelen van informatie bij de klant is verre van eenvoudig. Het zal in de praktijk onvoldoende zijn om de klant een vragenlijst in te laten vullen. Het gaat al beter, wanneer de adviseur de klant eerst uitlegt dat het beantwoorden van de vragen in zijn eigen belang is. In een gesprek zal een goede adviseur proberen zich uitgebreider over de klant te informeren en door te vragen. Het komt de kwaliteit van een advies ten goede als een adviseur een evenwichtig beeld schetst van een product. Vooral bij beleggingsproducten zal de adviseur moeten wijzen op de risico’s.
2.3.2.1 Klantdossier
Het is voor de adviseur belangrijk om goed te documenteren. Door zijn adviezen worden overeenkomsten gesloten met een lange looptijd, soms van 30 jaar. Tijdens de contractduur kunnen zich ontwikkelingen voordoen die aanleiding geven tot klachten of discussie. Daarbij kan gedacht worden aan tegenvallende beleggingsopbrengsten of een lage uitkering. Het zal dan noodzakelijk zijn na te gaan hoe en wat er destijds is geadviseerd. Het goed op orde houden van de administratie is ook in het belang van de adviseur zelf.
WETGEVING Zeker bij overeenkomsten met een lange looptijd, waarbij geen garanties zijn gegeven, is het van belang dat een adviseur in samenspraak met de klant op gezette tijden beoordeelt hoe de ontwikkelingen zijn. Er kan dan worden bijgestuurd door bijvoorbeeld extra stortingen te doen, of bij te sturen in het uitgavenpatroon. Als er sprake is van een langdurige en diepgaande relatie kan de adviseur op termijn aan de zorgplicht voordeel ontlenen.
Veel klanten zullen het waarderen als de adviseur uit eigen beweging contact met hen opneemt. De adviseur zal moeten vastleggen wat in het gesprek met de klant aan de orde is gekomen. Goede dossiervorming is de basis van de zorgplicht. De Wet legt de verplichting op dat de paper trail één jaar lang, na de totstandkoming van de overeenkomst waarin de klant een financiële dienst aanschaft, bewaard moet worden1.
De bewaartermijn in de Wft en het BGfo2 is aangepast van één naar minimaal vijf jaar, of zolang als de looptijd van het geadviseerde product is. Dat is logischer, omdat de zorgplicht zelf blijft gelden gedurende de hele looptijd en de bewijslast van een goed advies bij de adviseur ligt. Overigens zijn beleggingsondernemingen onderworpen aan de bepalingen over de boekhoudplicht (BW), welke een bewaartermijn van zeven jaar kennen.
2.3.2.2 Brondata
Brondata verwijst naar het gebruik van directe, geverifieerde gegevensbronnen om hypotheekaanvragen sneller, veiliger en nauwkeuriger te verwerken. In plaats van handmatig documenten aan te leveren worden gegevens rechtstreeks opgehaald bij betrouwbare instanties.
De volgende gegevensbronnen worden gebruikt: 1. UWV voor inkomen en dienstverband – Geeft actuele gegevens over salaris en arbeidscontracten. – Vervangt de loonstrook en werkgeversverklaring. 2. Belastingdienst voor inkomsten en schulden – Toegang tot de meest recente belastingaangifte (IB-60). – Inzicht in openstaande belastingschulden. 3. MijnOverheid/BKR voor schulden en verplichtingen – Controle op lopende kredieten en betalingsachterstanden. 4. Kadaster voor woningbezit en hypotheeklasten – Geeft inzicht in huidige woning(en) en bestaande hypotheken.
1 rt. 32 lid BGfo. A 2 A rt. 32 a BGfo. 47
5. PSD2 (zie hierna) voor inkomens- en uitgavenpatroon – Door klant goedgekeurde inzage in banktransacties voor een nauwkeuriger toetsing van bestedingsruimte.
Voordelen van brondata in hypothecaire planning: 1. snellere verwerking: geen handmatige documenten nodig, minder fouten. 2. betrouwbaarder: data komt direct van de bron, dus minder risico op fraude. 3. minder administratieve last: klanten hoeven minder documenten te verzamelen. 4. meer inzicht: completer beeld van de financiële situatie van de klant. 5. hogere acceptatiekans: geldverstrekkers vertrouwen brondata meer dan aangeleverde documenten.
Op deze manier implementeert u als hypothecair planner brondata het beste in uw adviespraktijk: 1. gebruik software die brondata ondersteunt (bijvoorbeeld HDN, Ockto, MyHipo). 2. vraag expliciete toestemming aan de klant voor het ophalen van data. 3. integreer brondata in het adviesproces om sneller tot een passend hypotheekvoorstel te komen
2.3.3 Klachtenregeling
De zorgplicht verlangt van de financiële dienstverlener dat hij klachten van klanten afdoende behandelt. Het is verplicht dat de dienstverlener is aangesloten bij een buitengerechtelijke geschilleninstantie die door de minister van Financiën is erkend.
2.3.3.1 Voorkomen van klachten: integriteit
Voor een goede werking van de financiële markten moet iedereen kunnen vertrouwen op de integriteit van de partijen die op deze markten actief zijn. De AFM levert een bijdrage aan de bewaking en bevordering van de integriteit van de financiële markten.
Dit doet zij door het: • houden van toezicht op de naleving van integriteitsbepalingen in de Wft door ondernemingen op de financiële markten. • op grond van voornoemde bepalingen toetsen van de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen bij vergunninghoudende ondernemingen, zowel bij toetreding alsook daarna. • houden van toezicht op de naleving van de anti-witwaswetgeving en de 48 sanctiewetgeving.
WETGEVING Bij het uitoefenen van bovengenoemde toezichttaken werkt de AFM intensief samen met DNB, opsporings- en inlichtingendiensten, de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie.
Met het toezicht op integriteit dient de AFM niet alleen het belang van bescherming van consumenten, maar ook dat van de financiële ondernemingen zelf. Door preventief toezicht op integriteitsrisico’s kan immers de benadeling van financiële ondernemingen worden tegengegaan en schade aan hun reputatie worden voorkomen.
De hoofdregel is dat adequaat beleid gevoerd wordt zodat een integere uitoefening van het bedrijf gewaarborgd is. Dit beleid moet op grond van de Wft worden neergelegd in procedures en maatregelen. Het integriteitsbeleid moet zo zijn dat het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten niet geschaad wordt. Dat vertrouwen kan geschaad worden doordat bijvoorbeeld sprake is van belangenverstrengeling omdat strafbare handelingen of wetsovertredingen worden begaan. Het te voeren beleid moet dan ook onder meer gericht zijn op het voorkomen van strafbare feiten of andere wetsovertredingen die het vertrouwen in de onderneming of de financiële markten kunnen schaden door de onderneming of haar werknemers.
De onderneming moet aan de hand van de relevante integriteitsrisico’s het beleid zelf invullen, maar is wel gebonden aan de kaders die in de Wft zijn gesteld. Een beleggingsonderneming moet een beleid voeren dat ertoe strekt dat betrokkenheid bij strafbare feiten of andere handelingen die ingaan tegen wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betamelijk wordt geacht, wordt voorkomen. Het maakt hierbij niet uit door wie een dergelijke handeling wordt verricht. Het kan gaan om gedragingen van personeelsleden, bestuurders of personen die onderdeel zijn van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming. Het beleid moet betrekking hebben op de behandeling en administratieve vastlegging van incidenten. Een incident is in dit verband een gedraging of gebeurtenis die een gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de onderneming. Als zich een incident voordoet, moet de onderneming passende maatregelen nemen die gericht zijn op de beheersing van het optredende risico en voorkoming van herhaling. Alle incidenten moeten aan de AFM worden gemeld. De onderneming moet ook de betrouwbaarheid van personeelsleden met integriteitsgevoelige functies beoordelen. Integriteitsgevoelige functies vallen uiteen in twee categorieën. Als eerste kunnen de leidinggevende functies genoemd worden. Dit zijn functionarissen die al door de toezichthouder op betrouwbaarheid zijn getoetst. Als tweede zijn er de functies waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor 49
de integere uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming. Als een onderneming van plan is een persoon te benoemen in een integriteitsgevoelige functie, moet een onderbouwde beoordeling worden gemaakt van de betrouwbaarheid van de betreffende persoon.
Volgens de integriteitsbepalingen in de Wft moet de adviseur altijd in het belang van de cliënt handelen. Het kan voorkomen dat deze belangen met elkaar botsen. Hierna wordt kort op enkele van dit soort situaties ingegaan die kunnen ontstaan bij het handelen van de adviseur ten opzichte van de cliënt.
Een voorbeeld is ‘churning’. Van churning is sprake wanneer een beleggingsadviseur zo veel mogelijk effectentransacties ten laste van de klant probeert te verrichten en hiermee geld probeert te verdienen. Aan de transacties wordt provisie verdiend, wat in het belang van de financiële instelling is. Mogelijk zijn niet alle transacties in het belang van de klant. De AFM onderkent dit tegenstrijdige belang van de beleggingsadviseur en de klant. Er bestaat dan ook een verbod op churning.
Een ander voorbeeld is de kredietbewaking. Dit speelt een rol bij kredieten die worden verstrekt door de financiële instelling met effecten als onderpand. In dit verband wordt wel gesproken van bevoorschotting op aandelen. Door de bevoorschotting op aandelen kan een belegger meer beleggen dan het vermogen dat hij in het verleden heeft gespaard. Het risico van beleggen met dit geleende geld is dat hij naast het risico over zijn eigen vermogen ook risico loopt over zijn geleende vermogen. En ander nadeel van deze constructie is het gevaar van een waardedaling van de effectenportefeuille. Meestal kan maar een percentage van de effectenportefeuille worden beleend. Als de waarde van de effectenportefeuille daalt, zal de lening procentueel gezien stijgen. Dit kan leiden tot een verplichte aflossing van de lening. Als de cliënt op dat moment geen contanten heeft, zullen effecten moeten worden verkocht, terwijl deze net in waarde zijn gedaald.
Integer handelen van de financiële instelling houdt dus in dat een adviseur rekening houdt met het belang van de klant. Bij een conflicterend belang van de financiële instelling en de klant, moet de klant dus te allen tijde beschermd worden voor mogelijke nadelige gevolgen van de transactie.
2.4 CHECKLIST VOOR GOEDE ZORGPLICHT
WETGEVING Om aan een goede zorgplicht te voldoen is het volgende van belang:
• ken uw klant (know-your-customer) – verzamel informatie over: o doelstellingen en wensen klant, horizon van de doelen o financiële positie klant: inkomen, vermogen, verplichtingen, fiscaliteit o kennis van en ervaring met producten o risicoprofiel o leg ook vast wat de klant niet heeft willen delen – documenteer deze informatie en leg deze vast in een dossier – leg eventuele waarschuwingen of afwijkingen van wat gebruikelijk is en bevestig deze bij de klant – zorg ervoor dat deze informatie actueel blijft • handel in het belang van de klant – heeft de klant echt begrepen wat hij heeft aangeschaft – heeft de klant een afgewogen keuze gemaakt – heeft de klant echt behoefte aan het product – betaalt de klant een redelijke kosten – loopt de klant geen onaanvaardbare risico´s – zou u deze klant niet tegen zichzelf moeten beschermen? • overige vragen: – heeft de klant belangrijke afspraken bevestigd – kunt u later uitleggen waarom u een bepaald advies gegeven heeft – wanneer neemt u weer contact op met de klant – is het dossier goed op orde?
2.5 WIJZIGING NATIONAAL REGIME OP 1 APRIL 2019
De invoering van de Markets in Financial Instruments Directive (MiFID) in 2007 betekende dat er zware eisen werden gesteld aan een beleggingsadvies. In 2008 is een vrijstellingsregeling ontworpen om te voorkomen dat de impact voor financieel dienstverleners niet te groot zou worden: het Nationaal regime. Omdat op 3 januari 2018 de herziene richtlijn MiFID II is ingegaan, is ook deze vrijstellingsregeling herzien. Het nieuwe Nationaal regime is ingegaan op 1 april 2019.
De wijzigingen van het Nationaal regime zijn opgenomen in de artikelen 11 en 35a van de Vrijstellingsregeling Wft. De wijzigingen houden het volgende in:
1. Vakbekwaamheid Aanvankelijk was het de bedoeling om de vakbekwaamheidseisen te verzwaren voor adviseurs die gebruikmaken van de vrijstellingsregeling Nationaal regime. Uiteindelijk is ervoor gekozen om de eind- en toetstermen voor Wft Vermogen te actualiseren naar aanleiding van MiFID II.
2. Dossiervorming De eisen voor dossiervorming bij advies aan de klant zijn op een aantal onderdelen aangescherpt: – de bewaartermijn voor gegevens met betrekking tot het beleggingsadvies en de ontvangen en doorgegeven orders is ten minste vijf jaar (was ten minste één jaar). – op het moment dat de klant telefonisch een beleggingsorder doorgeeft of zijn keuze voor een bepaald beleggingsprofiel kenbaar maakt, moet dit gesprek worden opgenomen. De praktische oplossing om de klant via bijvoorbeeld een mailbericht zijn keuze kenbaar te maken/te bevestigen is ook toereikend.
3. Advies Op grond van het ‘ken-je-klant-principe’ moet de adviseur een geschiktheids- en passendheidstoets uitvoeren. Onder het Nationaal regime moet de adviseur in het advies aan zijn klant ook expliciet kenbaar maken hoe het geadviseerde product aansluit bij diens persoonlijke situatie. Dit kan worden opgenomen in een (vormvrije) geschiktheidsverklaring. Deze geschiktheidsverklaring is bekend van de beleggingsproducten die onder de IDD vallen.
Daarnaast was nieuw dat de adviseur bij het geven van advies aan moet geven of hij afhankelijk of onafhankelijk adviseur een bepaalde aanbieder adviseert. Ten slotte moet de adviseur aan de klant kenbaar maken of hij een brede of beperkte analyse van beleggingsfondsen maakt.
4. Kostentransparantie Onder het oude Nationaal regime moest de adviseur de klant in kennis stellen van de kosten van het product en de kosten van de beleggingsdienstverlening. Sinds 1 april 2019 moet de adviseur de klant vooraf inzichtelijk maken wat de totale kosten én het cumulatief effect van de kosten op het rendement zijn. Dit cumulatieve effect moet voor de klant 52 inzichtelijk worden gemaakt door middel van een illustratie. De verwach-
WETGEVING ting is dat aanbieders de adviseurs hierin actief gaan ondersteunen. Daarnaast moet de adviseur de klant jaarlijks informeren over de totaal in rekening gebrachte kosten.
2.6 PAYMENT SERVICE DIRECTIVE 2
Payment Service Directive 2 (PSD2) is de Europese wet (richtlijn) voor het betalingsverkeer van consumenten en bedrijven.
Bron: https://www.dnb.nl/betalingsverkeer/psd2/index.jsp#
Met PSD2 kan de consument sinds 2018 nieuwe online betaal- en rekeningdiensten gaan gebruiken. Hiervoor is het nodig dat hij toegang geeft tot zijn betaalrekening bij zijn bancaire instelling aan een derde partij (een andere financiële instelling). Als hiervoor toestemming is gegeven, krijgt deze derde partij toegang tot zijn rekening(en) bij de betreffende bancaire instelling. De toestemming is vrijwillig. Er verandert niets als de consument geen toestemming geeft.
2.6.1 Impact voor adviespraktijk hypothecair planner
Belangrijk voor de adviespraktijk van de hypothecair planner is dat consumenten andere partijen dan geldverstrekkers toegang kunnen geven tot hun transactiegegevens. Dit biedt kansen en ook bedreigingen, omdat de privacy van klanten gewaarborgd moet blijven. 53
Consumenten beslissen zelf óf en met wie zij hun betaalgegevens delen. Eén van de voordelen is dat consumenten gemakkelijker hun inkomsten en uitgaven kunnen controleren.
In de hypotheeksector schept PSD2 ook nieuwe mogelijkheden, vooral als het gaat om het bepalen van de financiële draagkracht van de klant.
Naast zijn inkomen kan in de toekomst met name bepalend zijn hoe de klant met zijn geld omgaat bij het vaststellen van de passende hoogte van de hypothecaire geldlening. Stel, iemand heeft een naar maatschappelijk begrip hoog inkomen uit arbeid en geeft dit volop uit aan eten, drinken en vrolijk zijn. Van sparen komt het dan ook niet. Wat zegt dit over de betaalbaarheid van een eventuele hypothecaire geldlening? Door het bestedingspatroon van de klant inzichtelijk te maken bij geldgevers kunnen zij (nog) beter bepalen wat de hoogte van de hypothecaire geldlening in een specifieke situatie mag zijn.
Daarnaast verwachten experts dat PSD2 het partijen als Google en Amazon makkelijk(ker) maakt om zich op bankdiensten te storten. Deze partijen hebben grote reserves en een groot bereik onder consumenten, waardoor zij makkelijk financiële producten zouden kunnen ‘verkopen’. Het belangrijkste van alle ontwikkelingen voor de hypotheeksector is dat deze bijdragen aan het eenvoudiger en transparanter maken van het hypotheekproces. Zo hebben geldverstrekkers, adviseurs en klanten daar baat bij.
Bij het hypotheekadvies kunnen transactiegegevens worden ingeladen en worden meegenomen in de beoordeling. De dataverrijking is een nieuw middel voor de adviseur om advies te geven.
De vraag is of de hypothecair planner álle informatie krijgt die nodig is voor het hypotheekadvies. Bijvoorbeeld buitenlandse bank- en spaarrekeningen blijven onzichtbaar. Het blijft van belang om salarisstroken van de klant(en) op te vragen, want klanten kunnen ook hun salaris in twee delen laten uitbetalen: een deel in Nederland en een deel in het buitenland.
Daarnaast is een grote uitdaging om de data weer terug te geven aan de klant(en) in het kader van de nieuwe privacywetgeving in het geval deze wil dat dit gebeurt. Alle data ter beschikking hebben, betekent ook er verantwoordelijk voor zijn. De informatie gaat zóver, dat er informatie bij zit, die de hypothecair planner waarschijnlijk niet wil hebben, denkt u aan de locatie van bepaalde betaalhandelingen.
WETGEVING PSD2 zou zelfs een nieuw type ‘creditscore’ mogelijk kunnen maken waar fintech-bedrijven op in kunnen spelen. Jeroen Oversteegen directeur van de Hypotheekbond zei hierover tijdens een informatiebijeenkomst van de Nederlandse Vereniging van Hypothecair Planners (NVHP): “Door al die data zien we straks zelf hoeveel er gestorneerd wordt, waar betalingsachterstanden liggen en we zien ook de incasso’s van de belastingdienst.” Volgens Oversteegen neemt dit nieuwe type van credit scoring over drie tot vijf jaar mogelijk heel wat advieswerk uit handen. Persoonlijk contact blijft volgens hem ook belangrijk. “Als je met de cliënt praat, hoor je vaak meer dan wanneer je straks alles geautomatiseerd gaat doen.”
De halteplaats, Jan van Goyen, 1606 - 1656
3. MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN
3.1 INLEIDING
In dit hoofdstuk behandelen we de diverse marktpartijen op beleggingsgebied. Als eerste kijken we naar ‘de klant’. Dan komen diverse instellingen, die op de financiële markten werkzaam zijn, aan bod. Vervolgens beschrijven we de werking van de centrale beursorganisatie in Nederland, NYSE Euronext Amsterdam. Ten slotte komen de externe toezichthouders aan de orde.
Bij beleggen wordt vermogen vastgelegd in beleggingsobjecten. In artikel 1.1 Wft wordt beschreven wat als beleggingsobject gezien wordt: • een zaak, een recht op een zaak of een recht op het al dan niet volledige rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van een zaak, niet zijnde een product als bedoeld in de onderdelen b tot en met i van de definitie van financieel product in dit artikel, welke anders dan om niet wordt verkregen, bij welke verkrijging aan de verkrijger een rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van de zaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger. of • een ander bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen recht.
Het doel van beleggen is om financieel voordeel te halen, vaak onder aanvaarding dat het beleggingsresultaat in meer of mindere mate kan tegenvallen. Beleggingsobjecten zijn instrumenten waarmee het beleggingsdoel verwezenlijkt moet worden. Zij kunnen worden onderverdeeld in zogenoemde ‘vastrentende’ en ‘zakelijke’ waarden.
Vastrentende waarden (of geldswaarden) zijn beleggingen waarvan de hoofdsom in een vast bedrag wordt uitgedrukt. De hoogte van de vergoeding voor het beschikbaar stellen van het vermogen wordt van tevoren aan klanten kenbaar gemaakt. De opbrengsten zijn bij deze beleggingsobjecten onafhankelijk van de bedrijfsresultaten. Voorbeelden van vastrentende waarden zijn obligaties of tegoeden op een spaarrekening.
Zakelijke waarden zijn objecten die geen recht geven op een vast bedrag. De opbrengsten zijn afhankelijk van de bedrijfsresultaten. De hoogte van de vergoeding is dus niet van tevoren bekend. Zakelijke waarden hebben een permanent karakter. Zij maken deel uit van het risicodragende eigen vermogen. Doordat bij zakelijke waarden geen duidelijkheid bestaat over de toekomstige opbrengsten, zullen de houders van zakelijke waarden hiervoor hogere vergoedingen eisen dan voor vastrentende waarden. Voorbeelden van zakelijke waarden zijn aandelen en vastgoed.
De vermogensmarkt is de abstracte plaats waar de afstemming plaatsvindt tussen vraag naar en aanbod van de uitgegeven vermogenstitels. Door de vraag en het aanbod ontstaat een prijs/notering. Zijn er evenveel vragers naar een bepaald beleggingsobject als aanbieders, dan zal de notering van het object gelijk blijven. Zijn er meer vragers dan aanbieders, dan wordt de notering hoger. Bij het stijgen van de notering zullen er vragers afhaken. De notering zal blijven stijgen tot er precies evenveel vragers als aanbieders zijn en een evenwicht tussen vraag en aanbod bestaat. Bij een aanbodoverschot zal de notering dalen tot er evenwicht bestaat.
3.2 DE KLANT
Beleggers vormen een gevarieerde groep met zeer uiteenlopende persoonlijke omstandigheden en subjectieve behoeften. Rekening houdend met de situatie van de belegger wordt de beleggingsadviseur gevraagd een beleggingsportefeuille samen te stellen. Dit is het voor belegging beschikbare vermogen verdelen (alloceren) over diverse beleggingscategorieën.
Beleggingsportefeuilles zijn efficiënt wanneer zij een maximaal rendement opleveren bij een gegeven risico. Theoretisch zijn dergelijke portefeuilles het meest geschikt om in te beleggen. Om een keuze te kunnen maken voor één van de portefeuilles is goed inzicht vereist in de persoonlijke omstandigheden van de klant, de beslissing moet immers verantwoord zijn. Deze moet niet alleen uit een beleggingstechnisch oogpunt onderbouwd zijn (ratio), de klant moet zich er ook prettig bij voelen (emotio). Zo zullen bepaalde klanten een advies krijgen dat niet het optimale beleggingsresultaat voorspiegelt, maar waarmee wél hun 58 gemoedsrust het meest is gediend.
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN Het is volgens de eisen van de MiFID belangrijk dat de beleggingsadviseur aandacht schenkt aan de volgende aspecten van de klant: • financiële positie • kennis en ervaring • beleggingsdoelen • risicoprofiel.
3.3 FINANCIËLE POSITIE KLANT
3.3.1 Inkomenspositie
De inkomenspositie geeft aan in hoeverre de klant zijn inkomsten uit vermogen (rente, dividend) nodig heeft om zijn bestedingen te financieren. Het is mogelijk dat uit de analyse van het bestedingspatroon van een klant blijkt dat hij over onvoldoende inkomsten, uit bijvoorbeeld arbeid, beschikt, en dat hij een deel van zijn bestedingen moet financieren met inkomsten uit vermogen. Een verantwoord advies voor de klant zou bijvoorbeeld kunnen zijn obligaties aan te bevelen die periodieke couponopbrengsten genereren.
Voorbeeld Jasper (50) wil elk jaar € 125.000 besteden. Jaarlijks bedragen zijn netto-inkomsten uit arbeid € 100.000. Hij heeft dus nog € 25.000 nodig. Bij een vrij beschikbaar vermogen van € 500.000 is voor Jasper jaarlijks netto vijf procent aan inkomsten uit zijn vermogen vereist.
Bij een planning voor de lange termijn moet een adviseur rekening houden met indexering. Indexering is het aanpassen van inkomens of uitkeringen aan de inflatie zodat de koopkracht gelijk blijft. Wanneer een belegger vijf procent uitkering ontvangt uit zijn beleggingen, zal daar over een lange tijd minder voor kunnen worden gekocht dan op dit moment. Voor bijvoorbeeld pensioenplanning is het rekening houden met indexering dus van groot belang.
Het is van belang dat bij de klant inzicht op de volgende punten wordt verkregen: • hoogte van het totale inkomen; • omvang van het totale vermogen; • bedrag van de totale bestedingen; • toekomstige voorzienbare verplichtingen; • omvang van het te beleggen bedrag; • percentage van het inkomen dat overblijft nábetalen van de vaste lasten (zoals levensonderhoud, hypotheek, alimentatie, verzekeringen en dergelijke) en dus vrij besteedbaar is; • samenstelling van de huidige portefeuille. 59
3.3.2 Vermogenspositie klant
De vermogenspositie van de klant geeft de omvang van diens vermogen aan. De vermogenspositie bepaalt ook of het vermogen individueel of collectief moet worden belegd. Een individueel te beleggen vermogen is in omvang groot genoeg om een zinvolle spreiding over diverse beleggingsobjecten aan te brengen. Een collectief te beleggen vermogen is in omvang niet groot genoeg om zelfstandig een goede spreiding aan te brengen. In dat geval kan bijvoorbeeld via beleggingsinstellingen belegd worden. In de praktijk blijkt dat veel klanten over onvoldoende vermogen beschikken om een goed gediversifieerde (gespreide) beleggingsportefeuille samen te stellen.
Voorbeeld De heer Bakker heeft € 50.000 te beleggen en vraagt zijn adviseur om advies. Het is de heer Bakker bekend dat aandelen uit de AEX wel ‘veilig’ zijn. Hij belegt zijn geld daarom graag in een enkel aandeel uit de AEX, hij is namelijk een voorzichtige belegger.
De adviseur legt de heer Bakker uit dat het vermogen gespreid moet worden. Beleggen in een enkel aandeel levert te veel risico op. Om een goede risicoreductie te bewerkstelligen, zal de heer Bakker zijn vermogen wereldwijd moeten spreiden en kiezen voor een groter aantal aandelen.
Kiezen voor een groter aantal verschillende individuele aandelen brengt hogere kosten met zich mee. Het is verstandiger, gezien de vermogenspositie van de heer Bakker, gebruik te maken van beleggingsfondsen, samengesteld uit een groot aantal wereldwijde fondsen.
3.3.3 Fiscale positie klant
De adviseur moet ook de fiscale positie van de klant in kaart brengen. Hierbij speelt onder meer een rol of de klant ondernemer is of particulier. Verder is de invloed van de fiscaliteit op het beleggingsbeleid beperkt.
3.4 BELEGGINGSDOELEN
Beleggingsdoelen onderscheiden we in twee soorten beleggingsdoelen: • met een objectieve prioriteit; • met een subjectieve prioriteit.
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN
3.4.1 Beleggingsdoelen met objectieve prioriteit
Beleggingsdoelen met een objectieve prioriteit zijn gericht op noodzakelijke uitgaven in de toekomst. Een voorbeeld is beleggen om het pensioeninkomen aan te vullen of beleggen om de eigenwoningschuld af te kunnen lossen. Bij deze beleggingsdoelen is het noodzakelijk dat het beoogde vermogen na een bepaalde tijd wordt bereikt. Het is dus van belang bij beleggingsdoelen met objectieve prioriteit minder tot niet risicovol te beleggen. Het nadeel van het kiezen voor een laag verwacht risico, is dat dit gepaard gaat met een laag verwacht rendement.
3.4.2 Beleggingsdoelen met subjectieve prioriteit
Beleggingsdoelen met subjectieve prioriteit zijn afhankelijk van de persoonlijke wensen van de belegger. Het behalen van deze beleggingsdoelen is minder noodzakelijk dan de beleggingsdoelen met objectieve prioriteit. Voorbeelden van beleggingsdoelen met subjectieve prioriteit zijn eerder stoppen met werken, aflossen van de hypotheek op de vakantiewoning of beleggen als hobby.
Bij beleggingsdoelen met subjectieve prioriteit is het bereiken van het beoogde vermogen minder noodzakelijk dan bij doelen met objectieve prioriteit. Het vermogen om deze doelen te bereiken, kan dus risicovoller belegd worden dan het vermogen bij doelen met objectieve prioriteit.
In de volgende figuur is het verband tussen het risico van een beleggingsobject en het rendement van een beleggingsobject weergegeven. Meestal geldt: hoe hoger het risico, des te hoger het rendement.
hoog
Aandelen
Vastgoed Risico
Obligaties
Liquiditeiten
laag laag Verwacht rendement hoog 61
Overigens is dit figuur sterk vereenvoudigd en ontbreken de beleggingen in crypto’s. De risico’s van aandelen hoeven bijvoorbeeld niet altijd hoger te zijn dan die van obligaties of vastgoed. Er zijn verschillende categorieën vastgoed en obligaties, waarvan de een risicovoller is dan de ander. Datzelfde geldt voor aandelen. Deze fluctuaties in risico zijn ook afhankelijk van actuele ontwikkelingen.
Om te kunnen bepalen met welk beleggingsdoel u te maken heeft, kunt u de klant de volgende vragen stellen: • waarvoor wendt u de beleggingsopbrengsten aan; • hoe noodzakelijk is het dat uw doelvermogen bereikt wordt; • wanneer heeft u uw vermogen nodig?
3.4.3 Horizon beleggingsdoelen
Afhankelijk van het beleggingsdoel wordt de termijn bepaald waarover de belegging wordt aangehouden. Deze termijn noemen we de ‘beleggingshorizon’ of ‘subjectieve tijdsduur van een belegging’. We onderscheiden klanten met een lange en met een korte beleggingshorizon.
Klanten met een lange beleggingshorizon kunnen objecten voor een langere periode aanhouden, bijvoorbeeld minstens drie tot vijf jaar. Met financiële overschotten die veelal structureel van aard zijn, zullen deze cliënten minder gevoelig zijn voor de uitkomst van de beleggingen. Een eventuele waardevermindering van de beleggingen hoeft niet te leiden tot een verlaging van het uitgavenpatroon. Het is verantwoord dat deze klanten kiezen voor beleggingsobjecten met een hoog koersrendement en een hoog risico, zoals een aandelenportefeuille met voldoende spreiding.
Bij een korte beleggingshorizon heeft de klant vaak voor een korte periode de beschikking over een bepaald bedrag. De liquiditeiten hebben al een bestemming, die één of meerdere jaren in het verschiet ligt, en moeten vooral risicomijdend belegd worden. Het is met het oog op onvoorziene omstandigheden verstandig te starten met flexibele spaarproducten die de klant snel en zonder kosten liquide kan maken.
De beleggingshorizon vormt een wezenlijk onderdeel bij het vaststellen van het beleggingsrisico. Naarmate een klant ouder is, is zijn beleggingshorizon korter. Dit doet vermoeden dat hij minder beleggingsrisico’s wil nemen. Een jongere klant daarentegen heeft nog een groot aantal beleggingsjaren voor zich. Er bestaat dus een verband tussen de beleggingshorizon en de keuze van het portefeuillerisico. Hoe korter de horizon, des te lager het gewenste risico. Het 62 beleggingsrisico neemt af naarmate een klant bereid is langer te wachten op
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN beleggingsresultaten. Klanten die voor een langere periode beleggingsobjecten aanhouden, zijn immers ongevoelig voor korte termijn koersfluctuaties.
3.5 KENNIS EN ERVARING KLANT
Een adviseur moet ook rekening houden met de kennis en ervaring van de klant ten aanzien van beleggen. We onderscheiden klanten die: • bijzondere beleggingservaringen hebben; • beschikken over kennis van beleggingszaken; • niet beschikken over kennis van beleggingszaken.
De eerste twee typen hebben meestal specifieke persoonlijke voorkeuren. Klanten met bijzondere beleggingservaringen hebben vaak forse koersschommelingen meegemaakt. Daardoor kunnen ze er minder gevoelig, of juist gevoeliger voor zijn geworden. Ook komt het voor dat beleggers uit deze groep nogal eens een portefeuille koesteren met weinig of geen spreiding, omdat zij er een emotionele band mee hebben, bijvoorbeeld omdat (groot) vader er ooit grootse successen mee boekte. De adviseur, die een dergelijke portefeuille onder ogen krijgt, zal de klant er op moeten wijzen dat beleggen voornamelijk een rationele zaak is en kan dan adviseren spreiding in te portefeuille aan te brengen.
Klanten met kennis van de financiële markt nemen vaak actief deel aan de beleggingsmarkt. De adviseur kan in deze situatie een passieve houding ten aanzien van de beleggingsportefeuille van de cliënt aannemen. Het is wel zinvol dat de adviseur zich verdiept in de portefeuille van de cliënt om zo een betere vertrouwensrelatie op te bouwen. Een klant die relatief weinig kennis van beleggingsmarkten heeft, zal vaak een beperkte interesse hebben in beleggen. Deze interesse beperkt zich meestal tot sparen en obligaties. De taak van de adviseur is dan de klant te interesseren voor andere beleggingen waardoor het rendement van de portefeuille mogelijk verhoogd kan worden.
Voorbeelden van vragen, die u de klant in dit kader kunt stellen, zijn: • hoe lang belegt u al; • hoeveel beleggingstransacties (aan- en/of verkopen) doet u per jaar; • welke kennis heeft u van de beleggingscategorieën; • hoe belangrijk vindt u bepaalde beleggingen binnen uw portefeuille?
3.6 RISICOPROFIEL KLANT
Naast de persoonlijke omstandigheden van een klant moet de adviseur diens risicoprofiel in kaart brengen. Het risico kan worden onderverdeeld in het risico dat de cliënt kan dragen (financiële risico) en het risico dat de klant bereid is te dragen (psychologische risico). Het beleggingsdoel is dus een uitkomst van zowel rationele (economische) als emotionele (psychologische) motieven.
3.7 FINANCIËLE RISICO OF DE RISICOTOLERANTIE
Het financiële risico is afhankelijk van de huidige en de toekomstige financiële omstandigheden, zoals salaris, pensioen, alimentatie, hypotheek en vaste lasten. De huidige en toekomstige inkomens- en vermogenspositie bepalen het risico dat de klant kan dragen. Meestal geldt de stelling dat een klant die afhankelijk is van de inkomsten uit een gering vermogen nauwelijks risico kan accepteren. Een klant met een groot vermogen daarentegen, die daarnaast een jaarlijks spaaroverschot heeft, kan wel een groot risico accepteren. Uiteraard zijn veel tussenvormen mogelijk.
3.8 PSYCHOLOGISCHE RISICO, RISICOPERCEPTIE OF RISICOBEREIDHEID
Bij het bepalen van het psychologische risico, de bereidheid van de klant om risico te dragen, speelt de persoonlijke geaardheid van de cliënt een rol.
Klanten hebben verschillende risicohoudingen: • risico-avers (risicomijdend) • risico-neutraal • risico-zoekend (riscobewust).
Een risico-neutrale klant staat positief tegenover zowel het nemen van risico als gaan voor zekerheid, zolang de risicovolle variant evenveel oplevert. Een risico-averse klant kiest voor zekerheid boven risico als de optie met risico dezelfde verwachte opbrengst genereert. Meestal zijn risico-averse personen bereid te betalen voor een risicovermindering. Risico-aversie wil niet zeggen dat deze personen nooit bereid zijn risico te nemen. Ook risico-averse personen zullen risico’s nemen als de verwachte opbrengst genoeg hoger is dan bij de zekere optie.
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN Een ‘risico-zoekende’ klant kiest bewust voor een hoger risico in ruil voor een potentieel hoger rendement. Dit type klant: • heeft een hoge risicobereidheid (risk appetite). • accepteert grote koersschommelingen en mogelijke verliezen. • belegt vaak in aandelen, opties, crypto of andere volatiele activa. • heeft vaak een lange beleggingshorizon, waardoor hij tijdelijke dalingen kan uitzitten. • kan speculatieve strategieën hanteren, zoals hefboomproducten of daytrading.
Bij elke categorie past een andere asset mix (asset allocation). Dat is de procentuele verdeling van een belegd vermogen over de verschillende beleggingstitels. Het is de taak van de adviseur om zo goed mogelijk in te schatten in welke mate de klant risico wil mijden, zodat teleurstellingen zoveel mogelijk vermeden kunnen worden. Dit gebeurt veelal aan de hand van het stellen vragen.
Voorbeelden van vragen, die u de klant kunt stellen, zijn: • stel, het vorige jaar was een slecht beleggingsjaar. Hoe vaak verwacht u nu naar de koersen van uw beleggingen te kijken; • stel dat uw beleggingen ineens met 10 procent in waarde dalen. Hoe slaapt u dan; • uw favoriete voetbalclub krijgt in de finale van de Europa Cup vlak voor het einde een beslissende penalty. Wat doet u; • met welk nettorendement bent u tevreden?
Door de antwoorden in te delen naar hoog of laag risico, kan de risicograad van de klant worden vastgesteld.
In de praktijk komt het vaak voor dat het psychologisch risico afwijkt van het financiële risico. Zo zullen klanten niet bereid zijn het risico te dragen dat zij op basis van hun financiële positie kunnen dragen. Ze zijn dan wel risicotolerant, maar niet risicobereid. De omgekeerde situatie is ook mogelijk: klanten zijn bereid een groot risico te dragen, terwijl zij zich dat in feite niet kunnen permitteren (wel risicobereid, maar niet risicotolerant). De adviseur moet de klant alle informatie geven over de diverse beleggingsmogelijkheden, en moet de keuze van de klant accepteren en respecteren. Een verantwoord advies houdt immers ook in dat de klant zich er goed bij voelt. Hierbij moet de adviseur uiteraard wel rekening houden met de zorgplicht.
De risicobeleving van de klant geeft niet altijd het juiste beeld weer van de werkelijkheid. Ook geven klanten geregeld, bewust of onbewust, onjuiste informatie ten aanzien van de financiële situatie. Hierdoor kan de adviseur (on)bedoeld een verkeerd beeld van de klant krijgen. De adviseur moet rekening houden met deze valkuilen bij het bepalen van het risicoprofiel van de klant. Hierna noemen we een aantal situaties die tot gevolg kunnen hebben dat een verkeerd risicoprofiel van de klant wordt bepaald: • klanten volgen alleen de deskundigheid van de adviseur. Omdat de adviseur meestal deskundig is en klanten vaak weinig kennis hebben van beleggen, zullen veel klanten de adviseur volgen. Het is in dit verband van belang dat de adviseur geen dominante positie inneemt, en goed de wensen en mogelijkheden van de klant analyseert. • de gemoedstoestand van de klant is een momentopname. De gemoedstoestand van de klant bepaalt de antwoorden die worden gegeven. Als een klant tijdens de inventarisatie in een fase in zijn leven zit dat het niet goed gaat, kan het zijn dat het risicoprofiel niet aansluit op zijn langetermijnwensen. Ook kan de klant, door slechte beurskoersen, op dit moment geen behoefte hebben aan een beleggingsmix die aandelen bevat, terwijl dit op een ander moment wel bij zijn profiel zou passen. • de klant kan niet aangeven wat hij zelf voelt bij tegenvallende resultaten. Het gevoel is vaak moeilijk te omschrijven, vooral bij situaties waaraan een klant niet gewend is. Een klant die geen ervaring heeft met beleggen kan in het verleden bepaalde tegenslagen in zijn leven goed hebben verwerkt, maar niet weten hoe hij zal omgaan met tegenslagen op de beurs. • de klant begrijpt de adviseur niet, en zegt van wel. Door de informatieongelijkheid tussen de adviseur en de klant, zal een adviseur nog duidelijker moeten zijn. Vaak worden adviseurs niet begrepen, en durven klanten dit niet te zeggen; in tegendeel, hij zegt dat de adviseur wel duidelijk is. Bij tegenvallende resultaten blijkt dan achteraf dat de klant het verhaal van de adviseur niet had begrepen en met de gevolgen daarvan geen rekening heeft gehouden.
3.9 FINANCIËLE INSTELLINGEN
Voor een goede werking van de vermogensmarkt is het noodzakelijk dat de vragers en aanbieders van geld op deze markt elkaar eenvoudig kunnen vinden. Alleen op die manier kan vermogensoverdracht snel tot stand kan komen. Het zou veel tijd en geld kosten als elke individuele aanbieder van vermogen op zoek moet gaan naar een individuele vrager. Om deze en een
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN aantal andere redenen zijn op de vermogensmarkt diverse financiële instellingen te onderscheiden. Hierna gaan wij nader in op de financiële instellingen en de rol die zij spelen op de financiële markten.
3.9.1 Typen financiële instellingen
3.9.1.1 Inleiding
Voorheen hield de bankensector zich vooral bezig met de traditionele inname van deposito’s en daartegenover het uitzetten van gelden op middellange of korte termijn. Nu richten banken zich op een breder scala van activiteiten. Het terrein bevat naast het particuliere vermogensbeheer ook zaken als het aanbieden van deelnemingsbewijzen in eigen beleggingsfondsen.
3.9.1.2 Commerciële banken
Commerciële banken houden zich voornamelijk bezig met looptijdintermediatie. Zij verwerven meestal liquide deposito’s zonder een gespecificeerde looptijd, of met een korte looptijd. Zij lenen deze gelden voor een lange termijn uit aan bedrijven en de overheid.
3.9.1.3 Spaarbanken
Spaarbanken verkrijgen hun fondsen vooral via de houders van een spaarrekening. Deze gelden worden voornamelijk gebruikt om onroerend goed te financieren. Ook hier geldt dus de functie van looptijdintermediatie. Doordat hypothecaire geldleningen vaak een vast rentepercentage hebben, terwijl de verplichtingen meer aan renteveranderingen onderhevig zijn, bestaat een renterisico.
3.9.1.4 Retailbanken
De dienstverlening van retailbanken houdt onder meer in het aanbieden van een complete oplossing voor de diverse soorten financiële behoeften van de particulier: sparen, lenen, betalen, beleggen, verzekeren et cetera. Hierbij hebben de retailbanken persoonlijk contact met de klanten, gerealiseerd door een fijnmazig kantorennetwerk. De huidige trend is dat de banken deze intensieve relatie met de klant op het internet voortzetten door middel van hun online producten.
3.9.1.5 Private banken
Private banken houden zich bezig met het individueel adviseren en begeleiden van vermogende particulieren op financieel gebied. De adviseur speelt in dit verband een belangrijke rol. De vermogende particulier stelt meestal hoge eisen aan de bancaire dienstverlening. De banken haken hierop in door de klant een vaste adviseur toe te wijzen die optreedt als persoonlijke bankier.
3.9.1.6 Merchant banken
Merchant banken zijn gespecialiseerd in een beperkt aantal diensten zoals de emissie van en de handel in effecten, valuta’s en edelmetalen, vermogensbeheer voor instituten en adviezen aan het bedrijfsleven op het gebied van fusies en acquisities.
3.9.1.7 Investment banken
Investment banken komen vooral in de Amerikaanse financiële wereld voor. Dergelijke banken kennen een met merchant banken vergelijkbare specialisatie, zoals de (internationale) emissie en plaatsing van en handel in waardepapieren (bijvoorbeeld eurobonds) en het nemen van participaties.
3.9.1.8 Institutionele beleggers
Institutionele beleggers zijn instellingen die zich bezighouden met het beleggen van grote bedragen. Zij verkrijgen bij de uitoefening van de hoofdfunctie met een zekere regelmaat de beschikking over gelden waarvoor, meestal als afgeleide activiteit, voornamelijk langlopende beleggingen worden gezocht.
3.9.1.9 Beleggingsinstellingen
Beleggingsinstellingen beleggen voor een groep deelnemers in een gespreide portefeuille van vermogenswaarden. De diensten die worden verleend zijn onder meer risicoreductie door diversificatie, informatieproductie en een reductie in contractkosten. Beleggingsinstellingen verschillen onderling sterk in doelstelling, opzet, beheersbevoegdheid en juridische status.
3.9.1.10 Pensioenfondsen
Pensioenfondsen zijn een soort bijzondere beleggingsinstellingen. Zij ontvangen geld van deelnemers gedurende hun werkzame leven, beleggen dit, en keren de deelnemers gelden uit vanaf hun pensionering.
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN 3.9.1.11 Verzekeringsmaatschappijen
Verzekeringsmaatschappijen ontvangen fondsen in de vorm van premies en keren uit als de verzekering daartoe aanleiding geeft. De ontvangen bedragen worden belegd, het beleggingsbeleid is zeer behoudend. Een verzekeraar moet er namelijk voor zorgen dat het verzekerde bedrag te allen tijde kan worden uitgekeerd.
3.9.2 Functies bij financiële instellingen
Bij financiële instellingen zijn de volgende functies te onderscheiden:
3.9.2.1 Financieel planner
De financieel planner bij een financiële instelling is vooral een relatiemanager die de weg kent naar de juiste deskundigen binnen de bank. Ook onderhoudt de financieel planner contacten met de diverse ‘externe’ adviseurs van de cliënt, onder wie fiscalisten, accountants en notarissen. Elk van hen verstrekt vanuit een eigen invalshoek adviezen. De financieel planner stemt de diverse vormen van dienstverlening op elkaar af tot een geïntegreerd geheel, waarbij hij rekening houdt met de wensen van de klant.
3.9.2.2 Beleggingsadviseur
De voornaamste taak van een beleggingsadviseur is het samenstellen van een beleggingsportefeuille voor de klant en het bijstellen van de portefeuille wanneer dat nodig is. De verantwoordelijkheid voor mutaties in de portefeuille ligt altijd bij de klant. De klant neemt uiteindelijk zelf de beslissing of het advies van een adviseur wordt opgevolgd of niet. Beleggingsadviseurs kunnen uit hoofde van hun beroep ook effectenbemiddelaar zijn, als zij in het kader van het adviseren van klanten effecten aan- of verkopen.
3.9.2.3 Effectenbemiddelaar (commissiehuizen)
Een effectenbemiddelaar is degene die als tussenpersoon werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten. Deze functie wordt in Nederland door banken en commissionairs vervuld. Zij kopen en verkopen effecten in opdracht van de klant.
3.9.2.4 Vermogensbeheerder
Een vermogensbeheerder voert, op grond van een machtiging, zelfstandig het beheer over vermogens van beleggers. Een machtiging is een door de AFM verplichte, schriftelijke overeenkomst tussen een klant en de vermo- 69
gensbeheerder waarin bepaald is dat de vermogensbeheerder voor bepaalde zaken transacties kan verrichten voor rekening en risico van de klant. In tegenstelling tot een beleggingsadviseur, neemt de vermogensbeheerder zelf de beslissing tot een mutatie in de portefeuille van de cliënt zonder vooroverleg met de klant. Een adviseur geeft adviezen en de klant neemt zelf de beleggingsbeslissing. Gaat daarentegen het initiatief tot aan- en verkoop van objecten uit van de adviseur, dan is deze vermogensbeheerder.
3.9.3 Bedieningsconcepten
Vanuit de klant bezien zal, afhankelijk van de geïnventariseerde gegevens, een keuze moeten worden gemaakt welke manier van beleggen het best bij hem past. Er is een keuze uit drie bedieningsconcepten: • execution only • advies • beheer.
3.9.3.1 Execution only
Beleggen via execution only wil zeggen dat de klant alles zelf uitvoert. Er wordt geen advies gegeven. Een klant kan voldoende kennis en ervaring hebben om van mening te zijn alles zelf te kunnen regelen. Het voordeel van execution only zit voornamelijk in lagere kosten.
Toch heeft de financiële instelling bij wie iemand via execution only belegt, een aantal zeer belangrijke verantwoordelijkheden in het kader van de zorgplicht. Er moet altijd een risicoprofiel worden opgemaakt (zie volgende paragraaf). Daaruit volgt hoe risicovol de beleggingsportefeuille maximaal zou moeten zijn. Daarnaast moet worden onderzocht of de klant wel geschikt is voor beleggen via execution only. Dit kan worden aangetoond door de klant bijvoorbeeld een kennistoets af te laten leggen of door hem te laten aantonen op een andere manier voldoende kennis en ervaring te hebben opgedaan. Als blijkt dat de klant onvoldoende kennis en ervaring heeft voor de portefeuille die op basis van het risicoprofiel bij hem past, moet execution only ten strengste (actief) afgeraden worden. De klant mag dit advies in de wind slaan, maar de financiële instelling moet wel kunnen aantonen dat execution only is afgeraden en dat de klant wil afwijken van dit advies. Tot slot moet de financiële instelling de portefeuille van de execution only-klant wel monitoren. Dat wil zeggen dat ze actief moet waarschuwen wanneer de portefeuillesamenstelling van de klant zou gaan afwijken van een portefeuille die past bij het geïnventariseerde profiel.
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN 3.9.3.2 Advies en beheer
In een eerdere paragraaf bespraken wij het verschil tussen een beleggingsadviseur (advies) en vermogensbeheerder (beheer). Beheer gaat eenvoudigweg een stap verder dan alleen advies. Beide bedieningsconcepten gaan veel verder dan execution only.
Vermogensbeheer is gericht op de individuele portefeuille van een klant. De beheerder moet hiervoor veel handelingen verrichten. Bij advies volstaat het geven van het advies en beslist de klant zelf.
De grootte van het belegd vermogen in de portefeuille speelt daardoor een belangrijke rol in de bepaling of iemand advies krijgt, of dat hij geholpen wordt door een vermogensbeheerder. De kosten van een vermogensbeheerder liggen immers hoger, maar de klant worden ook meer zorgen uit handen genomen. Veel banken hanteren een minimale vermogensgrens voor individueel vermogensbeheer. Naast individueel vermogensbeheer bestaat er ook nog collectief vermogensbeheer. Denkt u hierbij aan de vermogensbeheerder van een pensioenfonds. De belegde gelden vormen daar een groot kapitaal, dat collectief wordt beheerd door (een team van) vermogensbeheerders, die daarin zelfstandig beslissingen nemen.
De zorgplichtaspecten van advies en beheer gaan verder dan die van execution only. Naast de verplichtingen die voor execution only gelden, moet de adviseur of vermogensbeheerder ook op elk moment kunnen aantonen dat de geadviseerde of de zelfstandig verhandelde portefeuille wel passend was bij het risicoprofiel van die klant.
3.9.4 Adviseringsproces
We gaan nu kort in op de werkzaamheden van beleggingsadviseurs ten aanzien van beleggingsadvies. De beleggingsadviseur moet voor de klant een beleggingsportefeuille samenstellen of wijzigen met als doel een optimaal rendement te behalen bij een gegeven risicoacceptatie. Bij elk advies dat de beleggingsadviseur geeft, zal een bepaald proces worden doorlopen. Dit adviseringsproces kenmerkt zich door stappen die gezet moeten worden. We slaan daarbij de beginfase van de kennismaking en het achterhalen van het doel van de klant voor de afspraak over. We starten bij het moment dat duidelijk is dat een beleggingsadvies is gewenst, of op zijn minst een risicoprofiel noodzakelijk is.
De stappen zien er dan als volgt uit: • vaststellen risicoprofiel: zaken die van belang zijn voor beleggingsadvies worden verder geïnventariseerd. Deze inventarisatie bevat de volgende aspecten: – totale vermogen – wensen en doelen – kennis en ervaring – risicotolerantie en -bereidheid. Hieruit volgt een bepaald risicoprofiel van de klant. Dit risicoprofiel correspondeert met een bepaalde verdeling tussen de verschillende beleggingscategorieën. Deze verdeling noemt men ook de ‘strategische assetallocatie’. Daarnaast kan op grond van deze inventarisatie worden vastgesteld voor welk bedieningsconcept de klant in aanmerking komt. • strategische assetallocatie: de daadwerkelijke uitvoering van de toewijzing van te besteden gelden aan de verschillende beleggingscategorieën. • tactische assetallocatie: op basis van macro-economische verwachtingen wordt afgeweken van de vaste verdeling tussen de verschillende beleggingscategorieën. • herallocatie: de portefeuille wordt beheerd en, indien nodig, aangepast. • vastlegging en beheer.
We lichten nu de diverse stappen nader toe.
3.9.4.1 Stap 1: vaststellen risicoprofiel
Eerst moet worden vastgesteld welke beleggingen passend zijn voor de klant. Daarvoor moeten de financiële positie, wensen en doelen, kennis en ervaring en risicobereidheid goed worden geïnventariseerd. Veel informatie zal bekend zijn door eerdere inventarisatie (het klantprofiel), en de adviseur zal voor een beleggingsadvies meer specifieke informatie moeten verkrijgen.
Bezittingen en schulden Het adviseringsproces start met een gedegen analyse van de financiële huishouding van de klant, voor zover dit nog niet is gebeurd. Dit houdt een totaaloverzicht in van de vermogens- en inkomenspositie. Ook is inzicht vereist in de verplichtingen die zijn aangegaan en de fiscale positie van de klant, zodat een beeld kan worden geschetst van de netto cashflow op korte, middellange en lange termijn.
Het is van belang dat inzicht wordt verkregen in de situatie van de cliënt: • hoe groot is het totale vermogen; • hoe hoog is het totale inkomen; • hoe groot is het te beleggen bedrag; 72 • hoe hoog zijn de totale bestedingen;
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN • welke toekomstige voorzienbare verplichtingen zijn er; • hoe ziet de huidige portefeuille eruit; • waarvoor worden de beleggingsopbrengsten aangewend?
Wensen en doelen Na de inventarisatie van de bezittingen en schulden volgen de wensen en doelen van de belegger. Doordat de belegger diverse wensen en doelen kan hebben, elk met specifieke kenmerken, kan de totale portefeuille gezien worden als een combinatie van verschillende portefeuilles met elk een eigen doel. Per doel moet worden onderzocht wat de tijdshorizon is en welk rendement vereist is. Cashflowmatching speelt in dit verband een belangrijke rol: het gelijkstellen van de looptijd van de uitzettingen aan de looptijd van de verplichtingen. Cashflowmatching kan het best gerealiseerd worden met een obligatiebelegging. De adviseur construeert een portefeuille van obligaties voor de belegger die precies de bedragen van de toekomstige verplichtingen kan voortbrengen.
Aan de hand van de wensen en doelen kan dan worden bepaald welk deel van het belegbaar vermogen in welke beleggingscategorie gealloceerd mag worden.
Kennis en ervaring Bij de inventarisatie van kennis en ervaring is het belangrijk het verschil tussen deze twee factoren te onderscheiden. Iemand kan veel ervaring hebben met het beleggen in aandelen, en dat zegt niets over zijn kennis over aandelen. Naar ervaring kan relatief eenvoudig gevraagd worden, door bijvoorbeeld de klant aan te laten geven hoe vaak hij in een bepaalde beleggingscategorie belegt, om welke bedragen het gaat en sinds wanneer hij dit doet. Op het gebied van inventarisatie van de kennis van de klant wordt de adviseur geacht hem diepgaand te ondervragen over zijn kennis over beleggen. Sommige financiële dienstverleners doen dit al door de klant een toets voor te leggen. Over het algemeen geldt dat hoe groter de kennis en ervaring van de klant, des te offensiever zijn risicoprofiel.
Risicotolerantie en risicobereidheid In dit deel van de vaststelling van het risicoprofiel wordt nader ingegaan op de risicobereidheid. Aan de hand van risico-onderzoek kan een beeld worden gevormd van het financiële en het psychologische risico (risicotolerantie en risicobereidheid).
Op basis van deze vier onderdelen van de inventarisatie wordt het risicoprofiel vastgesteld en vastgelegd. Dit bepaalt de structuur van het beleggingsplan. De hierboven genoemde factoren hebben uiteraard een wisselwerking. Bepaalde ervaringen met beleggen zullen invloed hebben op de risicobereidheid en de financiële positie. De inventarisatie mag dan ook niet worden gezien als het afwerken van een lijstje vragen. De AFM heeft herhaaldelijk aangegeven dat een adviseur tijdens de inventarisatie van het risicoprofiel goed moet opletten of er inconsequenties zijn in beantwoording van de vragen. De adviseur moet hierop vervolgens goed doorvragen, totdat duidelijk is wat de klant bedoelt. Het profiel kan bovendien veranderen door veranderde omstandigheden en is daarmee dynamisch en moet regelmatig worden getoetst.
Voorbeeld Piet de Geus komt bij zijn beleggingsadviseur voor een beleggingsadvies. De adviseur kent Piet al jaren, want alle financiële diensten van Piet lopen al via hem. Toch geeft de adviseur hem een uitgebreide vragenlijst, specifiek voor beleggingen.
Desgevraagd geeft Piet daarop onder meer het volgende aan: • Over vijf jaar denk ik een auto nodig te hebben en deze auto is noodzakelijk om mijn werk te kunnen blijven doen. • Ik heb geen ervaring met beleggen. • Ik heb zeer veel kennis van beleggingen. • Ik wil graag een rendement van tussen de -20 en + 25 procent. • Ik slaap slecht als mijn beleggingen ineens sterk in waarde dalen.
Uit beantwoording van deze vragen blijkt dat er enerzijds een sterk fluctuerend rendement verwacht wordt, en dat anderzijds sterke waardedalingen leiden tot slapeloze nachten. De adviseur moet op dit punt doorvragen, wat Piet belangrijker vindt: de kans op een hoog rendement of een goede nachtrust. Bovendien is er sprake van een objectief beleggingsdoel op korte termijn (korte beleggingshorizon), wat het nemen van een groot beleggingsrisico in de weg staat. Piet geeft enerzijds aan een negatief rendement acceptabel te vinden, anderzijds geeft hij aan het doel op korte termijn absoluut nodig te vinden. Ook hier moet de adviseur doorvragen.
Daarnaast geeft Piet aan geen enkele ervaring op het gebied van beleggingen te hebben, maar wel erg veel kennis. Als hij al zoveel kennis van zaken heeft, hoe komt het dan dat Piet nog niet eerder heeft belegd? En wat is de reden dat Piet daarvoor nu bij zijn adviseur aanklopt? Waaruit bestaat de opgedane kennis?
Kortom: uit dit voorbeeld is af te leiden dat een adviseur nooit zomaar genoe-
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN gen mag nemen met de antwoorden zoals ze zijn gegeven op een vragenlijst. Er moet vaak doorgevraagd worden, waarbij de extra vragen en antwoorden daarop moeten worden vastgelegd, zodat duidelijk gereproduceerd kan worden op basis waarvan het risicoprofiel van de klant is opgemaakt.
3.9.4.2 Stap 2: de strategische assetallocatie
Op basis van het uiteindelijk vastgelegde risicoprofiel kan het beschikbare geld worden aangewend voor het aanschaffen van producten in de verschillende beleggingscategorieën, in de verhouding die past bij dit risicoprofiel. De adviseur legt eerst aan de klant uit wat hij gaat doen, en hoe zijn geld wordt besteed. De klant kan daarop dan alsnog reageren en aangeven toch iets anders te willen. Een klant mag altijd afwijken van het advies. De adviseur moet dan wel de consequenties hiervan duidelijk maken aan de klant en een en ander goed vastleggen. Dit geldt zowel in de situatie dat een klant offensiever wil beleggen dan geadviseerd, als wanneer hij defensiever wil beleggen. Naast risico-afwegingen, geeft de adviseur ook aan wat de kosten van de beleggingen zullen zijn. Als de klant akkoord is met het voorstel, zet de adviseur de aankoop van de verschillende beleggingsproducten in gang.
3.9.4.3 Stap 3: de tactische assetallocatie
Na de strategische assetallocatie volgt naar keuze de tactische allocatie. Wanneer de standaard beleggingsallocatie (strategische assetallocatie) op basis van macro-economische verwachtingen niet het meest toegesneden advies is voor de cliënt op een specifiek moment, kan ervoor gekozen worden om ervan af te wijken. Bij de tactische allocatie wordt, op basis van macro-economische verwachtingen, afgeweken van de vaste verdeling tussen de verschillende beleggingscategorieën. Deze fase hoeft niet altijd plaats te vinden, als er geen aanleiding toe is. Ook kan deze direct al aan het begin van de advisering plaatsvinden, nog voordat iemand een standaard portefeuille toegewezen heeft gekregen (voorafgaand aan de strategische assetallocatie).
Voorbeeld Stel dat in een neutrale portefeuille op basis van de strategische assetallocatie bij de X-bank een verdeling hoort van: 30 procent aandelen, 40 procent obligaties en 30 procent liquiditeiten. Onder invloed van macro-economische verwachtingen kan hiervan met vijf procent worden afgeweken.
Nu wordt er een forse stijging van de economische groei verwacht, die een impuls zal vormen voor de beurs. Tegelijkertijd wordt er een stijging van de kapitaalmarktrente verwacht. Deze verwachtingen leiden tot de volgende tactische assetallocatie: 35 procent aandelen, 35 procent obligaties en 30 procent liquiditeiten.
Wanneer een klant nog geen effectenportefeuille bezit, presenteert de adviseur een aantal alternatieven die het best bij de situatie van de cliënt passen. Klanten met een beleggingsportefeuille zullen de alternatieven van de adviseur vergelijken met hun huidige portefeuille. De adviseur zal een wijziging van de portefeuille moeten kunnen motiveren. Verder moet de adviseur tijdens deze fase rekening houden met het al dan niet aanwezige kennisverschil tussen hemzelf en de klant.
3.9.4.4 Stap 4: herallocatie/rebalancing
Geregeld evalueren van de resultaten van de portefeuille is noodzakelijk om te bepalen of de gewenste doelen worden bereikt. Hiervoor bestaan diverse maatstaven. Voorbeelden hiervan zijn benchmarkvergelijking en de Sharpe-maatstaf. Deze maatstaven komen in een later hoofdstuk aan de orde. Als nodig worden de portefeuilles aangepast.
3.10 NYSE EURONEXT AMSTERDAM
NYSE Euronext Amsterdam is de centrale beursorganisatie in Nederland en heeft als doel het organiseren en inrichten van een openbare kapitaalmarkt. Meer concreet houdt dit in het in notering nemen en organiseren van de centrale markt voor aandelen, obligaties, warrants, opties en futures, het afwikkelen en garanderen van de transacties op de door NYSE Euronext Amsterdam georganiseerde beurzen en het bewaren, beheren en administreren van uitgegeven effecten. De belangen die NYSE Euronext Amsterdam behartigt, zijn uiteindelijk die van de leden en van de beleggers. Dit laatste komt vooral tot uiting in de eisen ten aanzien van de informatie die door ondernemingen verschaft moet worden en in de controle op de feitelijke handel.
NYSE Euronext heeft diverse eigen indices gelanceerd. Euronext 100 is de index van de 100 grootste fondsen die op NYSE Euronext verhandeld worden. Next 150 is gebaseerd op de 150 daaropvolgende fondsen. De verschillende vestigingen van NYSE Euronext gebruiken ook verder hun eigen indices zoals de BEL20 in Brussel, de CAC40 in Parijs, de AEX Index in Amsterdam en de PSI-20 in Lissabon.
MARKTPARTIJEN BIJ BELEGGEN
Gezicht op een gefantaseerde stad aan een rivier met de toren van Saint Pol uit Vianen, Jan van Goyen, 1649
4. VERMOGENSALLOCATIE
Beleggingsbeleid is gebaseerd op het spreidingsprincipe. Spreiding houdt in dat belegd wordt in meerdere beleggingsobjecten of -categorieën. Spreiding wordt in deze context ook wel ‘diversificatie’ genoemd. Het doel van spreiding is efficiënt beleggen. Dit betekent dat met een minimum aan risico een zo hoog mogelijk rendement op het ingelegde vermogen wordt behaald.
In dit hoofdstuk tonen we aan hoe op basis van het spreidingsprincipe portefeuilles worden samengesteld, en hoe het klantvermogen verantwoord wordt verdeeld over de diverse beleggingsobjecten. Er kunnen uiteraard tal van portefeuilles worden samengesteld. Welke portefeuille de klant kiest, is onder meer afhankelijk van zijn risicoprofiel, beleggingshorizon enzovoort. De keuze van de klant voor één van de portefeuilles, gegeven de huidige situatie, noemen we ‘vermogensallocatie’ of ‘assetallocation’. Na verloop van tijd kan de klant vaststellen of de keuze van zijn portefeuille voldoet aan de wensen en deze zo nodig aanpassen, de vermogensherallocatie.
Hierna gaan wij eerst in op de zogenoemde ‘top-down-‘ en ‘bottom-up-benadering’ voor het samenstellen van portefeuilles. Vervolgens komen de risico- en rendementsmeting van de samengestelde portefeuilles aan de orde. Ten slotte gaan wij in op het heralloceren van vermogen.
4.1 TOP-DOWN VERSUS BOTTOM-UP
De specialisten van de diverse financiële instellingen stellen portefeuilles voor de relaties samen. Afhankelijk van de grootte van het vermogen van de relatie, wordt het vermogen collectief of individueel belegd.
Als het vermogen van de klant te klein is om individueel te beleggen, is collectief beleggen een goed alternatief. Het vermogen zal dan worden belegd in beleggingsfondsen. Door middel van beleggingsfondsen wordt de gewenste spreiding bereikt tegen relatief lage kosten. De samengestelde beleggingsfondsen zijn uiteraard verschillend. Sommige fondsen bevatten bijvoorbeeld meer aandelen, andere meer liquiditeiten. Hierdoor zullen de diverse portefeuilles een verschillend rendement en risico opleveren. Op basis van het beleggersonderzoek zullen diverse profielen van beleggers ontstaan. De ene belegger wenst vermogensgroei, wil een hoog rendement en accepteert daarbij een hoger risico. De andere belegger wil graag zijn hoofdsom in stand houden en wil weinig risico lopen. De diverse beleggers worden als het ware in groepjes ingedeeld. Bij elke groep beleggers past een beleggingsfonds.
Het voornoemde proces kan uiteraard ook omgekeerd worden. Dit is vooral het geval bij vermogende beleggers, die voldoende vermogen bezitten om zelf een portefeuille samen te stellen. Wanneer het profiel van een dergelijke belegger bekend is, wordt gestart met de opbouw van de portefeuille. De keuze van de objecten bepaalt het te verwachten rendement en ook het te verwachten risico. De belegger kan dus door middel van de inrichting van zijn portefeuille het risico sturen.
4.1.1 Top-down-benadering
De top-down-benadering houdt in dat het vermogen van de belegger wordt verdeeld over achtereenvolgens: • beleggingscategorieën (assetmix) • geografische regio’s • sectoren of thema’s • individuele aandelen.
Top down
Assetmix
Geografisch
Sectoren/thema's
Best of sector
VERMOGENSALLOCATIE 4.1.1.1 Spreiding over beleggingscategorieën
De keuze van de beleggingscategorie speelt een grote rol voor het uiteindelijke beleggingsrendement en beleggingsrisico. Beleggen in aandelen brengt relatief hoge rendementen met zich mee, en ook grotere risico’s. Liquiditeiten zijn veel minder risicovol, en de rendementen zijn relatief laag. Door het vermogen over de diverse categorieën te verdelen, kan de belegger het risico van de portefeuille beïnvloeden.
4.1.1.2 Spreiding over geografische regio’s
De volgende stap in de top-down-benadering is de geografische spreiding. Wanneer een selectie is gemaakt van de diverse beleggingsobjecten, moet worden onderzocht hoe het vermogen verspreid kan worden over de diverse geografische regio’s.
4.1.1.3 Spreiding over sectoren of thema’s
Na de geografische spreiding volgt de spreiding over de diverse sectoren of bedrijfstakken. De gedachte hierachter is dat niet alle sectoren het even goed zullen doen. Door te spreiden over sectoren kan een tegenvaller in de ene sector worden gecompenseerd door een meevaller in de andere sector. Sectoren die we onderscheiden zijn onder meer financiële dienstverlening, voedingsmiddelen, chemie, olie-industrie, informatietechnologie, uitgeverijen, farmacie en bouw. Soms worden soortgelijke sectoren tot één thema samengevoegd. Het thema ‘defensief’ bestaat dan bijvoorbeeld uit de sectoren drinks & foods, detailhandel en toiletartikelen.
4.1.1.4 Spreiding over individuele aandelen
De laatste keuze die de belegger moet maken binnen de top-down-benadering is de spreiding over ondernemingen. Binnen de gekozen bedrijfstakken moet de belegger kiezen voor diverse bedrijven. In dit verband speelt de koopwaardigheid van het individuele aandeel op een bepaald moment uiteraard een grote rol.
4.1.2 Bottom-up-benadering
De bottom-up-benadering start precies tegenovergesteld aan de top-down-benadering. Bij deze methode start de belegger met het selecteren van koopwaardige beleggingsobjecten. Vervolgens wordt binnen de geselecteerde groep een bedrijfstak-, een geografische en een categoriespreiding aangebracht. In de praktijk blijkt dat door het internationale karakter van de
meeste ondernemingen, na de objectenselectie, automatisch de nodige spreiding is aangebracht in de portefeuille.
Bottom up
Assetmix
Geografisch
Sectoren/thema's
Best of sector
4.2 PORTEFEUILLETHEORIE
De portefeuilletheorie is ontwikkeld door de econoom Harry Markowitz. Hij ontving voor deze theorie een Nobelprijs. Dit theoretisch model biedt de beleggingsadviseur houvast om uit de beschikbare beleggingsmogelijkheden een efficiënte en verantwoorde beleggingsportefeuille voor zijn klant samen te stellen. Hier wordt verantwoord gedefinieerd als een juiste afweging tussen rendement en risico.
Omdat onderzoek op het gebied van beleggen de laatste decennia steeds meer wordt gedaan vanuit modelmatige benaderingen, kan het vakgebied nauwelijks meer op verantwoorde wijze worden bestudeerd zonder voldoende kennis en inzicht in een aantal elementen uit het statistische begrippenapparaat.
4.2.1 Statistisch intermezzo
Het berekenen van de statistische grootheden is geen onderdeel van het examen en opgenomen voor een beter begrip van de theorie.
Statistiek houdt zich bezig met het onderzoeken van (relaties tussen) verschijnselen in een groep objecten (bijvoorbeeld de lengte van Nederlandse mannen of het jaarlijkse rendement van een aandeel). De statisticus verzamelt gegevens door middel van waarnemingen (enquêtes, historische gegevens enzovoort). De waarnemingen worden omgezet in getallen (gemiddelde leeftijd, gemiddeld rendement, correlatie tussen rendementen enzovoort), zodat op basis van het onderzoek conclusies getrokken kunnen worden.
VERMOGENSALLOCATIE Hierna wordt het begrip normale verdeling uitgelegd. Dit begrip is van belang voor het bepalen van het rendement en risico van een portefeuille.
In de volgende figuur zijn fictieve waarnemingen weergegeven van dagrendementen van het beleggingsobject Koninklijke Olie over een periode van 20 jaar. De dagrendementen van het beleggingsobject zijn weergegeven in de vorm van een histogram, waar de kansen zijn voorgesteld door de oppervlakten van de staafjes.
Frequentie, w aarschijnlijkheid 0,07
0,06
0,05
0,04
0,03
0,02
0,01
1 -10 2 -5 3 0 4 5 5 10 6 15 7 20 8 25 9 Rendement (%)
Rendementen van Koninklijke Olie
De dagrendementen zijn in intervallen van vijf procent ingedeeld.
Toelichting Horizontaal worden de rendementen van Koninklijke Olie weergegeven (in intervallen van vijf procent). Verticaal wordt de kans weergegeven dat een bepaald rendement van Koninklijke Olie wordt gerealiseerd. Zo kan worden afgelezen dat de kans dat een rendement van 23 procent wordt behaald één procent (0,01) is, en de kans op rendement van zes procent is zes procent (0,06). De kans op rendement van 20-25 procent is vijf procent (de oppervlakte onder de rechthoek: 5 x 1% = 5%). De kans op een rendement tussen vijf en 10 procent is 30 procent (de oppervlakte onder de rechthoek: 5 x 6% = 30%). De oppervlakte onder een rechthoek geeft dus de kans binnen een interval weer.
Naarmate de intervallen kleiner worden gekozen (de staafjes in het histogram worden smaller: bijvoorbeeld in plaats van vijf procent rendement: één procent) gaat de bovenrand van het histogram meer en meer lijken op een vloeiende symmetrische curve. Deze curve geeft de spreiding weer van de rendementen. In wiskundige termen wordt deze curve de normale verdeling of de kromme van Gauss genoemd.
Frequentie, waarschijnlijkheid 0,07
0,06
0,05
0,04
0,03
0,02
0,01
-10 -5 0 5 10 15 20 Rendement (%) Rendementen van Koninklijke Olie
De normale verdeling wordt gekenmerkt door een eentoppig, volmaakt symmetrisch profiel ten opzichte van een bepaald punt op de x-as (in dit geval bij een rendement van zeven procent). Verder wordt de normale verdeling bepaald door twee getallen. Het ene getal is het gemiddelde; het andere getal is de standaarddeviatie. In het hiernavolgende worden deze getallen nader toegelicht.
4.2.2 Gemiddelde; meten van rendement
Het begrip ‘rendement’ definieren is geen eenvoudige opgave. Niet alleen zijn de berekeningsmethoden verschillend, ook de samenstelling van het rendementsbegrip varieert. Hierna komen de diverse rendementsbegrippen aan de orde.
Het rendement van een belegging gedurende een periode is de opbrengst uitgedrukt in een percentage van het oorspronkelijk belegde bedrag. De opbrengst bestaat uit de som van de inkomsten (dividend, rente) en de eventuele waardemutatie van de belegging (koersresultaat = koersstijging, koersdaling). De opbrengst wordt ook vaak het ‘beleggingsresultaat’ genoemd.
Om een voorspelling te doen van het rendement in de toekomst, wordt het gemiddelde rendement over meerdere periodes berekend in het verleden. Verondersteld wordt wel dat een in het verleden gerealiseerd gemiddeld rendement ook in de toekomst weer behaald zal worden.
Er staan de adviseur diverse methoden ter beschikking om het historisch rendement van beleggingsobjecten of portefeuilles te bepalen. Wij gaan nu kort in op het rekenkundige, het meetkundige en het logaritmische rendement. Welke van de drie methoden door de adviseur wordt toegepast is afhankelijk van de situatie. Ook komt kort het reele rendement aan de orde.
VERMOGENSALLOCATIE 4.2.2.1 Rekenkundig rendement
Het rekenkundig rendement is eenvoudig te bepalen. De rendementen van de afgesloten perioden worden bij elkaar opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal perioden.
4.2.2.2 Meetkundig gemiddelde rendement
Het meetkundig rendement geeft een exacte weergave van het behaalde rendement gedurende een bepaalde periode. Echter, de berekening is erg omslachtig, vooral bij een groot aantal perioden zal het gebruik van een computer nodig zijn. Het meetkundig rendement is dan ook vooral geschikt voor een uitgebreide analyse van het rendement.
Bij het meetkundig gemiddelde rendement worden alle rendementen van de perioden met elkaar vermenigvuldigd en wordt vervolgens de wortel te getrokken met een macht die gelijk is aan het aantal perioden. Ten slotte wordt één van het totaal afgetrokken.
Het meetkundig rendement is het rendement dat wordt bepaald door het begin van de periode van de belegging te vergelijken met het einde van de periode van de belegging. Hierdoor geeft het meetkundige rendement het werkelijk rendement weer dat in de betreffende periode is behaald.
4.2.2.3 Logaritmisch gemiddeld rendement
Het logaritmisch gemiddelde rendement is een alternatief voor het meetkundig gemiddelde rendement. Het logaritmisch gemiddelde rendement is het meetkundig rendement met oneindig kleine perioden als intervallen. Bij het meetkundig of rekenkundig rendement wordt gewerkt met perioden van jaren. Ook wordt vaak gewerkt met perioden van kwartalen of maanden. Als de lengte van de perioden nog verder wordt verkleind kan het logaritmisch rendement worden berekend. Veel beleggers maken gebruik van logaritmische grafieken. Deze geven namelijk een beter beeld van de werkelijke stijging of daling van een fonds.
4.2.2.4 Portefeuillerendement
De verwachte opbrengst van een portefeuille is het gewogen gemiddelde van de verwachte opbrengsten van de individuele beleggingscategorieën.
De formule ziet er als volgt uit:
E(rp) = A × raandeel A + B × raandeel B
waarbij: E(rp) = verwachte opbrengst portefeuille raandeel A = verwachte opbrengst aandeel A raandeel B = verwachte opbrengst aandeel B A = wegingsfactor aandeel A B = wegingsfactor aandeel B A+B = 1
Voorbeeld Paulien kan beleggen in aandelen met een verwachte opbrengst van 13 procent en obligaties met een verwachte opbrengst van zeven procent. Wanneer Paulien besluit alleen aandelen te kopen bedraagt het verwachte rendement 13 procent. Besluit zij alleen obligaties te kopen, dan bedraagt het verwachte rendement zeven procent. Koopt zij voor de helft van haar financiële middelen aandelen en voor de andere helft obligaties, dan is het verwachte rendement 10 procent: (0,5 x 13%) + (0,5 x 7%).
4.2.2.5 Reëel rendement
Door de jaarlijks prijsstijgingen van de diverse producten kan elk jaar minder worden gekocht met een bepaald bedrag. Deze prijsstijging of geldontwaarding wordt inflatie genoemd. Bij de rendementen die hiervoor zijn berekend is geen rekening gehouden met deze inflatie. Bij de berekening van het reële rendement wordt het rendement gecorrigeerd met het inflatiecijfer.
Voorbeeld De beleggingsportefeuille van Paul Warnaar behaalde de afgelopen 10 jaar een gemiddeld rendement van 12 procent. Het gemiddelde inflatiepercentage was gedurende deze periode tweeënhalf procent per jaar. Het reële rendement dat Paul heeft behaald bedraagt hierdoor negenenhalf procent per jaar.
4.3 STANDAARDDEVIATIE; MAATSTAF VAN RISICO
Er is nauwelijks een beleggingsvraagstuk te vinden waarin sprake is van volledige informatie. Volledige informatie wil zeggen dat elke belegger precies weet wat de toekomst zal brengen. Het impliceert zekerheid. Situaties die worden gekenmerkt door onvolledige informatie zijn onzeker en 86 kunnen een bepaald risico bevatten.
VERMOGENSALLOCATIE Risico bij beleggen kan worden omschreven als de kans dat het verwachte rendement afwijkt van het werkelijke rendement. Dit kan zowel positief als negatief zijn. Het verwachte rendement is het rendement dat meestal wordt voorgesteld door de adviseur en vaak is afgeleid uit gegevens uit het verleden. Naarmate een beleggingsobject risicovoller is, neemt de kans toe dat het werkelijke rendement afwijkt van het verwachte rendement.
4.3.1 Kwalitatief beleggingsrisico
Beleggingsrisico is in feite een verzameling van diverse soorten risico’s die alle, per beleggingscategorie verschillend, van invloed kunnen zijn op het rendement. In de volgende subparagrafen komen de diverse beleggingsrisico’s aan de orde.
4.3.1.1 Koopkrachtrisico
Koopkracht- of inflatierisico is de kans dat in de toekomst minder met het belegde geld kan worden gekocht. Voor een belegger is niet zozeer het in procenten uitgedrukte rendement van belang, maar vooral zijn toekomstige koopkracht. Wanneer de geldontwaarding (inflatie) hoger is dan het rendement dat een beleggingsobject genereert, zal in de toekomst de koopkracht afnemen. Dit risico doet zich vooral voor bij beleggingen in vastrentende waarden doordat zij in een nominaal bedrag worden uitgedrukt. Zakelijke waarden worden in aantallen of gewichtseenheden uitgedrukt in plaats van in een vast bedrag en in tijden van inflatie zullen zij (in theorie) met het algemene prijspeil duurder worden, zodat het koopkrachtverlies gecompenseerd wordt.
4.3.1.2 Renterisico
Renterisico is het risico dat koersen door een renteverandering fluctueren. Bij een (verwachte) rentestijging bijvoorbeeld, dalen de koersen van obligaties.
Voorbeeld Gert doet Piet een aantrekkelijk aanbod. Gert bezit een obligatie met een nominale waarde van € 1.000 en een jaarlijkse rente van vijf procent. Piet mag de obligatie kopen voor € 1.000 en kan over de komende jaren genieten van die vijf procent rente. De aantrekkelijkheid van het aanbod is afhankelijk van het marktrenteniveau. Dit is de rente die Piet krijgt als hij die € 1.000 op een spaarrekening stort. Wanneer deze bijvoorbeeld zes procent is, zal Piet voor de obligatie met een couponrente van vijf procent zeker niet de nominale waarde willen betalen. Het geld kan immers beter op de spaarrekening worden gestort. De koers van de obligatie zal beneden de 100 procent noteren en goedkoper zijn dan € 1.000. 87
4.3.1.3 Valutarisico
Valutarisico kan zich voordoen als een belegging plaatsvindt in een andere muntsoort dan bijvoorbeeld de euro. In veel landen is de rente, die een belegger ontvangt op zijn spaartegoed, hoger dan in Nederland. Het risico bestaat dat de koers van de betreffende muntsoort daalt ten opzichte van de euro. De beleggers moeten het dan bekopen door een in euro’s uitgedrukte waardedaling van de hoofdsom.
Voorbeeld Een Nederlandse belegger koopt aandelen van een Zwitserse onderneming. De onderneming doet het goed en de waarde van de aandelen stijgt. Wanneer de belegger besluit zijn aandelen tegen de hogere waarde te verkopen, heeft hij ook te maken met de koers van de Zwitserse franc. Als de koers van de franc is gedaald ten opzichte van de euro kan, ondanks de waardetoename van het aandeel, een negatief rendement worden behaald in euro’s.
4.3.1.4 Beursrisico
Het beursrisico is het risico dat de koers van een beleggingsobject daalt als gevolg van een veranderde stemming op de effectenbeurs, zonder dat dit iets te maken heeft met de afzonderlijke waardering van het betreffende object. Factoren die de beursstemming beïnvloeden zijn van economische, psychologische of politieke aard. Het beursrisico is latent aanwezig bij alle beursgenoteerde effecten.
4.3.1.5 Debiteurenrisico
Het debiteuren- of solvabiliteitsrisico houdt het gevaar in dat degene aan wie het geld is toevertrouwd, zijn verplichtingen niet meer nakomt of na kan komen. Het debiteurenrisico hangt af van de mate van kredietwaardigheid van de debiteur. Naarmate de kredietwaardigheid beter is, wordt de kans op een faillissement kleiner. Het kan wel eens tegenvallen. Denkt u in dit verband aan de voormalige beleggingen in DAF, Fokker en Baan. Nederlandse staatsobligaties worden overigens beschouwd als risicoloos wat betreft het debiteurenrisico.
4.3.1.6 Liquiditeitsrisico
De liquiditeit van een belegging is de verhandelbaarheid op een redelijk stabiel koers- of prijsniveau. Dit risico speelt vooral een rol bij beleggingen in vastgoed.
VERMOGENSALLOCATIE 4.3.1.7 Politiek risico
Politiek risico is een gevolg van politieke instabiliteit in een bepaald land. Vooral bij ontwikkelingslanden speelt dit risico een belangrijke rol. Echter, ook in geïndustrialiseerde landen kan een verandering van regering enig risico met zich meebrengen. Een voorbeeld van de invloed van de politiek op beleggen is de Stikstofuitspraak in 2019. Deze uitspraak had een negatief gevolg voor boerenbedrijven maar ook voor bouwprojecten in heel Nederland. De Nederlandse aandelen reageerden hier direct op en de AEX daalde met anderhalf procent.
4.3.2 Kwantificeren van risico
Risico is de kans dat het werkelijke rendement afwijkt van het verwachte (gemiddelde) rendement. De afwijking kan positief uitpakken. Het hoeft niet alleen slechter te gaan dan verwacht, het kan ook beter gaan.
De betrouwbaarheid van de hiervoor gevonden gemiddelden van de aandelen A en B wordt benaderd met de zogenoemde ‘standaarddeviatie’. De standaarddeviatie geeft aan wat de afwijking is tussen het gevonden gemiddelde en het werkelijke onbekende gemiddelde, het risico dat een belegger loopt.
Waarschijnlijkheid
34,13% 34,13%
2,14% 13,59% 13,59% 2,14% 0,14% , 0,14% - 12,7 - 7,8 - 2,9 2,0 6,9 11,8 16,7 1s 1s Rendement (%)
68% waarschijnlijkheidsgebied
95% waarschijnlijkheidsgebied
99% waarschijnlijkheidsgebied
Toelichting: Gezien de geheel gelijkmatige verdeling van de waarnemingen is 50 procent ervan lager dan het gemiddelde en 50 procent hoger. De standaarddeviatie (σ) geeft de mate van spreiding van de waarnemingen aan. Hoe groter de spreiding, des te hoger het risico. Het gebied tussen twee grenzen heet een waarschijnlijkheidsinterval.
De hele oppervlakte onder de curve geeft alle mogelijke uitkomsten weer en per definitie zijn alle mogelijke uitkomsten samen gelijk aan 100 procent. Wat nu blijkt, is dat het gebied in de grafiek tussen een rendement van -2,9 en 6,9 procent ongeveer 68 procent van de mogelijke uitkomsten weergeeft. Dit wordt ook wel het ‘68 procent‑waarschijnlijkheidsgebied’ genoemd. Met andere woorden, in ongeveer 68 procent van de gevallen zal het rendement van deze belegging liggen tussen -2,9 en 6,9 procent. 68 Procent van het oppervlak van een normale verdeling ligt tussen het verwachte rendement plus één keer de standaarddeviatie en het verwachte rendement minus één keer de standaarddeviatie. Dit geldt voor alle normale verdelingen. Ook geldt dat ongeveer 95 procent (2 x 34,13 + 2 x 13,59) van het oppervlak ligt tussen het verwachte rendement plus twee keer de standaarddeviatie en het verwachte rendement minus twee keer de standaarddeviatie. Dit betekent dat het rendement van beleggingsobject aandeel A in 95 procent van de gevallen zal liggen tussen de -7,8 (2% ‑ 2 x 4,9%) en +11,8 procent (2% + 2 x 4,9%). Verder kan uit de figuur worden bepaald dat als een cliënt een bepaald minimaal rendement eist, hoe groot de kans is dat dit minimale rendement zal worden behaald.
Voorbeeld Chantal heeft € 75.000 tot haar beschikking om te beleggen. Zij overweegt het bedrag te beleggen in een beleggingsfonds. Het verwachte rendement is vijf procent. De standaarddeviatie van het fonds is negen procent. De kans dat het rendement onder zeven procent uitkomt is in de normaalverdeling net zo groot als de kans dat het rendement hoger is dan zeven procent, 50procent dus. Met een waarschijnlijkheid van 95 procent zal het rendement het komende jaar liggen tussen: verwacht rendement +/+ 2 x standaarddeviatie en verwacht rendement -/- 2 x standaarddeviatie: 7% +/+ (2 x 9%) = +/+ 25% en 7% -/- (2 x 9%) = -/- 11 procent. Omgerekend is dat tussen de 125% x € 75.000 = € 93.750 en 89% x € 75.000 = € 66.750.
De normaalverdeling verschilt per beleggingscategorie. Aandelen en vastgoed hebben een minder voorspelbaar rendement, waardoor de standaarddeviatie groter is dan bij obligatiebeleggingen of liquiditeiten.
VERMOGENSALLOCATIE Om het effect van het risico op de te verwachten rendementen over meerdere jaren inzichtelijk te maken, gebruiken we de volgende formule:
1,2 of 3 × σ √t waarbij: σ = standaarddeviatie t = tijd in jaren
Deze meerjaren standaarddeviatie wordt onder andere gebruikt bij het berekenen van de scenario’s rondom het prognoserendement.
4.3.3 Portefeuillerisico
Diversificatie van het vermogen over beleggingsobjecten die een verschillend rendementspatroon hebben, verlaagt het portefeuillerisico. Het risico dat gereduceerd kan worden door spreiding heet specifiek risico. Dit is het risico dat alleen aan een bepaald beleggingsobject kleeft. Het markt- of systematisch risico is het risico dat de belegger altijd loopt. Dit risico is verbonden aan elk beleggingsobject en kan niet worden verminderd door een portefeuille van diverse beleggingsobjecten te vormen.
Voorbeeld Piet Klaassen bezit alleen aandelen Grolsch. De markt voor bierproducten, waarop Grolsch opereert, beweegt zich in het Verre Oosten en Europa in een groeiende markt. Het algemene klimaat op de aandelenbeurs is ook overwegend positief geweest. Dat betekent dat het marktrisico voor Grolsch positief was. Stakingen van het personeel en een reorganisatie van het bedrijf in Europa, die specifiek aan Grolsch zijn toe te schrijven, hebben de winstontwikkeling negatief beïnvloed. Dit negatieve specifieke risico heeft de koers negatief beïnvloed. Als Piet naast Grolsch andere bierproducenten had opgenomen in de portefeuille, had hij dit specifieke risico kunnen verkleinen.
Het berekenen van de verwachte opbrengst van een portefeuille is eenvoudig. Het is moeilijker het risico van een portefeuille te bepalen. Hiervoor wordt de standaarddeviatie van de portefeuille als maatstaf genomen. Om de standaarddeviatie van een portefeuille te bepalen is de correlatiecoëfficiënt tussen de beleggingscategorieën van belang.
4.3.4 Correlatie
Correlatie wordt gebruikt in het onderzoek naar samenhang tussen twee of meer objecten (bestaat er bijvoorbeeld een verband tussen het verloop van de maandelijkse rendementen van twee beleggingsobjecten?). Als een bepaald verband bestaat tussen verschillende verschijnselen, dan kan dat van groot belang zijn voor het te voeren beleid; in dit geval de samenstelling van een beleggingsportefeuille. De correlatiecoëfficiënt beweegt zich altijd tussen - 1 en 1.
Een tweetal perfect gecorreleerde beleggingsobjecten heeft een correlatiecoëfficiënt van 1 (figuur 1). Er zijn dan geen diversificatievoordelen te behalen. Een portefeuille die is samengesteld uit deze twee beleggingsobjecten leidt niet tot risicoreductie. Als de correlatiecoëfficiënt kleiner is dan 1 zijn er wel diversificatievoordelen te behalen (figuur 2). Naarmate de correlatiecoëfficiënt kleiner wordt, is het te behalen spreidingsvoordeel groter. Een maximaal voordeel (risicoreductie) wordt behaald bij een correlatiecoëfficiënt van - 1.
VERMOGENSALLOCATIE
4.3.5 De bèta
Door spreiding kan risicoreductie van het specifieke risico bereikt worden. ‘Specifiek risico’ wil zeggen dat er met één specifiek aandeel iets gebeurt, er gaat bijvoorbeeld een markt verloren of er vindt een staking plaats. Het ‘systematisch’ of ‘marktrisico’ is een deel van het risico dat niet verminderd kan worden. Dit risico vloeit voort uit factoren die van invloed zijn op alle aandelen, bijvoorbeeld de economische groei van een land en de rentestand.
Grafisch kunnen het specifieke en het systematisch risico als volgt worden weergegeven. Standaarddeviatie
het specifieke risico
het marktrisico
0 10 20 Aantal aandelen in een portefeuille
Het specifieke risico kan weg gediversifieerd worden, maar het marktrisico blijft. De bijdrage van een individueel aandeel aan het risico van een goed gediversifieerde portefeuille is dus onafhankelijk van het marktrisico in plaats van het totale risico van het aandeel. Het marktrisico werd omschreven als het risico dat voortvloeit uit factoren die van invloed zijn op alle aandelen, bijvoorbeeld de economische groei van een land en de rentestand. Niet alle aandelen reageren in dezelfde mate op deze factoren. Per aandeel zal het marktrisico moeten worden vastgesteld. Het marktrisico van een individueel aandeel wordt gemeten aan de hand van de gevoeligheid van het rendement van het aandeel ten opzichte van het rendement van de aandelenmarkt (index). Deze gevoeligheid wordt ‘de bèt a’ genoemd.
De bèt a geeft aan hoeveel procent een aandeel in koers verandert ten opzichte van een index (bijvoorbeeld de AEX). De bèt a van de index is per definitie één. De bèt a wordt beschouwd als een risicometer. Hoe lager de bèt a van een aandeel, des te lager het risico. Hoe hoger de bèt a, des te hoger het risico. Als de bèt a lager is dan één, dan zal bij een indexverandering van één procent de koers van het aandeel met minder dan één procent veranderen. Is de bèt a 93
groter dan één, dan zal bij een verandering van de index met één procent de koers van het aandeel met meer dan één procent wijzigen.
Er kunnen uiteraard tal van portefeuilles worden samengesteld. Welke portefeuille de klant zal kiezen, is onder meer afhankelijk van zijn risicoprofiel, enzovoort. De keuze van de klant voor één van de efficiënte portefeuilles, gegeven zijn huidige situatie, wordt vermogensallocatie of assetallocation genoemd.
4.4 VERMOGENSHERALLOCATIE / REBALANCING
4.4.1 Situatieverandering
In de tijd gezien, zijn de persoonlijke omstandigheden van de belegger aan veranderingen onderhevig. Dit kan aanleiding geven tot een aanpassing van een eerder gegeven beleggingsadvies. Het is dus voor een adviseur belangrijk alert te zijn op verandering van de persoonlijke omstandigheden van de belegger.
Voorbeeld Een belegger bezit een vermogen van € 500.000 en ontvangt jaarlijks € 80.000 aan looninkomsten. Zijn vermogen is als volgt belegd: twee procent in liquiditeiten, vijf procent in obligaties, 20 procent in vastgoedbeleggings-fondsen en 73 procent in aandelen. De belegger raakt plotseling zijn baan kwijt, waardoor het arbeidsinkomen halveert en is hierdoor een groot deel afhankelijk geworden van de inkomsten uit zijn vermogen. Het zou in dit geval verstandig zijn de belegger te adviseren zijn beleggingen te verschuiven van aandelen naar obligaties omdat obligaties jaarlijks een gegarandeerd bedrag genereren.
Naast de verandering van de persoonlijke omstandigheden van de belegger kan ook een nieuw product op de markt aanleiding zijn tot het aanpassen van een eerder gegeven beleggingsadvies. Wanneer een organisatie een product introduceert dat beter bij de situatie van de belegger past, zal de adviseur mogelijk zijn advies moeten aanpassen. Ten slotte kunnen politieke (wetswijzigingen) en economische veranderingen een rol spelen bij het wijzigen van een beleggingsadvies.
4.4.2 Verhouding objecten/scheefgroei
Bij het onderzoek van een belegger is een beleggingsprofiel tot stand gekomen en een bijpassende effectenportefeuille is samengesteld. Echter, in loop van de 94 tijd is het zeer waarschijnlijk dat de verhouding waarin de diverse beleggin-
VERMOGENSALLOCATIE gen in de portefeuille zijn opgenomen is gewijzigd. Dit mogelijk als gevolg van de waardetoename van de ene belegging en een waardedaling van andere beleggingen in de portefeuille. Het komt dus geregeld voor dat een belegger na enige tijd een portefeuille bezit die helemaal niet meer bij de persoonlijke situatie past. We spreken dan van ‘scheefgroei’ en een adviseur moet hier rekening mee houden. Herallocatie (rebalancing: het opnieuw in balans brengen) van het vermogen is dan aan te raden.
Voorbeeld Een belegger bezit al enige tijd een beleggingsportefeuille. De belegger wil weinig risico lopen. 10 Jaar geleden werd voor de belegger een portefeuille samengesteld en het is erg goed gegaan de afgelopen jaren. De aandelen in zijn portefeuille zijn flink meer waard geworden. De waarde van obligaties is gedaald, en in totaal is de portefeuille veel meer waard geworden.
De verhouding van zijn portefeuille is hierdoor gewijzigd. Aandelen Obligaties t=0 200.000 800.000 t=1 900.000 600.000
Het is duidelijk zichtbaar dat de portefeuille op t = 1 veel risicovoller is dan de portefeuille op t = 0, De huidige portefeuille past niet bij het profiel van deze belegger en herallocatie is gewenst.
IJsvermaak, Jan van Goyen, 1648
5. ASSETS
Het vermogen van een klant kan over diverse beleggingscategorieën verdeeld worden. Dit noemen we de ‘strategische assetallocatie’. Het betreft de beleggingscategorieën liquiditeiten, obligaties, vastgoed, aandelen en waardevolle stoffelijke zaken.
5.1 LIQUIDITEITEN
Bancair sparen is de meest veilige, flexibele en overzichtelijke manier van vermogensopbouw. De inleg en de rente zijn immers gegarandeerd. Afhankelijk van de doelstelling bepaalt de belegger hoe lang het geld gemist kan worden en voor welke spaarvorm hij kiest. Hierna zetten we de verschillende spaarvormen, met hun eigenschappen, op een rij.
5.1.1 Spaarrekeningen
De spaarrekening is de meest eenvoudige vorm van sparen. Kenmerkend is de onbepaalde looptijd, elk moment kan geld gestort of opgenomen worden. Een ander kenmerk is de variabele rente. De bank kan de rente elke dag wijzigen. Banken baseren de rente hoofdzakelijk op de rente op de geldmarkt, ook wel de korte rente genoemd. Dit is de rente voor tegoeden die korter dan één jaar zijn vastgezet. Veel cliënten negeren de rente en houden, uit gemak, een spaarrekening aan bij de bank waar zij ook een betaalrekening hebben. Zij doen zichzelf tekort door bij de keuze van de spaarrekening niet op de rente te letten. Naast de hoogte van de rentevergoeding zijn eventuele beperkende voorwaarden relevant. Zo kan een bank een opzegtermijn eisen. De bank moet dan van tevoren bericht worden dat er geld opgenomen wordt. Ook kennen veel spaarrekeningen een maandelijks vrij opneembaar
bedrag. Bij overschrijding van dit bedrag brengt de bank meestal kosten in rekening van één of enkele procenten. Het is dan ook verstandig om de voorwaarden te bestuderen, omdat deze het uiteindelijke rendement kunnen beïnvloeden.
5.1.2 Deposito’s
Een deposito is een rekening waarbij het aan de bank toevertrouwde geld pas na afloop van een afgesproken termijn ter vrije beschikking van de rekeninghouder komt. Kenmerkende eigenschappen van deposito’s zijn de vaste rente en de van tevoren vastgestelde looptijd. Tussentijds kan de spaarder dus niet over zijn geld beschikken, tenzij hierover afspraken zijn gemaakt. Meestal brengt de bank bij tussentijdse opname boeterente in rekening. Het is mogelijk dat opname zonder boeterente wordt geaccepteerd, maar vaak moeten de vrijkomende middelen op een andere manier voor beleggingen worden aangewend. Tijdens de looptijd kan een klant geen bedragen bijstorten. Wil een klant geld bijstorten, dan zal een nieuw deposito geopend moeten worden met een andere begin- en einddatum. Een deposito is dus minder flexibel dan een spaarrekening. Het voordeel van een deposito boven een spaarrekening is een hogere rente en de zekerheid over het rendementsniveau. Tussentijdse rentevariaties zijn immers niet aan de orde. Bovendien geldt er vaak een minimumstorting, waarvan de hoogte per financiële instelling verschilt. Onder de noemer deposito kunnen diverse varianten worden benoemd.
5.1.2.1 Spaardeposito
Wanneer een klant een bedrag ter beschikking heeft en dit niet direct wil besteden, is een spaardeposito een goede keuze. Een spaardeposito kent een looptijd variërend van één tot en met 10 jaar, door de klant zelf te bepalen. Kenmerkend voor de spaardeposito is dat de klant tussentijds niet over het ingelegde bedrag kan beschikken. Daar staat tegenover dat hij tijdens de looptijd een hoge(re) rente ontvangt. Dit rentepercentage wordt bij het afsluiten van het spaardeposito vastgesteld. De klant kan kiezen voor uitbetaling van de rente per maand achteraf of per jaar achteraf. Wanneer de klant iedere maand een stukje aanvullend inkomen wil, dan kan hij beter kiezen voor een maandelijkse uitbetaling.
5.1.2.2 Termijndeposito
Wanneer een klant een relatief groot bedrag ter beschikking heeft en dit niet direct wil besteden, is een termijndeposito een goede keuze. Het termijndeposito is ervoor om een relatief groot bedrag gedurende een
ASSETS korte looptijd tegen een hoge rente vast te zetten. De klant is uiteraard vrij om aan het einde van de termijn nieuwe afspraken te maken over verlenging. Een termijndeposito kent een korte looptijd variërend van één tot en met 12 maanden. Het aantal maanden kan de klant zelf bepalen. De meest gebruikte termijnen zijn één, drie of zes maanden. Gedurende de looptijd ontvangt de klant een hoge rente. Dit rentepercentage wordt bij het afsluiten van het deposito vastgesteld. Tussentijds kan de klant niet over het ingelegde bedrag beschikken. De genoten rente wordt op het einde van de looptijd bijgeschreven.
Om de verschillen en overeenkomsten tussen een spaar- en een termijndeposito weer te geven, volgt hierna een voorbeeld. Deze gegevens verschillen per financiële instelling.
Spaardeposito Termijndeposito Algemeen Relatief kleine geldsom, Relatief grote geldsom, relatief lang vastzetten. relatief kort vastzetten. Minimale € 500 € 25.000 storting Looptijd 1 tot 10 jaar 1 tot 24 maanden Rente • Hogere rente dan een • Hogere rente dan een gewone spaarrekening. gewone spaarrekening. • Neem voor het tarief contact • Neem voor het tarief op met uw adviseur. contact op met uw adviseur. • Hoe langer de looptijd, des te • Hoe langer de looptijd, hoger de rentevergoeding. des te hoger de rente• Rente-uitkering per maand, vergoeding. per kwartaal of per jaar. • Rente-uitkering alleen aan het einde van de looptijd. Bijstortingen Niet toegestaan Niet toegestaan Opname voor Opnamekosten twee procent Niet toegestaan vervaldatum van de totale som per niet verstreken spaarjaar.
5.1.3 Geldmarktpapier
Geldmarktpapier is een vastrentende waarde met een looptijd van maximaal één átwee jaar. Geldmarktpapier wordt uitgegeven via een leenprogramma. Meestal is de uitgevende organisatie een onderneming. Het geldmarktpapier heet in dat geval commercial paper. Wanneer een bank de uitgevende organisatie is, heet het geldmarktpapier certificate of deposit. Het geldmarktpapier 99
dat door de Nederlandse staat wordt uitgegeven, heet Dutch Treasury Certificate (DTC).
Doordat geldmarktpapier verhandelbaar is, kan een belegger bij een plotselinge liquiditeitsbehoefte het geldmarktpapier verkopen. Particuliere beleggers kunnen niet rechtstreeks in geldmarktpapier beleggen. Hiervoor moeten zij gebruikmaken van beleggingsfondsen.
5.1.4 Valutarekeningen en sparen in het buitenland
Bij valutarekeningen worden tegoeden in buitenlandse valuta uitgedrukt naar keuze van de klant. Op het tegoed is de rente van het land van de valuta van toepassing. Het voordeel is dat als in een dergelijk land een hoge rente wordt geboden, deze van toepassing is op het tegoed. Landen met een hoge rente hebben vaak een zwakke valuta ten opzichte van de euro. Wanneer het aangegroeide tegoed dan in euro’s wordt omgewisseld, kan de balans negatief zijn. Omdat bij een buitenlandse spaarrekening het overboeken van geld hoge kosten met zich meebrengt, kan de klant beter kiezen voor een valutarekening.
5.1.5 Vaste of variabele rente
De gewone spaarrekening kent in tegenstelling tot de termijndeposito’s een variabele rente. Het voordeel van een variabele rente is dat direct geprofiteerd wordt als de rentevergoeding op de spaarrekening wordt verhoogd. Als de rente daalt, dalen ook de opbrengsten. Een oplossing voor deze ongewenste rentedaling is een spaarrekening met een vaste rente, waar de spaarder tussentijds vanaf kan. De flexibiliteit die hierdoor ontstaat, weegt meestal ruimschoots op tegen de tienden van procenten die moeten worden toegegeven op rekeningen die minder flexibel zijn, zoals termijndeposito’s. Het voordeel van een spaarrekening met een vaste rente is dat wanneer de marktrente hoog is, deze van toepassing blijft op het tegoed, ook al daalt de marktrente na enige tijd. Het is dus aantrekkelijk voor een vaste rente te kiezen bij een hoge marktrentestand.
5.1.6 Depositogarantiestelsel
Wanneer een bank niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, treedt het depositogarantiestelsel (DGS) in werking. Het DGS houdt in dat DNB een bedrag van maximaal € 100.000 per rekeninghouder per bank vergoedt. Het doel van het DGS is tweeledig: • beschermen van de rekeninghouder; 100 • borgen van vertrouwen in banken en het financiële stelsel.
ASSETS 5.1.6.1 Hoogte dekking
In de inleiding van deze paragraaf gaven we al aan dat DNB een bedrag van maximaal € 100.000 per rekeninghouder per bank vergoedt. Deze € 100.000 noemen we ook wel het garantiebedrag. Bij een en/of-rekening van twee personen hebben beide rekeninghouders recht op een vergoeding uit het DGS. Een gezamenlijk tegoed van maximaal € 200.000 is dan volledig gedekt. Rekeninghouders die meer geld op hun rekening hadden staan dan het garantiebedrag, krijgen voor het meerdere een vordering op de boedel van de bank.
Het spreiden van spaargeld over rekeningen van verschillende banken is dus zinvol als een rekeninghouder meer dan € 100.000 aan spaargeld heeft.
Voorbeeld Angelo de Groot heeft een bedrag van € 195.000 op een spaarrekening staan bij Bank X. Door alle commotie rondom de financiële crisis vraagt hij zich af of het sparen bij een bank nog wel zo veilig is. Hij informeert bij Bank X. De medewerker van Bank X adviseert hem zijn geld te spreiden over twee rekeningen bij verschillende banken. Op deze wijze valt zijn gehele spaargeld onder de dekking van de DGS. Laat hij het totale bedrag van € 195.000 bij Bank X staan, dan valt slechts een bedrag van € 100.000 onder het DGS.
5.1.6.2 Type rekeninghouder
Het DGS is van toepassing op particulieren en kleine ondernemingen. Ook stichtingen en stamrecht-bv’s kunnen onder deze noemer vallen.
Een kleine groep particulieren is uitgesloten van het DGS. Onder deze groep vallen onder andere: • bestuurders van de bank met betalingsproblemen; • personen met een belang van vijf procent of meer in de bank in kwestie; en • de directe familie van personen met een belang van vijf procent of meer in de bank in kwestie.
Ook bepaalde ondernemingen zijn uitgesloten van het DGS. Voorbeelden hiervan zijn financiële ondernemingen en overheden.
Voorbeeld Dirk Schoenmaker was bestuurder van Bank X. Helaas ging Bank X failliet. Dirk had bij Bank X zelf een rekening. Hierop stond een bedrag van € 700.000. Dit geld is Dirk nu kwijt. Helaas ziet Dik geen geld terug via de DGS. Dirk is namelijk zelf uitgesloten van de regeling. 101
5.1.6.3 Producten
De producten die onder het DGS vallen, zijn: • lopende rekeningen • spaarrekeningen • bijzondere spaarrekeningen zoals een termijndeposito.
Geld dat op dit type rekeningen staat, is dus veilig gesteld tot een bedrag van maximaal € 100.000 per rekeninghouder per bank. Ook bankspaarrekeningen vallen onder het DGS.
Andere financiële producten zoals kapitaalverzekeringen en effectenrekeningen vallen in beginsel niet onder het DGS. Sinds 1 januari 2014 valt de spaarrekening eigen woning (SEW) evenmin onder het DGS. Het saldo van de SEW wordt vanaf deze datum met de hypotheekschuld verrekend, zodra het DGS in werking treedt.
Op 30 juni 2011 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door gedupeerden van het faillissement van DSB-bank. De uitspraak luidde dat ook achtergestelde deposito’s die bij DSB-bank waren afgesloten, onder het DGS vallen. DNB had eerder geweigerd deze achtergestelde deposito’s te laten vallen onder het DGS.
5.1.6.4 Bankinstellingen
Bankinstellingen die gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte (EER) en in een ander land een bijkantoor hebben, vallen onder het DGS in hun land van herkomst. De EER bestaat uit de landen van de EU, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Als het DGS in het land van herkomst een beperktere dekking kent dan het Nederlandse DGS, dan bestaat voor een bijkantoor de mogelijkheid om aanvullend deel te nemen aan het Nederlandse stelsel. Ze zijn dit niet verplicht.
Voorbeeld De IJslandse internetspaarbank Icesave (Landsbanki) was begin oktober 2008 niet langer in staat haar financiële verplichtingen na te komen. Icesave had een bijkantoor gevestigd in Amsterdam. Deze internetspaarbank nam aanvullend deel aan het Nederlandse DGS. Dat betekent dat naast het IJslandse garantiestelsel (tot een bedrag van maximaal € 20.887) ook het Nederlandse DGS (voor het overige bedrag tot maximaal € 100.000) van toepassing kan zijn.
In de praktijk was dit lastig uit te voeren voor spaarders met een Icesave-reke-
ASSETS ning. De overheid heeft dan ook besloten dat in dit geval DNB de gehele garantie overnam, met een claim op de IJslandse overheid. Cliënten van Icesave hoefden daardoor alleen bij DNB aan te kloppen voor compensatie en niet bij de IJslandse centrale bank.
Dit was een coulance-regeling, want DNB was hier wettelijk niet toe verplicht.
Per 26 november 2015 is het DGS aangepast. Het is vanaf dat moment vooraf gefinancierd. Op deze manier is het stelsel meer op risico gebaseerd. Financiële instellingen, die onder het DGS vallen, betalen vanaf deze datum vooraf een premie aan het aangepaste DGS. Door deze manier van financieren heeft een financiële instelling bij faillissement van tevoren meebetaald aan de uitkeringen die worden betaald als gevolg van haar eventuele eigen faillissement. De hoogte van de premie, hangt af van het bedrag aan gegarandeerde deposito’s bij de betreffende instelling en het risicoprofiel. Financiële instellingen krijgen zo een prikkel om minder risico te nemen.
Voor deposito’s die zijn aangegaan voor de aan- of verkoop van een eigen woning geldt tijdelijk een aanvullende garantie: gedurende drie maanden ná de storting is er een extra dekking van € 500.000 boven de gebruikelijke van € 100.000. Bovendien is de uitkeringstermijn, die in eerste instantie 20 werkdagen is, gefaseerd tot 2024 teruggebracht naar zeven werkdagen. Ten slotte vallen nu ook de deposito’s van grootzakelijke depositohouders, bestuurders en aandeelhouders onder het stelsel.
Voorbeeld Een meer recent voorbeeld is het faillissement van Amsterdam Trade Bank (ATB) op 22 april 2022. Rekeninghouders van ATB konden zich vanaf de derde werkdag ná het faillissement melden bij DNB. Hierbij gaven zij het rekeningnummer door waarop DNB het door de Nederlandse Depositogarantie beschermde geld vervolgens uitkeerde. Binnen een maand ná het faillissement was 95 procent (een bedrag van € 641 miljoen) van het totaal gegarandeerde spaargeld uitbetaald.
Het DGS is verantwoordelijk voor de financiering van de uitkeringen aan depositohouders. Als de uitkeringen hoger zijn dan het vermogen van het fonds, dan zullen de extra kosten in eerste instantie aan de deelnemende financiële instellingen worden doorberekend.
5.2 OBLIGATIES
Beleggers die obligaties bezitten, hebben aan ondernemingen of aan de staat vermogen overgedragen. Zij ontvangen daar een vooraf overeengekomen vergoeding voor, die in beginsel onafhankelijk is van het ondernemingsresultaat. Obligatieleningen worden dan ook tot het niet-ondernemend vermogen gerekend. De meeste obligaties zijn aan toonder. Dit houdt in dat de instelling haar schuld dient te voldoen aan degene die de obligatie op de aflossingsdatum in zijn bezit heeft.
Terugbetaling kan op diverse manieren plaatsvinden. Er kan sprake zijn van terugbetaling ineens op een vooraf vastgesteld tijdstip, de zogenaamde bulletlening. Vaak geven ondernemingen de voorkeur aan een meer geleidelijke aflossing van de schuld. Aflossing vindt dan vaak plaats in porties door uitloting gedurende een vooraf bepaalde periode.
Tot slot is er de perpetuele of eeuwigdurende lening. Deze lening wordt nooit afgelost, maar keert een regelmatige rentevergoeding uit aan de verschaffers van het vreemd vermogen.
Voorbeeld Een obligatie kan in het algemeen beschreven worden aan de hand van een vijftal kenmerken: Deze kenmerken zijn: • bedrag waarvoor de houder van een obligatie gerechtigd is (a); • vergoeding (rente) op de obligatie (b); • gegevens over welke onderneming de obligatie heeft uitgegeven (c); • jaar van uitgifte van de obligatie (d); • per wanneer de obligatie moet zijn terugbetaald (e).
500 7,5% Koninklijke Olie 1999 per 2018/2020 (a) (b) (c) (d) (e)
a. Op iedere obligatie staat aangegeven voor welk bedrag de houder gerechtigd is. Dit is de zogenoemde nominale waarde van de obligatie. Let erop dat de beurswaarde van een obligatie wordt uitgedrukt in procenten van de nominale waarde. b. De onderneming geeft een bepaalde vaste vergoeding. Deze vergoeding, de rentecoupon, wordt in een percentage uitgedrukt. De houder van de obligatie ontvangt op de zogenoemde coupondatum (de vaste datum waarop de rente wordt betaald) een bedrag ter grootte van het afgesproken percentage, vermenigvuldigd met de nominale waarde van de obligatie (€ 500 x 7,5% = € 37,50).
c. Iedere obligatie vermeldt de naam van de uitgevende instelling.
ASSETS d. Het jaar van uitgifte van de obligatie. e. De nominale waarde van de obligatie moet worden terugbetaald. Meestal gebeurt deze aflossing van de lening in een bepaald aantal jaren volgens een aflossingsschema. In het voorbeeld worden de obligaties afgelost in de jaren 2018 tot en met 2020.
De notering van obligaties op de beurs vindt plaats in percentages. Een koers van 106 houdt in dat een obligatie met een nominale waarde van € 500 een beurswaarde heeft van € 530. Koersen komen tot stand door vraag en aanbod. Daarbij speelt de stand van de marktrente een belangrijke rol. Als de huidige marktrente gelijk is aan de couponrente, dan noteert de koers ongeveer 100 procent. Is de marktrente lager dan de couponrente, dan zal de obligatie meer waard zijn dan de nominale waarde. Beleggers zijn bereid meer te betalen, omdat de rentevergoeding hoger is dan de marktrente. De desbetreffende obligatie staat dan ‘boven pari’. Een obligatie staat ‘beneden pari’ als de koers lager is dan 100 procent van de nominale waarde. Dit is het geval als de huidige marktrente hoger is dan de couponrente.
5.2.1 Obligatievarianten
Kenmerkend aan de gewone obligatie is dat deze tot het niet-ondernemend vermogen behoort. Andere eigenschappen zijn de vaste looptijd en de van tevoren bekende vergoeding. Hierna wordt een aantal afwijkingen besproken.
5.2.1.1 Staats- en bedrijfsobligaties
Een staatsobligatie is een obligatie uitgegeven door de overheid. Onder overheden vallen de Nederlandse Staat, lagere overheden en buitenlandse overheden.
Een bedrijfsobligatie is een obligatie uitgegeven door een onderneming. Hieronder vallen financiële instellingen en bedrijven.
Het verschil in rendement tussen vergelijkbare staats- en bedrijfsleningen wordt de creditspread genoemd. Wanneer de rente van een staatslening stijgt, zal bij een gelijkblijvende rente van een bedrijfslening de creditspread stijgen, immers:
creditspread = rente staatslening - rente bedrijfslening
5.2.1.2 Winstdelende obligaties
Bij winstdelende obligaties hebben vermogensverschaffers naast een vaste rente recht op een deel van de eventuele winst. De vermogensverschaffers ontvangen deze extra beloning meestal alleen als de winst van de onderneming het toelaat en als het dividend dat aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd boven een bepaald uitkeringspercentage komt. Door de winstaanspraak is het (coupon)rentepercentage bij deze obligaties meestal relatief laag.
5.2.1.3 Inkomstenobligaties
Bij de inkomstenobligatie wordt alleen rente betaald wanneer er voldoende winst wordt gemaakt. Soms wordt een cumulatief beding in de overeenkomst opgenomen. Bij niet-betaling van de rente wordt dan de achterstand in volgende jaren ingehaald. Het (coupon)rentepercentage is meestal relatief hoog.
5.2.1.4 Achtergestelde obligaties
Op achtergestelde obligaties vindt bij liquidatie pas terugbetaling plaats nadat alle overige schulden zijn voldaan. Door het extra risico is het (coupon) rentepercentage meestal relatief hoog. De achterstelling heeft ook betrekking op de hoofdsom en/of de nog niet betaalde rente.
5.2.1.5 Nulprocentobligaties
Nulprocentobligaties (zerobonds) zijn obligaties zonder coupons. Er vindt dus geen periodieke rentevergoeding plaats tussen het moment van uitgifte van de obligaties en dat van aflossing. In plaats van jaarlijks rente te vergoeden, worden de obligaties tegen een zodanig lage koers uitgegeven (beneden pari) dat de belegger bij aflossing een koerswinst boekt die vergelijkbaar is met de gemiste rente. Deze obligaties zijn zeer rentegevoelig, doordat in de koers het renteniveau van alle jaren zit verdisconteerd.
5.2.1.6 Geïndexeerde obligaties (floating rate notes)
Bij een geïndexeerde obligatie is de betaling van de rente, of de betaling van de aflossing, of beide, gekoppeld aan een index. Hierdoor zal de nominale schuld worden aangepast aan de ontwikkeling van een bepaalde koopkrachtindex, bijvoorbeeld die van de kosten van levensonderhoud. Zo wordt ernaar gestreefd het risico dat voortvloeit uit een eventuele daling in koopkracht door inflatie te verminderen of helemaal weg te nemen. Een ander type van 106 indexering is die waarbij de index wordt gevormd door het gemiddelde effec-
ASSETS tieve rendement op een aantal staatsleningen. Fluctuaties in de rentevoet, zoals die zich voordoen in het rendement op staatsleningen, leiden tot overeenkomstige fluctuaties in de rente die wordt betaald op de geïndexeerde obligaties.
5.2.1.7 Pandbrieven
Pandbrieven zijn obligaties die worden uitgegeven door een hypotheekbank. De couponrente van pandbrieven ligt meestal iets hoger dan bij obligaties van de overheid of algemene banken, doordat de verhandelbaarheid geringer is.
5.2.1.8 Converteerbare obligaties (convertible)
De converteerbare obligatie kan, na of binnen een bepaalde periode (conversieperiode), eventueel onder bij- of terugbetaling, tegen aandelen worden ingewisseld volgens een van tevoren vastgestelde ruilverhouding. Een converteerbare obligatie is dus in eerste plaats een verstrekking van vreemd vermogen, zoals een gewone obligatie. De houder heeft dan ook recht op een rentevergoeding. Vanwege de conversiemogelijkheid is de koers van een converteerbare obligatie naast de marktrentestand ook afhankelijk van de koers van het aandeel waarop de converteerbare obligatie betrekking heeft. Het recht op omwisseling van de obligatie in aandelen zit vast aan de obligatie. Het conversierecht is niet afzonderlijk verhandelbaar.
Bij een ‘convertible’ bepaalt de houder van de obligatie of hij gebruikmaakt van zijn recht om te converteren in aandelen, terwijl bij een ‘reverse convertible’ de emittent (uitgever) van de obligatie kiest of hij aflost in geld of in aandelen.
Voorbeeld Jan Wissel bezit een convertible van € 1.000 nominaal en een rentevergoeding van 4,25 procent. Hij kan de obligatie binnen vijf jaar omwisselen in 25 aandelen. Op het moment dat Jan de convertible heeft verkregen, bedraagt de koers van het aandeel € 27,50. Wanneer de koers van het aandeel na drie jaar is gestegen tot € 50, kan Jan besluiten de obligatie in te wisselen. Hij zou op de markt voor 25 aandelen € 1.250 moeten betalen, door het conversierecht betaalt hij maar € 1.000 (de nominale waarde van de obligatie).
De koersstijging van het aandeel zal ook tot gevolg hebben dat de koers van de obligatie is gestegen: een convertible geeft immers recht op 25 aandelen van inmiddels € 50. De koers van de obligatie zal minimaal € 1.250 bedragen. Afhankelijk van de wens om in aandelen te beleggen, kan hij voor realisatie van zijn winst op de convertible besluiten tot verkoop of omwisseling. 107
Het voorbeeld hiervoor impliceert dat converteerbare obligaties altijd een voordeel zouden zijn voor de cliënt. Als de koers van aandelen stijgt, krijgt men immers een hogere koers voor de obligaties. Maar als de koers daalt, dan is de schuld van de onderneming altijd nog nominaal € 1.000, waardoor de koers niet zou dalen. Toch klopt deze redenering niet. Ondernemingen die in de financiële problemen zitten, voorzien op enig moment dat ze de obligatieleningen niet kunnen terugbetalen, of alleen door nieuwe obligaties uit te geven tegen een onbetaalbaar hoge coupon. Op een dergelijk moment zal de onderneming de obligaties zelf converteren naar aandelen. Dat kan zijn door uitgifte van nieuwe aandelen, waardoor de waarde van de aandelen daalt (de aandelen ‘verwateren’). Bovendien hebben obligatiehouders de positie van schuldeiser, mocht de onderneming failliet gaan. Als aandeelhouders komen ze pas na de obligatiehouders. Aandeelhouders hebben niet meer dan een aandeel in de failliete boedel, nadat de schuldeisers zijn betaald.
5.2.2 Obligatiewaardering, ratings
Een indicatie voor het debiteurenrisico vormt de rating van een obligatie. Door ratinginstituten, waarvan Moody’s en Standard & Poors (S&P) de bekendste zijn, kan aan een obligatie een rating worden toegekend. Deze kwalificatie is vooral gebaseerd op de kredietwaardigheid, solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit van de uitgevende instelling en de karakteristieken van de obligatie.
Bij de meeste instituten vindt een indeling plaats naar (hoofd)letters en cijfers: • rating A staat voor een goede kredietwaardigheid. Dit houdt in dat de lening met enige mate van zekerheid zal worden afgelost. Echter, bij economische tegenslag kan de koers onder druk komen te staan. • rating B is de kans op terugbetaling groot onder normale economische omstandigheden. Echter, bij een crisis zal het geld niet terug worden ontvangen. • rating C betekent een significant debiteurenrisico en de kans op terugbetaling is ongeacht de conjuncturele situatie nihil. • lagere ratings zijn ondernemingen die nagenoeg failliet zijn.
De ratings AA, A, BBB, BB, B (volgens S&P) kennen een onderverdeling met als extra aanduiding ‘+’ of ‘-’; terwijl voor Moody’s de cijfers ‘1’, ‘2’ of ‘3’ kunnen worden toegevoegd. Om een idee te geven van een rating: Moody’s omschrijft de rating Ba met ‘beleggingen in deze categorie are judged to have speculative elements’.
ASSETS In de volgende tabel staan de categorieën voor ratings van de twee bekendste instituten.
Standard & Poor’s Moody’s Hoog AAA Aaa AA Aa A A BBB Baa BB Ba B B CCC Caa CC Ca Laag C C Failliet D
Vanaf het niveau BBB of BB wordt van Junk Bonds (= High Yield) gesproken. Dit verschilt per financiële instelling. In plaats van de term Junk Bond wordt ook wel de term High Yield Obligatie of High Yielder gebruikt in verband met het hoge effectieve rendement van dergelijke obligaties.
De instituten blijven het bedrijf, de instelling of overheid volgen en toetsen. Als zich een belangrijke wijziging voordoet, wordt overgegaan tot downgrading (lagere rating) of upgrading (hogere rating). Hoe beter de rating, hoe kleiner het debiteurenrisico, hoe groter de zekerheid dat de emittent aan de rente- en aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen.
Voor een emittent is een hoge rating gunstig, omdat beleggers een kleinere risicopremie zullen verlangen en het rendement dus lager kan zijn. Hoe hoger de rating hoe lager de rentelasten voor de uitgevende instelling.
5.2.3 Krediet- en eurocrisis en obligaties
Sinds de krediet- en de eurocrisis zijn de verschillen in rendementen en risico’s van obligaties van een verschillende kwaliteit sterk toegenomen. In deze subparagraaf gaan we kort in op de risico’s van obligaties.
Een eerste onderscheid dat gemaakt kan worden bij obligaties is dat tussen obligaties van overheden en van bedrijven. Bij overheidsobligaties kan vervolgens weer een onderscheid worden gemaakt tussen overheidsobligaties van overheden in ontwikkelde landen en in opkomende landen. Tot de ontwikkelde landen behoren in de regel de Eurolanden, Engeland, Australië, Canada, Denemarken, Japan, Zweden, Zwitserland en de Verenigde Staten. In zijn algemeenheid wordt verondersteld dat staatsobligaties van opkomen-
de landen een hoger kredietrisico hebben vanwege een mindere financiële positie van de overheden. Bovendien hebben deze obligaties vaak een groter valutarisico.
Bij de bedrijfsobligaties wordt in de regel onderscheid gemaakt tussen obligaties met een hoge kredietkwaliteit (investment grade) en met een lage kredietkwaliteit (high yield). In termen van de credit rating van S&P hebben investment grade obligaties een credit rating AAA, AA, A of BBB, terwijl high yield obligaties een credit rating BB, B, CCC, CC of C hebben.
De adviseur moet kunnen toelichten dat er binnen de categorieën staats- en bedrijfsobligaties grote verschillen in rendement en risico kunnen zijn afhankelijk van de debiteur, de looptijd, de coupon, rentewijzigingen en de verhandelbaarheid. In de leidraad worden staatsobligaties onderverdeeld in vijf categorieën en bedrijfsobligaties in vier categorieën met daarbij een aanbevolen standaarddeviatie om het verschil in risico aan te duiden.
Beleggingscategorie Standaarddeviatie Staatsleningen Staatsleningen Euro AAA-AA 3,5% Staatsleningen Euro A en lager 4,5% Staatsleningen niet-Euro AAA-AA 6,5% Staatsleningen niet-Euro A en lager 7,5% Staatsleningen opkomende markten 10%
Bedrijfsobligaties (Credits) Investment Grade Bedrijfsobligaties Euro 5% High Yield Bedrijfsobligaties Euro 15% Investment Grade Bedrijfsobligaties niet-Euro 8% High Yield Bedrijfsobligaties niet-Euro 16%
Uit voorgaande tabel blijkt wel dat de ene obligatie de andere niet is. Dat is tijdens de kredietcrisis, die in de zomer van 2007 ontstond en in de loop van 2011 afliep, ook gebleken.
Het advies te beleggen in een obligatiefonds op basis van een onderzocht risicoprofiel is onvoldoende. Per fonds moet de adviseur ook bekijken welk soort obligaties het fonds bevat. Van de obligatiefondsen moet vervolgens niet alleen het historische en het verwachte rendement worden vergeleken, maar ook het risico van de fondsen. De adviseur moet bij een willekeurige selectie van obligatiefondsen uit de markt deze fondsen op volgorde van 110 risico kunnen plaatsen en de verschillen in risico aan consumenten kunnen
ASSETS uitleggen. Enige risico’s die hierbij een rol spelen zijn: renterisico, valutarisico, beursrisico, debiteurenrisico en politiek risico.
5.2.4 Durationbeleid of rentegevoeligheid
Door de toegenomen ‘volatiliteit’ - de mate van beweeglijkheid van de koers - in de rente en de invloed van renteveranderingen op het totaalrendement van beleggingsfondsen in vastrentende waarden is een verhoogde aandacht nodig voor het durationbeleid. Adviseurs dienen bij de vergelijking van geldmarkt- en obligatiefondsen consumenten meer dan voorheen te kunnen informeren over verschillen in durationbeleid en wat indicatief de invloed is van renteveranderingen op de koers van het beleggingsfonds (indicatief: wijziging in rente x duration).
De koers van een obligatie wordt vooral bepaald door veranderingen in de marktrente. In deze paragraaf staan wij stil bij de wijze waarop de koers wordt beïnvloed door veranderingen in de marktrente. We bekijken in hoeverre de diverse aspecten van een obligatie bepalen hoe de koers van een obligatie verandert bij een wijziging van de marktrente.
5.2.4.1 Resterende looptijd
Ten aanzien van de resterende looptijd geldt: hoe korter de looptijd, hoe minder de koers van de obligatie reageert op renteveranderingen. Naarmate de resterende looptijd korter wordt, zal de obligatie de neiging hebben te neigen richting de aflossingskoers. Op en rond de aflossingsdatum zal de koers niet meer reageren op renteveranderingen. Er wordt immers afgelost tegen de van tevoren overeengekomen waarde. Hoe langer de looptijd, hoe heftiger de koers van de obligatie reageert op renteveranderingen.
5.2.4.2 Duration en modified duration
Bij de hiervoor beschreven resterende looptijd van een obligatie wordt alleen rekening gehouden met de aflossingen. De in de toekomst te ontvangen coupons worden niet bij de berekening betrokken. Uiteraard is het moment waarop de toekomstige coupons vrijkomen ook van belang voor de rentegevoeligheid van een obligatie. De vrijkomende coupons kunnen immers door de belegger worden herbelegd. Dit levert inkomsten op. Hoe eerder de coupons vrijkomen en hoe hoger de coupons zijn, des te hoger zal het herbeleggingsrendement zijn. Het is dus beter om naast de aflossing ook de coupons bij het onderzoek van rentegevoeligheid te betrekken.
De duration speelt in dit verband een rol. Duration geeft ruwweg aan hoeveel jaar een belegger gemiddeld nog op de terugbetaling van zijn geïnves- 111
teerde vermogen moet wachten. Hoe hoger de duration van een obligatie, des te gevoeliger de koers van de obligatie is voor een verandering van de rentestand.
De duration geeft een heel zuiver looptijdcriterium. Naarmate de tijd verstrijkt (de resterende looptijd korter wordt), zal de duration dalen. De obligatie zal steeds minder gevoelig worden voor rentewijzigingen. De langste lening kent dan ook de hoogste duration. Een ander criterium dat de hoogte van de duration bepaalt, is de hoogte van de couponrente. Daarbij geldt dat hoe hoger de couponrente is, hoe lager de duration is.
In veel dagbladen wordt niet het begrip ‘duration‘ gepubliceerd, maar het begrip ‘modified duration‘. Deze wordt van de duration afgeleid en drukt de theoretische rentegevoeligheid uit, uitgedrukt in een percentage. De modified duration geeft de procentuele verandering van de obligatiekoers aan als de marktrente van deze obligatie met één procent stijgt of daalt. Een modified duration van 3 wil dus zeggen dat de oude koers van deze obligatie met 103 procent moet worden vermenigvuldigd om de nieuwe koers te vinden als de marktrente met 1 procentpunt daalt. De oude koers moet met 97 procent worden vermenigvuldigd om de nieuwe koers van de obligatie te vinden op het moment dat de marktrente stijgt.
Voorbeeld De 6% obligatie XYZ 2000-2015 heeft een koers van 110 procent en een modified duration van vijf. De marktrente is drie procent. De rente stijgt van drie naar drieënhalf procent. De rente is 0,5 procentpunt gestegen en de koers van de obligatie zal hierdoor met 0,5 x 5 = 2,5 procent dalen. De koers van de obligatie zal dalen van 110 naar 107,25 procent (110% - (0,5 x 5% x 110%)).
5.3 VASTGOED
Bij beleggen in vastgoed zijn in het algemeen relatief grote bedragen gemoeid. Het gaat dan om beleggen in winkelcentra, kantoorpanden en bedrijfspanden.
Een ander belangrijk kenmerk van vastgoed is de slechte verhandelbaarheid. Vastgoed is daarmee illiquide (de mate van illiquide zijn, is afhankelijk van het soort object). Bij genoteerde aandelen en obligaties is er een effectenbeurs waar de handel in aandelen en obligaties wordt gereguleerd en waar elke dag wordt gehandeld. Als een belegger besluit tot aan- of verkoop over te gaan, kan dat direct plaatsvinden. Bij vastgoed is dit anders.
ASSETS Het beheer van vastgoed is arbeidsintensief. Er moet periodiek onderhoud plaatsvinden en de juiste verzekeringen moeten worden afgesloten. Ook moet ervoor worden gezorgd dat de huurpenningen op tijd worden geïnd en moet actie worden ondernomen als een huurder in gebreke blijft of vertrekt.
Als een belegger zelf een object koopt, is er sprake van direct beleggen in vastgoed. Dit betekent dat alle revenuen voor de belegger zijn, maar ook alle kosten door hem moeten worden betaald en dat hij zelf zorg moet dragen voor het onderhoud. Daarnaast loopt hij het risico dat de huuropbrengsten tegenvallen, er sprake is van wanbetaling of dat de waardeontwikkeling sterk tegenvalt.
Door de hiervóór genoemde kenmerken is beleggen in vastgoed voor de meeste particuliere beleggers alleen te realiseren door middel van beleggen in participaties van een onroerendgoedfonds. Dit wordt indirect beleggen genoemd. Een dergelijk fonds belegt het vermogen in vastgoed en door de uitgifte van aandelen of participaties kan een particuliere belegger hier in participeren. Op deze wijze is het mogelijk in meerdere vastgoedobjecten te beleggen en wordt het risico sterk gereduceerd. De afgelopen jaren zijn er ook beleggingsfondsen in vastgoed geïntroduceerd die niet zelf vastgoed kopen, maar andere beleggingsfondsen in vastgoed selecteren en aankopen. Dit is een voorbeeld van een ‘fund of funds‘. Het belangrijkste voordeel daarvan is de grote flexibiliteit van deze fondsen. Als een regulier onroerendgoedfonds een object wil verkopen, gaat daar langere tijd overheen voordat verkoop plaatsvindt. Als een ‘fund of funds’ liquide middelen nodig heeft of ergens andere, betere kansen ziet, verkopen ze gewoon de participaties die ze in het onroerendgoedfonds hebben. De kosten van een dergelijk fonds zijn hoger, maar daar staat een grotere flexibiliteit tegenover en daarmee kan snel op marktomstandigheden worden ingespeeld.
5.3.1 Rendement
Het rendement van vastgoed bestaat uit twee componenten: • direct rendement: de huuropbrengst die wordt ontvangen; • indirect rendement: de waardeverandering van het vastgoed.
Veel aankopen van vastgoed worden met vreemd geld gefinancierd. De achterliggende gedachte is dat het rendement op de vastgoed belegging hoger zal zijn dan het rentepercentage dat wordt betaald. Dit noemen we het ‘hefboomeffect’.
Voorbeeld Een investeringsmaatschappij in vastgoed koopt een bedrijfspand voor € 1 miljoen. Hiervoor wordt een lening afgesloten van € 500.000. De overige € 500.000 wordt uit eigen middelen betaald. Het rentepercentage is vier procent (een bedrag van € 20.000 per jaar). De ontvangen huur is € 80.000. De financiering van € 500.000 zorgt voor de helft van de inkomsten (€ 40.000). De kosten die hiervoor worden gemaakt zijn € 20.000. Dus met een bedrag van € 20.000 wordt € 40.000 verdiend. Stel nu dat aanvankelijk op de eigen middelen een rendement van één procent werd behaald. Door de eigen middelen in ‘de stenen te stoppen’ mist de belegger € 5.000 op jaarbasis. Dit moet in mindering worden gebracht op het rendement van € 40.000 waardoor het uiteindelijke rendement € 35.000 bedraagt.
Direct rendement: huuropbrengsten Het directe rendement van een belegging in vastgoed bestaat uit de huuropbrengst. Er is in het algemeen sprake van langjarige contracten, waardoor er een stabiele inkomstenstroom is. In deze contracten is vaak geregeld dat de huur is geïndexeerd. Dit gebeurt op basis van bijvoorbeeld een officieel inflatiepercentage. Een belegging in vastgoed wordt hierom en omdat de waarde van het object meestal toeneemt naarmate de inflatie toeneemt (geld minder waard wordt) gezien als een belegging die de inflatie kan compenseren. Voorwaarde voor de stabiele inkomstenstroom is uiteraard wel dat de huurder de huur blijft betalen. Daarom is het bij het beoordelen van een eventuele belegging in vastgoed belangrijk om te kijken naar de kwaliteit van de huurder. (Dit is te vergelijken met het beoordelen van de kwaliteit van de debiteur van een obligatie.)
Door deze huuropbrengsten is een belegging in vastgoed een goede beleggingsmogelijkheid (direct dan wel indirect) als inkomen uit de beleggingen gewenst is.
Indirect rendement: waardeverandering We hebben hier bewust gekozen voor de term ‘waardeverandering’ in plaats van waardevermeerdering. Menig belegger denkt dat beleggen in vastgoed (zeker als het om een eigen woning gaat) gegarandeerd waardevermeerdering oplevert. Dit heeft te maken met de continue en forse waardestijging van vastgoed in de afgelopen jaren. Toch zijn er meerdere perioden geweest waarin vastgoed een heel slechte belegging was. Vooral in perioden van economische neergang en hoge rente gingen de prijzen van vastgoed fors naar beneden. De prijs van vastgoed wordt meestal bepaald aan de hand van een vermenigvuldigingsfactor van de huur, de huurfactor.
Voorbeeld
ASSETS Een winkelpand op een A-locatie in de belangrijkste winkelstraat van Apeldoorn levert € 50.000 huur op. Als vijftien maal de huur wordt betaald, zal de verkoopprijs € 750.000 bedragen.
5.3.2 Leegwaarderatio
Voor de inkomstenbelasting worden verhuurde woningen gewaardeerd tegen de WOZ-waarde. De WOZ-waarde is gebaseerd op een ‘onverhuurde’ staat. In het geval de woning op de relevante peildatum is verhuurd en de huurder van deze woning huurdersbescherming geniet, mag er een lagere waarde in aanmerking worden genomen, ook wel de ‘leegwaarderatio’ genoemd.
Het is als het ware een waarde-afslag, de hoogte van deze afslag wordt uitgedrukt in een percentage en is afhankelijk van de ontvangen jaarhuur in verhouding tot de WOZ-waarde. De afslag is per 2023 aangepast en daarmee gaan woningbeleggers aanzienlijk meer inkomstenbelasting betalen via de box 3-heffing.
De leegwaarderatio is dus nodig om de waarde te berekenen van: • (gedeeltelijk) verhuurde woningen met een gebruikelijke huurprijs: woningen waarvoor een huurprijs is overeengekomen die gebruikelijk is tussen personen die geen zakelijke of familierelatie met elkaar hebben (willekeurige derden). • verhuurde woningen met een ongebruikelijke huurprijs: woningen waarvoor een huurprijs is afgesproken die niet met derden zou zijn overeengekomen en waarbij de verhuurder en huurder familie van elkaar zijn of personen of instellingen die een zakelijke relatie met elkaar hebben (gelieerde partijen).
Vanaf 2023 geldt de volgende tabel voor het berekenen van de leegwaarderatio van verhuurde of verpachte woningen:
Verhouding jaarhuur-prijs tot WOZ-waarde is > En ≤ Leegwaarderatio 0% 1% 73% 1% 2% 79% 2% 3% 84% 3% 4% 90% 4% 5% 95% 5% 6% 100% 6% 7% 100% 7% - 100%
Voorbeeld 1 Het gaat hier om verhuurde woningen waarvoor een huurprijs is overeengekomen die gebruikelijk is tussen willekeurige derden. De waarde van deze woningen wordt als volgt berekent:
Stap 1 Neem de WOZ-waarde die staat op de beschikking die de gemeente heeft afgegeven in het jaar dat de schenking of de erfenis heeft plaatsgevonden of het jaar daarna.
Stella erft een woning in 2025. De woning is verhuurd. De maandelijkse huurprijs aan het begin van het kalenderjaar is € 475. Voor de erfbelastingaangifte kan zij kiezen uit de WOZ-waarde van 2025 of van 2026.
Stap 2 Bereken de jaarlijkse huurprijs: de maandelijkse huurprijs aan het begin van het kalenderjaar vermenigvuldigd met 12. De jaarlijkse huurprijs is (12 × € 475) = € 5.700.
Als de huur niet ingegaan is aan het begin van het kalenderjaar, dan geldt de huurprijs die betaald moest worden toen de huur inging.
Stap 3 Bereken het percentage dat de verhouding van de jaarlijkse huurprijs tot de WOZ-waarde weergeeft. Deel hiervoor de jaarlijkse huurprijs door de WOZ-waarde. € 5.700 (jaarlijkse huurprijs) gedeeld door € 200.000 × 100 (WOZ-waarde) = 2,85 procent.
Stap 4 Zoek de uitkomst van stap 3 op in de tabel. 2,85 procent is meer dan twee procent en minder dan drie procent. De leegwaarderatio is dus 84 procent.
Stap 5 Bereken de waarde van de verhuurde woning. Vermenigvuldig hiervoor de WOZ-waarde met de leegwaarderatio. De waarde van de verhuurde woning is 84% × € 200.000 = € 168.000.
Voorbeeld 2 Amal verhuurt zijn woning gedeeltelijk en is hiervoor een huurprijs overeengekomen die gebruikelijk is tussen willekeurige derden. De maandelijkse huurprijs van de twee verhuurde verdiepingen is aan het begin van het kalenderjaar € 550. De woning heeft vier verdiepingen en Amal verhuurt er twee. Alle verdiepingen 116 samen hebben een oppervlakte van 160 vierkante meter.
De waarde van deze woning wordt als volgt berekend:
ASSETS Stap 1 Neem de oppervlakte van Amals woning in vierkante meters: 160. Stap 2 Neem de oppervlakte van het verhuurde deel van Amals woning. Het betreft twee verdiepingen dus in de gezamenlijke oppervlakte 80 vierkante meter. Stap 3 De WOZ-waarde van de woning is € 300.000. Stap 4 Het aandeel van het verhuurde deel van de woning in de WOZ-waarde is: de oppervlakte van het verhuurde deel gedeeld door de oppervlakte van de hele woning (= 80/160 = 0,5). Vermenigvuldig de uitkomst van deze berekening met de WOZ-waarde: 0,5 × € 300.000 = € 150.000. Stap 5 De jaarlijkse huurprijs van het verhuurde deel van de woning is de maandelijkse huurprijs aan het begin van het kalenderjaar vermenigvuldigd met 12: (12 × € 550) = € 6.600. Als de huur niet ingegaan is aan het begin van het kalenderjaar, dan geldt de huurprijs die betaald moest worden toen de huur inging. Stap 6 Bereken het percentage dat de verhouding weergeeft van de jaarlijkse huurprijs tot de WOZ-waarde: de jaarlijkse huurprijs gedeeld door de WOZ-waarde van het verhuurde deel van de woning: € 6.600 (jaarlijkse huurprijs) gedeeld door € 150.000 (WOZ-waarde verhuurde deel woning) × 100 = 4,4 procent. Stap 7 Zoek de uitkomst van stap 6 op in de tabel. 4,4 procent is meer dan vier en minder dan vijf procent. De leegwaarderatio van het verhuurde deel van de woning is 95 procent. Stap 8 Bereken de waarde van het verhuurde deel van de woning: de WOZ-waarde van het verhuurde deel van de woning gedeeld door de leegwaarderatio van het verhuurde deel van de woning. De waarde van het verhuurde deel van de woning is 95% × € 150.000 = € 142.500. Stap 9 Bereken de waarde van de woning die voor een deel verhuurd wordt: de WOZ-waarde van de hele woning minus de WOZ-waarde van het verhuurde deel van de woning. Daarbij wordt opgeteld de waarde van het verhuurde deel van de woning. € 300.000 (WOZ-waarde hele woning) minus € 150.000 (WOZ-waarde verhuurde deel van de woning) is € 150.000. € 150.000 + € 142.500 (waarde verhuurde deel van de woning) = € 292.500.
Voorbeeld 3 Het gaat hier om woningen waarvan de verhuurder en huurder gelieerde partijen zijn en waarvoor een huurprijs is afgesproken die niet met derden zou zijn overeengekomen. Bijvoorbeeld: • Jenny verhuurt haar woning tegen een lage prijs aan een familielid. • Sarah, die directeur is van een bv, verhuurt tegen een lage prijs een woning aan haar eigen bv. • Welness B.V. verhuurt tegen een lage prijs een woning aan haar eigen directeur.
In deze situaties is de leegwaarderatio altijd 100 procent van de WOZ-waarde. Deze leegwaarderatio is dan de waarde van de woning.
Isabella verhuurt een woning aan haar zoon Charles voor € 350. Als zij de woning aan een willekeurige andere persoon zou verhuren, zou ze een huurprijs vragen van € 600. De WOZ-waarde van de verhuurde woning is € 200.000. De leegwaarderatio is € 200.000 (100 procent van de WOZ-waarde van € 200.000).
Als Charles de woning geschonken krijgt of erft, geldt voor hem de WOZ-waarde. Als dan behalve Charles ook andere personen de woning krijgen, geldt voor Charles de WOZ-waarde en voor de andere personen de waarde die wordt berekend aan de hand van de leegwaarderatio.
5.4 AANDELEN
Beleggers die aandelen bezitten, hebben aan ondernemingen vermogen overgedragen. Door de aankoop van een aandeel wordt een belegger mede-eigenaar van de onderneming. Deze vermogensoverdracht heeft een permanent karakter. Immers, terugbetaling vindt alleen plaats bij liquidatie van een onderneming. Een aandeel kan in het algemeen beschreven worden aan de hand van een aantal kenmerken. Deze kenmerken zijn onder andere de wijze van vergoeding voor het beschikbaar stellen van vermogen in ruil voor een aandeel in de onderneming, de zeggenschap die hieraan verbonden is en de rendementvormen die aan aandelen verbonden kunnen zijn.
Aandelen zijn deelnemingen in het eigen vermogen van besloten (bv) en naamloze vennootschappen (nv). Aandelen in bv’s zijn beperkt verhandelbaar en ongeschikt voor een beursnotering. De aandelen van nv’s zijn vrij verhandelbaar en komen in aanmerking voor een beursnotering. Hier komen beursgenoteerde aandelen aan de orde. Door aankoop van een aandeel wordt een belegger mede-eigenaar van de onderneming. Deze vermogensoverdracht heeft een permanent karakter: terugbetaling vindt alleen bij liquida118 tie van de onderneming plaats. Aan het bezit van een aandeel is zeggenschap
ASSETS over het bestuur en de leiding van de onderneming verbonden. Het aantal aandeelhouders is meestal zo groot en wisselend, dat het praktisch onmogelijk is dat aandeelhouders zich direct met het bestuur van de onderneming bemoeien. Daarom vindt vaak delegatie plaats van de bevoegdheden aan de raad van commissarissen.
Naast het recht op zeggenschap ontvangen aandeelhouders een beloning (dividend) voor het ter beschikking stellen van vermogen. De hoogte van het dividend is afhankelijk van de ondernemingsresultaten. Dividend kan op verschillende manieren worden uitbetaald. Dividend in contanten is de meest voor de hand liggende manier. Dit heet ‘cashdividend’. Veel Nederlandse bedrijven bieden een ‘keuzedividend’ aan. Beleggers kunnen dan kiezen tussen contant dividend en dividend in de vorm van aandelen (‘stockdividend’). Dividend kan eenmaal per jaar worden uitgekeerd, maar ook vaker. Dan wordt er gedurende het boekjaar dividend uitgekeerd in de vorm van ‘interim-dividend’. Aan het eind van het boekjaar wordt vervolgens het interim-dividend afgetrokken van het totale vastgestelde dividend en wordt het restant als ‘slotdividend’ uitgekeerd. Veel Nederlandse bedrijven betalen een halfjaarlijks interim-dividend.
Bij emissie van aandelen wordt vaak meer betaald (‘agio’) dan de nominale waarde. De nominale waarde heeft bij de bepaling van de koers, waartegen het aandeel op de beurs wordt verhandeld, geen betekenis. Deze koers komt tot stand door vraag en aanbod.
Het percentage aandelen van een bedrijf dat vrij verhandelbaar is op de beurs is de free float. Aandelen in handen van de oprichter vallen hier bijvoorbeeld buiten. De meeste Nederlandse beursgenoteerde bedrijven in de AEX-index hebben een free float van bijna honderd procent.
5.4.1 Cyclische en non-cyclische aandelen
Aandelen onderscheiden we in ‘cyclische’ en ‘non-cyclische’ aandelen.
Cyclische aandelen zijn sterk afhankelijk van de economische conjunctuur. Deze aandelen worden zo genoemd omdat ze vaak enorme koersbewegingen vertonen. Bij een positieve economische ontwikkeling zijn deze aandelen vaak de eerste die behoorlijke koersstijgingen realiseren. Cyclische aandelen zijn dus zeer gevoelig voor factoren zoals de rente, valutaschommelingen en consumentenbestedingen. Aan het begin van de economische opleving vertonen deze bedrijven vaak explosieve winststijgingen en aan het eind komt men nog wel eens in de rode cijfers. Vooral in deze aandelen wordt vaak hevig gespeculeerd. Het gaat meestal om internationaal 119
opererende bedrijven die actief zijn op het gebied van productie van (duurzame) goederen, halffabricaten en automatisering.
Verder zijn er nog de financiele aandelen. Deze aandelen zijn minder cyclisch dan voornoemde aandelen en zijn voornamelijk gevoelig voor renteontwikkelingen. Koersstijgingen komen vaak ook wat later op gang dan bij de cyclische aandelen maar blijven vaak langer doorstijgen. De bedrijfswinsten vertonen meestal weinig grote stijgingen en verliezen komen relatief ook weinig voor.
Non-cyclische aandelen kunnen worden onderverdeeld in groeiaandelen en defensieve aandelen. Groeiaandelen zijn aandelen van ondernemingen die jaarlijks een sterke groei van de winst per aandeel vertonen. Defensieve aandelen zijn minder conjunctuurgevoelig dan andere aandelen en bevinden zich vaak in de productie en/of distributie van eerste levensbehoeften zoals levensmiddelen of energie. Ook tijdens een recessie zijn deze producten nodig waardoor deze minder gevoelig zijn voor economische schommelingen. Zij vertonen dan ook een redelijk stabiele winst waardoor de waarde van deze aandelen een jaarlijkse stijging vertoont zonder al te grote sprongen of verliezen. Vooral voor de lange termijn zijn dit geliefde aandelen.
De Cyclus Economische groei 4,0 Rentegevoelige en Conjunctuurgevoelige Conjuntuurgevoelige en Defensieve en groeiaandelen aandelen outperformen groeiaandelen groeiaandelen outperformen outperformen 3,5 outperformen
3,0 Trendmatige economische groei 2,5 tijd 2,0 Verwachte ontwikkeling 1,5 economische cyclus
1,0 Groei dalend en Groei stijgend en Groei stijgend en Groei dalend en onder trend onder trend boven trend boven trend
5.4.2 Varianten op het aandeel
In de loop van de tijd hebben zich op het aandeel allerlei varianten ontwikkeld. Deze varianten sluiten in bepaalde omstandigheden beter aan bij de verlangens van zowel de onderneming als de vermogensverschaffer. Aan het bezit van een aandeel zijn zeggenschap in de onderneming en recht op dividend verbonden. De hiernavolgende varianten verschillen van een ‘gewoon’ aandeel ten aanzien van deze aspecten.
ASSETS 5.4.2.1 Certificaten van aandelen
Certificaten van aandelen zijn waardepapieren die de originele aandelen vertegenwoordigen. De aandelen zelf zijn meestal in beheer bij een administratiekantoor dat optreedt als behartiger van de belangen van de vermogensverschaffers. Het administratiekantoor geeft op zijn beurt vervangende aandeelbewijzen (certificaten) uit; het ontvangt de dividenden en oefent het stemrecht uit in de algemene vergadering van aandeelhouders. De dividenden worden in het algemeen doorgesluisd naar de certificaathouders. Het stemrecht ligt bij het administratiekantoor. Bij certificaten moet nog een onderscheid worden gemaakt tussen royeerbare en niet-royeerbare certificaten. Royeerbaar wil zeggen dat de houder van een certificaat deze kan omwisselen tegen aandelen. Niet-royeerbare certificaten vormen een bescherming tegen een ongewenste overname en gaan dus een meerderheidsbelang tegen. De uitgifte van niet-royeerbare certificaten maakt een poging tot overname onmogelijk. De certificaten geven de houders geen stemrecht. Bovendien zijn ze niet om te wisselen in gewone aandelen.
5.4.2.2 Preferente aandelen
Bij preferente aandelen heeft de preferentie betrekking op dividend of liquidatie. Winstpreferente aandelen genieten voorrang bij de dividenduitkering. Zo wordt op vijf procent preferente aandelen vijf procent van de nominale waarde van het aandeel als dividend uitgekeerd voordat de overige aandeelhouders dividend krijgen. Winstpreferente aandelen kunnen cumulatief preferent zijn. De preferentie geldt dan ook ten aanzien van in het verleden gepasseerd dividend. Ook bestaan er winstdelende, preferente aandelen. Hierbij is er naast de beloning voor de preferente aandelen ook een recht op een deel van de resterende uit te keren winst. Aandelen met preferentie bij liquidatie, genieten in geval van beëindiging van de onderneming voorrang boven de gewone aandelen bij uitkering van het liquidatieoverschot.
5.4.2.3 Prioriteitsaandelen
Prioriteitsaandelen zijn preferente aandelen waarbij de preferentie betrekking heeft op de beheersaspecten van het bedrijf. Dat wil zeggen dat bezitters van prioriteitsaandelen de volledige beslissingsbevoegdheid hebben over de benoeming van bestuurders, commissarissen enzovoorts zonder daarbij afhankelijk te zijn van gewone aandeelhouders. De prioriteitsaandelen zijn vaak in handen van de oprichters van het bedrijf.
5.4.3 Technische analyse
Met technische analyse probeert men de koersontwikkeling van een beleggingsobject, op basis van historische koers- en omzetgegevens, te voorspellen. Hierna wordt een aantal punten genoemd die op de technische analyse van toepassing zijn.
Technische analyse is gebaseerd op psychologie. De gedachtegang is dat veel beleggers in het verleden een gelijk gedrag hebben vertoond en dat zij in vergelijkbare situaties hetzelfde gedrag zullen vertonen. Zulk gelijksoortig gedrag van een grote groep wordt een trend genoemd. Het is mogelijk dat binnen de groep een enkeling afwijkend gedrag vertoont, maar de invloed hiervan zal vaak te zwak zijn om het gedrag van de groep te beïnvloeden. Is dit wel het geval, dan is sprake van een trendomkeer.
Het doel van technische analyse is de verandering in de trend op te sporen door koersbewegingen te analyseren. Hierbij wordt verondersteld dat koersen zich trendmatig bewegen. Waarom een koers van een object fluctueert is niet van belang. De koers wordt door veel vraag- en aanbodbepalende factoren beïnvloed en bestudering hiervan vereist veel tijd en wiskundige kennis. Vanuit de visie van de technisch analist is concentratie op het resultaat dan ook effectiever dan onderzoek naar de diverse factoren, waarvan het de vraag is of zij alle nauwgezet geanalyseerd kunnen worden. Wel wordt bij de technische analyse gebruikgemaakt van een reeks indicatoren. Aan de hand van deze indicatoren wordt de koersontwikkeling beoordeeld. De analist bepaalt van welke indicatoren gebruik wordt gemaakt. Het oordeel is dus een subjectieve.
Technische analyse bepaalt niet welke aandelen ‘koopwaardig’ zijn. Dat wordt met behulp van de fundamentele analyse bepaald. Wel probeert de technische analyse het juiste koopmoment van aandelen te voorspellen. De verwachte ontwikkeling van een aandeel betreft zowel de koers- als de dividendontwikkeling. Echter, een adviseur die het koopmoment van een aandeel beoordeelt aan de hand van de technische analyse, richt zich uitsluitend op de ontwikkeling van de koers en niet op de ontwikkeling van het dividend. Hierdoor is de technische analyse vooral interessant voor korte-termijnbeleggers die weinig interesse in inkomen (dividend) hebben. Bij technische analyse wordt meestal met grafieken gewerkt in plaats van een lange rij getallen, doordat het koersverloop van een aandeel grafisch gevisualiseerd beter te volgen is. Hierdoor noemen we technische analyse ook wel ‘chart reading’.
ASSETS
5.4.4 Aandeelwaardering, kengetallen
De klant die overweegt aandelen te kopen, zal zich moeten verdiepen in de toekomstverwachtingen van de onderneming. Dit is mogelijk met behulp van de fundamentele analyse van aandelen. De fundamentele analyse gebeurt aan de hand van een beschouwing van de resultaten van een onderneming, meestal over een wat langere periode. Hiermee wordt geprobeerd inzicht te krijgen in de toekomstige winstontwikkeling en de daaruit voortvloeiende dividendstroom.
De basis voor de fundamentele analyse is het jaarverslag dat de onderneming jaarlijks publiceert. De fundamentele analyse vindt onder meer plaats aan de hand van ratio-analyse (kengetallen). Een ratio is een getal waarmee de omvang van een bepaald verschijnsel wordt uitgedrukt, zodat die omvang zich in dat getal laat kennen. Voorbeelden zijn: de omzet, het aantal werknemers en de liquiditeit.
5.4.4.1 Liquiditeitsratio current ratio
De liquiditeit van de onderneming is de mate waarin de onderneming in staat is aan al haar kortlopende financiële verplichtingen te voldoen, zonder de continuïteit in gevaar te brengen. Voor de beoordeling van de liquiditeit is de verhouding tussen de korte termijn opeisbare schulden en de korte termijn beschikbare middelen van belang.
De current ratio is de ratio die het meest gebruikt wordt bij de beoordeling van de liquiditeit van een onderneming. De current ratio geeft aan in hoeverre een onderneming aan haar verplichtingen voor de korte termijn kan voldoen. Als norm voor de current ratio wordt vaak de waarde ‘2’ genoemd. Hierbij moet wel bedacht worden dat de current ratio de toestand op een bepaald moment weergeeft, namelijk de balansdatum. In vrijwel elk bedrijf wisselt de liquiditeit met het seizoen. Een current ratio van 2 of meer op de balansdatum hoeft dus helemaal niet te betekenen dat een onderneming een half jaar later liquide is. De current ratio kan op dat moment misschien wel 1 of minder bedragen.
Current ratio = Vlottende activa/kort vreemd vermogen
waarbij: • vlottende activa: vermogen dat voor een periode korter dan een jaar is vastgelegd, bijvoorbeeld voorraden (grondstoffen en/of gereed product), debiteuren of liquide middelen (bank en kas). • kort vreemd vermogen: betalingsverplichtingen die op korte termijn (binnen één jaar) moeten worden voldaan. 123
5.4.4.2 Liquiditeitsratio quick ratio
Met de quick ratio kan de liquiditeit van de onderneming op zeer korte termijn worden beoordeeld. Een groot deel van de vlottende activa kan bestaan uit voorraden. Bij deze voorraden is het lang niet altijd zeker is dat deze op zeer korte termijn kunnen worden verkocht en dus in liquide vorm aanwezig zullen zijn. Daardoor worden de voorraden bij de bepaling van de quick ratio buiten de vlottende activa gehouden. Voor de quick ratio gebruiken we de norm ‘1’. In dat geval staat namelijk tegenover de korte schulden een gelijk bedrag aan debiteuren en liquide middelen. De quick ratio is net als de current ratio een momentopname. De opmerkingen, gemaakt bij de current ratio, gelden dus ook voor de quick ratio.
Quick ratio = vlottende activa -/- voorraden/kort vreemd vermogen
5.4.4.3 Solvabiliteitsratio debt ratio
De solvabiliteit van een onderneming is de mate waarin de onderneming in staat is het geheel van haar schulden in de loop van de tijd af te betalen. De termijn van de schulden is hier dus niet van belang. Bij de beoordeling van de solvabiliteit wordt de verhouding tussen de totale bezittingen en schulden onderzocht.
Deze ratio geeft aan in welke mate een onderneming is gefinancierd met vreemd vermogen. Ook geeft de debt ratio aan hoeveel ruimte er nog is om vreemd vermogen aan te trekken. Wanneer de debt ratio gelijk is aan 0,5 is de onderneming met evenveel vreemd vermogen als eigen vermogen gefinancierd. Als normwaarde voor de debt ratio wordt meestal 0,75 aangehouden. In dat geval bedraagt het eigen vermogen 0,25 (25 procent). De verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen is dan 1:3.
Debt ratio = vreemd vermogen/totaal vermogen
5.4.4.4 Solvabiliteitsratio interest coverage ratio
Over een deel van het vreemd vermogen moet de onderneming rente betalen. Deze rentekosten vormen een vaste last voor de onderneming. Deze last moet door de onderneming opgebracht worden uit de gemaakte winst. De interest coverage ratio (ICR) geeft aan in hoeverre de te betalen rente beslag legt op het netto-inkomen van de onderneming. Deze ratio wordt opgesteld met behulp van de resultatenrekening. Als norm voor de ratio wordt vaak 4 gehanteerd.
124 ICR = totaal resultaat/betaalde rente
ASSETS Verder kan worden opgemerkt dat uit de ICR de ratings van debiteuren voortvloeien.
5.4.4.5 Rentabiliteitsratio rentabiliteit van het totale vermogen
Rentabiliteitsratio’s geven de inkomsten van de onderneming in verhouding tot het geïnvesteerde vermogen weer.
De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV) geeft de verhouding weer van de brutowinst plus rentelasten ten opzichte van het totale vermogen. Deze rentabiliteit kan afwijken van de rentabiliteit van het eigen vermogen, wanneer de onderneming veel vreemd vermogen heeft aangetrokken.
RTV = (winst vóór belasting +/+ betaalde rente/totaal vermogen) x 100%
Aan de hand van de RTV kunnen de verschaffers van het eigen vermogen beoordelen of de ondernemingsleiding een bevredigend resultaat heeft behaald met de toevertrouwde middelen. Als norm voor de RTV kan worden uitgegaan van de rente op staatsobligaties, verhoogd met een opslag van enige procenten vanwege het ondernemersrisico.
REV = (winst vóór belasting/eigen vermogen) x 100%
5.4.4.6 Rentabiliteitsratio brutomarge
De brutomarge is een ratio waarmee bepaald kan worden in hoeverre een onderneming in staat is prijsdalingen op te vangen. Deze ratio wordt meestal gebruikt bij de vergelijking van ondernemingen uit dezelfde bedrijfstak.
Bruto marge = (winst vóór belasting +/+ betaalde rente/omzet) x 100%
5.4.4.7 Rentabiliteitsratio hefboomeffect
Deze ratio verschaft inzicht in het gebruik van vreemd vermogen binnen een onderneming. Met andere woorden: in hoeverre heeft het vreemd vermogen in een bepaalde periode voor de onderneming gewerkt. Bij de bestudering van het hefboomeffect moet altijd worden bedacht dat het aantrekkelijk is de winst te vergroten met vreemd vermogen, en dat teveel vreemd vermogen tot problemen kan leiden en zelfs de continuïteit van de onderneming in gevaar kan brengen.
Hefboomeffect = (RTV -/- rente in %) x (vreemd vermogen/eigen vermogen)
5.4.4.8 Koersratio dividendpercentage
Met behulp van koersratio’s kunnen koersen van aandelen met elkaar worden vergeleken.
Dividendpercentage = (dividend per aandeel/nominale waarde) x 100%
5.4.4.9 Koersratio dividendrendement
Dividendrendement = (dividend per aandeel/gemiddelde beurswaarde(koers) per aandeel) x 100%
5.4.4.10 Koersratio koers/winstverhouding
Koers/winstverhouding = beurswaarde per aandeel/winst per aandeel
5.4.5 Overige risico’s van aandelen
In de voorgaande paragraaf is het liquiditeitsrisico van aandelen al uitgebreid aan bod gekomen. In de economische cyclus is ook al aangegeven dat er conjunctuurgevoelige aandelen zijn en meer defensieve aandelen. Toch gaan we hier nog verder in op een aantal andere risico’s.
5.4.6 Renterisico
Hoewel de invloed van de marktrente verschilt van aandeel tot aandeel, heeft een hogere marktrente in het algemeen een negatieve invloed op de koers van aandelen. Daarvoor zijn twee redenen: allereerst zal bij een hoge marktrente ook de rentevergoeding op spaarrekeningen toenemen. Daardoor worden aandelen minder interessant, want de aandeelhouder loopt wel een groot risico, terwijl het verschil in rendement op een spaarrekening relatief laag is.
De tweede reden is dat een beursgenoteerde onderneming geacht wordt een groeistrategie te hebben, waarbij veel geïnvesteerd wordt. Als de marktrente stijgt, zullen ook investeringen waarvoor geld geleend moet worden, duurder uitvallen. Er moet immers meer rente betaald worden. Dit drukt het bedrijfsresultaat of vertraagt de investeringen, omdat ze uitgesteld worden. In beide gevallen heeft dat een negatieve invloed op de vooruitzichten van de ondernemingsresultaten, waardoor de koers van het aandeel daalt. Andersom geldt het uiteraard ook: hoe lager de rente is, hoe aantrekkelijker aandelen worden.
ASSETS
5.4.7 Valutarisico
Het valutarisico op aandelen spreekt voor zich. Daarnaast moet men zich realiseren dat ook eventuele dividenden in andere valuta uitgekeerd zullen worden, wat het effect versterkt.
5.4.8 Debiteurenrisico
Wanneer een beursgenoteerde onderneming failliet gaat, staan aandeelhouders min of meer achteraan de rij als schuldeiser. Een aandeel heeft immers geen nominale waarde die teruggeëist kan worden, maar alleen een prijs die tot stand komt door vraag en aanbod. Omdat bij (dreigend) faillissement de aandeelhouders weten dat ze alleen een deel van de onderneming in bezit hebben, die na aflossing van alle schulden vaak waardeloos zal zijn, zal vrijwel elke aandeelhouder zijn aandelen willen verkopen tegen elke prijs (‘bestens verkopen’). Daardoor gaat de koers vaak erg snel naar waardes van rond de € 0,01 of tot een koers waar speculanten het aantrekkelijk vinden om te gokken op een mogelijke doorstart, bijvoorbeeld.
5.5 DERIVATEN
Sinds het begin van de jaren 80 is de belangstelling van beleggers voor derivaten sterk toegenomen. Derivaten zijn afgeleide financiële producten. ‘Afgeleid’ doordat de waarde afhankelijk is van de prijsontwikkeling van een of meer andere vermogensobjecten, zoals aandelen, obligaties, edelmetalen, vreemde valuta, een koersindex of een bepaalde rentevoet. Het vermogensobject waarop het derivaat betrekking heeft, wordt de ‘onderliggende waarde’ genoemd.
De meest gebruikte derivaten door particuliere beleggers zijn opties en futures. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het gebruik van deze derivaten. Duidelijk zal worden dat derivaten de belegger de mogelijkheid bieden bepaalde beleggingsrisico’s af te dekken of juist bewust specifieke beleggingsrisico’s aan te gaan. Met behulp van de derivaten kan de belegger het risicoprofiel van de portefeuille op maat maken door risico’s te verhogen dan wel te verlagen.
Omdat hierna geregeld gebruik wordt gemaakt van de begrippen ‘longpositie’ en ‘shortpositie’, volgt op deze plaats een korte uitleg. Van een longpositie is sprake als een belegger de vermogensobjecten bezit. Door verkoop van deze objecten wordt de longpositie opgeheven. Een shortpositie betekent
dat een belegger een verplichting op zich heeft genomen. Door het nakomen of overdragen van deze verplichting aan een derde wordt de shortpositie opgeheven.
5.5.1 Opties
Een optiecontract is een op een optiebeurs afgesloten overeenkomst tussen twee partijen. Eén partij verbindt zich daarbij tegenover de andere partij om gedurende een vastgestelde periode een vaste hoeveelheid van een bepaalde onderliggende waarde te kopen of te verkopen tegen een vooraf bekende koers, als die andere partij de wens daartoe te kennen geeft. Belangrijke elementen in deze omschrijving zijn: • optiecontract is een overeenkomst tussen twee partijen. • optiecontract loopt maar voor een bepaalde tijd: het heeft een bepaalde looptijd. • onderliggende waarde kan op allerlei zaken betrekking hebben, zoals aandelen, zilver, staatsobligaties, de dollar en indices. • het is onzeker of de verhandeling werkelijk plaats zal vinden. De koper of houder van de optie heeft het recht om te verhandelen, en niet de plicht daartoe. Deze partij is een longpositie aangegaan. De tegenpartij, de schrijver van de optie heeft wel een verplichting op zich genomen. Deze partij is een shortpositie aangegaan.
Door de optie op een aantal punten te standaardiseren, is het optiecontract verhandelbaar geworden. Voor alle op de optiebeurzen verhandelde contracten zijn daarom dezelfde voorwaarden van kracht ten aanzien van de: • contractgrootte • looptijd • expiratie- en uitoefendatum • uitoefenprijs • manier van settelen (Amerikaans of Europees).
De contractgrootte van Nederlandse aandelenopties heeft in beginsel betrekking op 100 stuks van een bepaald aandeel.
De looptijd van de optie bepaalt hoe lang de optie geldig is en op welke expiratiedatum de optie afloopt. De uitoefen- of strikeprijs is de prijs waartegen de koper van de optie de onderliggende waarde mag kopen of verkopen. Opties expireren op de derde vrijdag van de expiratiemaand. Aandelenopties hebben officieel een loop-
ASSETS tijd tot 13.00 uur op de zaterdag na de derde vrijdag van de maand. Wil een belegger zijn optie niet uitoefenen maar verkopen, dan moet hij dit vrijdag voor sluiting van de beurs doen. De meeste banken bieden hun cliënten geen mogelijkheid tot het uitoefenen van opties op zaterdag.
Verder worden opties onderscheiden in Amerikaanse en Europese opties. Het onderscheid heeft betrekking op de wijze van uitoefening van de optie. Een optie van het Amerikaanse type kan gedurende de gehele looptijd uitgeoefend worden. Dit betekent dat de Amerikaanse optie kan worden uitgeoefend tot en met de derde vrijdag van de expiratiemaand (expiratiedatum). Opties op aandelen en valuta die genoteerd zijn op de Nederlandse beurs, zijn Amerikaanse opties.
Een Europese optie kan alleen aan het einde van de looptijd worden uitgeoefend. De koper van een Europese optie kan het optierecht alleen op expiratiedatum zelf uitoefenen. Indexopties, zoals opties op de AEX index, behoren tot het Europese type. De uitoefening van dergelijk indexopties geschiedt op basis van cash settlement. Dit houdt in dat alleen in contanten wordt afgerekend. De onderliggende waarde kan immers niet worden gekocht of verkocht.
De gestandaardiseerde contracteenheden zijn afhankelijk van de onderliggende waarden. Het hierna volgende schema verschaft enig inzicht in de afgesproken handelseenheden en de manier van settelen op de Nederlandse beurs.
Optiesoort Contractgrootte Handelseenheid Settelen Aandelenopties 100 aandelen 100 Amerikaans Indexopties (AEX) € 100 × AEX-index 100 Europees Indexopties € 100 × 1/10 AEX-index 100 Europees (AEX) light
Gelet op de mogelijkheid om in de optiehandel ook verkooprechten te creëren, kunnen twee typen optiecontracten worden onderscheiden, te weten de calloptie (koopoptie) en de putoptie (verkoopoptie). Call- en putopties zijn niet de tegengestelde zijden van één transactie. Het zijn twee totaal verschillende affaires en worden onafhankelijk van elkaar verhandeld.
5.5.1.1 Calloptie
Een calloptie is een optiecontract waarbij de koper tegen betaling van een bepaalde prijs (de optiepremie) het recht ontvangt om een vastgestelde hoeveelheid (contractgrootte) van een onderliggende waarde te kopen tegen een vastgestelde koers (uitoefenprijs) op een door hem gekozen tijdstip: gedurende de looptijd van het contract bij een zogenoemde Amerikaanse optie, of uitsluitend aan het einde van de looptijd bij een zogenoemde Europese optie.
De koper van de calloptie heeft dus een kooprecht. De tegenpartij van de koper van een calloptie, de schrijver, heeft tegen ontvangst van de optiepremie de verplichting op zich genomen om de onderliggende waarde te leveren tegen de uitoefenprijs, wanneer het kooprecht door de houder wordt uitgeoefend. De schrijver van de calloptie heeft dus een leveringsplicht en ontvangt bij uitoefening een ‘assignment’ (aanwijzing). De prijs of premie die de schrijver van de koper ontvangt, komt op de optiebeurs door vraag en aanbod tot stand.
5.5.1.2 Putoptie
Een putoptie is een optiecontract waarbij de koper van de putoptie tegen betaling van een bepaalde prijs (de optiepremie) het recht ontvangt om een vastgestelde hoeveelheid van de onderliggende waarde tegen de uitoefenprijs te verkopen op een door hem gekozen tijdstip: gedurende de looptijd van het contract bij een zogenoemde ‘Amerikaanse optie’; of uitsluitend aan het einde van de looptijd bij een zogenoemde ‘Europese optie’.
De houder van de putoptie bezit een verkooprecht. De schrijver van de putoptie heeft, tegen ontvangst van de optiepremie, de verplichting op zich genomen om de onderliggende waarde tegen de uitoefenprijs af te nemen, wanneer het verkooprecht door de houder wordt uitgeoefend. De schrijver van de putoptie heeft dus een afnameplicht. Evenals bij callopties komt ook bij putopties de prijs of premie op de optiebeurs door vraag en aanbod tot stand.
ASSETS Samenvattend overzicht call- en putopties
Koper Verkoper (schrijver) Calloptie RECHT om aandelen te kopen¡ PLICHT om aandelen te leveren/ verkopen als koper zijn recht uitoefent
Betaalt hiervoor een premie Ontvangt hiervoor een premie
Verwacht een stijging van Verwacht een gelijkblijvende of de koers licht stijgende/dalende koers
Maximale winst: onbeperkt Maximale winst: ontvangen premie Maximaal verlies: betaalde optiepremie Maximaal verlies: Bij bezit aandelen: Geen verlies op optiepositie
Geen bezit aandelen (ongedekt geschreven): Onbeperkt Putoptie RECHT om aandelen te verkopen PLICHT om aandelen te kopen als koper zijn recht uitoefent
Betaalt hiervoor een premie Ontvangt hiervoor een premie
1. Aandelen in bezit Wil aandelen beschermen tegen Verwacht een gelijkblijvende of mogelijke koersdaling (vergelijk licht stijgende/dalende koers verzekeringspremie) 1. Geen aandelen in bezit Verwacht een daling van de koers
Maximale winst: Maximale winst: Bij onderliggende waarde = 0 ontvangen premie
Maximaal verlies: Maximaal verlies: Betaalde optiepremie Bij onderliggende waarde = o
5.5.1.3 Prijsvorming van opties
Tijdens de looptijd van een optie wordt de waarde bepaald door de intrinsieke waarde (het verschil tussen de beurskoers en de uitoefenprijs) en het prijsdeel dat boven de intrinsieke waarde ligt, de zogeheten ‘tijds- of verwachtingswaarde’. De tijdswaarde reflecteert de onzekerheid over de uiteindelijke koers van het aandeel en daarmee de onzekerheid over de waarde van de optie op de afloopdatum. 131
5.5.1.4 Intrinsieke waarde
Een calloptie heeft dus intrinsieke waarde als de beurskoers hoger is dan de uitoefenprijs. Het omgekeerde geldt voor een putoptie. Een putoptie heeft intrinsieke waarde als de beurskoers lager is dan de uitoefenprijs. De relatie tussen de beurskoers en de intrinsieke waarde is recht evenredig, dat wil zeggen voor elke euro koersstijging neemt de intrinsieke waarde met een euro toe en omgekeerd. De intrinsieke waarde is altijd groter of gelijk aan nul.
5.5.1.5 Tijds- en verwachtingswaarde
Naast intrinsieke waarde zal de optieprijs meestal ook tijds- en verwachtingswaarde hebben. De tijds- en verwachtingswaarde is het verschil tussen de optieprijs en de intrinsieke waarde. Heeft de optie een intrinsieke waarde die gelijk is aan nul, dan zal de premie uitsluitend tijds- en verwachtingswaarde bevatten.
Voor een goed begrip van de tijds- en verwachtingswaarde, vooral met betrekking tot de hoogte daarvan, worden hierna de drie mogelijke relaties tussen de beurskoers van de onderliggende waarde en de uitoefenprijs van de optie op een rijtje gezet: • out-of-the-money: een out-of-the-money-optie heeft geen intrinsieke waarde. De optieprijs wordt alleen bepaald door de tijds- en verwachtingswaarde. Hoe dieper de optie out-of-the-money is (hoe groter het negatieve verschil tussen de beurskoers en de uitoefenprijs) des te onwaarschijnlijker wordt het dat voordeel kan worden behaald door uitoefening van de optie. De tijds- en verwachtingswaarde zal dus dalen, naarmate de optie verder out-of-the-money raakt. • at-the-money: de intrinsieke waarde is nog steeds nul, en de kans dat uitoefening voordelig wordt (de kans dat de optie intrinsieke waarde krijgt) is op deze koers het grootst. De tijds- en verwachtingswaarde zal dus bij het at-the-money-punt zijn hoogste niveau bereiken. • in-the-money: de optie heeft nu intrinsieke waarde. Hoe verder in-the-money de optie is, des te geringer de tijds- en verwachtingswaarde zal zijn. De kans dat uitoefening (met voordeel) zal plaatsvinden, wordt immers groter naarmate de intrinsieke waarde hoger is.
De belangrijkste variabele bij de totstandkoming van de optiepremie (en dan vooral de tijds- en verwachtingswaarde) is de verwachte beweeglijkheid of volatiliteit (volatility) van de koers van de onderliggende waarde. Hoe hoger de beweeglijkheid van de onderliggende waarde is, des te groter is de kans dat de optie intrinsieke waarde krijgt en daardoor in het voordeel van de 132 koper uitvalt.
ASSETS Voor de schrijver van de optie geldt uiteraard het omgekeerde. Bij een stijgende volatility is de kans groter aan de verplichtingen te worden herinnerd. De schrijver zal dus een hoge premie willen ontvangen voor een toenemend risico. De koper zal ook bereid zijn een hoge premie te betalen voor een hoge winstkans. Met andere woorden hoe hoger de beweeglijkheid is, des te hoger de tijds- en verwachtingswaarde zal zijn. En omgekeerd, hoe lager de beweeglijkheid, des te lager de tijds- en verwachtingswaarde.
5.5.2 Futures
In een termijncontract wordt een prijs vastgesteld waartegen men op een vastgesteld toekomstig tijdstip een goed of financiële waarde moet kopen of verkopen. Het belangrijke verschil met een optie is het feit dat een termijncontract leidt tot onvoorwaardelijke verplichtingen: koper en verkoper hebben beiden een verplichting. Bij een optie heeft de ene partij het recht om te (ver)kopen en de andere partij de potentiële plicht tot verkoop of afname.
De waarde van een termijncontract is afhankelijk van de onderliggende goederen of financiële waarden. Als deze onderliggende objecten een waardeverandering ondergaan, na sluiting van het contract, verandert ook de waarde van het termijncontract. Wanneer een termijncontract goederen als onderliggende waarden heeft, bijvoorbeeld aardappelen, dan kan de reden voor het afsluiten van het contract ook gelegen zijn in daadwerkelijke levering. Voor een particuliere belegger zal dit niet snel een reden zijn om zich op het gebied van het afsluiten van termijncontracten te begeven. Voor particuliere beleggers geldt de mogelijke waardestijging van het contract (of waardedaling als een contract verkocht is) als belangrijkste reden om in termijncontracten te beleggen. Het resultaat van de aanschaf van een termijncontract hangt af van de werkelijke prijs van het goed op het toekomstige tijdstip in relatie tot de afgesproken prijs. Als de prijs van het goed op de afloopdatum hoger (lager) is dan de afgesproken prijs, dan heeft de koper van het termijncontract een positief (negatief) resultaat.
Niet-gestandaardiseerde termijncontracten heten ‘forwards’. Gestandaardiseerde termijncontracten heten ‘futures’. Gestandaardiseerde termijncontracten worden verhandeld op termijnmarkten. In Nederland bestaan termijnmarkten voor onder meer goud en aandelenindices. De belangrijkste functie van de termijnmarkt is de overdracht van prijsrisico.
5.5.2.1 Financial futures
Futures op koersindices, obligaties, deposito’s, valuta’s en aandelen noemen we ‘financial futures’. Naast financial futures kennen we ‘commodity futures’ (vooral in de Verenigde Staten): futures op bulkgoederen zoals graan, soja, koffie. In Nederland kennen we termijncontracten op onder andere aardappelen en slachtvarkens. Ten slotte bestaan er ook futures op metalen als zink en koper.
Opties en financial futures worden vaak in één adem genoemd. Er zijn dan ook enige overeenkomsten tussen beide soorten derivaten. Zo gaat het in beide gevallen om gestandaardiseerde contracten die op de beurs verhandelbaar zijn. Toch zijn de verschillen groot. De koper van een optie Amerikaanse stijl kan gedurende de gehele looptijd van de (call) optie kiezen tussen het wel of niet kopen (of bij een putoptie: verkopen) van de onderliggende waarde.
Van een dergelijk vrije keuze is bij financial futures geen sprake. De financial future is een onherroepelijk contract. De koper en verkoper van een financial future verplichten zich in theorie tot afname respectievelijk levering van de onderliggende waarde. De koper en de verkoper spreken bij het afsluiten van een financial future een prijs af waartegen de onderliggende waarde van het contract bij afloop zal worden geleverd. De meeste financial futures kennen geen daadwerkelijke levering maar cash settlement. Cash settlement houdt in dat uitsluitend de prijsverschillen op de onderliggende waarde worden verrekend. Dit vindt dagelijks plaats via de zogenaamde margin-call.
Een financial future is een op de beurs verhandelbaar standaardcontract inzake de koop of de verkoop van een bepaalde hoeveelheid financiële waarden (zoals aandelen of obligaties) op een vastgesteld tijdstip, tegen betaling van een prijs die de koper en verkoper zijn overeengekomen bij het aangaan van het contract. De standaardisatie van de future heeft betrekking op de contractgrootte, de looptijd (einddatum van het contract) en de precieze omschrijving van de onderliggende waarde. De prijs van de financial future staat niet vast. Deze komt op de beurs tot stand door vraag en aanbod. Een future is een aan- of verkoop met uitgestelde levering. Het verschil met een contante transactie zit dan ook vooral in de tijd die verloopt voordat de overdracht (of laatste verrekening bij cash settlement) plaatsvindt. Dit tijdselement is van belang bij de totstandkoming van de prijs van een future.
ASSETS De volgende tabel geeft een overzicht van de plichten die voortvloeien uit de aanschaf of verkoop van termijncontracten.
Actie Resultaat Termijncontract Kopen Theoretische verplichting om de onderliggende waarde te kopen: in de praktijk geen fysieke levering maar handel in prijsverschillen.
Verkopen Theoretische verplichting om de onderliggende waarde te leveren: in de praktijk geen fysieke levering maar handel in prijsverschillen. Rechten en plichten bij termijncontracten
5.5.3 Overige risico’s van derivaten
Naast alle beleggingsrisico’s die hiervoor besproken zijn, zijn er ook allerlei macro-economische risico’s te benoemen met betrekking tot derivaten. Feitelijk hangen die risico’s samen met dat waarvan de derivaten zijn afgeleid. Een derivaat is immers niet anders dan een afgeleide. Een derivaat op obligaties loopt daarmee dezelfde economische risico’s als de onderliggende waarde, hoewel meestal met een hefboom en soms contrair (putopties of futures short).
Het enige risico dat specifiek geldt voor derivaten en onafhankelijk is van de onderliggende waarden van deze derivaten, is het politieke risico. Het politieke risico dat genoemd kan worden, is een eventuele politieke keuze voor een handelsbeperking. Zo zijn er in crisistijd af en toe maatregelen genomen om sterke speculaties op faillerende overheden tegen te gaan, door een verbod te stellen op bepaalde shortposities. Daarnaast bestaat er voor bepaalde shortposities een meldingsplicht en zijn er plannen om handel in bepaalde derivaten hetzij te verbieden, hetzij te belasten. Ook dit laatste zou handel in derivaten specifiek onaantrekkelijker maken.
5.5.4 Een ander afgeleid product: turbo’s
In juni 2004 introduceerde ABN Amro de turbo. Met de introductie wilde ABN Amro de particuliere belegger de mogelijkheid bieden om met een relatief kleine investering toch kans te maken op grote winsten door een hefboomeffect. Hiervoor waren beleggers altijd aangewezen op opties. Opties zijn relatief kostbaar (aan- en verkoopkosten), niet altijd even goed verhandelbaar en hebben bovendien een beperkte houdbaarheidsdatum. Een optie heeft immers altijd een eindtijd. 135
Een turbo heeft die eindtijd in beginsel niet. Inmiddels zijn turbo’s ondergebracht bij de Royal Bank of Scotland (RBS).
Een turbo heeft een bepaalde onderliggende waarde. Dit kunnen aandelen zijn, en ook andere waarden, zoals edelmetalen, valuta, obligaties, indices of grondstoffen. Met een turbo kan gespeculeerd worden op een stijging van de onderliggende waarde (turbo long) of een daling (turbo short). In geval van een turbo long koopt de bank (in principe) de onderliggende waarde aan en verkoopt alleen een deel door aan de belegger in de vorm van de turbo long. De rest van de waarde is een rentedragende lening voor de bank. Stijgt de onderliggende waarde, dan komt de volledige stijging ten goede aan de turbo long, waardoor het rendement vele malen hoger is dan wanneer alleen de onderliggende waarde zelf zou zijn gekocht.
Voorbeeld Een belegger verwacht een stijging van het aandeel Philips. De koers van het aandeel staat op dat moment op € 20. De belegger heeft € 1.000 te besteden. Hij zou daarvoor 50 aandelen Philips kunnen kopen. Wanneer de koers stijgt tot € 22 heeft hij € 100, of wel 10 procent winst. Dezelfde belegger kan ook instappen in een turbo long Philips. Voor € 2,50 kan hij een turbo long kopen. Voor € 1.000 kan hij dus 400 turbo’s long aanschaffen. De bank koopt 400 aandelen Philips op. De belegger betaalt hiervan € 2,50 per aandeel en de rest wordt door de bank voorgeschoten (het financieringsniveau). Wanneer de koers van het aandeel Philips nu stijgt naar € 22, stijgt niet alleen de waarde van het aandeel met € 2, maar ook van de turbo. In absolute zin een identieke stijging, maar in relatieve zin een stijging van 80 procent (€ 2 van € 2,50). De belegger verkoopt zijn 400 turbo’s met een winst van € 800. De hefboom van deze turbo was 8 (8 x de stijging die het aandeel zelf doormaakt).
Bovenstaand voorbeeld is enigszins vereenvoudigd, omdat in de prijs een rentevergoeding is verdisconteerd voor het voorschieten van de aanschaf van de onderliggende waarde door de bank en een risico-opslag.
Voor dit product en andere afgeleide producten geldt dat ze alleen geschikt zijn voor beleggers met veel kennis van zaken en een (zeer) offensief tot speculatief risicoprofiel (behalve in geval van de discounter). Bij onder andere turbo’s is het zeer denkbaar dat de gehele inleg verloren gaat. De koersschommelingen van deze producten hebben grote uitslagen, als gevolg van het hefboomeffect. De belegger moet dan ook een hoge risicobereidheid hebben.
5.6 WAARDEVOLLE STOFFELIJKE ZAKEN
ASSETS
5.6.1 Edelmetalen
Deze beleggingscategorie bestaat uit goud, zilver, platina en palladium. De eenvoudigste manier van investeren in edelmetalen is de fysieke aanschaf van het edelmetaal. Het voordeel hiervan is dat de belegger er zeker van is dat het edelmetaal in bezit is. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met opslag-, verzekerings- en beveiligingskosten. Wanneer het geïnvesteerde bedrag toeneemt, nemen uiteraard ook de kosten toe.
Een edelmetaal is pas een beleggingsobject als de belegger een en ander door een derde laten uitvoeren. De aankoop, opslag, verzekering en beveiliging worden dan door een specialist gedaan. Aanbieders van beleggingsobjecten moeten een vergunning van de AFM hebben of vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht. Aanbieders van beleggingsobjecten kunnen ook vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, bijvoorbeeld als de investering meer dan € 100.000 bedraagt. In dat geval valt de aanbieder niet onder het toezicht van de AFM.
Uiteraard neem een vergunning niet de risico’s weg die een belegger met een investering loopt. Wanneer een belegger een edelmetaal in de beleggingsportefeuille wil hebben, moet de adviseur er altijd voor zorgen dat dit soort beleggingen wel aansluit bij het risicoprofiel van de klant. Er zijn verschillende alternatieven voor fysieke beleggingen in edelmetalen. Er wordt tegenwoordig ook belegd in goudmijnen of goudtrackers (ETF’s). De adviseur moet onderzoeken welke soort belegging het meest passend is per klant.
Edelmetalen worden om twee redenen onderscheiden van andere beleggingscategorieën. Ten eerste is het aanbod van edelmetalen gering. Ten tweede wordt de opbrengst bepaald door de waardestijging van het object. Doordat deze beleggingscategorie geen periodieke inkomsten oplevert zijn de vraag- en aanbodverhoudingen prijsbepalend. Verschuivingen daarin kunnen tot aanzienlijke prijsbewegingen leiden, die de categorie een instabiel karakter geven. Verder moet bij de belegging in goud rekening worden gehouden met het hoge minimumbedrag en de hoge technische kosten, zoals provisie-, verzekerings- en bewaarkosten.
5.6.2 Kunstvoorwerpen
De meeste kunst vormt geen beleggingsobject. Het criterium voor het voldoen aan het begrip beleggingsobject is afhankelijk van de markt van het object. De markt moet dusdanig liquide, omvangrijk en gereguleerd zijn dat prijsvorming op een betrouwbare wijze tot stand kan komen. 137
5.6.3 Commodities
Commodities zijn primaire grondstoffen die op vele plaatsen in de wereld voorkomen en waarin dagelijks gehandeld wordt. Voorbeelden van dergelijke grondstoffen zijn tarwe, sojaolie, koffie, cacao en suiker. Evenals bij beleggen in edelmetalen staat hier de poging te profiteren van prijsstijgingen, onder aanvaarding van het risico van grote prijsfluctuaties, voorop.
ASSETS
Vergezicht op het Spaarne en het Haarlemmermeer, Jan van Goyen, in of na 1644
6. BELEGGINGSFONDSEN
Beleggingsfondsen zijn door een financiële instelling samengestelde portefeuilles van diverse individuele beleggingsobjecten met als doel de risico’s te beperken en de rendementen te optimaliseren. Een fondsenmix kan bestaan uit liquiditeiten, obligaties, aandelen of combinaties van beleggingscategorieën.
Beleggingsfondsen zijn in de afgelopen decennia bij de opbouw van een portefeuille een steeds grotere rol gaan spelen. Steeds meer particulieren zijn gaan beleggen en doordat beleggingsfondsen de mogelijkheid bieden met een relatief klein vermogen toch een goede spreiding in de portefeuille aan te brengen, is de populariteit van deze producten sterk toegenomen. Een belegger kan uiteraard zelf een portefeuille samenstellen, om de spreiding van een beleggingsfonds te bewerkstelligen, zal het vermogen van de individuele belegger groot moeten zijn. Ook worden door gebruik te maken van beleggingsfondsen in plaats van individuele aandelen de kosten van een goed gespreide portefeuille beperkt. De opbouw van beleggingsfondsen kan verschillend zijn. Zo kunnen beleggers kiezen uit fondsen die zijn opgebouwd uit alleen aandelen, alleen obligaties, uit effecten uit een bepaalde regio, effecten uit een bepaalde bedrijfstak of effecten van een bepaald thema.
De toegenomen interesse in beleggingsfondsen is een gevolg van de voordelen die de beleggingsfondsen bieden: • risicoreductie. Beleggingsfondsen bieden de mogelijkheid beleggingsrisico’s te beperken. Een individuele belegger kan uiteraard met het te beleggen vermogen diverse aandelen kopen, maar zal niet snel de spreiding van een beleggingsfonds bereiken. • deskundigheid. Fondsen worden beheerd door professionele beheerders die vaak meer ervaring hebben met kapitaalmarkten dan particuliere beleggers. De beheerders van een beleggingsfonds kunnen goedkoper de 141
noodzakelijke kennis van de diverse markten verzamelen. Het is voor een individuele belegger praktisch onmogelijk en meestal te kostbaar om een overzicht te krijgen van de ontwikkeling van de verschillende beurzen in de wereld. • kostenbesparing. Een fonds heeft meer middelen beschikbaar dan een individuele belegger en is in staat lagere transactiekosten bij brokers te bedingen vanwege de grote opdrachten die kunnen worden gegeven. • kapitaalrestricties. Beleggingsfondsen bieden de beleggers de mogelijkheid markten te bereiken van landen waar kapitaalrestricties gelden. Een fonds kan door middel van diverse juridische constructies deze restricties omzeilen en alsnog in dergelijke landen investeren.
Als een beleggingsfonds de verplichting heeft om binnen acht maanden ná het afsluiten van het boekjaar de winst uit te keren (in de vorm van dividend), wordt dit een fiscale beleggingsinstelling (FBI) genoemd. Dit betekent dat het fonds zelf geen vennootschapsbelasting (Vpb) hoeft te betalen. Belasting wordt namelijk geheven bij de ontvanger van het dividend. De FBI houdt wel 15 procent dividendbelasting in. De belegger kan dit bedrag vervolgens in mindering brengen op zijn belastingaangifte (dit is te vergelijken met de loonbelasting die ook een voorheffing is). De meeste fondsen van de financiële instellingen die een notering hebben op Euronext (waaronder ook de Amsterdamse effectenbeurs valt), zijn FBI’s.
Een beleggingsinstelling die de status van FBI heeft aangevraagd, is vennootschapsbelastingplichtig. Vpb is een belasting die nv’s en bv’s moeten betalen over hun winst. Als een beleggingsfonds voldoet aan de voorwaarden voor de FBI, is dit beleggingsfonds weliswaar Vpb verschuldigd, maar is dit tarief gelijkgesteld aan nul procent.
Dit nul-procenttarief geldt alleen als de FBI de rente- en dividendinkomsten binnen acht maanden náhet eindigen van het boekjaar aan de aandeelhouders uitkeert. Dit wordt de ‘doorstootverplichting’ genoemd. De uitkering aan de aandeelhouders gebeurt in de vorm van dividend. FBI’s hebben niet altijd een beursnotering. De FBI moet ten minste 90 procent van haar vermogen beleggen en is dus niet te gebruiken als actieve werkmaatschappij.
Omdat deze fondsen een steeds belangrijkere plaats hebben ingenomen, noemen we hier ook de term ‘SICAV‘ (Sociétéd’Investissement àCapital Variable). Dit is een paraplufonds en onder dit overkoepelende fonds vallen meerdere beleggingsfondsen die in verschillende landen actief kunnen zijn.
6.1 BELEGGINGSFONDSEN IN AANDELEN
BELEGGINGSFONDSEN Aandelenfondsen zijn fondsen die alleen in aandelen beleggen. Binnen deze categorie kan ook een bepaalde opbouw van een fonds worden gecreëerd. Een voorbeeld hiervan zijn de geografische aandelenfondsen. Dit zijn aandelenfondsen die beleggen in aandelen uit een bepaald land, binnen een bepaalde regio (bijvoorbeeld alleen Azië) of zelfs wereldwijd. Naast de geografische fondsen zijn er ook de bedrijfstakfondsen of sectorfondsen. Bij dergelijke fondsen wordt, vaak mondiaal, onderzocht welke bedrijven binnen een bedrijfstak het best opereren. Deze bedrijven worden dan opgenomen in de portefeuille. Een voorbeeld hiervan is een informatietechnologiefonds. Ook zijn er themafondsen. Dit zijn fondsen die beleggen in bedrijven die mee kunnen profiteren van een structurele trend in de maatschappij. Verder zijn er nog de fondsen die zich richten op de grootte van de onderneming. De meeste fondsen bevatten overwegend beursgenoteerde ondernemingen, de zogenaamde large caps. Er zijn ook fondsen die alleen beleggen in kleine, vaak snel groeiende ondernemingen, de zogenaamde small caps. In het verleden is gebleken dat de meeste beleggingsfondsen niet beter presteren dan de beursindex. Hierdoor bieden de meeste financiële instellingen ook een fonds dat alle aandelen bevat uit de beursindex. Elke categorie beleggingsfondsen in aandelen kan binnen de portefeuille een bepaalde rol vervullen. Hierna wordt per categorie een korte uitleg gegeven van de samenstelling van de fondsen en de mogelijke toepassingen binnen de beleggingsportefeuille.
6.1.1 Wereldwijde fondsen
Dit zijn beleggingsfondsen die wereldwijd beleggen in aandelen. Deze fondsen bieden een goede oplossing voor startende beleggers die met een beperkt bedrag toch een goede spreiding willen aanbrengen in de portefeuille.
6.1.2 Regiofondsen
Dit zijn beleggingsfondsen die beleggen in een bepaalde geografische regio. Voorbeelden van dergelijke regio’s zijn Noord-Amerika, Zuid-Amerika (emerging market, dit is een land waarvan de economische ontwikkeling achterligt bij die van de meeste westerse landen, en die de potentie heeft een snelle economische groei door te maken), Europa en Oost-Europa (emerging market).
6.1.3 Landenfondsen
Een trend van de laatste jaren is het beleggen in landenfondsen. Landenfondsen beleggen de middelen in een bepaald land. Deze fondsen bieden de belegger de mogelijkheid binnen een bepaalde regio te kiezen voor een of meerdere landen die kansrijk worden geacht.
6.1.4 Bedrijfstakfondsen
Ook op het niveau van bedrijfstakken zijn tegenwoordig beleggingsfondsen beschikbaar. Deze fondsen bekijken wereldwijd welke bedrijven binnen een bepaalde bedrijfstak de beste groeikansen bieden. De belegger die binnen de portefeuille het accent wil leggen op een bepaalde bedrijfstak, kan door het aankopen van een dergelijk bedrijfstakfonds toch een goede spreiding bereiken in de portefeuille.
6.1.5 Themafondsen
Bepaalde beleggingsfondsen richten zich specifiek op bepaalde trends en thema’s waarvan wordt verwacht dat zij in de toekomst een belangrijke rol gaan spelen. Bij de keuze van de aandelen worden aandelen geselecteerd die van de te verwachten trends zullen profiteren.
6.1.6 Indexfondsen
Bij sommige beleggingsfondsen is ervoor gekozen te beleggen conform een beursindex. Het rendement op deze beleggingsfondsen loopt in dit geval exact parallel met dat van de index. In het verleden is gebleken dat veel beleggingsfondsen niet in staat zijn geweest de beursindex te verslaan. Indexfondsen bieden de belegger de zekerheid dat minimaal het rendement van de beursindex zal worden behaald met een goed gespreide portefeuille.
6.1.6.1 Trackers
Trackers zijn open-end beleggingsfondsen waarin alle aandelen van een bepaalde index zijn opgenomen in een identieke verhouding. Het exact volgen van de index, het zogenoemde index tracking, wordt zowel door lange termijnbeleggers als actieve beleggers toegepast. In beginsel is het ontstaan doordat beleggers individueel vaak niet de beursindex kunnen verslaan. De samenstelling van de portefeuille wordt alleen gewijzigd als de verhoudingen binnen de index veranderen. Het is daarom een relatief passieve beleggingsstrategie en vaak wordt de buy and hold-strategie door indexbeleggers toegepast. Daarnaast bieden trackers de actieve beleggers de moge144 lijkheid om korte speculatieve posities in te nemen, de zogenoemde stock
BELEGGINGSFONDSEN picking-strategie, die wel op een mogelijke outperformance van individuele aandelen rekent.
Trackers zijn voor het eerst in de Verenigde Staten geïntroduceerd in 1993. In de VS worden trackers Exchange Traded Funds genoemd. Diverse financiële instellingen geven deze ETF’s uit op alle mogelijke indices. Een voorbeeld van een Amerikaanse tracker is de SPDR (Standard & Poor’s Depositary Receipts), spreek uit als spider. Deze is gerelateerd aan de S&P500-index. Zowel op nationale, bijvoorbeeld de AEX-index, als op internationale, bijvoorbeeld de MSCI-index, en sectorgeoriënteerde indices, bijvoorbeeld FTSE Global Media, worden trackers verhandeld. Door de populariteit van dit beleggingsproduct neemt het aantal gestaag toe.
Trackers bieden de belegger uiteraard dezelfde voordelen als alle andere beleggingsfondsen. Zo wordt het beleggingsrisico gereduceerd doordat de beursindex meestal redelijk goed gediversifieerd is en daardoor een goede basis voor een te construeren beleggingsportefeuille vormt.
Verder worden diverse kosten bespaard. Als eerste kunnen de transactiekosten genoemd worden. Bij de aankoop van een tracker wordt een fonds gekocht dat de gehele index bevat, maar er wordt maar provisie betaalt voor één aandeel. Als de belegger zelf diens beleggingen spreidt door het kopen van individuele aandelen, zal voor elk aandeel transactiekosten moeten worden voldaan. Ook bij de aankoop van een buitenlandse tracker wordt bespaard op de transactiekosten omdat alleen de binnenlandse transactiekosten hoeven te worden voldaan. Ook wordt bespaard op de beheerskosten en kosten voor research. Doordat een tracker de index volgt, zijn deze kosten meestal lager bij trackers dan bij traditionele beleggingsfondsen.
Verder zijn trackers gemakkelijk te waarderen. Het koersverloop van een tracker gaat door de identieke verhouding gelijk op met dat van de onderliggende index. De waarde van een tracker komt hierdoor meestal overeen met de stand van de index of een fractie daarvan (bijvoorbeeld 1/10de of 1/100ste). Als de AEX-index op enig moment 330 noteert, dan kost de tracker op die index bijvoorbeeld € 33. Op elk moment kan dus de waarde van de tracker worden afgeleid uit de stand van de index. In dit verband moet nog het volgende worden opgemerkt. Omdat het bij trackers om een zelfstandig verhandeld beursproduct gaat, zullen de bied- en laatkoersen een rol spelen in de koersvorming. Hierdoor kan de koers in de praktijk, zowel positief als negatief, afwijken van de index. De afwijking is uiteraard tijdelijk van aard. De fondsbeheerder zal immers het verschil door te handelen wegwerken. Een andere factor voor een mogelijke koersafwijking van de tracker ten opzichte van de index is het dividend. Het dividend dat trackers uitkeren, komt ongeveer overeen met dat wat een belegger ontvangt die de onderliggende 145
aandelen stuk voor stuk in dezelfde verhouding in bezit heeft. Echter, bij trackers zal de fondsbeheerder het dividend alleen één of twee keer per jaar uitbetalen. De tot de uitkeringsdatum opgespaarde dividenden kunnen voor een koersverschil zorgen.
6.1.7 Clickfondsen
Sinds 1996 zijn clickfondsen in Nederland verkrijgbaar. Dergelijke beleggingsfondsen beleggen conform de beursindex en bieden de belegger bepaalde zekerheden. Zo krijgt de belegger bijvoorbeeld de zekerheid dat aan het einde van de looptijd een groot deel van de inleg weer wordt uitgekeerd en dat tussentijdse koerswinsten op bepaalde niveaus worden vastgeklikt. De tussentijdse koerswinst wordt daarmee voor de belegger zeker gesteld. Clickfondsen zijn vooral geschikt voor beleggers die in aandelen willen beleggen, en de risico’s van het beleggen in aandelen willen beperken.
6.1.8 Indeling naar stijl
Een manier om aandelenfondsen in te delen, is naar de manier waarop wordt belegd, de zogenoemde ‘beleggingsstijl’. We behandelen de volgende stijlen: • waarde- en groeiaandelen • multinationals (big caps) en kleine ondernemingen (small caps) • duurzaam beleggen.
6.1.8.1 Waarde- en groeiaandelen
Waardeaandelen zijn aandelen met een relatief lage waardering en een hoog dividendrendement (dividenduitkering/koers x 100 procent).
Met een relatief lage waardering wordt de lage aandelenkoers van een bedrijf bedoeld ten opzichte van de winst per aandeel die door het bedrijf wordt gerealiseerd. Met andere woorden, een bedrijf dat een lage koers-winstverhouding heeft. In veel gevallen is er sprake van een lage koers-winstverhouding, omdat er voor het bedrijf in kwestie geen sprake is van hoge groeiverwachtingen. Dit in tegenstelling tot de zogenoemde groeiaandelen. Dit zijn aandelen van bedrijven waarbij juist wel sprake is van gunstige groeivooruitzichten (hierover straks meer).
Een ander kenmerk van een lage koers-winstverhouding is een hoog dividendrendement. Omdat het in het geval van waardeaandelen gaat om bedrijven die niet sterk groeien, investeert het bedrijf geen groot deel van de winst in de ontwikkeling van nieuwe producten, doet men niet continu grote investeringen en worden er ook niet continu andere bedrijven overgenomen. Met 146 deze activiteiten is veel geld gemoeid. Geld dat dan binnen de onderneming
BELEGGINGSFONDSEN blijft en niet beschikbaar komt voor de aandeelhouder. Bij waardeaandelen blijft er juist wel een relatief groot bedrag voor de aandeelhouder beschikbaar. Dat wordt in de vorm van dividend uitgekeerd. Omdat dit dividendbedrag per aandeel relatief fors is, ontstaat een hoog dividendrendement. Het totale rendement bestaat bij waardeaandelen dus vooral uit dividend en voor een gering deel uit koersgroei. Bij groeiaandelen is dit andersom; het totale rendement wordt vooral bepaald door het koersresultaat.
Tot en met medio 2000 was er vooral belangstelling voor groeiaandelen. Waardeaandelen waren ‘uit’. Een belegger was niet meer van deze tijd zonder het grootste deel van zijn vermogen te beleggen in de sectoren IT, ICT en/of internet. Daar zat de groei. Dividendrendement viel in het niet in vergelijking met de groei van deze sectoren en daardoor ook de groei van de desbetreffende aandelen. Echter, de economische vooruitzichten in de periode 2000 tot en met 2004 waren niet zo florissant. De voorspelde winstgroei voor bedrijven werd fors neerwaarts bijgesteld.
De belangstelling voor beleggingen die direct rendement genereren, is sterk toegenomen. Hier hebben de meeste financiële instellingen inmiddels op ingespeeld door het introduceren van beleggingsfondsen die waardeaandelen kopen en daardoor een hoog dividend uitkeren. Sectoren die bekendstaan om hun hoge dividendrendement zijn vooral aandelen in de financiële en energiesector en de sector nutsbedrijven.
Bij een lage rentestand is een aandelenbelegging met een hoog dividendpercentage een aantrekkelijk alternatief. Als de kapitaalmarktrente gaat stijgen en de economie gaat aantrekken, wordt het dividendrendement minder aantrekkelijk ten opzichte van het rentepercentage. Ook zullen bedrijven bij een aantrekkende economie meer gaan investeren en deze investeringen zullen moeten leiden tot meer winst. In een dergelijk geval wordt het steeds minder interessant om in waardeaandelen te investeren, want het dividend dat wordt uitgekeerd, kan niet worden gebruikt om te investeren en het bedrijf zal minder sterk groeien. Veel beleggers zien het uitkeren van een hoog dividendbedrag dan ook als een zwaktebod, omdat het bedrijf geen alternatieve mogelijkheden met de winst heeft.
Hiervóór is de term groeiaandeel al een aantal keren de revue gepasseerd. Daarom zullen we ons beperken tot een aantal aanvullende opmerkingen.
Er wordt over groeiaandelen gesproken als de winstgroei ruim boven het gemiddelde van de aandelenmarkt ligt. Omdat de verwachtingen hoog gespannen zijn, zijn beleggers bereid hiervoor een hoge aandelenkoers te betalen. Ze verwachten dat de sterke winstgroei ervoor zal zorgen dat de koers blijft stijgen. De koers-winstverhouding is hoog. Het grootste deel van 147
de winst wordt geherinvesteerd. Het dividendrendement is laag. In tijden dat de economische vooruitzichten gunstig zijn, is de belangstelling voor groeiaandelen groot.
Het risico van een groeiaandeel is aanmerkelijk hoger dan dat van een waardeaandeel. Zodra de winstontwikkeling tegenvalt, is de hoge koers-winstverhouding niet meer gerechtvaardigd en zal de koers fors teruglopen.
6.1.8.2 ultinationals (blue chips of big caps) en
kleine ondernemingen (small caps)
Multinationals zijn bedrijven die zich onder andere kenmerken door een grote marktkapitalisatie. De marktkapitalisatie is het aantal aandelen dat op de beurs is genoteerd, vermenigvuldigd met de koers. Ze zijn genoteerd op de hoofdbeurs (AEX, Dow Jones, Nikkei 225). In het algemeen opereren ze in volwassen markten. Bekende Nederlandse multinationals zijn Royal Dutch Shell, Unilever en AKZO Nobel.
Voorbeeld Berekening marktkapitalisatie. Van bedrijf X zijn duizend aandelen op de beurs genoteerd. De koers is € 35. De marktkapitalisatie is € 35.000.
Kleine ondernemingen (small caps) daarentegen hebben een veel kleinere marktkapitalisatie. De groei van deze aandelen is gemiddeld hoger dan die van de multinationals. Door hun kleinere omvang kunnen ze vaak sneller reageren op veranderende marktomstandigheden.
6.1.8.3 Duurzaam beleggen
De laatste beleggingsstijl die wij behandelen, is de stijl waarbij naast de financiële criteria bij het selectieproces rekening wordt gehouden met niet-financiële criteria. Ook wordt gekeken hoe het bedrijf met de belangen van al zijn stakeholders (dat zijn alle partijen die zijn betrokken bij het bedrijf, zoals werknemers, leveranciers en consument) omgaat.
Duurzaam beleggen is in het begin van de jaren 80 van de 20ste eeuw ontstaan, met name vanuit charitatieve en kerkelijke instellingen. Triodos en ASN Bank waren de eerste banken met duurzame beleggingsfondsen. Vanaf circa 2000 hebben ook grote institutionele beleggers en beleggingsfondsen er belangstelling voor gekregen.
Duurzaam beleggen wordt door sommige beleggers overigens ook wel als 148 een thema gezien. De belangen van de shareholders (de aandeelhouders) blijven onverminderd belangrijk.
BELEGGINGSFONDSEN r is een uitgebreid scala aan criteria waaraan een bedrijf moet voldoen om voor aankoop in aanmerking te komen. Dit heeft onder andere te maken met de activiteiten die het bedrijf ontplooit en de wijze waarop deze worden uitgevoerd (betrokkenheid bij kinderarbeid, kernenergie en wapenhandel zijn voorbeelden van belangrijke onderwerpen).
De duurzame belegger verschaft een onderneming kapitaal in de verwachting deze som geld te vergroten. Tegelijkertijd voelt hij zich verantwoordelijk voor de gevolgen van de bedrijfsvoering met betrekking tot de gevolgen voor mens, natuur en milieu. Bij zijn investeringskeuze zal hij zich daarom niet alleen laten leiden door het mogelijk risico en rendement maar hij zal ook kijken naar de effecten op maatschappij en leefomgeving.
6.2 BELEGGINGSFONDSEN IN OBLIGATIES
Naast aandelenfondsen zijn er nog fondsen die in diverse andere beleggingsobjecten beleggen. De belangrijkste hiervan zijn de obligatiefondsen. Vroeger werd het onderscheid tussen aandelen- en obligatiefondsen vooral bepaald door de fiscale status van het beleggingsfonds. Sinds de invoering van het nieuwe belastingstelsel speelt dit fiscale aspect bijna geen rol meer.
Op obligatiefondsen zijn de risico’s van belang die ook een rol spelen bij een belegging in obligaties. Bijvoorbeeld de gekozen valuta en de rente bepalen het koersrisico van het obligatiebeleggingsfonds. Verder kan het bij een obligatiefonds van groot belang zijn wat de gemiddelde looptijd (duration of modified duration) van dit fonds is. De duration of modified duration geeft immers duidelijk aan hoe rentegevoelig een beleggingsfonds in obligaties is.
Een voorbeeld van een obligatiefonds is het zogenoemde ‘groene fonds’. Groene fondsen beleggen alleen in leningen aan groene projecten. Deze fondsen bieden beleggers een fiscaal voordeel. Het rendement bij dergelijke projecten is meestal wel lager dan het rendement op obligaties.
6.3 VASTGOEDFONDSEN
De gemiddelde belegger heeft buiten de eigen woning en/of de vakantiewoning nauwelijks mogelijkheid te beleggen in vastgoed. De bedragen die gemoeid zijn met de aankoop van een vastgoedobject zijn omvangrijk. Bovendien blijft spreiding van risico’s vaak buiten bereik. Daarvoor moet het vermogen wel heel groot zijn.
Vastgoedfondsen bieden een goed alternatief. Er wordt deelgenomen in een fonds dat in vastgoed belegd. De hoogte van deelname varieert per type vastgoedfonds, waarover later meer.
Beleggingen in vastgoedfondsen kunnen als volgt worden opgedeeld: • beleggingen in beursgenoteerde vastgoedfondsen • beleggingen in niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen.
Welke beleggingsvorm het meest geschikt is voor de belegger hangt af van de eigen situatie. Deze keuze wordt beïnvloed door risicobereidheid, deskundigheid en rendementsverwachtingen.
6.3.1 Beleggingen in beursgenoteerde vastgoedfondsen
Op de aandelenbeurzen is een groot aantal beleggingsfondsen genoteerd. Een deel van deze fondsen belegt in vastgoed. Deze vastgoedfondsen hebben in Nederland de status van FBI, wat inhoudt dat zij fiscaal transparant zijn. De fiscale behandeling van de aandeelhouder in een FBI is hetzelfde als wanneer er direct in vastgoed belegd wordt. Dit wordt bereikt door het nultarief voor de vennootschapsbelasting te hanteren met de verplichting voor het vastgoedfonds zich te gedragen als een belegger en niet als een ondernemer. Alle inkomsten van het fonds moeten na aftrek van kosten in de vorm van dividend worden uitgekeerd aan de aandeelhouders.
Vastgoedportefeuilles zijn meestal omvangrijk en belopen al snel één tot meerdere miljarden euro’s. Het vastgoed in de portefeuille mag maar met 60 procent vreemd vermogen gefinancierd worden en een individu of rechtspersoon mag maximaal 25 procent van de aandelen bezitten. Beursgenoteerde vastgoedfondsen houden veelal een maximum aan van 50 procent met betrekking tot de vreemd vermogen financiering. Dat heeft te maken met het eerdergenoemde wettelijke maximum van 60 procent. Voorzichtigheid ten aanzien van dit maximum is op zijn plaats, omdat bij overschrijding de FBI-status verloren wordt, wat inhoudt dat vennootschapsbelasting betaald moet worden. De AFM kan de vergunning intrekken. Deze zelfopgelegde voorzichtigheid alsmede de omvangrijke portefeuilles maken dat veelal tegen gunstige voorwaarden geleend kan worden.
De beursnotering van de vastgoedfondsen zorgt voor liquiditeit van de belegging. De koers van een beursgenoteerd vastgoedfonds wijkt in veel gevallen af van de onderliggende waarde van het vastgoed. Dat komt doordat de koers het resultaat is van vraag en aanbod in de aandelen van het vastgoedfonds. De koers wordt tot op zekere hoogte begrensd door de onderliggende waarde van het vastgoed. Als het aandeel te goedkoop wordt, dan bestaat er namelijk 150 de mogelijkheid tot overname van het fonds met het doel de onderliggende
BELEGGINGSFONDSEN vastgoedportefeuille goedkoop te verwerven. Als de koers duidelijk boven de intrinsieke waarde ligt dan zal het vastgoedfonds in de verleiding komen aandelen uit te geven en daarvoor nog meer vastgoed te kopen.
Ook bestaan er beursgenoteerde vastgoed dakfondsen. Deze fondsen beleggen in bestaande beursgenoteerde vastgoedfondsen, zoals hierboven genoemd, en zijn daarmee eigenlijk een soort aandelenfondsen.
6.3.2 Beleggingen in niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen
Niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen, ook wel ‘besloten vastgoedfondsen’ genoemd, worden aangeboden door een variëteit aan emissiehuizen. De fondsen hebben vaak de vorm van een maatschap of commanditaire vennootschap (cv), welke een fiscaal transparante structuur hebben, wat inhoudt dat er op het niveau van de maatschap of cv geen vennootschapsbelasting wordt geheven. Hiermee is er een duidelijke overeenkomst met de eerdergenoemde FBI. De verschillen zijn dat deze fondsen vrij zijn in de keuze van de vermogensverhoudingen en er kan ook een meer ondernemend beleid gevoerd worden.
De fiscale transparantie bestaat bij een maatschap of cv alleen als de belegging(en) wordt gedaan door een ‘vaste’ groep beleggers. Nieuwe toetreders moeten door alle zittende deelnemers worden goedgekeurd. De verhandelbaarheid van de deelname is daarmee zeer gering. Op dit punt dus een belangrijk verschil met het beursgenoteerde vastgoedfonds. De geringe verhandelbaarheid komt wel overeen met de onderliggende vastgoedmarkt en de waarde van een niet-beursgenoteerd vastgoedfonds fluctueert ook beduidend minder dan die van een beursgenoteerd vastgoedfonds.
6.3.2.1 Commanditaire vennootschap
Een commanditaire vennootschap (cv) is een samenwerking tussen een beherend vennoot en commanditaire vennoten, ook wel ‘stille vennoten’ genoemd. De beherend vennoot is verantwoordelijk voor het management van de vennootschap. De stille vennoten brengen het kapitaal in zonder zelf activiteiten te ontplooien en zijn alleen aansprakelijk voor het kapitaal dat zij hebben ingebracht. Eventuele claims die verder reiken dan het eigen vermogen van de vennootschap komen daarmee terecht bij de beherend vennoot. Onder bepaalde voorwaarden is de cv fiscaal transparant voor de commanditaire vennoten. De belangrijkste voorwaarde is dat de kring van vennoten besloten is.
6.3.2.2 Maatschap
Een maatschap is een samenwerkingsvorm. Alle rechten en plichten worden vastgelegd in een contract tussen de maten. In het geval van een vastgoedmaatschap participeren de maten vaak op basis van gelijkwaardigheid. De maten zijn aansprakelijk voor het wel en wee van de maatschap. Bij een vastgoedmaatschap worden daarom bij de financiering altijd ‘non-recourse’ hypothecaire geldleningen afgesloten, wat inhoudt dat de financier alleen verhaalsrecht heeft op het vastgoed en niet op de maten. Ook de maatschap is onder bepaalde voorwaarden fiscaal transparant, met als belangrijkste voorwaarde dat de maten een besloten kring vormen.
Een vastgoedmaatschap of vastgoed cv wordt vaak aangegaan voor een beperkte looptijd van zes tot 10 jaar. De beleggingsportefeuille bestaat meestal uit een beperkt aantal projecten, waartegen door de bank genomen 60 tot 70 procent geleend wordt.
6.3.3 Financiering vastgoedbeleggingen in vastgoedfondsen
Vastgoedfondsen gebruiken naast eigen vermogen ook vreemd vermogen om de vastgoedportefeuille mee op te bouwen. Met vreemd vermogen wordt enerzijds het rendement opgekrikt naar nog aantrekkelijker niveaus. Anderzijds kan dit rendement zo ook sneller groeien dan de inflatievoet die gebruikt wordt bij de indexering van de huurcontracten verbonden aan de vastgoedobjecten in de portefeuille. Belangrijk hierbij is dat de rente lager is dan het aanvangsrendement op een vastgoedobject (netto inkomen gedeeld door de totale verwervingskosten) anders werkt het hefboomeffect niet. Hierna zetten we kort uiteen wat de verschillen zijn tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen wat betreft financiering.
6.3.3.1 Beursgenoteerde vastgoedfondsen
Beursgenoteerde vastgoedfondsen verkrijgen hun eigen vermogen door emissies van aandelenkapitaal op de beurs. Het eenmaal verkregen kapitaal blijft in de regel in het vastgoedfonds en wordt periodiek aangevuld met nieuw eigen vermogen door emissies. Gezien het feit dat het overgrote deel van de inkomsten vanwege de FBI-status ook uitgekeerd moet worden in de vorm van dividend, heeft het vastgoedfonds weinig mogelijkheden om winst in te houden en zo de eigen vermogenspositie verder uit te bouwen. Groei van het eigen vermogen kan wel ontstaan door groei van de waarde van de portefeuille.
Belangrijk in het geval van emissies is de koers van het aandeel ten opzichte 152 van de onderliggende waarde, de Net Asset Value. Is deze koers hoger dan
BELEGGINGSFONDSEN deze waarde dan is het aantrekkelijk om eigen vermogen aan te trekken en daarmee vastgoedobjecten aan te kopen. Is de koers lager dan is het duur om eigen vermogen aan te trekken. Inkoop van eigen aandelen onder verkoop (van delen) van de vastgoedportefeuille is dan meer in het belang van de aandeelhouder.
Naast het eigen vermogen gebruikt een beursgenoteerd vastgoedfonds ook vreemd vermogen om de vastgoedportefeuille mee op te bouwen. Vreemd vermogen financiering van de portefeuille kan het eigen vermogen flink doen toenemen op het moment dat de waarde van de portefeuille stijgt. Andersom is er natuurlijk het risico van snelle krimp van het eigen vermogen als de waarde van de portefeuille daalt. Door de omvang van de vastgoedportefeuilles zijn de kosten verbonden aan vreemd vermogen financiering binnen de perken te houden. Er bestaan zelfs mogelijkheden een credit rating aan vragen. Door ratinginstituten, waarvan Moody’s en Standard & Poors de bekendste zijn, kan aan een bedrijf of instelling een rating worden toegekend. Deze kwalificatie is vooral gebaseerd op de kredietwaardigheid, solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit van de instelling. Bij de meeste instituten vindt een indeling plaats naar (hoofd)letters en cijfers.
6.3.3.2 Niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen
Vastgoedmaatschappen of vastgoed-cv’s regelen de financiering bij plaatsing van het fonds. Vaak wordt een aantal vastgoedobjecten in een portefeuille ‘klaargezet’ om als basis te dienen voor een dergelijk vastgoedfonds. De initiatiefnemer heeft dus al de beschikking over een vastgoedportefeuille op het moment dat de financiering van de vastgoedmaatschap of vastgoed-cv nog moet plaatsvinden. De initiatiefnemer ontvangt een vergoeding voor het lopen van het risico dat het vastgoedfonds niet van de grond komt.
Allereerst regelt de initiatiefnemer het vreemd vermogen voor het vastgoedfonds en schrijft vervolgens de prospectus die benodigd is om het vastgoedfonds aan de man te brengen. De uiteindelijke financiering komt rond als alle participaties in het nieuwe vastgoedfonds zijn geplaatst bij particuliere beleggers. Vaak moet een minimum aan participaties geplaatst zijn, voordat de initiatiefnemer tot oprichting van het vastgoedfonds overgaat.
Een belangrijk verschil met beursgenoteerde vastgoedfondsen is dat deze dynamisch gefinancierd zijn. Er kan constant eigen of vreemd vermogen aangetrokken worden (binnen de wettelijke kaders van de FBI). Niet-beurs genoteerde vastgoedfondsen zijn statisch gefinancierd. De verhoudingen worden bij oprichting vastgelegd en veranderen niet totdat het fonds zich weer ontbindt (meestal na zes tot 10 jaar). 153
6.4 GROENE BELEGGINGEN
Groene beleggingen zijn beleggingen in fondsen die deelnemen in projecten voor milieubescherming. Het doel en de feitelijke werkzaamheden van deze instellingen moet hoofdzakelijk bestaan uit kredietverlening aan, of (indirect) beleggen van vermogen in projecten die: • zijn aangewezen door de Minister van Infrastructuur en Milieu • in belang zijn van de milieubescherming • gelegen zijn in Nederland of een ontwikkelingsland.
Het directe rendement (couponrente of dividend) is bij deze beleggingen in de meeste gevallen lager dan bij een reguliere spaarrekening, maar door de fiscale maatregelen is het rendement veelal beter dan een risicomijdende belegging.
6.4.1 Fiscaliteit van groene beleggingen
Het fiscale voordeel bestaat uit twee componenten. Ten eerste wordt er in box 3 geen vermogensrendementsheffing berekend over een bedrag van € 26.312 (was in 2024 € 71.251) per belastingplichtige voor groene beleggingen in 2025. Voor fiscale partners is dit het dubbele bedrag.
Ten tweede hebben beleggers in groene beleggingen recht op een heffingskorting van 0,10 procent (was in 2024 0,70 procent) van de waarde van de in box 3 vrijgestelde maatschappelijke belegging aan het begin van een kalenderjaar.
Let wel: beleggen vanwege de fiscale faciliteiten is alleen interessant als het vermogen in box 3 boven het heffingsvrijvermogen uitkomt. In het ‘overzicht fondsen en beleggingen met belastingvoordeel’ op de site van de Belastingdienst staan alle fondsen die recht geven op de vrijstelling en de heffingskorting.
6.5 MIXFONDSEN
Mixfondsen richten zich niet alleen op één categorie van effecten, zij bevatten een mix van de verschillende categorieën. Meestal zijn mixfondsen opgebouwd uit aandelen, obligaties en onroerend goed. De fondsbeheerder kan uiteraard de samenstelling van een dergelijke fondsen aanpassen. Hierdoor wijzigt de verhouding van de verschillende categorieën binnen het fonds.
In feite zijn de mixfondsen een afspiegeling van de portefeuille van de gemid154 delde particuliere belegger. Beleggers die voor mixfondsen kiezen, moeten
BELEGGINGSFONDSEN onderzoeken of de samenstelling van de portefeuille overeenkomt met de eigen beleggingswensen. In de praktijk blijken veel beleggers liever voor een combinatie van een aandelenfonds en een obligatiefonds te kiezen dan voor een mixfonds, die beide vermogensobjecten bevat. Mixfondsen geven namelijk minder inzicht in het rendement van een bepaalde beleggingscategorie.
In het kader van de praktijk van de hypothecair planner is het goed om op te merken dat het beleggen in mixfondsen door middel van een beleggingsverzekering in het verleden vaak is geadviseerd. Het doel van een dergelijke verzekering was dan meestal aflossen van de hypothecaire geldlening of aanvulling op de oudedagsvoorziening. Door de ontwikkelingen en inzichten van de afgelopen jaren is het zaak dat deze adviseurs op grond van hun zorgplicht opnieuw moeten toetsen of het product nog passend is bij de situatie van de cliënt.
6.5.1 Hedgefunds
Hedgefunds zijn zelfstandige beleggingsfondsen waarvan de aandeelhouders hun totale te beleggen kapitaal enorm vergroten door geld te lenen en gebruik te maken van derivaten. Hierdoor kan met een relatief klein geïnvesteerd kapitaal grote risico’s (met als gevolg grote winsten of verliezen) genomen worden. Het resultaat van de beleggingsstrategie wordt dus versterkt vertaald naar het rendement voor de investeerders. Dit hefboomeffect wordt ‘leverage’ genoemd. Investeerders in hedgefunds (ondernemingen, banken en vermogende particulieren) leggen hun lot in handen van een kleine groep beheerders die het geld met grote autonomie volgens een bepaalde strategie in de aandelen en kapitaalmarkt beleggen.
Hedgefunds vormen geen homogene groep. Er is een grote verscheidenheid aan beleggingstechnieken en strategieën. Zij speuren naar macro-economische onevenwichtigheden teneinde in dergelijke situaties ongedekte posities in te nemen. Verder zoeken deze fondsen naar onjuist gewaardeerde beleggingsvormen, onder meer muntsoorten. Zij kunnen door hun omvang grote invloed hebben op de financiële markten.
6.6 FONDS VOOR GEMENE REKENING
Een fonds voor gemene rekening is een beleggingsinstelling die niet is opgezet als nv of bv. Het fonds geeft daarom participatiebewijzen in plaats van aandelen. De beleggers heten deelnemers of participanten van een beleggingsfonds.
Een fonds voor gemene rekening kent ook een bewaarder. Het fonds mag zelf geen gelden in bewaring nemen van de particulieren die zijn aangetrokken. Voor het bewaren van het fondsvermogen moet een andere partij, een bewaarder, ingeschakeld worden. De bewaarder heeft een vergunning als effectenkredietinstelling van de Nederlandsche Bank.
Een fonds voor gemene rekening kan ‘open’ of ‘besloten’ zijn. Open fondsen voor gemene rekening zijn belastingplichtig voor de heffing van vennootschapsbelasting, terwijl besloten fondsen voor gemene rekening onder voorwaarden fiscaal transparant zijn. Transparant wil zeggen dat het fonds niet zelfstandig belast wordt voor de behaalde voordelen, maar dat deze inkomsten rechtstreeks worden toegerekend aan en belast bij de achterliggende deelgerechtigden. Of een fonds voor gemene rekening open of besloten is, hangt uitsluitend af van de vrije verhandelbaarheid van de deelgerechtigdheid in het fonds.
6.7 OPEN-END EN CLOSED-END BELEGGINGSFONDSEN
De beurskoers van een beleggingsfonds kan op twee manieren tot stand komen. Hiervoor wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten beleggingsfondsen. De zogenaamde open-end beleggingsfondsen en de closed-end beleggingsfondsen.
6.7.1 Open-end beleggingsfonds
Een open-end beleggingsfonds is krachtens de statuten of voorwaarden verplicht te allen tijde op aanvraag nieuwe deelnemingen in de vorm van aandelen of participaties af te geven, dan wel bestaande deelnemingen terug te nemen. Dit uitgeven en terugkopen van aandelen gebeurt altijd tegen een koers die zich in de buurt beweegt van de intrinsieke waarde. De beurskoers van een aandeel in een open-end fonds zal te allen tijde in de buurt van de intrinsieke waarde bewegen. De intrinsieke waarde wordt berekend door de beurswaarde van alle beleggingen tezamen te delen door het aantal uitstaande aandelen.
Voorbeeld Erno Wiggelinckhuizen bezit 500 stuks aandelenfonds XYZ. De totale waarde van alle aandelen die het beleggingsfonds in portefeuille heeft bedraagt op dit moment € 200 miljoen euro. Er staan twee miljoen aandelen uit bij beleggers. De intrinsieke waarde per aandeel bedraagt 200 miljoen / twee miljoen = € 100. Dit betekent dat de beurskoers om en nabij € 100 ligt. Wanneer Erno zijn stukken wenst te verkopen, is aandelenfonds XYZ verplicht deze stukken terug te 156 kopen tegen een koers die in de buurt van € 100 ligt.
BELEGGINGSFONDSEN
6.7.2 Closed-end beleggingsfonds
De beurskoers van een closed-end fonds komt tot stand door vraag en aanbod. Het beleggingsfonds heeft geen plicht tot aankoop of uitgifte van aandelen wanneer de belegger dit wil. Hierdoor kan de beurskoers, die door vraag en aanbod tot stand komt, fors afwijken van de intrinsieke waarde. Wanneer de beurskoers hoger is dan de intrinsieke waarde, is het beleggingsfonds overgewaardeerd. Als de beurskoers lager is dan de intrinsieke waarde, spreekt de belegger van een ondergewaardeerd beleggingsfonds.
Voorbeeld Pieter Meijboom bezit 5.000 stuks obligatiefonds QRS. De beurskoers van één aandeel van dit obligatiefonds bedraagt € 90. De totale waarde van dit obligatiefonds is op dit moment 1 miljard euro. Er staan 10 miljoen aandelen uit. De intrinsieke waarde per aandeel bedraagt dus 1 miljard / 10 miljoen = € 100. Doordat de beurskoers maar € 90 bedraagt, zijn beleggers kennelijk niet bereid om de werkelijke waarde van het aandeel te betalen. Er is sprake van een disagio ten opzichte van de intrinsieke (werkelijke) waarde.
6.7.3 Semi-open-end beleggingsfonds
De meeste beursgenoteerde beleggingsfondsen zijn semi-open-end fondsen. Een semi-open-end fonds is een tussenvorm, waarbij bijvoorbeeld wel de verplichting bestaat aandelen terug te kopen en uit te geven, tenzij marktomstandigheden ervoor zorgen dat de terugkoopgarantie niet langer mogelijk is.
De koers van het beleggingsfonds komt tot stand door een tussenvoorraad aan te leggen en deze in een periode van afname van de voorraad (een periode met meer vraag dan aanbod) tegen intrinsieke waarde plus een bepaalde opslag (bijvoorbeeld 3%) weer af te bouwen. In perioden waarbij er meer aanbod is dan vraag wordt de voorraad aangevuld tegen intrinsieke waarde minus een afslag (bijvoorbeeld 1,5%). Op deze manier kan de spread per dag klein gehouden worden nu er immers door het fonds aan de aan- en verkoop van de aandelen met betrekking tot de tussenvoorraad geld wordt verdiend.
Voorbeeld In de tachtiger jaren stortte de kantoormarkt wereldwijd in. Het onroerendgoedfonds Rodamco van de Robeco groep was op dat moment een semi-openend fonds. Doordat aandeelhouders de aandelen massaal verkochten, had het beleggingsfonds Rodamco op een gegeven moment onvoldoende liquiditeiten om aan de terugkoopverplichting te voldoen. Het fonds kon op korte termijn aan onvoldoende liquiditeiten komen, doordat het overgrote deel van het 157
vermogen belegd was in onroerend goed. Het fonds besloot om closed-end te gaan. Statutair was er de mogelijkheid om de semi-open-end structuur te verlaten als een faillissement dreigde. Vanaf dat moment komt de beurskoers van Rodamco en de meeste andere onroerend goed beleggingsfondsen in Nederland tot stand door vraag en aanbod.
6.8 BELEGGINGSBELEID
Beleggingsfondsen worden in de regel beheerd door één of enkele fondsbeheerders. De beheerder is een beleggingsexpert die dagelijks beslissingen neemt hoe het ter beschikking staande vermogen moet worden verdeeld. Bij het nemen van deze beslissingen wordt de beheerder ondersteund door een team van beleggingsspecialisten. Deze beleggingsspecialisten doen onderzoek op het gebied van beleggingen. Een beleggingsfonds wordt meestal door middel van de top-down- of de bottom-up-strategie samengesteld.
6.9 PRESTATIEONDERZOEK
Bij beleggingsfondsen worden periodiek de beleggingsresultaten getoetst. Nadat op basis van een bepaald beleggingsbeleid een fonds is samengesteld, volgt na enige tijd (meestal elk jaar) het beleggingsprestatie-onderzoek. De beheerder moet bepalen of de portefeuille een opbrengst oplevert die verwacht mag worden op basis van het gelopen risico. Belangrijk daarbij is niet alleen de kwantiteit van het beleggings-resultaat, maar ook of het resultaat een kwestie was van toeval of goed beleid.
Performancemeting omvat dus naast het meten, ook het vergelijken en analyseren van behaalde beleggingsresultaten. Het meten heeft betrekking op het meten van het rendement en het risico. Na meting vindt vergelijking van het beleggingsresultaat met resultaten van concurrenten of een index (benchmark) plaats, om na te gaan of dit beter of slechter dan het alternatieve beleggingsfonds was. Ten slotte moet worden nagegaan wat de oorzaak is van afwijkende rendementen en risico’s. Deze laatste stap, het analyseren van het beleggingsresultaat, stelt de betrokken beheerder in staat om de portefeuille zodanig aan te passen dat de portefeuille in de toekomst beter aan de risico- en rendementsverwachtingen voldoet.
6.9.1 Het meten van de resultaten
Vaak worden de beleggingsresultaten van diverse beleggingsfondsen verge158 leken op basis van alleen het rendement. Sommige fondsen hebben een laag
BELEGGINGSFONDSEN risico, bijvoorbeeld portefeuilles die voor 100 procent bestaan uit liquiditeiten, terwijl andere portefeuilles een hoog risico hebben, bijvoorbeeld portefeuilles samengesteld uit aandelen en opties. Het is onjuist om beleggingsfondsen te vergelijken op basis van het rendement alleen, als de risico’s van de portefeuilles zeer sterk verschillen. De methode om verschillende fondsen te vergelijken is door het rendement te corrigeren voor het risico van de portefeuille. Dit kan met behulp van de Sharpe-maatstaf.
6.9.2 Sharpe-maatstaf
De Sharpe-maatstaf of Sharpe-ratio geeft het extra rendement aan dat een beleggingsfonds behaalt (ten opzicht van het risicovrije rendement) door extra risico te lopen. Het rendement van een beleggingsfonds wordt gecorrigeerd voor de risicovrije opbrengstvoet (Rf).
Hoe hoger de Sharpe-waarde, des te beter de beheerder erin is geslaagd een extra opbrengst boven de risicovrije opbrengstvoet te genereren in ruil voor het gekozen risico.
6.9.3 Vergelijken resultaten
6.9.3.1 Vergelijking met index
Het grote voordeel van beleggingsfondsen is, dat beleggers gebruik kunnen maken van de knowhow van het beleggingsfonds. Dit zou als voordeel moeten hebben, dat de beheerder van dit beleggingsfonds het beter zou moeten doen van de zogenoemde ‘benchmark’ van dit fonds. Veel beleggingsfondsen zetten de prestaties af tegen de benchmark.
De benchmark van de meeste Nederlandse beleggingsfondsen is de AEX-index. Doet een fonds het slechter dan deze benchmark, dan heeft het beleggingsfonds nauwelijks toegevoegde waarde gehad voor een belegger. De fondsen proberen dan ook een outperformance te bereiken, terwijl zij zo min mogelijk risico willen lopen op een underperformance. De afwijkingen ten opzichte van de benchmark zullen dan ook maar klein zijn.
6.9.4 Analyseren resultaten
De laatste stap bij de performancemeting is het analyseren van de resultaten. De kern van performance-analyse is uit te vinden waarom het resultaat van een beleggingsfonds beter of slechter is dan dat van de index of de concurrenten. Hieruit blijkt welke beleggingsbeslissingen succesvol waren en welke niet.
Voorbeeld Bij aandelenbeleggingsfondsen kan het rendement opgesplitst worden in een deel dat toe te schrijven is aan de landenkeuze, een deel dat toe te schrijven is aan de bedrijfstakkeuze en een deel dat toe te schrijven is aan de fondsenkeuze. Uit dergelijke berekeningen kan dus worden afgeleid waar het rendement aan te danken was. Beheerders voeren vaak een liquiditeitenbeleid. Afhankelijk van de marktvisie worden er meer of minder liquiditeiten in de portefeuille opgenomen. Ook hiervan kan worden nagegaan of de beslissingen dienaangaande hebben bijgedragen tot een betere of slechtere performance dan wanneer de beslissingen achterwege waren gelaten.
Er zijn nog vele voorbeelden te bedenken. Een waarschuwing is op zijn plaats. Rekentechnisch kan zeer veel bepaald worden, de vraag blijft of dat wat gemeten is, ook een bewuste keuze was van de fondsbeheerder. Stel dat een beheerder hoge verwachtingen had van de bedrijfstak financiële instellingen en vervolgens wereldwijd in deze bedrijfstak belegt. Achteraf blijkt dat vooral Amerikaanse financiële instellingen een zeer goede performance hebben geboekt. De performance wordt gemeten. De bijdrage van de landenkeuze en de fondsenkeuze wordt gemeten. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat de performance van dit beleggingsfonds zeer goed was doordat het fonds voor een belangrijk deel is samengesteld uit aandelen van Amerikaanse financiële instellingen. De conclusie zou dan kunnen zijn dat de beheerder uitermate bedreven is in het selecteren van landen. Deze beheerder heeft nooit een bewuste keuze gemaakt voor de Verenigde Staten, maar alleen een bewuste keuze voor financiële instellingen. Zeer belangrijk bij de performance-analyse is dan ook om dat te meten, waar ook bewust voor gekozen is in een fonds. Er zijn vele methodieken te bedenken om tot een beleggingsbeslissing te komen (landenbeleid, bedrijfstakkenbeleid, technische analyse, fondsenkeuze, themabeleid enzovoort). Van geval tot geval moet worden vastgesteld welke beleggingsbeslissingen bewust zijn gemaakt en hoe de performance van deze beleggingsbeslissing in kaart kan worden gebracht.
6.9.5 Morningstar
Morningstar kan een belangrijke rol spelen bij de eerste selectie van fondsen binnen de categorie die een belegger overweegt op te nemen in zijn portefeuille. Morningstar vergelijkt namelijk fondsrendementen met elkaar en corrigeert daarbij de resultaten voor risico en kosten. De rendementen, risico’s en kosten worden uitgedrukt in één waarde. De cijfers hebben betrekking op de resultaten in het verleden en geven geen voorspelling voor de toekomst. De beoordelingen worden elke maand opnieuw gedaan. Samen met de rating kan de belegger naar de inhoud van de portefeuille en de 160 andere gedetailleerde informatie kijken om zich een beeld te vormen van een
BELEGGINGSFONDSEN beleggingsfonds. De ratings kunnen maandelijks wisselen, omdat de performance van een fonds immers kan variëren. Via de website www.morningstar.nl is deze objectieve informatie over fondsen, waarin door Nederlandse beleggers belegd kan worden, beschikbaar.
Bij het tot stand komen van de rating zijn de volgende zaken van belang: 1. Categorieën Het type assets waarin een fonds belegt, in bepaalde aandelen- of obligatiemarkten, of in beide, is bij de categorisering het belangrijkst. Er zijn ongeveer 80 fondsen met min of meer hetzelfde beleggingsbeleid worden in één categorie ondergebracht. categorieën. 2. Kosten Alle jaarlijkse kosten van een fonds worden afgetrokken van de ongecorrigeerde performancecijfers. Daarnaast wordt rekening gehouden met de instapkosten. Voor aandelen- of gemengde fondsen wordt vijf procent aan instapkosten gerekend, tenzij de maximum instapkosten lager zijn. Voor obligatiefondsen wordt drie procent gerekend, tenzij de maximale instapkosten lager zijn. 3. Rendement gecorrigeerd voor risico Voor alle beoordeelde en getoonde fondsen, zijn historische rendementen over een periode van ten minste drie jaar gebruikt. Omdat de volatiliteit van deze rendementen geen perfecte beschrijving is van het risico van een fonds (vandaar de focus op de portefeuille), wordt zo goed mogelijk gebruikgemaakt van de beschikbare rendementsgegevens. De berekening is gebaseerd op een weergave van het nut dat een belegger ontleent aan het fondsrendement. Beleggers lopen liever geen risico. In de formule komt tot uitdrukking dat een fonds beter is naarmate de rendementen over de tijd consequenter zijn.
6.9.5.1 Gebruik sterrenrating
De sterrenrating kan één van de elementen zijn bij de screening van beleggingsfondsen. Stel bijvoorbeeld dat een belegger een fonds zoekt dat belegt in grondstofgerelateerde ondernemingen. De belegger kan dan bijvoorbeeld op de website in de Fonds Quickrank de categorie ‘Aandelen Sector Grondstoffen’ selecteren en rangschikken. Hiermee wordt het fondsenaanbod teruggebracht tot drie fondsen die in augustus 2009 een sterrenrating hebben van vier sterren of meer. Zo is een eerste selectie gemaakt van fondsen waarvan de manager in de afgelopen jaren betere prestaties wist neer te zetten dan soortgelijke beleggingsfondsen.
De belegger kan de sterrenrating ook gebruiken om de prestaties van de beleggingsfondsen in zijn portefeuille op te volgen. Als een fonds wegzakt van vijf sterren naar slechts één, is het interessant om te kijken wat dit 161
veroorzaakt heeft. Het kan zijn dat de stijl van de beheerder niet langer werkte. Het kan ook zijn dat een sterke wijziging in het aantal sterren wijst op een meer belangrijke verandering zoals veranderingen in het management of misschien belegt het fonds wel met meer risico dan voorheen.
6.9.5.2 Valkuil sterrenrating
Het ratingsysteem is niet bedoeld als aan- of verkoopsignaal. Elke maand wordt de sterrenrating herberekend waardoor een fonds regelmatig een ster meer of minder kan krijgen, afhankelijk van de prestaties ten opzichte van soortgelijke fondsen in de categorie. Bovendien is niet elk beleggingsfonds dat vijf sterren heeft een goede kandidaat voor de portefeuille van elke belegger. De belegger moet eerst naar de categorie kijken en of deze past binnen zijn totale portefeuille voordat hij aan de slag gaat met zijn verdere onderzoek naar geschikte fondsen. De sterrenrating houdt geen rekening met structurele veranderingen in het fonds (zoals een nieuwe fondsbeheerder) maar is alleen gebaseerd op de resultaten en het risico uit het verleden en daarom is verder onderzoek van groot belang. Onderwerpen voor verder onderzoek door de belegger zijn: strategie, management en kosten.
In de volgende situatie krijgt een fonds geen rating: • het fonds bestaat korter dan drie jaar. • er is zo weinig informatie beschikbaar dat het fonds niet goed kan worden ingedeeld in een categorie. • het fonds heeft zijn assetallocatie ingrijpend en blijvend veranderd, zodat de koershistorie niet meer relevant is. • er zijn te weinig soortgelijke fondsen om tot een zinvolle rating te komen.
6.10 KOSTEN VAN BELEGGINGSFONDSEN
6.10.1 Tot 2014
De diverse kosten die de beleggingsinstellingen maakten, werden tot 2014 doorberekend aan de cliënten en waren meestal ondoorzichtig. Ze werden vanuit de beleggingen betaald en hadden directe invloed op de rendementen.
De kosten van beleggingsfondsen konden gesplitst worden in eenmalige kosten en terugkerende kosten.
BELEGGINGSFONDSEN 6.10.1.1 Aan- en verkoopkosten
Wanneer een cliënt fondsen kocht of verkocht, werden kosten in rekening gebracht. Daarnaast golden er soms switchtarieven als van het ene fonds van een bepaalde aanbieder werd geswitcht naar een ander fonds.
6.10.1.2 Beheerkosten
De beheerkosten zijn kosten die gemaakt werden voor het fondsmanagement van het beleggingsfonds. Deze kosten werden aan het beleggingsfonds in rekening gebracht, dat deze weer in rekening bracht bij de belegger. Meestal waren de beheerkosten al verwerkt in het fondsresultaat, zodat deze niet apart in rekening werden gebracht bij de belegger.
6.10.1.3 Transactiekosten
Ook een fonds maakt kosten bij de aan- en verkoop van aandelen en obligaties. Soms werden die kosten verrekend met de koers waarvoor de transactie werd gesloten en kreeg het fonds er dus geen aparte rekening voor. De transactiekosten werden zelden vermeld in jaarverslagen van Nederlandse fondsen.
Voor het afnemen van de fondsen ontvingen financiële instellingen een kickback fee van de fondsen.
6.10.2 Vanaf 2014
6.10.2.1 Provisieverbod
Provisie is de vergoeding die een bemiddelaar van een aanbieder ontvangt als de bemiddelaar financiële producten van de desbetreffende aanbieder verkoopt. Vanaf 2014 geldt er een provisieverbod voor het aanbieden van, adviseren over of bemiddelen in beleggingsinstrumenten. Voor beleggingsdienstverlening moet de cliënt rechtstreeks betalen aan de bemiddelende of adviserende partij waarmee hij zaken doet.
Dat betekent dat bankinstellingen, beleggingsadviseurs en vermogensbeheerders kosten voor beleggingsadvies, vermogensbeheer of execution only direct in rekening brengen bij de klant. Vroeger betaalde de klant hen ook al voor hun diensten. Dit bedrag was toen verwerkt in de prijs van het beleggingsproduct in de vorm van provisie tussen de adviseur en de aanbieder van het beleggingsproduct.
De achtergrondgedachte van dit provisieverbod is dat de klant de kosten van de verschillende aanbieders beter kan vergelijken. Een andere reden waarom de overheid de provisiebeloning niet meer toestaat, is dat de adviseur door provisiebeloning zou kunnen worden geprikkeld het product te adviseren dat de meeste provisie oplevert, in plaats van het product dat het best past bij de klant.
6.10.2.2 Beloningsvormen
Tegenwoordig betaalt de cliënt een vast bedrag per advies. Het is ook mogelijk een variabel bedrag te betalen van een percentage van het belegde bedrag.
6.10.3 Total Expense Ratio
De Total Expense Ratio (TER) is een kostenratio en omvat de kosten die in een boekjaar ten laste van een beleggingsfonds zijn gebracht. Veruit het grootste gedeelte van de TER bestaat uit de jaarlijkse beheervergoeding. Een eventuele prestatievergoeding (ook wel performance fee genoemd), operationele kosten (voor administratie, marketing, bewaren van effecten, accountant, jurist, toezicht et cetera) maken onderdeel uit van de TER. Kosten die geen onderdeel van de TER uitmaken zijn de kosten voor beleggingstransacties die het fonds maakt en interestkosten. De TER wordt achteraf berekend, dat wil zeggen na het einde van het boekjaar. Vooraf is dus onbekend hoe hoog de TER zal zijn.
In het Nederland is het verplicht dat fondsen in de Essentiële Beleggersinformatie (EBi) de TER van het afgelopen boekjaar vermelden en een schatting voor het lopende jaar.
BELEGGINGSFONDSEN
Polderlandschap, Jan van Goyen, 1644
7. FINANCIERING VAN DE PARTICULIER
7.1 INLEIDING
In dit hoofdstuk bespreken we de financieringsaspecten van de particulier. De belangstelling voor dit onderwerp is nog steeds groot vanwege de schuldposities van particulieren, de variabiliteit van de rentevoet en de ontwikkeling van (fiscale) wet- en regelgeving.
Voor fiscale aspecten met betrekking tot de eigen woning verwijzen wij u naar de module ‘Fiscaliteit Eigen Woning’.
7.1.1 De particulier
Bezittingen Particuliere markt Schulden
Bestedingen (1) Hypotheek - woning Consumptieve kredieten - auto - et cetera
Overschot liquide middelen (2)
Vermogensmarkt - banken - et cetera
Het financiële proces
Wij beschrijven kort de financieringsbeslissing van de particulier. Particulieren hebben behoefte aan financiële middelen. Deze behoefte ontstaat doordat zij goederen willen aanschaffen (1). Wanneer de particulieren niet zelf over voldoende financiële middelen beschikken, kunnen deze middelen meestal op de vermogensmarkt worden verkregen (2). De diverse instellingen die werkzaam zijn op de vermogensmarkt ontvangen voor het verlenen van kredieten een beloning, rente.
7.1.2 Rente
Wanneer een individu geld leent, wordt met de tegenpartij een vergoeding voor het lenen overeengekomen. Dit overeengekomen percentage noemen we de nominale rente.
De effectieve rente is de rente die op jaarbasis door een individu die geld leent, wordt betaald, rekening houdend met een aantal factoren, zoals de termijn waarover de rente wordt berekend (jaar, kwartaal, maand) heeft invloed op de hoogte van het effectieve rentepercentage. De effectieve rente houdt rekening met cumulatie, met andere woorden, houdt rekening met rente over rente.
Ook wordt bij berekening van de effectieve rente rekening gehouden met het moment van betaling (in plaats van het moment van bijschrijving). Wanneer iemand een krediet heeft met een rente van 12 procent op jaarbasis, en de rente maandelijks achteraf betaalt, is er dus in maand één al één procent rente betaald. Wanneer hij aan het eind van het jaar pas betaald had, zou de debiteur nog 11 maanden rente-inkomsten genoten hebben over de betaalde rente aan het eind van maand één. Door eerder te betalen, heeft hij dus gederfde rente-inkomsten. Ook deze gederfde rente-inkomsten zijn verwerkt in de effectieve rente.
Tot slot is in de effectieve rente het aspect van eventuele meegefinancierde kosten verwerkt.
Voorbeeld Johan gaat een consumptieve lening aan van € 9.800. De advies-, administratie-, en afsluitkosten bedragen eenmalig € 200 en worden meegefinancierd. De totale lening is daardoor € 10.000. De rente bedraagt 10 procent. De betaling van de rente gebeurt jaarlijks achteraf. Hierdoor zou men kunnen veronderstellen dat de nominale rente van 10 procent gelijk is aan de effectieve rente, maar dat is niet het geval.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Door het meefinancieren van de initiële kosten, wordt ook rente betaald over die kosten, terwijl Johan dit geld nooit ontvangen heeft. Johan betaalt dus 10% x € 10.000 = € 1.000 per jaar over een eigenlijke lening van € 9.800. Dat is 1.000/9.800 = 10,204%. De effectieve rente is dus 0,204% hoger dan de nominale rente.
Voor de volledigheid merken wij op dat consumptieve kredieten niet onder het provisieverbod vallen. Voor bemiddeling bij een consumptief krediet mag de adviseur geen rekening sturen. Zie voor meer over dit onderwerp verderop in deze module.
7.2 CONSUMENTENKREDIET
7.2.1 Kredietvormen
7.2.1.1 Goederenkrediet
Bij een goederenkrediet wordt een gekocht object niet direct betaald. Een voordeel is uiteraard het gemak. De cliënt hoeft niet eerst naar de bank voor contant geld, het gewenste voorwerp kan direct gekocht worden. Een belangrijk nadeel is de hoogte van de te betalen rente.
Voorbeelden van goederenkrediet zijn: • krediet bij winkelaankopen • creditcard • postorderkrediet • huurkoop • financial lease • autofinanciering.
7.2.1.2 Rood staan (krediet op betaalrekening)
Rood staan bij een bank kan met of zonder afspraak. Rood staan zonder afspraak houdt in dat de kredietlimiet wordt overschreden. Bij het overschrijden van de kredietlimiet wordt een aanzienlijk hogere rente in rekening gebracht. Daarnaast zal de bank willen dat het tekort (overstand) zo snel mogelijk worden aangezuiverd. Als de cliënt de kredietlimiet vaker overschrijdt, is het verstandig om deze te verhogen. Daar moet dan wel ruimte voor zijn.
7.2.1.3 Doorlopend krediet
Een doorlopend krediet (DK) kent een variabele rente en een onbepaalde looptijd3. Bij deze kredietvorm wordt door de bank met de geldlener een kredietlimiet afgesproken. Wanneer de lener besluit geld op te nemen, hoeft alleen over het geleende bedrag rente te worden betaald. Per maand moet vervolgens een vast percentage, meestal twee procent, van de kredietlimiet aan rente en aflossing minimaal worden betaald. Het voordeel ten opzichte van de persoonlijke lening (PL) is de flexibiliteit. Er bestaat vrijheid in het opnemen en aflossen. Op elk moment kan geld opgenomen worden, zolang de limiet maar niet wordt overschreden. Ook mag meer worden afgelost dan het afgesproken percentage, zonder dat er een boete in rekening wordt gebracht. Wanneer een klant wisselende inkomsten heeft of niet te voorspellen uitgaven is een DK een aanrader. Ook bij kleinere leningen is deze kredietvorm voordeliger dan een PL. Nadelen van een DK ten opzichte van een PL zijn de hogere rente en het gemak waarmee geld kan worden opgenomen. De cliënt zit meestal eindeloos aan zo een lening vast. Ten slotte kunnen we de variabele rente nog als nadeel noemen. Een marktrentestijging leidt tot een toename van de kosten van de klant.
7.2.1.4 Persoonlijke lening
De persoonlijke lening (PL) kent een vaste rente en een vaste looptijd. Het geleende bedrag wordt in een aantal gelijke termijnen terug betaald. De termijnen, annuïteiten genaamd, bestaan uit een rentebestanddeel en een aflossingsbestanddeel. Het rentebestanddeel neemt gedurende de aflossingsperiode af terwijl de aflossing toeneemt. Aflossing persoonlijke lening
Rente rente + aflossing
Aflossing
tijd
Bij vervroegde aflossing van de lening wordt meestal een boete in rekening gebracht.
170 3 A rt. 1 sub f en g Wet op het consumentenkrediet.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 7.2.1.5 Effectenkrediet
Het belenen van effecten lijkt veel op het DK (effectenkrediet). Ook bij deze kredietvorm kan onbeperkt geld worden opgenomen en afgelost en wordt alleen rente betaald over het opgenomen bedrag. Een verschil is dat bij het effectenkrediet de portefeuille als onderpand dient. Als kredietlimiet geldt dan een bepaald percentage van de effecten. De effecten kunnen uitsluitend worden beleend bij de bank die de effecten beheert. Het voordeel van deze kredietvorm is dat de rente meestal lager ligt dan de rente van een persoonlijke lening of een doorlopend krediet. Doordat de kredietlimiet gekoppeld is aan de waarde van de effecten, is deze variabel. De waarde van de effecten zal immers niet altijd gelijk zijn. Het risico hiervan is dat bij een waardedaling van de effecten de kredietlimiet ook daalt. Wanneer een klant het maximale bedrag heeft geleend zal deze direct een bepaald bedrag moeten aflossen.
De kredietlimiet is per beleggingscategorie verschillend:
Beleggingscategorie Kredietlimiet in percentage beurswaarde Staatsobligaties 80 Bedrijfsobligaties 80 Aandelen 60 mits sprake van gespreide portefeuille Liquiditeiten 90 Opties 0
7.2.1.6 Belening levensverzekering
Deze kredietvorm houdt in dat de verzekeringnemer van een levensverzekering eerder kan beschikken over een deel van de waarde in de polis dan op de oorspronkelijke uitkeringsdatum. Bij de uitkering zal de lening worden afgelost, inclusief de rente over de lening. Eerder aflossen hoeft niet, en mag wel, meestal boetevrij. Niet elke levensverzekering kan worden beleend. Zo mag een lijfrenteverzekering op grond van de Wet IB 2001 niet worden beleend. Voor belening dient een cliënt een polis te bezitten die in de toekomst zeker uitkeert, dus een tijdelijke overlijdensrisicoverzekering komt evenmin in aanmerking voor belening. Ook moet de verzekeraar akkoord gaan. In sommige gevallen is de rente van deze kredietvorm lager dan de hypotheekrente, dit is een belangrijk voordeel.
Bij het advies de levensverzekering te belenen, moet de hypothecair planner onderzoeken met welk doel de verzekering is afgesloten. Als deze een aanvulling op het pensioeninkomen van de cliënt is, is het onverstandig de verzekering te belenen, of de cliënt zal de lening op tijd af moeten lossen.
7.2.1.7 Hypothecair krediet
In het verleden werd hypothecair krediet gebruikt voor consumptieve bestedingen. Zo werd bijvoorbeeld de overwaarde van de woning benut om de hypothecaire geldlening te verhogen en het beschikbare geld voor consumptieve doeleinden te gebruiken. Door de aangescherpte financiële en fiscale eisen komt dit minder vaak voor.
7.2.1.8 Passeerkrediet
In 2014 heeft de AFM een boete opgelegd aan een adviseur, omdat hij voor cliënten tijdelijk BKR geregistreerde kredieten had afgelost, waardoor het verstrekken van een hypothecair krediet mogelijk was. We noemen dit ook wel ‘passeerkredieten’. De rechtbank Rotterdam was het eens met de AFM4.
De rechtbank Rotterdam oordeelt onder meer over drie overtredingen door de tussenpersoon: 1. overtreding van de vergunningplicht5. De adviseur mag bemiddelen in krediet, omdat hij daarvoor een vergunning had, maar mag zelf geen kredieten verstrekken. Voor het verstrekken van kredieten is immers aan aparte vergunning nodig en die had hij niet. 2. overtreding van de adviesregel 6. Om vast te stellen of een geldlening verantwoord is, moet een adviseur rekening houden met alle relevante geïnventariseerde informatie, waaronder de bestaande kredieten. Dat heeft de adviseur nagelaten, want hij heeft de lasten van de door hemzelf verstrekte passeerkredieten niet meegewogen bij het berekenen van de LTI. Als hij dit wel had gedaan, had hij vastgesteld dat de gewenste geldlening te hoog was. Hierdoor ontstond een reëel risico van overkreditering bij consumenten. Daarnaast heeft de adviseur ook bewust relevante informatie weggelaten en dat is een overtreding van de adviesregel. 3. overtreding van de integriteitsregel7. De adviseur stelt dat hij feitelijk alleen in het belang van de klant heeft gehandeld. De werkelijke maandlasten werden door zijn ingreep immers telkens lager. Zijn argument was dat er niemand nadeel heeft ondervonden van zijn acties. Echter, de
4 CLI:NL:RBROT:2016:4633. E 5 A rt 2:60 Wft. 6 A rt. 4:23 Wft. 172 7 A rt. 4:11 Wft.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER rechter stelt de AFM in het gelijk, dat een financiële dienstverlener een integere uitoefening van zijn bedrijf moet waarborgen. Het handelen in strijd met regels (zoals onder de punten 1 en 2) kan het vertrouwen in de financiële markten schaden. Dat is op zich weer een overtreding van de integriteitsregel.
De rechtbank Rotterdam stelt de adviseur op alle punten in het ongelijk. De rechter geeft daarbij aan dat hij de adviseur gelooft, als hij denkt in het belang van de klant te hebben gehandeld. De adviseur stelt zelfs dat hij een maatschappelijk probleem oplost, door mensen die ‘gevangen’ zitten in (te) dure kredietsituaties, te helpen. Maar dan had de adviseur de wet juist moeten toepassen en die niet naar eigen goeddunken mogen interpreteren. In de genoemde situaties had de adviseur moeten proberen een passende maatwerkoplossing te vinden, zonder relevante informatie weg te laten.
7.2.2 Consumptief krediet
Eerder hebben wij de diverse kredietvormen voor de particuliere klant kort beschreven, terwijl de hypothecaire leningvormen later aan de orde komen. Op deze plaats is het voor de hypothecair planner van belang te onderzoeken welke kredietvorm het best bij de situatie van de klant past. Een passende lening houdt niet alleen rekening met de honderden, soms wel duizenden euro’s die kunnen worden bespaard door de juiste geldgever te kiezen, maar houdt ook rekening met de diverse aspecten die voor de unieke klant van toepassing zijn. Uiteraard is het totale plaatje van de klant van belang (denk bijvoorbeeld aan de zekerheid van een vaste baan).
Er zijn aspecten waar de hypothecair planner in dit verband in het bijzonder rekening mee moet houden: • doel/reden van de lening • grootte van het te lenen bedrag • leeftijd van de klant • klant in bezit van – levensverzekering – effecten – eigen woning • hoogte inkomen.
Doel/reden Grootte bedrag Bezit klant Kredietvorm vast groot bedrag levensverzekering belenen bedrag nodig levensverzekering eigen woning verhoging / tweede (overwaarde) hypotheek,krediethypotheek effecten voorschot effecten geen persoonlijke lening klein bedrag persoonlijke lening, (circa € 2.500) doorlopend krediet regelmatig klein afgesproken bedrag nodig rood staan, doorlopend krediet
Toelichting: • doel/reden van de lening. Wanneer een klant een groot, vast bedrag nodig heeft, is het van belang te onderzoeken wat voor goed daarmee wordt aangeschaft. Het is bijvoorbeeld onverstandig om een auto te kopen die vijf jaar meegaat en daarvoor een leenovereenkomst af te sluiten die 10 jaar loopt. Tegen de tijd dat een nieuwe auto moet worden aangeschaft loopt dan de oude lening nog. Krediet voor woningverbetering daarentegen kan wel met een langer lopend krediet worden gefinancierd. • grootte van het bedrag. Bij een hypothecair krediet bijvoorbeeld, moeten de bijkomende kosten, die meestal relatief hoog zijn, goedgemaakt worden. Deze kredietvorm is daardoor vooral interessant als het om hogere bedragen gaat (circa € 12.500) en de looptijd van de lening lang is (langer dan vijf jaar). De hypothecaire geldlening wordt dan ondanks de hogere kosten voordeliger. • leeftijd van de klant. Hoe ouder deze is, des te moeilijker wordt het voor hem om geld te lenen. Ten aanzien van het DK kan worden opgemerkt dat dit meestal náde 60ste verjaardag afgebouwd moet worden. Voor 60-plussers geldt dezelfde volgorde van kredietvormen als voor jongere klanten. Het eerst komt het belenen van de levensverzekering in aanmerking. Voor ouderen met een eigen woning met voldoende overwaarde is de krediethypotheek interessant. Deze groep heeft immers reeds een groot deel van de hypotheek afgelost. Zonder eigen woning moet onderzocht worden of de klant effecten bezit die beleend kunnen worden. Als dat niet het geval is, blijft alleen de PL over, die duurder is dan de voornoemde oplossingen.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER
7.2.3 Fiscale aspecten consumptief krediet
Rente betaald voor leningen die door de klant zijn afgesloten ten behoeve van consumptieve bestedingen is met ingang van 1 januari 2001 niet meer aftrekbaar. Ook al is de onderliggende zekerheid voor de lening de eigen woning, dan nog is rente niet aftrekbaar. Voor de beoordeling van het al dan niet aftrekbaar zijn van rente is het doel van de lening het criterium. Leningen die worden aangewend voor consumptieve doeleinden worden in box 3 als schulden in aanmerking genomen. Hierbij moet u in 2025 wel rekening houden met een drempel van € 3.800 per persoon (€ 7.600 voor fiscale partners).
7.2.4 Beloningssystematiek consumptief krediet
Voor het afsluiten van een persoonlijke lening of een doorlopend krediet mag de adviseur geen rekening sturen8. De adviseur wordt betaald door de aanbieder van het consumentenkrediet. Evenmin mogen administratie- of voorrijkosten bij de klant in rekening worden gebracht. Wanneer naast het consumentenkrediet een verzekering wordt afgesloten, mogen wel kosten in rekening worden gebracht. Hiervoor gelden de ‘normale’ regels voor beloning voor advies.
Als een adviseur niet bemiddelt in consumentenkredieten, met andere woorden: hij heeft geen aanstelling bij een kredietverstrekker, dan mag het advies dat wordt gegeven wel in rekening gebracht worden bij de cliënt. Het advies behelst dan: of de klant een lening nodig heeft en welke leningsoort bij de klant past.
7.3 WETTELIJKE ZORGPLICHTASPECTEN CONSUMENTENKREDIET
Voor de wet (Wft en BGfo) is een consumptief krediet (maximaal € 1.000) weliswaar niet complex, maar wel impactvol. Dat betekent dat er ook voor een consumentenkrediet goed moet worden geïnventariseerd, geanalyseerd om daaruit een passend advies te kunnen laten volgen. De passendheid wordt enerzijds bepaald door de keuze van het soort krediet dat wordt geadviseerd. De verschillende vormen behandelden wij eerder, net als de doelgroep bij wie zij het beste aansluiten. Daarbij mag een klant altijd een andere keuze maken dan het advies, maar is het voor de adviseur van belang het advies zelf en de eventuele afwijking daarvan goed vast te leggen.
8 A rt. 153 BGfo Wft. 175
Niet alleen de productkeuze is leidend voor de passendheid, ook de verantwoordheid van de lening is een belangrijk aspect. Of een consumptief krediet (CK) verantwoord is, hangt af van het risico dat de klant loopt de lening niet terug te kunnen betalen. Om deze betaalbaarheid vast te kunnen stellen, wordt voor consumptieve kredieten een heel andere berekeningsmethodiek toegepast dan voor hypothecaire kredieten. Het uitgangspunt is namelijk de netto besteedbare ruimte die iemand na de vaste lasten overhoudt voor kredietlasten. Daarbij wordt rekening gehouden met de gezinssamenstelling van de klant.
Om de norm voor consumptieve financieringen voor iedereen gelijk te trekken, hebben de NVB (Nederlandse Vereniging van Banken) en de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) een gedragscode ontwikkeld (de Vfn Gedragscode). Deze gedragscode geeft invulling aan art. 4:34 Wft, waarin staat dat een aanbieder van krediet regels moet hebben ter voorkoming van overkreditering. Vrijwel alle in Nederland opererende aanbieders van krediet hebben deze gedragscode ondertekend. De AFM heeft deze normen beoordeeld en acht ze passend om overkreditering te voorkomen. Wanneer een geldgever de gedragscode niet heeft ondertekend, zal deze zelf normen moeten hebben ontwikkeld, waarvan ze kan aantonen dat deze overkreditering voorkomen. In de praktijk gebeurt dit wel bij financieringen met een bepaald doel, zoals een autofinanciering, waarbij de autodealer bepaalde financieringsnormen hanteert die afwijken van de Vfn-Gedragscode. Zie voor de gedragscode vanaf 19 november 2024 Bijlage 2 van deze module.
De Vfn-Gedragscode schrijft voor dat bij kredietverlening de basisnorm voor levensonderhoud moet worden gehanteerd zoals die door de Vfn is vastgesteld. Bij het opstellen van de basisnorm wordt de Vfn (en de NVB) geadviseerd door het Nibud. Het hanteren van de voorgeschreven normen moet overkreditering van de consument voorkomen.
Op 19 november 2024 is een nieuwe gedragscode CK ingegaan. De wijzigingen ten opzichte van de oude gedragscode CK, die gold van 4 september 2023 tot 19 november 2024, betreffen de volgende drie categorieën: opbouw en schrijfstijl, indexaties bedragen en percentages en inhoudelijke aanpassingen.
• Opbouw en schrijfstijl: aan de nieuwe gedragscode CK zijn 10 pagina’s toegevoegd. De inhoudsopgave is duidelijker en logischer opgebouwd in meerdere hoofdstukken. Daarnaast heeft men sommige definities toegevoegd of verduidelijkt. • Indexaties: de basis van de berekening van de maximale leencapaciteit 176 blijft grotendeels onveranderd: basisnorm, maximale leennorm, diverse
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER surplussen en overige getalsmatige factoren, afhankelijk van de gezinssamenstelling. Alle bedragen zijn op advies van Nibud geïndexeerd naar de stand van zaken van 2024. De indexatie kan positief of negatief uitwerken op de leencapaciteit. Alle nieuwe bedragen en percentages zijn te vinden in Bijlage 2 van deze module. • Inhoudelijke aanpassingen: extra uitleg ‘betaalbaarheid’, extra leencapaciteit voor PL voor verduurzaming en aanscherping slottermijn.
Hoewel u waarschijnlijk voornamelijk adviseert over hypothecaire kredieten, zijn er situaties waarin een consumptief krediet een beter alternatief kan zijn. Bijvoorbeeld wanneer de bijkomende kosten van een hypothecair krediet, zoals advies-, notariskosten en taxatiekosten, de voordelen van de lagere rente niet opwegen.
Bij verbouwingen is dit vaak het geval, vooral nu steeds meer huiseigenaren hun woningen verduurzamen. In een dergelijke situatie kan een CK aantrekkelijker zijn, zeker omdat de leennorm voor verduurzamingsleningen vaak gunstiger is.
7.4 WONINGFINANCIERING
Om een eigen woning te kunnen kopen, moet de koper over de daarvoor benodigde middelen beschikken waarmee de aankoop wordt gefinancierd. In dit deel van de module staat de financiering van de eigen woning centraal. We bespreken de kosten bij aan- en verkoop en ook de diverse hypotheek- en kapitaalverzekeringsvormen komen aan bod. Ten slotte bekijken wij ook de subsidiëring van het eigenwoningbezit.
7.4.1 Markt voor hypothecaire geldleningen
Soms wordt de eigen woning voor een deel uit eigen middelen betaald. Meestal moet het grootste deel worden gefinancierd. Voor de financiering van de eigen woning wordt meestal een geldlening afgesloten op de kapitaalmarkt. De belangrijkste aanbieders op de markt voor hypothecaire geldleningen zijn: • algemene banken • coöperatieve banken • hypotheekbanken • bouwfondsen • verzekeringmaatschappijen • spaarkassen • pensioenfondsen • spaarbanken 177 • investeringsmaatschappijen.
Aan de vraagzijde bevinden zich wat de woninghypotheken betreft de particulieren. Deze particulieren zijn in drie categorieën te verdelen: • kopers van een eerste eigen woning ofwel de ‘starters’ op de woningmarkt. Binnen deze categorie is van belang voor de leningsvoorwaarden of er overheidssubsidie en/of Nationale Hypotheek Garantie (NHG) verstrekt wordt. • kopers die al een eigen woning bezitten ofwel de ‘doorstromers’ op de woningmarkt. • particuliere bezitters van een eigen woning die hun hypothecaire geldlening om bepaalde redenen willen ‘oversluiten’. De redenen voor het oversluiten van de hypothecaire geldlening zijn verschillend. Verandering van hypotheekverstrekker, verhoging van het bedrag van de hypotheeksom, hypothecaire geldlening afsluiten voor de verbetering van de eigen woning en wijziging van de hypothecaire leningvorm.
7.4.2 Distributie van hypothecaire geldleningen
Hypothecaire geldleningen worden via twee distributiekanalen direct verspreid over de markt. Het kan rechtstreeks door de geldgever. Een belangrijke aanbieder van hypothecaire geldleningen zijn de banken. Door het uitgebreide kantorennet van de banken worden de hypotheekgevers op een geschikte wijze benaderd. Omdat bij het afsluiten van hypothecaire geldleningen veel persoonlijk advieswerk nodig is, worden de cliënten door de bankkantoren bediend. Een minder vaak voorkomende aanbieder vormt de groep van de directe aanbieders, de zogenoemde ‘direct writers’. Het marktaandeel van de directe aanbieders in de hypotheekmarkt is beperkt. Indirecte verspreiding van hypothecaire geldleningen vindt plaats door bemiddelaars en tussenpersonen.
Er zijn vier categorieën bemiddelaars te onderscheiden: • makelaars onroerend goed • assurantietussenpersonen • onafhankelijke tussenpersonen • regiepartijen.
7.4.2.1 Makelaars onroerend goed
De makelaars zijn door het bemiddelen bij koop en verkoop van onroerende goederen ook betrokken bij de financiering van de onroerende goederen. Twee ontwikkelingen hebben geleid tot een grotere betrokkenheid van de makelaar bij die financiering:
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER • eerste ontwikkeling is het zich specialiseren op financieel terrein door het aantrekken van onder andere specialisten met een uitgebreide hypotheekkennis; ook kunnen met behulp van daartoe ontwikkelde softwarepakketten hypotheekberekeningen uitgevoerd worden. • tweede ontwikkeling is dat de financiële instellingen zonder eigen distributiekanalen, zoals de pensioenfondsen, de hypotheekbanken en de verzekeringsmaatschappijen zich steeds meer zijn gaan richten op de makelaars om hun hypothecaire geldleningen aan de man te brengen.
7.4.2.2 Assurantietussenpersonen
Assurantietussenpersonen bemiddelen zowel in schade- en levensverzekeringen als in hypothecaire kredieten.
7.4.2.3 Onafhankelijke tussenpersonen
De onafhankelijke tussenpersonen presenteren zich als de onafhankelijke en objectieve hypotheekspecialisten. Zij bieden de diensten aan om voor de individuele cliënt de beste hypothecaire geldlening te kiezen. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen het geven van een (hypotheek)advies en de bemiddeling bij de benodigde producten.
7.4.2.4 Regiepartijen
Regiepartijen spelen een steeds grotere rol in het hypotheekadvieslandschap. Het zijn bedrijven die optreden als tussenpersoon tussen de hypothecair planner en de geldverstrekker. Ze helpen bij het bemiddelen van hypothecaire geldleningen en kunnen administratieve taken overnemen. Voordelen van regiepartijen bij hypothecaire planning kunnen zijn: • efficiëntie en tijdbesparing: regiepartijen kunnen administratieve en operationele taken overnemen, zoals het indienen van aanvragen bij geldverstrekkers, het verzamelen van documentatie en het opvolgen van aanvragen. Dit stelt de adviseur in staat zich meer te richten op het adviseurstraject en klantcontact. • toegang tot een breder aanbod van geldverstrekkers: regiepartijen hebben vaak contracten met meerdere geldverstrekkers en kunnen snel meerdere hypotheekopties vergelijken, wat het voor adviseurs makkelijker maakt om klanten snel passende hypothecaire geldleningen aan te bieden. • Kostenbesparing: omdat regiepartijen veel processen centraal regelen, kunnen ze vaak tegen lagere kosten opereren. Dit kan resulteren in lagere kosten voor de adviseur, wat mogelijk door kan worden gegeven aan de klant.
• verhoogde snelheid van proces: omdat regiepartijen vaak de nodige contacten en systemen hebben om aanvragen snel door te voeren, kan de tijd tussen de aanvraag en de goedkeuring van de hypotheek aanzienlijk verkorten. • risicobeheersing en compliance: regiepartijen kunnen helpen bij het waarborgen van compliance met wet- en regelgeving, zoals de Wft en AVG. Ze hebben vaak interne controlesystemen die helpen bij het naleven van deze regels, wat de adviseur kan ontlasten.
Nadelen van regiepartijen bij hypothecaire planning kunnen zijn: • afhankelijkheid: door te vertrouwen op een regiepartij is de adviseur afhankelijk van hun systemen en processen. Als er zich problemen voordoen (bijvoorbeeld technische storingen of vertragingen), kan dit het eigen werk van de adviseur vertragen. • beperkte controle over het proces: omdat de regiepartij veel van de administratieve taken overneemt, heeft de adviseur minder zicht op de voortgang van het dossier. Dit kan frustrerend zijn als er issues optreden of als er snel informatie nodig is. • verlies van persoonlijke klantrelatie: het gebruik van een regiepartij kan betekenen dat de directe interactie met de klant minder wordt. Dit kan invloed hebben op de klantbeleving en de mate van persoonlijke betrokkenheid bij het adviestraject. • kostenstructuur: regiepartijen rekenen vaak kosten voor hun dienstverlening, wat de marge voor de adviseur kan verkleinen. Dit kan soms ten koste gaan van de uiteindelijke vergoeding die de adviseur ontvangt voor zijn werk. • beperkte keuzevrijheid: sommige regiepartijen werken alleen samen met een geselecteerd aantal geldverstrekkers. Dit kan de keuzevrijheid van de adviseur beperken als een klant specifieke wensen heeft of als de adviseur een hypothecaire geldlening van een andere verstrekker wilt aanbieden. • minder flexibiliteit in advies: omdat regiepartijen vaak gestandaardiseerde processen hanteren, kan het zijn dat er minder ruimte is voor maatwerk in bepaalde situaties. Dit kan vooral lastig zijn bij complexere hypotheekaanvragen.
7.4.2.5 Familielening
Welbeschouwd kunnen we ‘familie’ sinds enkele jaren ook als een distributiekanaal beschouwen. De familielening komt regelmatig voor in de praktijk van de hypothecair planner. Om de familielening als een EWS te kunnen behandelen, moet de familielening voldoen aan de regels van de Wet herziening fiscale behandeling eigen 180 woning. Het verschil met een ‘gewone’ EWS is dat het geld voor de aankoop
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER van de eigen woning (gedeeltelijk) geleend wordt bij familie in plaats van bij een reguliere geldverstrekker. Dit mag met een onderhandse akte en hoeft niet per se bij de notaris. De rente die in rekening wordt gebracht, moet een zogenoemde ‘zakelijke rente’ zijn. De zakelijke reden voor een hogere rente kan zijn dat de geldlening is verstrekt zonder hypothecaire zekerheid en dat daarmee het risico hoger wordt voor de geldgever met het oog op het terugontvangen van het geleende geld. Een hogere rente is in dit geval overigens positief. De rente is immers voor de geldnemer aftrekbaar en voor de geldgever rendement in box 3.
Een voordeel van een familielening is de mogelijkheid van maatwerk. De geldnemer en de geldverstrekker kennen elkaar en kunnen specifieke afspraken maken die met een reguliere geldverstrekker niet te maken zijn. Een nadeel is dat geldnemer en geldverstrekker zelf de familielening tot stand moeten brengen en beheren terwijl zij misschien nauwelijks tot geen kennis van zaken hebben op het vakgebied van hypothecaire planning.
Voor de familielening gelden wat bijzondere aandachtspunten op fiscaal en juridisch gebied. Deze behandelen wij hierna.
De fiscale regels voor de EWS in de vorm van een familielening zijn hetzelfde als die voor een EWS bij een reguliere geldverstrekker. Sinds 1 januari 2013 geldt de aflossingseis van ten minste een annuït air schema in maximaal 360 maanden ook voor nieuwe familieleningen. Daarnaast moet de geldnemer zelf de wettelijk voorgeschreven gegevens en inlichtingen over de constructie aan de Belastingdienst verstrekken om recht te hebben op renteaftrek. We noemen dit de ‘renseigneringsplicht’. Vóór 1 januari 2016 gebeurde dit via de website van de Belastingdienst met een speciaal hiervoor beschikbaar gesteld digitaal formulier. Vanaf januari 2016 gebeurt dit in de jaarlijkse aangifte voor de inkomstenbelasting. De gevolgen van het niet voldoen aan de renseigneringsplicht kan zijn dat de rente niet langer aftrekbaar is.
Familieleningen, die vóór 2013 al bestonden, behoeven niet te worden gemeld aan de Belastingdienst. Als de familielening pas in 2013 is aangegaan en dient ter financiering van een in 2012 aangekochte eigen woning is er evenmin een verplichting tot renseignering. Een bestaande EWS kan worden overgesloten naar een familielening. In dat geval is er evenmin sprake van verplichte renseignering.
Als de familielening gecombineerd wordt met het benutten van de jaarlijkse schenkingsvrijstelling tussen ouders en kinderen (€ 6.713 in 2025), dan is het voor de aftrekbaarheid van de hypotheekrente belangrijk, dat het kind het rentebedrag daadwerkelijk aan de ouder betaalt. Kwijtschelden van de 181
rente door de ouders leidt tot een box-3-schuld voor het kind. Een eventuele schenking die het kind van de ouder ontvangt, moet dus vanuit fiscaal oogpunt helemaal losstaan van de rentebetaling.
Voor het familielid dat de familielening verstrekt, geldt deze geldlening als een vordering. De waarde van de vordering valt voor deze persoon in box 3.
Voorbeeld Thierry en Hilde stellen onderhands € 200.000 ter beschikking aan hun dochter Judy (25) voor de aankoop van haar eerste eigen woning. Zij spreken een rentepercentage van anderhalf procent af.
Judy kan de rente tegen een IB-tarief van 35,82 procent aftrekken. Zij is aan brutorente 1,5% x € 200.000 = € 3.000 verschuldigd.
De WOZ-waarde van Judy’s woning is € 200.000. Haar eigenwoningforfait is dan 0,35 procent x € 200.000 = € 700. Judy kan € 2.300 in mindering brengen op haar belastbaar inkomen in box 1.
Netto betaalt Judy (€ 700 x 35,82% =) € 250,74 + (€ 3.000 x 64,18% =) € 1.925,40 = € 2.176,14.
Thierry en Hilde kunnen nu overwegen om de schenkingsvrijstelling van € 6.713 te benutten, waardoor Judy een nettolast heeft van € 2.176,14 -/- € 6.713 = € 0.
Wanneer de familielening kwalificeert als EWS, zullen bij overlijden van de geldnemer of geldgever goede afspraken moeten worden gemaakt. Bij het overlijden van de geldnemer zal de schuld feitelijk moeten worden ingelost. Als dit niet gebeurt, kan er sprake zijn van een schenking aan de geldnemer. De vordering valt dan feitelijk in de nalatenschap en dat heeft fiscale consequenties. Over de vordering moet dan erfbelasting worden betaald.
Voorbeeld Moeder Marieke is 75 jaar oud en heeft haar dochter Fréderique € 300.000 geleend voor de financiering van haar eigen woning. De waarde van de woning is ook € 300.000.
Marieke en Fréderique hebben geen verdere familie en Fréderique heeft alleen de woning als bezitting en de geldlening van haar moeder als schuld. Beide dames waren erg blij dat zij dit voor elkaar konden betekenen en hebben verder niets afgesproken naast het bedrag, een rentevergoeding van twee procent en de looptijd van 20 jaar.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Fréderique komt door een noodlottig ongeval om het leven. Door haar overlijden valt de schuld aan haar moeder Marieke in haar nalatenschap en moeder Marieke is de wettelijk erfgenaam van Fréderique. In dit geval zou een oplossing zijn geweest als Marieke op het leven van Fréderique een overlijdensrisicoverzekering van € 300.000 had afgesloten, waarbij Marieke de verzekeringnemer, premiebetaler en begunstigde zou zijn.
Als de geldgever van een familielening overlijdt, ziet de situatie er als volgt uit. De vordering op het kind (de geldnemer) valt in de nalatenschap van de geldgever. Zonder testament is het wettelijk erfrecht van toepassing. De vordering valt dan dus in de wettelijke verdeling.
Voorbeeld Moeder Marieke overlijdt op haar 80ste. Haar hele vermogen bestaat uit de familielening aan Fréderique.
Door het overlijden van haar moeder, erft Fréderique een bedrag gelijk aan haar eigen EWS van € 300.000. Hierdoor wordt deze geacht te zijn ingelost met € 300.000.
Over de nalatenschap van haar moeder moet Fréderique erfbelasting betalen. De met erfbelasting belaste verkrijging van Fréderique bedraagt € 300.000 en hierover is zij in 2025 € 39.481 erfbelasting verschuldigd.
Daarnaast ontstaat een fiscaal probleem voor de geldnemer. Door de vererving van zijn EWS wordt deze immers geacht ingelost te zijn. Dit betekent dat de geldnemer feitelijk geen EWS meer heeft.
In het geval er twee erfgenamen zijn en er meer vermogen wordt nagelaten, wordt de situatie weer anders. Dan kan een testament met bijvoorbeeld een keuzelegaat aan te bevelen zijn. De familielening kan in dat geval aan een andere erfgenaam dan de geldnemer worden gelegateerd. Met een keuzelegaat hebben erfgenamen de mogelijkheid om te kiezen voor een fiscaal gunstige verdeling van de nalatenschap.
Naast de fiscale aspecten spelen uiteraard emotionele aspecten ook een niet te onderschatten rol.
Voorbeeld Theo overlijdt als hij 75 jaar oud is. Hij laat zijn zoon Willem en dochter Trees als zijn erfgenamen achter. Theo heeft Willem een geldlening van € 150.000 verstrekt voor de aankoop van diens eigen woning. De waarde van de woning van Willem is ook € 150.000. Theo heeft ook nog een effectenportefeuille van € 90.000 en een stuk bosgrond van € 60.000. 183
Theo heeft zich laten bijstaan door een hypothecair planner en deze heeft hem doorverwezen naar een notaris om een testament op te laten stellen. In het testament is een keuzelegaat opgenomen. Nu Theo is overleden, kan via het keuzelegaat de geldlening van Willem worden toebedeeld aan Trees. Willem ontvangt uit de nalatenschap de effectenportefeuille en de bosgrond. Op deze manier blijft de geldlening voor Willem een EWS.
Hoofdelijk ontslag van één van de geldleners hoeft niet het einde te betekenen van de (hypothecaire) geldlening, een oplossing kan zijn het uitkopen van één van de geldleners. In de praktijk betekent hoofdelijk ontslag vaak wel het einde van de familielening in het geval de uitlener familie is van de partner die ontslagen wordt van de geldlening. In dat geval kan het verzoek tot beëindigen komen van de geldlener die ontslagen wordt, of van de uitlener van de geldsom. De vraag is dan ook of een familielening de situatie op slot zet in het geval het hoofdelijk ontslag onmogelijk is. De keuze is dan onder andere om de woning te verkopen. En de vraag is of dat wenselijk is.
Een familielening is geen financieel product in de zin van de Wft omdat de geldverstrekkers geen professionele partijen zijn die vanuit hun beroep een financieel product adviseren. Een familielening valt om deze reden buiten het toezicht van de AFM en DNB.
De Belastingdienst publiceerde in 2020, een handreiking (Bijlage 4), die duidelijkheid geeft over het beleid ten aanzien van de beoordeling van de zakelijkheid van de afgesproken rentevergoeding. De handreiking werd in 2021 openbaar en geldt sinds die tijd.
7.4.3 Aan- en verkoopkosten eigen woning
7.4.3.1 Kosten bij aankoop
Wanneer een woning wordt gekocht, is de koper naast de met de verkoper overeengekomen koopprijs voor de onroerende zaak, nog een aantal kosten verschuldigd. Deze kosten zijn veelal gerelateerd aan de koopsom. Er wordt dan wel van ‘kosten koper’ gesproken. Wordt een woning ‘vrij op naam’ gekocht, dan wordt de overeengekomen koopsom niet vermeerderd met kosten voor de overdrachtsakte, omzetbelasting en kadastraal recht. Deze kosten zijn reeds verdisconteerd in de koopsom.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Aankoopkosten zijn: • makelaarscourtage: deze is verschuldigd in de situatie dat de koper bij aankoop gebruikmaakt van de diensten van een makelaar. De hoogte van dit bedrag varieert per makelaar en per aankoop (afhankelijk van de hoogte van de koopsom). • veilingkosten: als men een woning koopt op een veiling zijn aan deze vorm van kopen kosten verbonden die aan de veiling moeten worden voldaan. • notariskosten: aan de notaris zijn kosten voor de akte van overdracht verschuldigd. Daarnaast brengt de notaris kadastraal recht in rekening. Beide bedragen zijn belast met het hoge btw-tarief. • overdrachtsbelasting: twee procent voor de woning waarin de koper zélf voor langere tijd gaat wonen en waarvoor de startersvrijstelling niet geldt en acht procent voor alle andere onroerende zaken, zoals vakantiewoningen, bedrijfspanden en bijvoorbeeld een garage bij het huis die pas ná de woning wordt gekocht (dit tarief was 10,4 procent van 2023 tot en met 2025). Als de koper voldoet aan de volgende drie voorwaarden, heeft hij recht op de startersvrijstelling: • koop van de eigen woning vindt plaats vanaf 1 januari 2021 en • koper is op het moment van aankoop van de eigen woning minstens 18 jaar en jonger dan 35 jaar en • koper van de eigen woning heeft nog niet eerder de startersvrijstelling benut en • koopprijs woning is maximaal € 555.000 (2025: € 525.000). • omzetbelasting: bij een nieuwe woning wordt geen overdrachtsbelasting geheven. Wel is omzetbelasting volgens het hoge tarief (21 procent) verschuldigd over de bouwsom. De omzetbelasting is meestal al verdisconteerd in de overeengekomen koopsom. Tot 30 juni 2025 is er een tijdelijke verlaging van het btw-tarief voor nieuwbouwwoningen naar zes procent.
Bij de notariële overdracht zullen naast deze kosten ook tegelijkertijd te verrekenen zakelijke lasten, erfpachtcanon, rioolrechten alsmede eventuele financieringskosten (zie hierna) moeten worden voldaan.
Kosten, die betrekking hebben op de aankoop van de eigen woning zijn voor de inkomstenbelasting niet aftrekbaar, doordat dit kosten zijn, gemaakt om de eigen woning te verkrijgen.
7.4.3.2 Kosten bij verkoop
De kosten bij verkoop van een woning zijn in vergelijking tot de aankoopkosten ‘beperkt’ te noemen. Het is vooral de kopende partij die de kosten van de transactie moet betalen. Een belasting bij verkoop naar analogie van de overdrachtsbelasting wordt niet geheven. Verkoopkosten zijn in principe beperkt tot makelaarscourtage als men een makelaar inschakelt bij de verkoop.
7.4.4 Financieringskosten
Voor de fiscale behandeling van de financieringskosten verwijzen wij u naar de module ‘Fiscaliteit Eigen Woning’.
7.4.5 Hypothecaire leningvormen
Wij beginnen met de opmerking dat wat wij hier ‘hypothecaire leningvormen’ noemen, in de volksmond meestal ‘hypotheekvormen’ genoemd worden. Feitelijk is dat laatste incorrect, omdat de hypotheekvorm de wijze van inschrijving bij de notaris betekent.
Wij houden wel vast aan de namen die instellingen geven aan de verschillende hypothecaire leningvormen, zoals een annuïteitenhypotheek of lineaire hypotheek. Dit zijn immers soortnamen, die geen juridische betekenis hebben. Ter financiering van de aankoop van de eigen woning kan de koper kiezen uit een aantal vormen met steeds de woning als zekerheid voor de geldgever.
In het verleden verlangde de geldgever bij alle leningvormen dat er een overlijdensrisicoverzekering (orv) werd afgesloten op het leven van de geldnemer, als de lening hoger was dan een bepaald deel van de waarde van de woning (bijvoorbeeld 80 procent). Bij voortijdig overlijden van de geldnemer kan dan met de verzekeringsuitkering de hoofdsom of het nog af te lossen deel daarvan worden afgelost. Hiermee voorkwam de geldverstrekker dat in geval van verkoop de waarde lager was dan de uitstaande schuld. Vanaf 2018 wordt een orv vaak niet meer verplicht gesteld door geldverstrekkers. Het is dan aan de hypothecair planner om met de geldnemer(s) goed door te nemen wat de financiële positie bij een onverhoopt overlijden is en wat de wensen van de geldnemer(s) zijn in deze situatie. Een aanvullende orv kan dan gewenst zijn.
Het kenmerkende verschil tussen de diverse hypothecaire leningvormen ligt in de manier waarop de hoofdsom wordt afgelost. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de periodiek verschuldigde rente, die immers gekoppeld is aan de 186 uitstaande schuld.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Dit was vóór het invoeren van de tariefmaatregel van artikel 2.10 lid 2 en lid 3 Wet IB 2001 in 2014 vaak een belangrijke bepalende factor bij de keuze voor een bepaalde leningvorm. Vooral in de hogere inkomensgroepen kon het fiscaal aantrekkelijk zijn om pas op de einddatum af te lossen vanwege de renteaftrek. Voor de lagere inkomensgroepen was dat vaak anders, doordat deze een lager marginaal belastingtarief hadden.
Om te beoordelen welke leningvorm fiscaal het meest aantrekkelijk is, moet worden geprobeerd een fiscale kosten-batenanalyse te maken voor de gehele looptijd. De lasten die een particulier betaalt voor zijn hypothecaire geldlening, worden verlicht door een belastingvoordeel, de bruto- en nettolasten van de hypothecaire geldlening.
De brutolasten hebben betrekking op de bedragen aan rente en aflossing, die de klant aan de geldgever verschuldigd is uit hoofde van de afgesloten hypothecaire geldlening. De nettolasten hebben betrekking op dezelfde bedragen, alleen gecorrigeerd met het belastingvoordeel. Het gaat hier om de werkelijke lasten van de hypothecaire geldlening voor de klant.
Rente Aflossing + Brutolasten Belastingvoordeel -/- Nettolasten
Later lichten wij aan de hand van een voorbeeld het verschil tussen de nettolasten en de brutolasten toe.
Hypothecaire geldleningen kunnen worden onderscheiden in geldleningen waarvan de hoofdsom gedurende de looptijd worden afgelost en geldleningen waarvan de hoofdsom aan het eind van de looptijd worden afgelost: • gedurende de looptijd: – lineaire hypotheek – annuïteitenhypotheek • einde looptijd: – levenhypotheek – spaarhypotheek – beleggingshypotheek – effectenhypotheek – aflossingsvrije hypotheek
Met ingang van 1 januari 2013 is een verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek doorgevoerd, waardoor voor renteaftrek verplicht tijdens de looptijd moet worden afgelost. Hierdoor zijn van bovenstaande hypotheek- 187
vormen alleen de annuïteiten- en de lineaire hypotheek nog interessant als het om de wens van renteaftrek gaat. De overige hypotheekvormen leveren voor mensen, die ná1 januari 2013 een woning kopen, geen renteaftrek meer op.
Volledigheidshalve beschrijven wij de overige hypotheekvormen hierna kort, omdat op 31 december 2012 bestaande hypothecaire geldleningen onder het overgangsrecht vallen en deze vormen dus nog wel enige tijd in de praktijk zullen voorkomen.
Voor de fiscale behandeling van de eigenwoningrente sinds 1 januari 2013 verwijzen wij naar de module ‘Fiscaliteit Eigen Woning’.
7.4.5.1 Lineaire hypotheek
Bij deze leningvorm vindt de aflossing lineair plaats, dat wil zeggen dat jaarlijks een gelijk bedrag wordt afgelost. Bij een lening van € 150.000, te betalen in 360 termijnen, wordt per termijn € 150.000/360 = € 416,67 afgelost. Het feit dat de hypotheekschuld na elke betaalde termijn met een vast bedrag afneemt, heeft uiteraard consequenties voor de te betalen rente. Deze rente wordt namelijk berekend over de restschuld. Neemt de schuld elke termijn met een gelijk bedrag af, dan zal uiteraard ook het te betalen rentebedrag dalen. De fiscale aftrekmogelijkheid loopt bij deze hypothecaire leningvorm gedurende de looptijd daarom flink af.
Voorbeeld Een geldlening van € 150.000 heeft een looptijd van 30 jaar. De hypotheekrente bedraagt negen procent per jaar. De te betalen rente en aflossing worden berekend bij een maandelijks gelijkblijvende aflossing. Verondersteld wordt dat rente en aflossing maandelijks achteraf worden betaald. Aflossing vindt plaats in 360 termijnen. Dit betekent dat aan het eind van iedere maand (afgerond op hele euro’s) € 417 (€ 150.000/360) wordt afgelost. Het rentepercentage van negen procent is de rente op jaarbasis. Op maandbasis bedraagt de rente 0,75 procent (9 procent/12). Aan het eind van de eerste maand moet er € 1.125 (0,75 procent van € 150.000) aan rente worden betaald. Doordat de hoofdsom van de lening met een vast bedrag afneemt, dalen ook de rentebetalingen. Hierna volgt het aflossingsplan voor de eerste 10 jaar. Het gaat hier om maandelijkse termijnen, waarbij betaling aan het eind van iedere maand plaatsvindt.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Aflossingsplan lineaire hypotheek
Schuld begin Schuldrest einde Jaar van het jaar Rente Aflossing van het jaar 1 € 150.000 € 13.294 € 5.000 € 145.000 2 € 145.000 € 12.844 € 5.000 € 140.000 3 € 140.000 € 12.394 € 5.000 € 135.000 4 € 135.000 € 11.944 € 5.000 € 130.000 5 € 130.000 € 11.494 € 5.000 € 125.000 6 € 125.000 € 11.044 € 5.000 € 120.000 7 € 120.000 € 10.594 € 5.000 € 115.000 8 € 115.000 € 10.144 € 5.000 € 110.000 9 € 110.000 € 9.694 € 5.000 € 105.000 10 € 105.000 € 9.244 € 5.000 € 100.000 De aflossingsbedragen zijn constant (€ 416,66 x 12 = € 5.000). De renteverplichtingen nemen gedurende de looptijd af.
In het aflossingsplan van de lineaire hypotheek is zichtbaar dat het bedrag dat aan rente en aflossing betaald wordt, afneemt naarmate de looptijd vordert. De brutolasten van de lineaire hypotheek dalen dus. Dalen de brutolasten, dan dalen ook de nettolasten. Bij gelijkblijvende aflossingen dalen de rentelasten vanwege het feit dat de hoofdsom van de lening daalt. Daardoor daalt ook het bedrag waarover maandelijks of jaarlijks rente wordt betaald. Het belastingvoordeel wordt overigens ook alsmaar geringer, doordat er steeds minder rente kan worden afgetrokken.
De aanvangslasten zijn bij de lineaire leningvorm ten opzichte van de andere hypothecaire leningvormen hoog. In vergelijking met de andere hypothecaire leningvormen is de lineaire hypotheek voor de klant vaak de goedkoopste hypotheekvorm, doordat er de minste rente wordt betaald.
Deze hypothecaire leningvorm is geschikt voor bijvoorbeeld klanten: • die bij het afsluiten van een hypothecaire geldlening over een dusdanig inkomen beschikken dat zij de hoge aanvangslasten kunnen en willen opbrengen. • van wie binnen afzienbare tijd de uitgaven zullen stijgen (door bijvoorbeeld studerende kinderen). • van wie binnen afzienbare tijd het inkomen zal dalen, waarmee ook het marginale belastingtarief daalt. In de eerste jaren zal dan een behoorlijk deel van de lening zijn afgelost en wanneer dan het inkomen daalt, zijn ook de hypotheeklasten lager. 189
• die aanvankelijk over twee inkomens beschikken en voor wie dan hetzelfde geldt als bij het vorige punt.
Doordat de hypotheekrenteaftrek bij deze hypothecaire leningvorm gedurende de looptijd afneemt, is het voor particulieren, die een stijging van hun inkomen verwachten, niet de meest geschikte hypothecaire leningvorm.
7.4.5.2 Annuïteitenhypotheek
Deze leningvorm wordt gekenmerkt door een jaarlijks bruto gelijkblijvende totale hypotheeklast (de annuïteit). De som van rente en aflossing blijft gedurende de looptijd -bij een gelijkblijvend rentepercentage- gelijk. De samenstelling van de sommen verandert met elke betalingstermijn. Doordat er in elke termijn een aflossingsdeel zit, is in de volgende termijn minder rente verschuldigd, waardoor tegelijk meer afgelost kan worden. De som van rente en aflossing blijft immers gelijk.
De annuïteit verandert alleen als de rente na een rentevastperiode wijzigt. Een stijging van de rente zal leiden tot een stijging van het periodiek te betalen bedrag aan rente en aflossing. Een daling van de rente zal leiden tot een daling van het periodiek te betalen bedrag aan rente en aflossing. Als de rente niet wijzigt, zal de klant de gehele looptijd iedere termijn eenzelfde bedrag aan rente en aflossing betalen.
Bij de annuïteitenhypotheek vindt gedurende de looptijd van de lening een steeds grotere verschuiving plaats van rentebestanddeel naar aflossingsbestanddeel. Anders gezegd: er wordt steeds minder rente betaald en steeds meer afgelost, terwijl het totaalbedrag gelijk blijft. Aflossing annuiteit
Rente jaaplasten
Aflossing
looptijd 30 jaar
Vuistregel bij een annuïteitenlening is dat op de helft van de looptijd circa een derde is afgelost en op twee derde van de looptijd pas de helft van de hoofdsom. Daarna gaat de aflossing van de hoofdsom snel. Hierna volgt een voorbeeld van een annuïteitenhypotheek, waarbij het een aflossingsplan van 190 de eerste 10 jaar betreft.
Voorbeeld
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Een hypothecaire geldlening van € 150.000 heeft een looptijd van 30 jaar. De hypotheekrente bedraagt negen procent per jaar. De jaarannuïteit is € 14.483. Zolang de rente gelijk blijft, wordt er dus jaarlijks € 14.483 aan rente en aflossing betaald. We gaan uit van een eigenwoningforfait van € 2.500.
Aflossingsplan annuïteitenhypotheek
Schuld begin Schuldrest einde Jaar van het jaar Rente Aflossing van het jaar 1 € 150.000 € 13.458 € 1.025 € 148.975 2 € 148.975 € 13.362 € 1.121 € 147.854 3 € 147.854 € 13.257 € 1.226 € 146.628 4 € 146.628 € 13.142 € 1.341 € 145.287 5 € 145.287 € 13.016 € 1.467 € 143.820 6 € 143.820 € 12.879 € 1.604 € 142.216 7 € 142.216 € 12.728 € 1.755 € 140.461 8 € 140.461 € 12.564 € 1.919 € 138.542 9 € 138.542 € 12.383 € 2.100 € 136.442 10 € 136.442 € 12.187 € 2.296 € 134.146
Aan de hand van de gegevens van het voorbeeld wordt in het nu volgende voorbeeld het verschil tussen de bruto- en nettolasten van de eigenwoningbezitter, die zijn woning financiert met een annuïteitenhypotheek, toegelicht. Daarbij gaan wij ervan uit dat het om een EWS gaat.
Voorbeeld De gegevens van het vorige voorbeeld leiden tot een jaarannuïteit van € 14.483 (afgerond op hele euro’s). De bruto- en nettolasten in het eerste jaar worden berekend. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de eenmalig aftrekbare kosten in het eerste jaar (afsluitprovisie, notariskosten, enzovoort).
De brutolasten in het eerste jaar bedragen: Rente € 13.458 Aflossing € 1.025 + Brutolasten € 14.483
Om de nettolasten te berekenen moet het inkomen uit werk en woning van de cliënt bekend zijn. Dit inkomen uit werk en woning van cliënt bedraagt, zonder dat rekening wordt gehouden met de inkomsten uit eigen woning, € 45.000. Gegeven is verder dat het eigenwoningforfait € 2.500 bedraagt. 191
De (zuivere) inkomsten uit eigen woning bedragen dan in het eerste jaar: Eigenwoningforfait € 2.500 Rente € 13.458 - Inkomsten uit eigen woning € 10.958 -/-
Stel, dat het belastingvoordeel bedraagt 35,82 procent van € 10.958 (= € 3.925,16). De nettolasten zijn dan € 13.458 -/- € 3.925,16 = € 9.532,84.
Kenmerk van de annuïteitenhypotheek zijn gelijkblijvende brutolasten bij een gelijkblijvend rentepercentage. Daarbij neemt het aflossingsbestanddeel gedurende de looptijd toe ten ‘koste’ van het rentebestanddeel. Dit heeft uiteraard gevolgen voor het belastingvoordeel, doordat de rentekosten gedurende de looptijd afnemen, waarmee de negatieve inkomsten uit eigen woning kleiner worden en het belastingvoordeel afneemt. Dit betekent dat de nettolasten van de annuïteitenhypotheek gedurende de looptijd stijgen.
Dit zou overigens nog sterker het geval zijn wanneer de belastingplichtige in het vorige voorbeeld een inkomen zou hebben boven de € 78.426 (2026). In dat geval wordt namelijk wel 49,50 procent inkomstenbelasting geheven over het meerdere inkomen, en is de hypotheekrente ‘slechts’ aftrekbaar tegen 35,75 procent. Meer hierover leest u in de module ‘Fiscaliteit Eigen Woning’.
Voorbeeld De gegevens zijn hetzelfde als in het vorige voorbeeld. Uit het aflossingsplan blijkt dat de brutolasten na 10 jaar onveranderd zijn. De nettolasten zijn wel veranderd, doordat het aflossingsbestanddeel is gestegen ten koste van het rentebestanddeel. Dit heeft tot gevolg dat de aftrekmogelijkheden zijn verminderd en dat daarmee ook het belastingvoordeel in jaar 10 beduidend lager is.
Bij de onderstaande berekeningen gaan wij uit van een onveranderd inkomen, hetzelfde eigenwoningforfait (wat in werkelijkheid waarschijnlijk gestegen zal zijn) en een ongewijzigd belastingvoordeel van 35,82 procent.
Uit het aflossingsplan is af te lezen dat de betaalde rente in jaar 10 € 12.187 bedraagt. De inkomsten uit eigen woning bedragen:
Eigenwoningforfait € 2.500 Rente jaar 10 € 12.187 -/- Inkomsten uit eigen woning jaar 10 -/- € 9.687 -/-
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Stel, dat het belastingvoordeel bedraagt 35,82 procent van € 9.687 (= € 3.469,88).
Hiermee komen de nettolasten in jaar 10 op:
Brutolasten € 14.483,00 Belastingvoordeel € 3.469,88 -/- Nettolasten € 11.013,12
Zo zijn de nettolasten in 10 jaar dus gestegen. De grootste stijging van de nettolasten vindt bij deze hypothecaire leningvorm plaats in de tweede helft van de looptijd. Daarbij wordt het verschil tussen netto- en brutolasten steeds kleiner.
Deze aflossingsvorm kan geschikt zijn voor klanten, die: • (starters vanaf 2013) maximaal gebruik willen maken van het fiscale voordeel van hypotheekrenteaftrek, met bij aanvang zo laag mogelijke nettolasten. • bij het afsluiten van een hypothecaire geldlening op langere termijn een inkomensstijging verwachten en dus stijgende netto lasten geen bezwaar vinden. • op een bepaald moment een deel van de geldlening afgelost moeten hebben (bijvoorbeeld bij ingangsdatum pensioen) en tot die tijd stijgende inkomsten verwachten.
De lasten van de annuïteitenhypotheek zijn cumulatief hoger dan die van de lineaire hypotheek.
7.4.5.3 Levenhypotheek
De levenhypotheek is met ingang van 1 januari 2013 (of in elk geval ná 1 april 2013) één van de aflossingsvormen die in de praktijk niet meer nieuw afgesloten zal worden. Dat heeft uiteraard alles te maken met de gewijzigde fiscale behandeling van de eigen woning. Omdat klanten nog een dergelijke hypotheekvorm kunnen hebben, nemen we in dit onderdeel de levenhypotheek door.
Bij een levenhypotheek wordt, tegelijk met het aangaan van de hypothecaire geldlening, een gemengde (winstdelende) levensverzekering afgesloten. Dit is een combinatie van een kapitaalverzekering bij leven en een tijdelijke kapitaalverzekering bij overlijden. Zowel bij in leven zijn op de einddatum als bij tussentijds overlijden van de verzekerde wordt het verzekerde kapitaal uitgekeerd, waarmee de geldlening kan worden afgelost. Vaak blijft dan nog, in het geval van winstdeling, een uit te keren bedrag over.
Kenmerkend voor deze aflossingsvorm is dan ook dat er geen verplichte tussentijdse aflossingen plaatsvinden. Daarvoor in de plaats komt de premie voor de gemengde levensverzekering.
Deze premie is als volgt samengesteld: • spaardeel dat is bestemd voor de uiteindelijke aflossing van de schuld. • risicodeel om bij tussentijds overlijden van de verzekerde de schuld (deels) te kunnen aflossen. • vergoeding voor de verzekeraar.
Het verzekerde kapitaal is meestal in eerste instantie lager dan het geleende bedrag. Omdat de verzekerde immers meedeelt in de winst van de verzekeringsmaatschappij, groeit dit kapitaal jaarlijks aan. Over het algemeen verlangt de geldgever, meestal is dit ook de verzekeringsmaatschappij, een verzekerd kapitaal van circa 70 procent van de lening.
Vaak wordt in de adviespraktijk een aflossingsvrije lening met verpande (beleggings)polis ook levenhypotheek genoemd, waar wij in dit hoofdstuk spreken over een ‘beleggingshypotheek’. Deze aflossingsvorm was in het verleden voor velen fiscaal aantrekkelijk. Dit kwam met name doordat er gedurende de gehele looptijd geen (verplichte) aflossing op de hoofdsom plaatsvond, zo kon men gedurende de looptijd genieten van de volledige renteaftrek. Met de komst van de gewijzigde hypotheekrenteaftrek vanaf 1 januari 2013 is dit voordeel alleen nog weggelegd voor mensen die al een levenhypotheek hadden op 31 december 2012.
De brutolasten bestaan bij een levenhypotheek uit de periodiek te betalen rente over de hoofdsom en de periodiek te betalen premie. Als de hypotheekrente na afloop van een rentevastperiode gelijk blijft, blijven de bruto lasten gedurende de looptijd ook gelijk. Bij de levenhypotheek is er sprake van een renteaftrek over de gehele geldlening gedurende de hele looptijd, omdat er niet wordt afgelost. Het belastingvoordeel blijft dan ook maximaal in vergelijking met de vorige aflossingsvormen. De periodiek te betalen premie voor de levensverzekering is niet aftrekbaar.
7.4.5.4 Spaarhypotheek
De levenhypotheek is in de loop van de jaren opgevolgd door de spaarhypotheek. Ook voor deze hypotheekvorm geldt dat met ingang van 1 januari 2013 dit één van de aflossingsvormen is die in de praktijk niet meer nieuw afgesloten zullen worden. Als een cliënt ná1 januari 2013 een dergelijke hypotheekvorm afsluit, is immers bepaald dat de hypotheekrente niet meer aftrekbaar is, tenzij een cliënt een beroep kan doen op het overgangsrecht 194 zoals dat geldt voor spaarhypotheken die al bestonden op 31 december 2012.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER De spaarhypotheek kent over het algemeen een looptijd van 30 jaar, dus we zullen in de praktijk nog bestaande spaarhypotheken zien. We nemen de kenmerken van de spaarhypotheek door.
De spaarhypotheek is in feite een variant op de hiervoor besproken gemengde levenhypotheek, die sinds de komst van de spaarhypotheek ook wel aangeduid wordt als de ‘traditionele levenhypotheek’. Net als bij de gemengde verzekering wordt gedurende de looptijd van de spaarhypotheek niets verplicht op de lening afgelost. Het verschil tussen de spaar- en levenhypotheek zit in de vergoeding over het spaardeel van de betaalde premies. Bij de spaarhypotheek wordt er rente over het spaardeel vergoed. De rente die over het spaardeel wordt vergoed, is gelijk aan de rente die over de geldlening wordt betaald. Bij een mogelijk toekomstige stijging van de hypotheekrente als gevolg van vervallen rentevastperiode zal deze rente ook gelden voor het spaardeel, waardoor de voor aflossing van de lening benodigde premie kan worden verlaagd en vice versa. Door de dempende werking tussen rente en premie vertonen de bruto- en nettowoonlasten een minder fluctuerend beeld dan bij de levenhypotheek. Door de koppeling van de hypotheekrente aan de spaarvergoeding op de levensverzekering is er de zekerheid dat de hypothecaire lening aan het einde van de looptijd geheel wordt afgelost. Het rendement is namelijk op voorhand bekend. Daardoor kan op basis van de hoofdsom van de lening de hoogte van de spaarpremie worden berekend. Voor wat betreft overige kenmerken van een spaarhypotheek, kan gesteld worden dat deze overeenkomen met de kenmerken van een levenhypotheek. Voor de spaarhypotheek geldt ook dat een gemengde verzekering verplicht is.
Tot slot is onder voorwaarden vermogensopbouw mogelijk buiten de heffing van box 3 van de Wet IB 2001.
Een spaarhypotheek is dus bijzonder geschikt voor cliënten die 100 procent zekerheid wensen over de aflossing van de lening aan het einde van de looptijd en voor wie periodiek aflossen oninteressant of ongewenst is.
7.4.5.5 Beleggingshypotheek
Nadat de spaarhypotheek al jaren aan populariteit won in de jaren 90 werd de beleggingshypotheek geïntroduceerd. Het afsluiten van deze aflossingsvorm behoort inmiddels ook tot het verleden, gezien de gewijzigde wetgeving omtrent de hypotheekrenteaftrek, behalve wanneer een bestaande EWS wordt overgesloten. Voor nieuwe financieringen vanaf 2013 is deze aflossingsvorm evenmin fiscaal gefaciliteerd. Vooral vanaf eind jaren 90 hebben klanten een beleggingshypotheek afgesloten of hun spaarhypotheek omgezet naar een beleggingshypotheek. De reden hiervan is dat veel mensen door de dalende rente het idee hadden dat het te 195
ontvangen rendement op de polis in geval van beleggen hoger zou zijn. Zij namen hierbij het risico op de koop toe. Veel klanten hebben dus een dergelijke hypotheekvorm. De op 31 december 2012 bestaande beleggingshypotheek kwalificeert ook voor het overgangsrecht 2013. In de volgende alinea’s nemen we de kenmerken van deze aflossingsvorm door.
De beleggingshypotheek kent, net als de levenhypotheek en de spaarhypotheek, een aflossing aan het einde van de looptijd uit de opbrengst van een kapitaalverzekering. De beleggingshypotheek onderscheidt zich van de leven- en spaarhypotheek doordat de verzekeringspremies voor rekening en risico van de hypotheekgever belegd worden en dus niet voor rekening en risico van de geldgever. Hierdoor is de eindwaarde van de ingelegde premies onzeker en bestaat er geen garantie dat de waarde van de belegging, aan het einde van de looptijd, voldoende is om de hypothecaire lening in zijn geheel af te lossen. Dit maakt de beleggingshypotheek dus risicovoller dan de levenen spaarhypotheek. Op basis van een prognoserendement op de belegging wordt de maandelijks te betalen premie bepaald.
De beleggingsinstellingen waarin belegd kan worden, zijn over het algemeen beleggingsinstellingen waarover de geldgever het beheer voert. De verzekeringnemer heeft wel de mogelijkheid om gedurende de looptijd van de lening te switchen van de ene naar de andere beleggingsinstelling. Ook hier is onder voorwaarden vermogensopbouw mogelijk buiten de vermogensrendementsheffing van box 3.
Het is bij de beleggingshypotheek niet verplicht een gemengde verzekering te koppelen aan de lening.
Omdat er bij deze aflossingsvorm niet wordt afgelost, blijft de maandelijkse last gelijk. De bruto- en nettolasten van de beleggingshypotheek blijven dus, net als bij de leven- en spaarhypotheek, gedurende de looptijd gelijk.
Het rekenen met een beleggingshypotheek is vergelijkbaar met het rekenen met een levenhypotheek. Ook bij de beleggingshypotheek wordt gedurende de looptijd in principe niets afgelost en wordt periodiek een premie betaald voor de levensverzekering.
7.4.5.6 Hybride hypotheek
Deze aflossingsvorm noemen we ook wel de ‘spaarbeleggingshypotheek’ en lijkt op de eerder genoemde spaar- en beleggingshypotheek. Het verschil is dat de verzekeringnemer kan kiezen tussen beleggen of sparen binnen de verzekering. Aan de aflossingsvorm zijn voor- en nadelen verbonden, die 196 gelijk zijn aan die van de spaar- en beleggingshypotheek. Ook ten aanzien
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER van de hybride hypotheek geldt dat de rente niet aftrekbaar is, als de hypotheekvorm wordt afgesloten ná1 januari 2013. Ook hierbij geldt dat voor op 31 december 2012 bestaande hybride hypotheken de rente aftrekbaar blijft.
7.4.5.7 Bankspaarhypotheek
De bankspaarhypotheek is vergelijkbaar met een spaar- of een beleggingshypotheek, alleen wordt er niet gespaard in een (fiscaalvriendelijke) verzekering, maar met behulp van een (fiscaalvriendelijke) spaarrekening of een (fiscaalvriendelijk) beleggingsrecht. Zoals al in de voorgaande paragrafen genoemd, valt ook deze hypotheekvorm vanaf 2013 buiten de boot voor klanten die ná1 januari 2013 een dergelijke hypotheekvorm willen afsluiten. Ook hierbij geldt dat de rente van de bestaande bankspaarhypotheken (spaar- en/of beleggingsvariant) onder voorwaarden aftrekbaar blijft in het geval dat deze hypotheekvorm al bestond op 31 december 2012. Omdat sinds de invoering vanaf 1 januari 2008 er veel bankspaarhypotheken (spaar- en beleggingsvariant) zijn afgesloten, nemen we in dit onderdeel de kenmerken door. Ook hier is onder voorwaarden vermogensopbouw mogelijk buiten de vermogensrendementsheffing van box 3.
Bij de hypotheek met een spaarrekening eigen woning (SEW) of een beleggingsrecht eigen woning (BEW) heeft de geldlener een aflossingsvrije lening met daarnaast een spaarrekening of een beleggingsrecht. De spaarrekening of het beleggingsrecht is geblokkeerd. De geldlener stort periodiek geld op de rekening. Aan het einde van de looptijd lost de geldlener geheel af of gedeeltelijk als de beleggingsopbrengsten van het beleggingsrecht lager dan verwacht zijn uitgevallen. Omdat de lening gedurende de looptijd aflossingsvrij is, wordt er de gehele looptijd ‘optimaal’ fiscaal voordeel genoten. Behalve een rentewijziging zijn zowel de bruto- als de nettolasten van de geldlening gedurende de looptijd gelijk. In deze aflossingsvorm is geen orv opgenomen. Als een overlijdensrisicodekking wenselijk is, vanuit de geldgever of -nemer, dan zal deze door middel van een losse orv gerealiseerd moeten worden.
De hypotheek met een spaarrekening of een beleggingsrecht kent geen poliskosten (in vergelijking met de leven-, spaar-, beleggings- of hybride hypotheek), de vermogensopbouw is transparant. Meestal is het vrij lastig om te switchen van sparen naar beleggen en vice versa.
De rente van de bankspaarhypotheek blijft aftrekbaar voor zover het hypotheekrecht bestond op 31 december 2012. Er gold een overgangsperiode tot 1 april 2013, waarin belastingplichtigen de tijd hadden om hun bestaande hypotheekvorm alsnog te wijzigen naar een bankspaarhypotheek. 197
De periode van bekendmaking van het Belastingplan 2013 tot 31 december 2012 bleek te kort voor geldverstrekkers en verzekeraars om aan alle aanvragen te kunnen voldoen. Per eind december 2012 heeft de minister toegezegd dat de aanvragen tot 1 april 2013 gehonoreerd zouden worden volgens het oude regime. De EWS moest dan wel al een ‘bestaande EWS’ zijn op 31 december 2012.
7.4.5.8 Effectenhypotheek (zuivere beleggingshypotheek)
De volgende aflossingsvorm die we onderscheiden is de effectenhypotheek. Omdat bij deze hypotheekvorm evenmin wordt voldaan aan de aflossingseis sinds 2013, is de rente van een dergelijke aflossingsvorm ná1 januari 2013 niet meer aftrekbaar voor nieuwe gevallen. Ook de effectenhypotheek is, net als de beleggingshypotheek, gedurende de looptijd van de hypothecaire geldlening aflossingsvrij. Pas aan het einde van de looptijd wordt de gehele geldlening in een keer afgelost. Alleen voor klanten die al een effectenhypotheek hadden op 31 december 2012 geldt dat zij onder het overgangsrecht vallen. De effecten zijn verpand aan de geldverstrekker en de vermogensopbouw valt onder de vermogensrendementsheffing van box 3.
Het verschil is dat bij een beleggingshypotheek de geldnemer via een verzekering belegt, terwijl bij een effectenhypotheek de geldnemer rechtstreeks in beleggingsobjecten belegt. De geldnemer zelf belegt voor eigen rekening en risico. In sommige gevallen is hij helemaal vrij om zelf beleggingsobjecten te kiezen. Sommige geldverstrekkers bieden pakketten aan waar de geldnemer uit kan kiezen.
Met de opbrengst uit de beleggingen moet de lening aan het eind van de looptijd worden afgelost. Bij de start van de lening wordt het doelvermogen (eindwaarde van de portefeuille) bepaald. Op basis van dit vastgestelde doelvermogen wordt, op grond van een bepaalde prognose, vastgesteld hoe hoog de inleg moet zijn.
De geldnemer heeft net als bij de beleggingshypotheek eenmalig of periodiek inleggen. Bij periodieke inleg stort de geldnemer elke periode een bedrag op een beleggingsrekening. De geldgever belegt deze gelden naar voorkeur van de geldnemer. Gedurende de looptijd wordt een portefeuille opgebouwd uit de belegde gelden en het beleggingsrendement, waarmee aan het eind van de looptijd de geldlening geheel of gedeeltelijk kan worden afgelost. De effectenhypotheek met periodieke inleg lijkt erg veel op de beleggingshypotheek. Het verschil is dat van de ingelegde bedragen geen verzekeringskosten worden afgetrokken door de geldgever en een eventuele overlijdensdekking los afge198 sloten moet worden.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Bij een eenmalige inleg moest de geldnemer uiteraard naast vermogen om de woning te betalen ook over vermogen beschikken om dit in te leggen voor belegging. Het was niet noodzakelijk dat de geldnemer zelf over dit vermogen om te beleggen beschikte. De eenmalige inleg kon door een effectenlening worden meegefinancierd. De geldlening voor de belegging valt dan wel in box 3 en de rente over dit deel van de lening is niet aftrekbaar.
De effectenhypotheek was geschikt voor geldleners die (enig) verstand van beleggen hebben. Het risico bij deze hypotheek, zeker in geval van een eenmalige inleg, is relatief groot. De periodieke lasten zijn bij een eenmalige beleggingsstorting wel laag, omdat alleen rente over de lening wordt betaald. Er vindt in principe geen periodieke aflossing plaats.
7.4.5.9 Aflossingsvrije hypotheek
Tot slot bespreken wij de aflossingsvrije hypotheek. De rente van een aflossingsvrije hypotheek, afgesloten ná1 januari 2013 is niet meer aftrekbaar. Voor op 31 december 2012 bestaande aflossingsvrije hypotheken geldt een overgangsregime. Deze rente voor deze aflossingsvrije hypotheken blijft aftrekbaar binnen het eerder besproken overgangsrecht (zie hiervoor de module ‘Fiscaliteit Eigen Woning’). Veel geldnemers hebben een (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheek afgesloten vóór 2013. Met deze hypotheekvorm werd de maandlast verlaagd. Er wordt bij een aflossingsvrije hypotheek gedurende de looptijd van de hypothecaire geldlening niets afgelost waardoor de maandlast relatief laag is. Aan het einde van de looptijd wordt de totale hypotheeksom voldaan, bijvoorbeeld door verkoop van de woning, uit overig vermogen of het afsluiten van een nieuwe hypothecaire geldlening. Gedurende de looptijd wordt alleen een gelijkblijvende rente betaald over het geleende bedrag (rentewijziging voorbehouden). De maandlasten waren hierdoor relatief laag en de fiscale aftrekbaarheid was maximaal. Wel moet de cliënt er rekening mee houden dat de hypotheekrente slechts 30 jaar aftrekbaar is. Als de cliënt na 30 jaar (of eerder) wil aflossen, moet hij daar zelf een voorziening voor treffen.
In 2009 al waarschuwde DNB voor het grote aandeel aflossingsvrije hypotheken onder de geldnemers in Nederland. Omdat juist op dat moment de kredietcrisis uitbrak, waren er toen dringender zaken om de aandacht op te richten.
In december 2017 waarschuwde DNB opnieuw in een rapport dat de financiële stabiliteit mede door aflossingsvrije hypotheken in gevaar kan komen.
Op 9 oktober 2018 reageerde de toenmalig Minister van Financiën, Wopke Hoekstra, door de hypotheekadviseurs te wijzen op hun verantwoordelijkheid.
Argumenten die worden genoemd voor geldleners om te gaan aflossen zijn: 1. hypotheekrenteaftrek is ná30 jaar voorbij, waardoor de maandlasten oplopen. 2. verminderde pensioeninkomsten dan aanvankelijk verwacht en dat in combinatie met mogelijk stijgende maandlasten doordat de rente niet meer aftrek is. 3. verminderde beleggingsopbrengsten in verpande aflosproducten dan geprognosticeerd bij aanvang, waardoor geldnemers met een hogere schuld blijven zitten. 4. het opeisen van leningen door geldverstrekkers vanwege het aflopen van de geldleningsovereenkomst na 30 jaar, waardoor geldnemers mogelijk in de problemen komen omdat zij deze liquiditeiten niet hebben of vrij kunnen maken. 5. onvoldoende inkomen na pensionering om de aflopende hypothecaire geldlening te kunnen ‘doorrollen’.
In 2021 publiceerde de AFM opnieuw uitkomsten van een onderzoek naar aflossingsvrije hypotheken. De uitkomsten gaven aan dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat zij hun aflossingsvrije hypotheek niet opnieuw kunnen financieren op het moment dat deze afloopt (niet kunnen ‘doorrollen’ dus). Op een totaal van bijna drie miljoen aflossingsvrije hypotheken is dat te overzien, maar de huishoudens in kwestie moeten waarschijnlijk hun huis verkopen. Een deel blijft mogelijk achter met een restschuld.
Wat opvalt is: • de meeste van de bijna drie miljoen aflossingsvrije hypotheken lopen rond 2035 af. • 78.000 huishoudens lopen het risico op een gedwongen verhuizing. • geldnemers met lage inkomens en ondernemers zijn hierbij extra kwetsbaar. • recessie of rentestijging zijn beperkt van invloed op de omvang van deze problematiek. • er ligt een rol voor hypotheekverstrekkers om deze risico’s te verkleinen.
Het onderzoek is een verdieping van een eerder onderzoek naar de financiële kwetsbaarheid van huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek. De onderhavige studie op basis van CBS-data geeft meer inzicht in de omvang en kenmerken van huishoudens die financiële risico’s lopen.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Anno 2025 is meer dan de helft van de Nederlandse hypotheekschuld aflossingsvrij. Dit betreft ongeveer 2,7 miljoen Nederlandse huishoudens. Veel van deze leningen lopen rond 2035 af.
Bij huizenbezitters met een (deels) aflossingsvrije hypotheek kunnen na verloop van tijd financiële problemen ontstaan. Als zij bijvoorbeeld te maken krijgen met een lager (pensioen)inkomen en hogere hypotheekuitgaven. Dit kan ertoe leiden dat ze moeite hebben om hun hypotheek te blijven betalen. Of zij kunnen de hypotheek aan het einde van de looptijd niet aflossen of herfinancieren. Per huizenbezitter kunnen de risico’s verschillen. Door tijdig de financiële situatie in kaart te brengen kunnen toekomstige problemen worden voorkomen.
In samenwerking met DNB en de ECB is er een methode ontwikkeld om portefeuilles met aflossingsvrije hypotheken te segmenteren naar potentieel risico. Hypotheekaanbieders kunnen klanten die risico’s lopen, benaderen om hen inzicht te geven in de opbouw en risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. Als dat nodig is, krijgen klanten passende oplossingen aangereikt en worden zij tot actie aangezet. Hiervoor zijn afspraken gemaakt die voortdurend worden geëvalueerd.
De AFM verwacht dat hypotheekaanbieders en adviseurs samenwerken bij de aanpak van aflossingsvrije hypotheken. De AFM legt de eindverantwoordelijkheid voor het behalen van de resultaten bij de hypotheekaanbieders. De AFM houdt daar toezicht op.
Het is de ambitie van de AFM dat klanten zorgeloos kunnen blijven wonen. Hiervoor is nodig dat zij aan het einde van de economische looptijd de hypotheek kunnen herfinancieren of de hypotheek volledig kunnen aflossen. Of, als zij ervoor (moeten) kiezen om de hypotheek aan het einde van de economische looptijd af te lossen door middel van het verkopen van de woning, zij niet achterblijven met een restschuld.
Om die ambitie te realiseren, is het nodig dat klanten een bewuste keuze kunnen maken over hun aflossingsvrije hypotheek. Hiervoor is nodig dat zij: • inzicht krijgen in hun actuele en toekomstige hypotheeksituatie; • oplossingen aangereikt krijgen en tot actie worden aangezet als dat nodig is; • nu en in de toekomst doorlopend onderdeel blijven uitmaken van een beheertraject.
De AFM vindt het belangrijk dat hypotheekaanbieders borgen en monitoren dat klanten onderdeel van de aanpak blijven, ook als klanten geen aanvullende informatie delen of geen actie willen ondernemen. Klanten die geen actie kunnen ondernemen, krijgen een maatwerkoplossing aangeboden.
Hypotheekaanbieders leggen aanvullende klantinformatie vast en gebruiken deze informatie om een betere inschatting te kunnen maken van het risico dat hun klanten met een aflossingsvrije hypotheek lopen.
Hypotheekaanbieders borgen hoe zij in hun aanpak omgaan met leereffecten. Zo kunnen zij evalueren welke technieken het effectiefst zijn bij het bieden van inzicht in de persoonlijke hypotheeksituatie van klanten, het bieden van oplossingsmogelijkheden en bij het aanzetten tot actie. Deze inzichten kunnen in een later stadium worden ingezet om bredere klantgroepen met een aflossingsvrije hypotheek effectiever te bereiken en tot actie aan te zetten.
De AFM vindt het van belang dat hypotheekaanbieders in hun aanpak rekening houden met gedragsinzichten. De AFM heeft daarom een drie stappen handout samengesteld, waarin de belangrijkste gedragsinzichten zijn gebundeld. Daarmee biedt de AFM hypotheekaanbieders handvatten voor het verder ontwikkelen van een klantgerichte aanpak.
DNB constateert dat een groot deel van de huishoudens mogelijk onvoldoende spaargeld en andere financiële bezittingen heeft om op de einddatum de hypotheek volledig af te lossen. Hoe groot het probleem van aflossingsvrije hypotheken uiteindelijk zal zijn, is afhankelijk van de economische omstandigheden in de toekomst. De ontwikkelingen in huizenprijzen, rentes, werkloosheid en pensioeninkomens zijn belangrijke factoren.
Veel aflossingsvrije hypotheken lopen af tussen 2035 en 2040. De meeste huishoudens hebben dus nog tijd om actie te ondernemen en hun financiële situatie voor de toekomst te verbeteren. Het is belangrijk dat hypotheekaanbieders nu hun verantwoordelijkheid nemen en klanten goed informeren en aansporen tot actie. Klanten hebben dan nog de tijd om maatregelen te treffen. Bron: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/themas/dienstverlening-aan-consumenten/financiele-producten/aflossingsvrije-hypotheek
Of het goed is voor een klant om op zijn aflossingsvrije hypotheek in box 1 af te lossen is afhankelijk van allerlei factoren, die zijn persoonlijke situatie betreffen. Het is dus onmogelijk om te zeggen of aflossen goed is of niet. Het advies van een hypothecair planner is nodig voor een juiste analyse van de situatie van de klant. Daarna kan deze een beslissing nemen inzake aflossen of niet.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER
7.4.6 Hypotheekrenteconstructies
Op basis van de hiervoor vermelde algemene hypothecaire leningvormen zijn in de praktijk vele varianten in hypotheekvoorwaarden bedacht waarvan een aantal zal worden besproken.
Bij een hypothecaire geldlening op de eigen woning zijn vele factoren van invloed op de jaarlijkse lasten: • overeengekomen aflossing op de hypothecaire geldlening, dit is afhankelijk van de gekozen hypothecaire leningvorm. • hoogte van de te betalen rente, dit is ook afhankelijk van de termijn waarvoor de afgesproken rente betaald moet worden.
De varianten op de voorwaarden van de hypothecaire geldlening, ook wel ‘hypotheekconstructies’ genoemd, hebben betrekking op het vaststellen van de rentevastperiode of op het verzachten van de effecten van renteschommelingen.
Er zijn drie varianten van deze hypotheekconstructies: • rentebedenktijdconstructie • rentemiddelingsconstructie • rentedrempelconstructie.
7.4.6.1 Rentebedenktijdconstructie
Bij het beoordelen van de woonlasten van de koper ten opzichte van het budget en de advisering over de meest geschikte hypotheekconstructie spelen meerdere overwegingen een rol. De rentevastperiode van een hypothecaire geldlening kan variëren van variabel tot 30 jaar. De keuze voor een rentevastperiode wordt bepaald door het beschikbare budget van de koper, het carrièrepatroon van de koper van een eigen woning en zeker ook door de verwachtingen over de ontwikkeling van de rente op middellange en lange termijn.
Deze overwegingen liggen op het terrein van de toekomstverwachtingen van de cliënt, de mobiliteit van de klant, zijn gezinssamenstelling en zijn fiscale positie. Als de woonlasten tegen het plafond van het budget van de koper aanzitten, dan zal er het beste gekozen kunnen worden voor een lange rentevastperiode. Bij zo een lange rentevastperiode liggen de woonlasten en het resterende deel van het budget voor de gezinsconsumptie vast. Een koper die bijvoorbeeld nu al weet dat hij over vier jaar een aanzienlijk bedrag zal ontvangen zal bij het afsluiten van zijn hypothecaire lening voor een korte rentevastperiode kiezen. 203
Over de verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van de hypotheekrente moet ook geadviseerd worden. In het begin van de jaren 80 was er bij een hypotheekrenteniveau van 13 procent toch veel vraag naar hypotheken met een lange rentevastperiode. Deze vraag was gebaseerd op de verwachting dat de hypotheekrente op (korte) termijn zou stijgen naar ten minste 20 procent. De realiteit was dat de hypotheekrente snel daalde naar een niveau van circa zeven procent. Zelfs deze rentes zijn hoog ten opzichte van de huidige rentes.
De advisering over de ontwikkeling van de rente en dus over de keuze die een klant moet maken als hij een hypothecaire geldlening voor de eigen woning gaat afsluiten is lastig.
In zijn algemeenheid zal de klant bij een lage rentestand kiezen voor een lange(re) rentevastperiode. Als de rentestand daarentegen hoog is, zal hij voor een korte(re) rentevastperiode kiezen.
Wanneer er gekozen moet worden ingeval de rente een stijgende of dalende trend vertoont, dan bieden rentebedenktijdconstructies vaak een oplossing. De rentebedenktijd kan ingaan bij het begin van de hypothecaire geldlening of na een bepaalde periode.
Bij de start-, oriëntatie- of opstaphypotheek heeft de geldnemer twee jaar ná het afsluiten van de hypothecaire geldlening de tijd om zich te oriënteren op de lengte van de rentevastperiode en op de hoogte van de hypotheekrente. Binnen die twee jaar kan de geldnemer maar eenmaal zijn keuze maken voor de rentevastperiode en/of voor de hoogte van de rente.
De hypotheekconstructie met een rentebedenktijd houdt in dat gedurende één of twee jaar vóór het aflopen van de rentevastperiode de rentebedenktijd in, waarin de geldnemer het tijdstip kan kiezen waarop de rente voor de nieuwe rentevastperiode ingaat. De geldnemer is niet verplicht om van de rentebedenktijd gebruik te maken. Maakt de geldnemer geen gebruik van de rentebedenktijd, dan wordt na afloop van de rentevastperiode inclusief rentebedenktijd de rente vastgesteld op het dan geldende renteniveau.
7.4.6.2 Rentemiddelingsconstructie
Bij deze constructie gaat het om het matigen van het effect van renteschommelingen. Om het nadeel van een hoge rente bij het afsluiten van de hypothecaire geldlening tegen te gaan wordt afgesproken dat bij een looptijd van bijvoorbeeld 10 jaar de geldende marktrente voor 10 procent aange204 past wordt aan de te betalen jaarlijkse hypotheekrente. De invloed van een
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER hoge marktrente werkt dan maar voor 10 procent door in de jaarlasten van het komende jaar. Deze methode is die van het jaarlijks voortschrijdend gemiddelde.
7.4.6.3 Fiscaliteit rond rentemiddeling
In de afgelopen jaren heeft de hypotheekrente in Nederland aanzienlijke schommelingen doorgemaakt. Na een periode van historisch lage rentes in 2020 en 2021, begon de rente eind 2021 te stijgen. Deze stijging zette door in 2022 en 2023, voornamelijk als reactie op het aangepaste monetaire beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) om de inflatie te bestrijden.
Begin 2025 ligt de hypotheekrente hoger dan in de periode 2020-2021, maar nog steeds lager dan de pieken in de jaren 80 en 90, toen rentes van boven de 10 procent niet ongebruikelijk waren.
Recente ontwikkelingen tonen aan dat de daling van de hypotheekrente sinds eind 2023 is gestagneerd. In januari 2025 hebben veel geldverstrekkers hun tarieven verhoogd, wat leidde tot een toename van het aantal hypotheekaanvragen, aangezien consumenten wilden profiteren van de nog lagere rentes.
Vooruitkijkend verwachten experts dat de ECB haar beleid in de komende jaren zal aanpassen, wat kan leiden tot een verdere daling van de hypotheekrentes. Zo wordt voorspeld dat de rente op 10-jarige staatsleningen eind 2025 kan dalen richting 1,75 procent, wat een indicatie is voor de hypotheekrente.
Het is belangrijk op te merken dat deze verwachtingen afhankelijk zijn van diverse economische factoren en dat onverwachte gebeurtenissen de daadwerkelijke renteontwikkelingen kunnen beïnvloeden.
De hypotheekrente staat dus begin 2025 weer wat hoger dan in voorgaande jaren. Dat is wat minder gunstig voor mensen die een hypothecaire geldlening afsluiten. Rentemiddeling zal hierdoor minder aan de orde zijn.
Op het moment dat de hypotheekrente laag is, willen geldnemers met een bestaande hypothecaire geldlening hiervan ook kunnen profiteren. Als de rentevastperiode van de lopende geldlening nog loopt, is de vraag of dit haalbaar is. De geldlening zal in veel gevallen moeten worden overgesloten en daar zijn kosten aan verbonden, zoals vergoedingsrente (voorheen ‘boeterente’). Die kosten kunnen zo hoog oplopen, dat oversluiten weinig zinvol is, of misschien zelfs wel onbetaalbaar.
Echter, er zijn alternatieven, waardoor mensen met een hypothecair krediet toch kunnen profiteren van de lage rente. Deze alternatieven kenden tot 7 december 2015 nog fiscale knelpunten. Die fiscale knelpunten zijn via een besluit van de Staatssecretaris van Financiën sindsdien weggenomen.
De klassieke methode met betrekking tot berekenen van vergoedingsrente is vergoedingsrente betalen of meefinancieren. Wanneer iemand zijn hypothecaire krediet wil oversluiten om daarmee te profiteren van de lage rente, kan hij wachten tot de rentevastperiode is verstreken. Wil hij daarop niet wachten, dan zal een geldgever bij een lagere marktrente een vergoedingsrente in rekening brengen. De berekeningsmethodiek van die vergoedingsrenteberekening is afhankelijk van de oude rente, de resterende duur van de rentevastperiode en de vergelijkingsrente. We gaan er in onderstaande voorbeelden telkens vanuit dat het gaat om een eigenwoningschuld.
Voorbeeld Paul heeft een hypothecaire geldlening van € 200.000 tegen een rente van 5,6 procent voor 10 jaar vast. Er zijn nog vier jaar over van de rentevastperiode. Paul wil zijn geldlening oversluiten en de rente opnieuw 10 jaar vastzetten tegen de huidige lage rente van 2,5 procent. De geldgever van Paul kent een vergoedingsrentevrije ruimte van 20 procent van de oorspronkelijke hoofdsom. De vergoedingsrente wordt eerst vastgesteld. De geldgever hanteert als vergelijkingsrente de rente die hoort bij een rentevastperiode (rvp) die even lang is als de resterende rvp. Dat is in dit geval dus de rente die hoort bij een rvp van vier jaar. Die rente is bij de geldgever 2,2 procent. Het verschil tussen de contractrente en de vergelijkingsrente is 5,6% -/- 2,2% = 3,4 procent.
Dit verschil zou de geldgever nog vier jaar lang ontvangen, als het contract zou blijven doorlopen. De vergoedingsrente is dus (80% x € 200.000) x 4 x 3,4% = € 21.760.
Als Paul de vergoedingsrente in één keer betaalt, krijgt hij hierop een korting. De geldgever heeft immers voordeel bij het feit dat hij alle toekomstige rente ineens ontvangt. Er wordt een contante waarde berekend op basis van de vergelijkingsrente. In het geval van Paul resulteert dit in een contant gemaakte vergoedingsrente van € 19.683. Als hij dit bedrag ineens betaalt, is deze vergoedingsrente helemaal aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Als hij de vergoedingsrente meefinanciert (zijn geldlening verhoogt), is de vergoedingsrente ook aftrekbaar, maar dan is de rente over het leningdeel van € 19.683 niet aftrekbaar. Het is immers geen lening ten behoeve van de aanschaf of onderhoud van de eigen woning.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Juist bij een lage rentestand, is de vergoedingsrente (vaak) hoog. Als het de geldnemer ontbreekt aan de middelen om deze in één keer te betalen, kan meefinancieren een oplossing zijn.
In de loop van 2015 werd een nieuwe methodiek geïntroduceerd om de nadelen van de klassieke methode op te vangen: rentemiddeling met verrekening van de vergoedingsrente. Dit noemen we de ‘onzuivere rentemiddeling’. Deze methode houdt in dat de te betalen vergoedingsrente wordt verrekend in de vorm van een renteopslag op de nieuwe rente. De vergoedingsrente hoeft dan niet in een keer te worden afgerekend.
Voorbeeld Paul Wij keren terug naar het voorbeeld van Paul. Het uitgangspunt voor berekening van de vergoedingsrente was in zijn geval € 21.760 (voordat deze contant gemaakt werd). Dit bedrag wordt verrekend door bovenop de nieuwe rente een renteopslag in rekening te brengen. Dat gebeurt door de volgende formule in te vullen:
(vergoedingsrente/nieuwe rvp)/hoogte lening = (21.760/10)/200.000 = 0,01088 = 1,088 procent.
Dit percentage wordt vervolgens afgerond en opgeteld bij de nieuwe rente van 2,5 procent. Paul gaat dus in totaal 3,59 procent betalen.
Let u op: dit rekenvoorbeeld is een indicatie van de manier waarop de renteopslag wordt berekend. Er zijn verschillende aanbieders, die andere berekeningsmethodieken gebruiken. Zo wordt niet altijd rekening gehouden met de vergoedingsrentevrije ruimte, waardoor de opslag aanmerkelijk hoger wordt. Ook wordt er vaak een extra opslag in rekening gebracht.
De fiscale wetgeving is zodanig, dat de renteopslag als gevolg van onzuivere rentemiddeling alleen aftrekbaar was, als deze maximaal 0,2 procent zou zijn. In bovenstaand voorbeeld zou dit betekenen dat de rente over 2,5 procent wel aftrekbaar is, en het restant van 1,09 procent niet.
Dit knelpunt is door de staatssecretaris van Financiën op 7 december 2015 weggenomen. Hij heeft aangegeven dat vergoedingsrente voortaan moet worden aangemerkt als ‘rente van schulden’. Hierdoor wordt een opslag voor het uitsmeren van die vergoedingsrente, ook aftrekbaar.
Er wordt vaak een extra opslag berekend, zoals we in het voorbeeld al schetsten. Als de klant kort náhet oversluiten zijn geldlening helemaal aflost in verband met verkoop van de woning, kan dit (vaak) vergoedingsrentevrij.
De geldgever heeft dan nog niet de hele vergoedingsrente ontvangen, omdat deze was uitgesmeerd over de nieuwe rentevastperiode. Om dit risico te ondervangen, wordt vaak een extra risico-opslag gehanteerd, bovenop de opslag voor verrekening van de vergoedingsrente zelf. Deze extra risico-opslag geldt in beginsel niet als rente van schulden en zou daarom niet aftrekbaar zijn. Echter, hiervoor geldt een doelmatigheidsgrens van 0,2 procent. Dat wil zeggen dat ook deze opslag aftrekbaar is, zolang deze extra opslag de grens van 0,2 procent niet overschrijdt.
Vervolg voorbeeld Paul De geldgever van Paul brengt een extra opslag van 0,2 procent in rekening ter verrekening van het risico op vervroegde aflossing. Zijn totale rente wordt hierdoor 2,5% + 1,09% + 0,2% = 3,79 procent. Deze rente is helemaal aftrekbaar sinds het besluit van 7 december 2015.
Zou de geldgever een extra opslag in rekening brengen van 0,25 procent, dan wordt de totale rente 3,84 procent. Omdat de extra renteopslag hoger is dan 0,2 procent, is maar 3,59 procent aftrekbaar en de opslag van 0,25 procent in zijn geheel niet.
Er zijn ook aanbieders van hypothecaire kredieten, die zogenoemde de methode van ‘zuivere rentemiddeling’ hanteren. Bij zuivere rentemiddeling is er geen sprake van een vergoedingsrente, maar van het verrekenen van de oude en nieuwe rente in één nieuwe rente. De formule daarvoor luidt:
(oude rente x rest rvp) + (nieuwe rente x (nieuwe rvp - rest oude rvp)) nieuwe rvp
Voorbeeld Paul zuivere rentemiddeling Wij keren weer terug naar de situatie van Paul. Als zijn geldgever zuivere rentemiddeling aanbiedt, wordt er geen vergoedingsrente berekend. Zijn nieuwe rente is 3,74% en wordt als volgt vastgesteld:
(5,6% x 4 jaar) + (2,5% x (10 - 4)) =
22,4 + 15
In deze situatie is de totale nieuwe rente van 3,74 procent gewoon aftrekbaar. Sommige aanbieders hanteren ook bij deze rekenmethode een renteopslag. Ook die renteopslag is aftrekbaar, maar alleen als deze maximaal 0,2 procent is.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 7.4.6.4 Wijzigingsbesluit rentemiddeling
Per 1 juli 2019 mogen hypotheekaanbieders bij rentemiddeling, net als bij vervroegde aflossing, maximaal het financiële nadeel aan de geldnemer in rekening brengen, dat zij door rentemiddeling hebben9. Hiervoor zijn nieuwe regels opgenomen in het BGfo.
De vergoeding voor het nadeel van de geldverstrekker wordt gespreid gedurende de nieuwe rentevastperiode van de hypothecaire geldlening betaald. Bij rentemiddeling wordt er niet daadwerkelijk vervroegd afgelost. De regels voor vervroegd aflossen zijn daarom niet toe te passen op een dergelijke situatie. Hypotheekverstrekkers hoeven bij de berekening van het financiële nadeel geen rekening te houden met de jaarlijkse vergoedingsvrije ruimte voor vervroegd aflossen. Daarnaast is het niet toegestaan om een additionele opslag in rekening te brengen bovenop de nieuwe rente.
7.4.6.5 Rentedrempelconstructie
Deze constructie probeert het verschijnsel van de schommelingen in de rente op te vangen door te werken met een bandbreedte, waarbinnen de rente niet aangepast wordt. Pas als de rente zich onder of boven de bandbreedte bevindt, wordt dit hogere of lagere percentage in rekening gebracht. Als de overeengekomen rente, de zogenoemde stabielrente bijvoorbeeld vijf procent bedraagt en de overeengekomen bandbreedte twee procent bedraagt, dan zal er pas tot aanpassing van het te betalen rentebedrag overgegaan worden als de rente lager dan drie procent is of hoger dan zeven procent.
7.4.6.6 Meeneem- en doorgeefconstructie en loonvastconstructie
Ten slotte zijn er nog twee andere constructies die een ander uitgangspunt hebben dan de voorgaande: • meeneem- en doorgeefconstructie. Deze constructie wordt toegepast bij het verhuizen naar een nieuwe eigen woning. Soms kan het bij de oude hypothecaire geldlening behorende rentepercentage aan de nieuwe eigenaar van de woning doorgegeven worden. Wel is bij de meeneem- of doorgeefconstructie een nieuwe notariële acte vereist. • loonvastconstructie. Vanuit een basisrente wordt een werkelijke rente vastgesteld op basis van de ontwikkeling van de loonindexcijfers zoals die door het Centraal Bureau voor de Statistiek berekend worden. Dit indexcijfer is een maatstaf voor de ontwikkeling van de lonen in Nederland. Als bijvoorbeeld de basisrente 4,5 procent bedraagt, dan zal bij een
9 A rt. 81c BGfo. 209
loonstijging van 1,9 procent het te betalen rentepercentage op de loonvastconstructie 6,4 procent bedragen.
Deze constructie heeft in de beginjaren een lage maandlast tot gevolg. Neemt de inflatie toe en stijgen als gevolg daarvan ook de lonen, dan nemen eveneens de maandlasten in hetzelfde tempo toe. De loonvastconstructie is aantrekkelijk als de lonen niet of nauwelijks toenemen. De loonvastconstructie wordt in de praktijk weinig aangeboden.
7.5 MAXIMALE VERSTREKKINGSNORMEN EN NHG
In deze paragraaf gaan wij in op wat iemand maximaal kan lenen. Sinds 2013 bepaalt de overheid welke maxima er gehanteerd mogen worden. In 2014 zijn deze wettelijke leennormen aangepast. Wij laten zien hoe geldverstrekkers hiermee omgaan.
Daarna geven wij een algemene uitleg van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Daarbij komen drie partijen naar voren: de Stichting Waarborgfonds Eigen Woning (SWEW), de geldlener en de geldgever. In bijlage 5 vindt u de Voorwaarden en normen NHG 2025-1.
Ook staan wij stil bij de toetsing aan de NHG-normen en de overige NHG-voorwaarden.
Tot slot gaan wij in op de gevolgen van betalingsproblemen.
7.5.1 Maximale leennormen hypothecair krediet
In de wet staat dat een verstrekker van een krediet moet nagaan of dit krediet verantwoord is voor een klant. De geldgever moet nagaan of het inkomen voldoende is om de lasten van het krediet te dragen.
Deze algemene formulering is aan veel discussie onderhevig geweest. De overheid wilde dat er minder geleend zou worden. De geldverstrekkers moesten zich strakker houden aan hun eigen gedragscode.
Dit heeft ertoe geleid dat geldverstrekkers onderling afspraken maakten over welke normen gehanteerd moesten worden. Deze normen werden vastgelegd in de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF).
Het was een goed voorbeeld van (gedwongen) zelfregulering. Alle geldverstrekkers hanteerden dezelfde normen. Vervolgens werd ‘comply or explain’ 210 geïntroduceerd door de AFM. Een hypotheek die voldeed aan de norm was
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER verantwoord: comply. Anders moest er een specifieke uitleg komen: explain. Zo verschoof de bepaling van een verantwoorde hypotheek van geldverstrekker naar toezichthouder. Daarnaast bood ook NHG een richtlijn voor de maximale financiering op basis van inkomen en onderpand. Deze kwam voor het grootste deel overeen met de normen in de GHF.
In 2012 ontstond er discussie over de in de GHF en door NHG vastgelegde normen. De AFM interpreteerde de zin ‘verantwoord’ strikter dan de normen waaraan geldverstrekkers zich gebonden hadden.
De overheid vond deze discussie ongewenst. Daarom heeft de regering besloten vanaf 2013 zelf de normen vast te stellen. Deze normen krijgen daarmee een wettelijke status, die elke discussie moet voorkomen. De normen zijn opgenomen in de Tijdelijke regeling hypothecair krediet (Trhk). Deze regeling heeft in voorkomende gevallen voorrang op de GHF. Inmiddels is de tijdelijkheid van de regeling gebleken niet zo tijdelijk te zijn. Immers, de regeling zou oorspronkelijk gelden tot 2021 en geldt nu nog. In de volgende paragrafen gaan wij in op de invulling van de maximale leennormen voor hypothecaire kredieten volgens de Trhk 2025.
7.5.2 Maximaal hypothecair krediet op basis van inkomen
De minister van Financiën publiceerde op 5 november 2024 de wijzigingen in de Tijdelijke regeling hypothecair krediet (Trhk) van 2025.
De leennormen zijn in overleg met de Minister van VRO, Mona Keijzer, aangepast. Zij schrijft daarover in een Kamerbrief van 5 november 2024 dat er ‘geen grote wijzigingen’ zijn. Ze schrijft dat de meeste wijzigingen alleen verduidelijkingen zijn. Veel van de hypothecaire leennormen zijn ook in 2025 mede vastgesteld op basis van doorrekeningen en advies van het Nibud. Het Nibud heeft hun Rapport Advies Hypotheeknormen 2025 gepubliceerd tegelijk met de Trhk-wijzigingen (Bijlage 6).
Door de ontwikkeling van de inflatie (iets dalend en aanhoudend) kunnen huishoudens met een gelijkblijvend toetsinkomen boven de € 55.000 in 2025 minder lenen dan in 2024. Voor inkomens lager dan € 55.000 is er een heel lichte stijging. Het Nibud gaat uit van loonstijgingen. Bij een loonstijging van 4,3 procent gaat de leencapaciteit er voor iedereen ongeveer € 10.000 tot € 20.000 op vooruit. In 2024 waren de wijzigingen in de Trhk behoorlijk impactvol ten opzichte van 2023. Sinds 2024 was vooral de invloed van het energielabel op de leencapaciteit een grote wijziging. De extra leenbedragen blijven in 2025
ongewijzigd; zowel bij aankoop als bij verbouwing blijven alle bedragen per energielabel hetzelfde.
In 2025 zijn de wijzigingen in de Trhk beperkt en voornamelijk gericht op verduidelijkingen.
De belangrijkste aanpassingen zijn: • Verhoging extra leencapaciteit voor alleenstaanden: het bedrag dat alleenstaanden met een toetsinkomen boven € 28.000 buiten beschouwing mogen laten bij het vaststellen van de financieringslast, wordt verhoogd van € 16.000 naar € 17.000. • Inkomensbepaling bij flexibel inkomen: voor consumenten zonder vaste inkomsten is verduidelijkt dat het toetsinkomen kan worden gebaseerd op het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie kalenderjaren of 36 maanden. Als deze periode korter is dan 36 maanden, kan een Perspectiefverklaring of Arbeidsmarktscan worden gebruikt, mits de consument minimaal 12 maanden inkomen heeft genoten. • Pensioenleeftijd bij toetsing: bij het vaststellen van het toetsinkomen moet de aanbieder uitgaan van de vastgestelde AOW-leeftijd (in 2025 67 jaar) voor consumenten die binnen 10 jaar ná het aangaan van de hypotheek deze leeftijd bereiken. • Verduidelijking weging studieleningen: de bruteringsfactoren blijven gelijk ten opzichte van die van 2024. Daarnaast benoemt de Trhk drie situaties waarbij uitgegaan moet worden van de huidige studieschuld, de actuele rente en de resterende looptijd om de maandlast te bepalen: als nog geen maandlast betaald wordt, er sprake is van een lagere maandlast in verband met een draagkrachtmeting en er sprake is van een betalingspauze. • Onjuiste termen ‘debetrente’ en ‘opslag’ zijn vervangen door de juiste termen ‘toetsrente’ en ‘bruteringsfactor’.
Deze aanpassingen zijn bedoeld om de leennormen te verduidelijken en beter aan te laten sluiten bij de diverse inkomenssituaties van consumenten.
Voor de meeste van uw klanten, zal de leencapaciteit in 2025 iets hoger zijn dan in 2024. Zeker als er bij hen sprake is van een loonstijging van vier procent of meer. Voor potentiële huizenkopers liggen hier mogelijk kansen. In het geval uw klanten een gewenste woning in 2024 net niet konden kopen, kan dat wellicht in 2025 wel.
Voorbeeld berekening met studielening 2025
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Alexis (27) heeft een brutojaarinkomen van € 50.000. Daarnaast heeft zij een studielening bij DUO van € 15.000. De huidige rente op de studielening is 1,5 procent. Er is een resterende looptijd van 30 jaar en de werkelijke maandelijkse aflossing (DUO) is € 51.
Stap 1: Berekening financieringslastpercentage Op basis van de Tabel financieringslastpercentages 2025, is het financieringslastpercentage voor een inkomen van € 50.000 ongeveer 29 procent. Dit betekent dat een huizenkoper maximaal 29 procent van het bruto jaarinkomen mag besteden aan hypotheeklasten: maximale maandelijkse hypotheeklast: (€ 50.000 × 29%) / 12 = € 1.208,33.
Stap 2: Correctie voor studielening Omdat in 2025 de werkelijke maandelijkse aflossing van de studielening wordt meegenomen, wordt de maximaal toegestane hypotheeklast gecorrigeerd: € 1.208,33 - € 51 = € 1.157,33.
Stap 3: Maximale hypotheek berekenen De maximale hypotheek wordt berekend door de aangepaste maandlast te delen door de bijbehorende annuïtaire factor (bijvoorbeeld 4,75 procent rente en 30 jaar looptijd geeft een factor van 4,97). • Maximale hypotheek zonder studielening: € 1.208,33 × 4,97 = € 600.745 • Maximale hypotheek mét studielening: € 1.157,33 × 4,97 = € 575.593
Conclusie Door de studielening daalt de maximale hypotheek met ongeveer € 25.000. Dit laat zien hoe de nieuwe regels rekening houden met de werkelijke maandelijkse last, in plaats van een vast percentage van de totale studielening zoals in het verleden.
Voor het vaststellen van de maximale lening op basis van inkomen, moet een aantal stappen worden doorlopen. Die stappen nemen wij hierna door.
7.5.2.1 Stap 1: vaststellen toetsinkomen
Het bruto-inkomen is een belangrijke factor om vast te stellen of een hypothecair krediet verantwoord is. De verhouding tussen de hoogte van de lening en het inkomen wordt ook wel de ‘LTI-ratio’ genoemd, naar ‘Loan-to-income-ratio’.
Genormeerd10 is dat de hoogte van een hypothecaire geldlening, uitgaand van een annuït air aflossingsschema van 30 jaar op basis van een vastgestelde toetsrente, maximaal een bepaald percentage van het bruto-inkomen mag zijn. Daartoe wordt ook de term ‘toetsinkomen’ geïntroduceerd. Het toetsinkomen is het inkomen waarvan een aanbieder van hypothecair krediet uitgaat bij het bepalen van het maximale hypothecair krediet.
Dit toetsinkomen is het vaste en bestendige inkomen van de klant. Dat betekent dat voor iemand met een vast dienstverband geldt dat hij zijn vaste jaarinkomen kan meenemen. Ook het vakantiegeld valt hieronder, omdat dat contractueel vastligt (vrijwel altijd het wettelijke percentage van minimaal acht procent).
Er zijn nog meer inkomstenbronnen denkbaar. Wij benoemen een aantal, zonder uitputtend te kunnen zijn en geven aan welke meetellen als toetsinkomen: • provisie-inkomsten: provisie-inkomsten kunnen sterk fluctueren. Toch kunnen deze beschouwd worden als ‘vast en bestendig’ als de provisie-inkomsten structureel zijn. In dat geval mogen provisie-inkomsten van de afgelopen 12 maanden worden meegenomen als toetsinkomen. De geldgever moet zelf bepalen of zij meent dat de provisie-inkomsten structureel zijn en wat structureel betekent. • overwerk en onregelmatigheidstoeslag: voor inkomen uit overwerk geldt hetzelfde als voor provisie-inkomsten. Is in het verleden gebleken dat er structureel overgewerkt wordt en dat deze extra uren worden uitbetaald, dan mag het bedrag van de laatste 12 maanden worden meegenomen. Dit geldt ook voor een onregelmatigheidstoeslag. Een bijzondere vorm van onregelmatigheidstoeslag is de VEB-toeslag (een toeslag voor militairen). Daarvoor geldt ook dat deze, onder de voorwaarde dat het structureel is, kan worden meegenomen. • 13de maand: als contractueel vastligt dat iemand jaarlijks een 13de maand krijgt, dan mag deze ook worden meegenomen. Er is dan sprake van een vaste 13de of een vaste eindejaarsuitkering (indien de uitkering afwijkt van een maandinkomen). In veel cao’s is afgesproken dat de hoogte van de 13de maand afhankelijk is van de winst van de onderneming. In dat geval is deze dus niet vast, maar is het een soort bonus- of eindejaarsuitkering. Een variabele 13de maand of een bonusuitkering moet buiten beschouwing blijven. • partneralimentatie-inkomsten: inkomen uit partneralimentatie mag worden meegenomen. Omgekeerd geldt daardoor ook dat het toetsinkomen verlaagd wordt met te betalen alimentatie ten behoeve van de ex.
214 10 A rt. 3 Trhk.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER • onkostenvergoedingen: deze tellen nooit mee als toetsinkomen. Onkostenvergoedingen zijn voor gemaakte onkosten, dus vormen geen inkomen. • fiscale bijtelling auto van de zaak: wanneer iemand een auto van de zaak heeft en daarin ook privé mag rijden, krijgt hij een fiscale bijtelling (een bepaald percentage van de waarde van de auto). Dit is alleen een fiscale bijtelling. Het ‘inkomen’ dat extra belast wordt, is feitelijk geen inkomen, omdat de werknemer dit geld niet kan besteden aan bijvoorbeeld woonlasten. De fiscale bijtelling van de auto vormt dan ook geen bron van inkomen voor het toetsinkomen. • inkomsten uit vermogen: als redelijkerwijs te verwachten is dat het zich werkelijk zal voordoen, mogen inkomsten uit vermogen worden meegenomen als inkomensbron voor het toetsinkomen. De GHF voegt daaraan toe, dat de inkomsten de vermogensbron niet mogen aantasten. Bovendien wordt maximaal uitgegaan van een door het Contactorgaan Hypothecair Financiers (CHF) vast te stellen percentage, op dit moment 3% van het vermogen. Geld op een spaarrekening telt dus niet voor 3% mee. Een consument moet dus beleggen voor het maximale percentage. Als zeker is dat de inkomsten (langdurig) hoger liggen, bijvoorbeeld door huurinkomsten van verhuurd onroerend goed, mogen deze hogere inkomsten uit vermogen ook meegenomen worden. Er moet dan wel specifiek worden berekend hoe hoog die inkomsten zijn, gecorrigeerd voor de onkosten (zoals het onderhoud en de gemeentelijke en landelijke belastingen op verhuurd onroerend goed). • onder bepaalde voorwaarden mag een lijfrente in de derde pijler vanaf 1 januari 2017 meegenomen worden als pensioeninkomen. De geldverstrekker kan het inkomen uit de lijfrente zelf aantonen met behulp van rekenregels of aan de hand van een opgave van de lijfrente-uitvoerder. • Ook een uitkering kan toetsinkomen zijn. Dit kan een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids-, nabestaanden-, pensioenuitkering et cetera zijn. In elk van deze gevallen is het van belang na te gaan hoelang het recht op de uitkering nog duurt. Als een uitkering korter duurt dan de gebruikelijke looptijd van een hypothecaire geldlening (30 jaar) dan is het uiteraard onverstandig dit inkomen te beschouwen als inkomen dat de komende 30 jaar zal standhouden. • Tot slot geldt dat toekomstig inkomen ook als toetsinkomen mag worden meegenomen. Dat wil zeggen dat het toetsinkomen van iemand die binnen afzienbare termijn (meestal zes maanden) met inkomensstijgingen te maken krijgt, al wordt vastgesteld op dit toekomstige inkomen.
Naast mensen met een vast dienstverband zijn er diverse andere inkomensgenieters. Mensen met een tijdelijk inkomen bijvoorbeeld of een zelfstandig ondernemer.
Daarvoor geldt het volgende: ‘Indien de consument geen vaste inkomsten heeft, kan de aanbieder van hypothecair krediet rekening houden met de gemiddelde inkomsten van de consument over de laatste drie kalenderjaren, voorafgaand aan het jaar waarin het toetsinkomen wordt vastgesteld. Indien de consument in een of meer van de laatste drie kalenderjaren geen vaste inkomsten heeft gehad, kan de aanbieder van hypothecair krediet naast de wel beschikbare kalenderjaren uitgaan van een door een ter zake deskundige onderbouwde prognose van de toekomstige inkomsten van de consument.’
Iemand die geen vast dienstverband heeft, zal dus moeten aangeven wat zijn inkomen was in de afgelopen drie kalenderjaren. Kan hij dit niet, dan moet de kredietverstrekker zelf nagaan van welk inkomen uitgegaan kan worden, door een deskundige te raadplegen11. In de praktijk wordt er meestal niet uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de laatste drie jaar. Geldverstrekkers hanteren een extra norm: maximaal het laatste inkomen of 90 procent van het gemiddelde. Dit beperkt de mogelijkheden van ondernemers/ZZP’er die worden afgerekend op hun laatste, wat mindere jaar. De overheid erkent dat dit vervelend en lastig is. Maar dringt niet aan bij de geldverstrekkers. Op korte termijn is er daarom geen versoepeling te verwachten.
Voor een zelfstandig ondernemer die minder dan drie jaar een onderneming drijft, zal een medewerker van de geldverstrekker die gespecialiseerd is in het prognosticeren van jaarwinsten bijvoorbeeld een toekomstperspectief schetsen op basis van het ondernemingsplan en de eerder behaalde resultaten. In de praktijk is er op de keper beschouwd geen enkele aanbieder die met prognoses rekent. Wel wordt er soms uitgegaan van voorlopige jaarcijfers, maar dan is het jaar wel bijna voorbij.
Flexwerkers zijn sinds 2014 onder de aandacht om mogelijkheden te ontwikkelen voor een hypothecaire geldlening, die verantwoord is. Toch komen zij vaak moeilijker aan een hypothecaire geldlening dan werknemers in loondienst. Bij een ‘gewone’ werknemer vormt het huidige loon de basis voor de maximaal mogelijke hypotheek. Voor flexwerkers kijken hypotheekverstrekkers vaak tot drie jaar terug naar de (gemiddelde) inkomsten. Flexwerkers werken overwegend als uitzend-, oproep- of invalkracht. Ook werkenden met een één- of meerjarencontract worden beschouwd als flexwerkers.
Flexwerkers krijgen een zogenoemde ‘perspectiefverklaring’ als alternatief voor de werkgeversverklaring. Vooruitzichten zijn hierbij bepalend. Oplei-
216 11 A rt. 2.2 Trhk.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER ding, werkervaring, competenties, functieniveau en arbeidsmarktsituatie worden hierin meegewogen. Flexwerkers kunnen een perspectiefverklaring aanvragen, als zij minimaal een jaar in dienst zijn van een uitzendorganisatie. De verklaring geeft een indicatie van de mogelijkheden om in de toekomst inkomen te genereren. Veel hypotheekverstrekkers vinden een dergelijke verklaring even relevant als een werkgeversverklaring.
Een perspectiefverklaring is onder meer gebaseerd op data-analyse van opleiding, werkervaring en cv. Ook staat toekomstige inzetbaarheid erin. Het uitzendbureau betaalt ervoor. De perspectiefverklaring is bij NHG in combinatie met een werkgeversverklaring maximaal zes maanden geldig. De perspectiefverklaring alleen is maximaal drie maanden geldig.
Werkenden met een één- of meerjarencontract worden ook beschouwd als flexwerkers. Net zoals iemand die in loondienst werkt en geen vast contract heeft. Een intentieverklaring kan dan helpen om het inkomen te onderbouwen. Een werkgever spreekt daarmee zijn intentie uit om bij ‘gelijkblijvend functioneren’ de flexwerker in dienst te houden, na afloop van het tijdelijke contract. Op deze manier wordt aannemelijk gemaakt dat de inkomsten in de toekomst blijven doorlopen.
Een intentieverklaring is een onderdeel van de werkgeversverklaring. Een intentieverklaring wordt ook wel een ‘verklaring voortzetting dienstverband’ genoemd.
Een arbeidsmarktscan is belangrijk in de situatie dat de werkgever geen intentieverklaring wil afgeven. Niet alle geldverstrekkers accepteren de scan.
De kosten van de scan zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als deze gebruikt wordt voor het tot stand komen van een eigenwoningschuld.
De normen voor flexwerkers bij hypothecaire geldleningen zonder NHG zijn vaak nog strenger. De geldverstrekker berekent drie inkomens: • gemiddelde inkomen over de laatste drie jaar • inkomen laatste kalenderjaar • huidige inkomen.
Het laagste van deze drie geldt als uitgangspunt voor het toetsinkomen. Afhankelijk van de geldverstrekker telt dat inkomen tussen de 80 en 100% mee in de berekening van de maximaal te verstrekken hypotheeksom. Dat betekent dus dat bij een percentage onder de 100 procent een deel van het inkomen buiten beschouwing blijft. 217
Voor starters op de woningmarkt is ook besloten dat geldgevers, onder de voorwaarde dat het goed onderbouwd is, mogen uitgaan van inkomensvooruitzichten. Iemand die pas universitair afgestudeerd is in geneeskunde zal nog niet veel verdienen. De verwachtingen zijn wel dat op termijn het inkomen sterk zal stijgen. In dat geval mag de geldgever, onder de voorwaarde dat het individueel goed onderbouwd is, uitgaan van een hoger dan het huidige inkomen. Uiteraard moeten wel de huidige woonlasten überhaupt betaald kunnen worden, dus er kan ook niet klakkeloos uitgegaan worden van toekomstig inkomen. De geldgever zal daarin een duidelijk, reproduceerbaar oordeel over moeten vellen.
Verder is er volgens de wetgever theoretisch voldoende ruimte voor geldverstrekkers om af te wijken van de LTI-normen (maatwerk). Wat is er mogelijk en hoe gaat dat in de praktijk? Wij bekijken hierna de vier maatwerkopties.
1. Kwalitatieve afwijking ‘Aanbieders mogen afwijken van bovenstaand kader, indien het toetsinkomen en de financieringslast zijn bepaald op grond van de eerder genoemde LTI-normen en de afwijking hierop gemotiveerd wordt vastgelegd. Zodat duidelijk is waarom een hoger hypothecair krediet in dit specifieke geval verantwoord is.’12 Hierdoor zijn kwalitatieve afwijkingen mogelijk: het is praktisch gezien een open norm.
Voorbeeld Een bijna pensionado wil zijn woning om gezondheidsredenen levensloopbestendig maken. Daartoe wil hij de hypotheek met € 30.000 verhogen. Hij voldoet dan 22 maanden niet aan de LTI-normen. De verhoging leidt namelijk tot een maandlastenstijging van € 150. Zijn pensioeninkomen is ruim voldoende voor de extra lasten. Bovendien kan hij de extra lasten gemakkelijk opvangen met spaargeld. Op basis van artikel 4 lid 1 Trhk probeert hij offertes op te vragen, helaas zonder succes. De cliënt moet nu wachten tot zijn pensioendatum om zijn woning aan te kunnen passen vanwege zijn gezondheid.
2. Oversluiters Voor oversluiters, woningbezitters die hun bestaande hypothecaire geldlening herfinancieren, zijn de LTI-normen niet van toepassing als de nieuwe hypotheekschuld maximaal de ‘oude’ lening is, eventueel vermeerderd met financieringskosten en vergoedingsrente.13
12 A rt. 4 lid 1 Trhk. 218 13 A rt. 4 lid 2 Trhk.
Voorbeeld
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER De heer De Vries heeft in 2008 een hypothecaire geldlening afgesloten van € 220.000. Zijn inkomen destijds was € 40.000. Hij betaalt 5,25 procent rente en hij wil elders profiteren van een veel lagere rente. Zijn huidige salaris bedraagt € 45.000. Op basis hiervan kan hij € 200.000 lenen. Toch mag een geldverstrekker hem € 220.000 + bijkomende financieringskosten lenen.
3. Overbruggingskrediet Een aanbieder van hypothecair krediet kan bij het aangaan van een hypothecair krediet de lopende verplichtingen van een nog niet verkochte woning inclusief de eventuele lasten van een overbruggingsfinanciering buiten de inkomenstoets houden.14 Maar dan moeten die lasten wel gedurende een redelijke termijn (meestal twee jaar) uit eigen vermogen kunnen worden betaald. Bovendien gaan geldverstrekkers veelal uit van een verkoopresultaat van 80 procent van de getaxeerde waarde. Dit betekent dat een consument een grotere buffer moet hebben.
Voorbeeld Mevrouw Maison heeft een woning gekocht voor € 300.000. Haar huidige woning staat te koop voor € 200.000, € 10.000 boven de taxatiewaarde. De hypothecaire geldlening op de woning bedraagt € 170.000 (maandlasten € 700). Zij verwacht € 15.000 over te houden aan de verkoop. Verder heeft zij € 17.500 spaargeld. Hieruit kan zij twee jaar lang de maandlasten betalen.
Stel dat de geldverstrekker uitgaat van een verkoopopbrengst van 80 procent van € 190.000 = € 152.000 en dus een restschuld van € 170.000 -/- € 152.000 = € 18.000.
Mevrouw Maison zou moeten beschikken over: 24 x € 700 + € 18.000 = € 34.800. Haar vermogen is dus te laag volgens de geldverstrekker.
7.5.2.2 Stap 2: vaststellen maximale financieringslast
Wanneer het toetsinkomen bekend is, kan vastgesteld worden hoe hoog de maximale maandlast van de klant is.
Daarvoor moet eerst bekend zijn met welke rente gerekend moet worden. Kiest de klant voor een rvp van 10 jaar of langer, dan geldt de te offreren, werkelijke rente. Als de hypothecaire geldlening uit verschillende delen met verschillende rentevoeten bestaat, wordt het gewogen gemiddelde genomen, naar hoofdsom en looptijd onder de voorwaarde dat de gemiddelde rvp ook gelijk aan of langer dan 10 jaar is.
14 A rt. 4 lid 4 Trhk.
Voor hypothecaire geldleningen met een rvp korter dan 10 jaar geldt de verplichting dat voor het bepalen of de hypothecaire geldlening verantwoord is, wordt gerekend met de toetsrente. Echter, als de werkelijke rente hoger is dan de toetsrente, dan moet er toch gerekend worden met de werkelijke rente. Door gebruik te maken van de toetsrente wordt voorkomen dat stijgingen van de rente na afloop van de rvp consumenten in de financiële problemen brengt. Ook voor klanten die nog niet weten hoe lang ze de rente willen vastzetten, wordt de toetsrente als uitgangspunt genomen.
De toegepaste (toets)rente wordt als uitgangspunt genomen voor de hele financieringsduur: standaard 30 jaar. Als de rvp korter is dan de looptijd van de lening mag toch worden uitgegaan van de toetsrente voor de gehele looptijd. Elk kwartaal wordt deze ‘korte’ toetsrente vastgesteld en gepubliceerd door de AFM. De AFM voert hiermee wettelijke regeling uit op grond van de Tijdelijke regeling hypothecair krediet. De toetsrente voor het eerste kwartaal van 2025 is vijf procent.
Wanneer het toetsinkomen en de (toets)rente bekend zijn, kan het financieringslastpercentage worden vastgesteld. Het financieringslastpercentage is het maximale deel van het inkomen dat besteed kan worden aan woonlasten.
De financieringslasttabellen vindt u in de Trhk Bijlage 1. Financieringslastpercentages worden ook wel ‘woonquotes’ genoemd. Voor de leeftijdscategorie van mensen boven de AOW-gerechtigde leeftijd is een aparte financieringslasttabel. Voor hen gelden andere inkomstenbelastingtarieven, waarmee rekening gehouden wordt in de andere tabel. Voor tweeverdieners geldt dat voor het vaststellen van het financieringslastpercentage het hoogste inkomen wordt genomen, vermeerderd met 100 procent van het lagere inkomen.
Voorbeeld Henri (31) heeft een toetsinkomen van € 43.000. Hij is getrouwd met Corneel (38). Hij heeft een toetsinkomen van € 36.000. Totaal hebben zij dus een inkomen van € 79.000. Zij twijfelen nog over de rentevastperiode dus we gaan uit van een toetsrente van vijf procent. Zij gaan voor het eerst een hypothecair krediet aan, en willen zo laag mogelijke maandlasten. Daarom ligt het voor de hand uit te gaan van een totale looptijd van 30 jaar.
Voor de vaststelling van het financieringslastpercentage kijken we in tabel 1. bij een inkomen van € 43.000 + € 36.000 = € 79.000 en een toetsrente vanaf
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 4,501 procent tot 5,001 procent (namelijk 5,000 procent). Wij vinden dan een financieringslastpercentage van 29,5 procent.
Dit is het deel dat zij maximaal aan financieringslasten kunnen besteden van hun totale toetsinkomen.
7.5.2.3 Stap 3: Vaststellen maximale maandelijks woonlast
Nadat het financieringslastpercentage is vastgesteld, kunnen wij bepalen welk deel van het inkomen per maand aan woonlasten besteed kan worden.
Hierop moeten mogelijk correcties worden toegepast, omdat er sprake is van een bestaand krediet. Wanneer een cliënt al een bestaand consumptief krediet heeft, wordt als correctie altijd twee procent van de kredietlimiet als uitgangspunt genomen.
Voorbeeld Henri en Corneel, uit het vorige voorbeeld, hebben een doorlopend krediet (DK) van € 6.000, waarvan op dit moment € 3.200 is gebruikt. Hoe hoog is hun maximale maandelijkse woonlast?
In het vorige voorbeeld hebben wij gezien dat hun inkomens respectievelijk € 43.000 en € 36.000 zijn en dat hun financieringslastpercentage 29,5 procent is. Hun maximaal toegestane financieringslast per jaar komt uit op: 29,5% x (€ 43.000 + € 36.000) = € 23.305. Per maand is dat € 1.942.
Omdat zij een DK hebben, moet hierop twee procent van de kredietlimiet in mindering worden gebracht. Dat is 2% x € 6.000 = € 120. Hun maximaal toegestane resterende financieringslast per maand komt daarmee op € 1.942 -/- € 120 = € 1.822.
In 2022 is voor NHG deze norm aangescherpt (7.3.1 onderdeel d) voor aflopende kredieten. Tot 2022 werd op dezelfde manier getoetst als in het voorbeeld hiervoor. Vanaf 2022 wordt er bij een aflopend krediet altijd getoetst op werkelijke last ongeacht of deze hoger of lager is dan twee procent van de oorspronkelijke hoofdsom.
Vanaf 1 april 2022 telt een private leasecontract zwaarder bij de bepaling van de maximale hypotheeksom. BKR gaat private leasecontracten voor 100 procent (tot deze datum 65 procent) registreren. Voor NHG-hypotheken vanaf 2022 geldt de werkelijke last hiervan bij het berekenen van de maximale financieringslast. Dit geldt ook voor een leasfiets!
7.5.2.4 Stap 4: Vaststellen annuïteitenfactor
Bij het vaststellen van de maximale financiering op basis van inkomen, wordt in beginsel uitgegaan van een 30-jarige annuïteit met maandelijkse betaling achteraf, of van een kortere looptijd als daarvan sprake is. Wanneer iemand bijvoorbeeld al 10 jaar hypotheekrenteaftrek genoten heeft, dan kan het zijn dat hij ervoor kiest een hypothecair krediet aan te gaan van maximaal 20 jaar, zodat de looptijd gelijkloopt met de resterende periode van renteaftrek. De maandlast wordt dan hoger, en daarmee moet de adviseur rekening houden. Hoewel de annuïteit te berekenen is op een financiële calculator, is hij ook af te lezen uit een tabel.
In Bijlage 3 van deze module vindt u een annuïteitentabel. Afhankelijk van de toetsrente kan hier eenvoudig de annuïteit afgelezen worden bij een looptijd van 360 maanden. Is de looptijd korter, dan moet u de annuïteit berekenen.
7.5.2.5 tap 5: vaststellen maximale financiering S op basis van inkomen
De maximale financiering op basis van inkomen is de maximale maandlast, vermenigvuldigd met de gevonden annuïteitenfactor.
Voorbeeld Jan en Nanny hebben een maximaal toegestane maandelijkse woonlast van € 1.723,33.
Omdat we uitgaan van een toetsrente van vijf procent en een looptijd van 360 maanden, is de annuïteit 186,2816 (zie bijlage 1).
NB Op HP10bII PV=? (Maximale hypothecaire geldlening) Voer in: P/yr=12 N=30 I/yr=5 PMT=1 658 FV=0
Druk nu op PV: 308.854.
Hun maximale lening op basis van inkomen is dus: € 1.723,33 x 186,2816 = € 321.024. Afgerond naar beneden om overkreditering 222 te voorkomen!
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Bij verlieskrediet (krediet om een restschuld te financieren) gaan de meeste geldverstrekkers tegenwoordig uit van de werkelijke brutolasten in plaats van twee procent, onder de voorwaarde dat het krediet in 15 jaar (de maximale aftrektermijn) ook daadwerkelijk wordt afgelost. Fiscaal gezien hoeft er in 15 jaar niet afgelost te worden om voor renteaftrek in aanmerking te komen.
7.5.3 Maximale lening op basis van waarde onderpand
Niet alleen heeft de wetgever vastgelegd hoe de maximale geldlening op basis van inkomen wordt vastgesteld, maar ook wat de maximale geldlening is op basis van het onderpand (de zekerheid). De hoogte van de geldlening ten opzichte van het onderpand wordt ook wel ‘LTV-ratio’ genoemd, naar ‘Loan-to-value-ratio’.
Voor 2024 geldt nog steeds dat het hypothecaire krediet bij aanvang maximaal 100 procent van de waarde van de woning is. Voor het financieren van bijkomende kosten (overdrachtsbelasting, taxatie, advies, notaris en eventueel borgtocht) zal de koper dus steeds eigen geld moeten inbrengen.
In de volgende gevallen mag van de maximale LTV-ratio van 100 procent worden afgeweken15: • er is een restschuld bij verkoop van een woning tussen 28 oktober 2012 en 1 januari 2018 meegefinancierd16. Het bedrag ter hoogte van de restschuld hoeft niet meegewogen te worden in het percentage van 100 procent. Echter, de totale hypotheeklast moet wél binnen de inkomensnormen passen. NHG normeert zelfs dat de meegefinancierde restschuld moet worden afgelost binnen de kortst mogelijke looptijd die past binnen de maximaal toegestane woonlast. Geldverstrekkers stellen ook aanvullende (aflossings)eisen en in beide gevallen hebben eigen, bestaande cliënten de meeste kans. En alleen bij aankoop van een nieuwe woning. Geen enkele geldverstrekker biedt een standaard-restschuldoplossing voor mensen die gaan huren na verkoop: consumenten moeten op zoek naar een ‘los’ krediet al of niet in individueel overleg met hun geldverstrekker. Voor een geldnemer is het daarom praktischer het verlies te financieren via een consumptief krediet of binnen de familie. Binnen de familie kan er fiscaal voordeel worden genoten: de rente op de schuld is 15 jaar aftrekbaar, zonder aflossingsverplichting. Bovendien is vervolgens de vijver hypothecair geldverstrekkers waaruit gekozen kan worden, veel voller.
15 A rt. 5 Trhk. 16 A rt. 5 lid 2 Trhk. 223
• een bestaand hypothecair krediet wordt overgesloten en de kosten van dat oversluiten worden meegefinancierd. Er mag van de wetgever nu meer dan de LTV-ratio van 100 procent geleend worden. Maar weinig geldverstrekkers gaan hierin volledig mee en houden dan maximaal 110 procent aan. Binnen NHG is helemaal niets mogelijk op dit vlak17. • de LTI-ratio ligt substantieel lager dan de maximaal toegestane ratio18. Iemand met een hoog inkomen ten opzichte van zijn geldlening, mag dus meer dan 100 procent van de waarde van de woning lenen. Er is geen verdere invulling gegeven aan wat ‘substantieel’ is, geldvertrekkers hanteren hiervoor 60 procent van de lasten, uitgaande van de maximaal mogelijke lening. • er zijn achterstallige betalingen aan Vereniging van Eigenaren. Als de achterstallige betalingen daadwerkelijk door de koper worden voldaan na aankoop van de woning, mogen ze boven de LTV-norm worden meegefinancierd19. • vanaf 2017 geldt een extra uitzondering op de maximale LTV-ratio van 100 procent: ook als er voorzieningen worden getroffen voor noodzakelijke woningverbetering (zoals bij funderingsproblemen) mag de LTV hoger zijn, onder voorwaarde dat de woningverbetering zelf leidt tot een lagere LTV dan vóór de noodzakelijke woningverbetering20. • wanneer er energiebesparende energiemaatregelen (artikel 1 sub b Trhk) worden getroffen in de woning. In dat geval mag de maximale LTV-ratio 106 procent zijn. Deze maximale norm geldt zodra er een energiebesparende voorziening wordt getroffen: tot 2016 ongeacht de hoogte en daarna tot het bedrag dat daadwerkelijk wordt uitgegeven21.
De wetgever stelt dat de waarde van de woning de volgende kan zijn: • het aankoopbedrag van de woning zoals blijkt uit een koopovereenkomst, die is ondertekend door de consument en de verkoper, een akte van levering of een veilingakte als de woning is gekocht op een veiling. • de koopsom of aannemingssom dan wel de kosten volgens de begroting van een bouwkundig bedrijf, eventueel vermeerderd met de kosten van de grond, kosten van de bouw, inclusief de kosten voor meerwerk, bouwrente en renteverlies tijdens de bouwperiode, en de aansluiting op nutsvoorzieningen. of • de marktwaarde van de woning die blijkt uit een door een deskundig taxateur opgemaakt taxatierapport dat op het moment van aangaan van het hypothecair krediet maximaal 12 maanden oud is, eventueel na verbouwing.
17 A rt. 5 lid 4 sub a Trhk. 18 A rt. 5 lid 4 sub e Trhk. 19 A rt. 5 lid 4 sub d Trhk.
20 A rt. 5 lid 4 sub c Trhk. 21 A rt. 5 lid 3 Trhk.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Vervolgens wordt de laagste waarde van de eerdergenoemde waarden als uitgangspunt genomen.
Hieruit blijkt dat een taxatierapport, als dat gebruikt wordt voor vaststelling van de waarde, nooit ouder mag zijn dan 12 maanden. Geldgevers mogen hiervan alleen afwijken, door een recenter taxatierapport, meestal maximaal zes maanden oud, te eisen. Voor leningen met NHG geldt bijvoorbeeld ook een taxatierapport van maximaal zes maanden oud.
7.5.4 Nationale Hypotheekgarantie
Nationale Hypotheek Garantie (NHG) heeft tot doel het bevorderen van het eigenwoningbezit. Dit heeft vooral betrekking op huishoudens met lagere inkomens. De Stichting Waarborgfonds Eigen Woning (SWEW) is de uitvoerder van NHG. De SWEW is opgericht in 1993. Ze geeft invulling aan de doelstelling door overeenkomsten van borgtocht aan te gaan met geldleners. In bijlage 5 van de module vindt u de Voorwaarden en Normen 2025-1 van NHG.
Een overeenkomst van borgtocht wil zeggen dat SWEW overeenkomt garant te staan voor 90 procent van het deel van de geldlening dat de geldlener niet meer kan terugbetalen. Met andere woorden: de geldverstrekker heeft meer zekerheid dat hij het uitgeleende geld terug krijgt. De SWEW betaalt immers als de geldlener dit zelf niet meer kan. De geldverstrekker heeft wel sinds 2014 een eigen risico van 10 procent van het verlies dat is geleden.
NHG = een regeling die tot doel heeft het bevorderen van het eigenwoningbezit
Waarborgfonds Eigen Woning (WEW) is uitvoerder van NHG: • Staat borg voor de geldlener • Overheid springt eventueel bij met achtergestelde renteloze lening • Geldgever heeft meer zekerheid
Overeenkomst Standaardovereenkomst van borgtocht van borgtocht
Geldverstrekkers geven NHG af
Geldlenerkrijgt NHG op de lening: • Rentekorting • Betalen borgtochtprovisie: 0,4% van de geldlening (2025)
Heeft lener recht op NHG? • Hoe hoog zijn de kosten met betrekking tot aankoop of verbouwing? • Hoe hoog is het inkomen? • Is de rente aftrekbaar? • Wordt voldaan aan overige normen?
Figuur: Nationale Hypotheek Garantie (NHG)
7.5.5 Stichting Waarborgfonds Eigen Woning (SWEW)
De overheid heeft een achtervangfunctie. Als er liquiditeitstekorten dreigen op te treden, verstrekt het rijk een achtergestelde renteloze lening aan de SWEW. Dit is voor de geldverstrekkers voldoende zekerheid dat de SWEW altijd aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. De SWEW geeft hiervoor een borgtocht af. De term ‘Hypotheekgarantie’ is daarom onjuist. Het is immers een borg en dat is juridisch iets anders.
7.5.5.1 De borgtocht
De SWEW geeft dus een borgtocht af. De hoogte van de borgtocht is de resterende lening op de datum van verkoop van de eigen woning. Het bedrag van de borgtocht neemt iedere maand annuït air af. Deze vermindering staat los van de leningvorm. Voor deze berekening hanteert de SWEW de nominale rente die de geldverstrekker en de geldlener zijn overeengekomen. Na opeising van de lening door de geldverstrekker stoppen de verminderingen.
Voorbeeld
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Marieke is per 1 februari van dit jaar een hypothecaire geldlening met NHG aangegaan voor de aanschaf van haar nieuwe eigen woning. De hoogte van de hypothecaire geldlening is € 215.000. Direct na aankoop van haar nieuwe eigen woning verliest zij haar baan. Het lukt haar niet een nieuwe baan te vinden. Ze kan haar hypotheeklasten niet meer betalen. De geldverstrekker besluit de woning te verkopen. De woning brengt € 200.000 op. De SWEW betaalt aan de geldverstrekker € 13.500 (90 procent van het verlies). Marieke heeft nu een schuld van € 13.500 aan de SWEW en € 1.500 aan de geldverstrekker. Ook heeft zij geen eigen woning meer.
De SWEW staat alleen borg als aan de volgende voorwaarden is voldaan: • Bij een verbouwing moet de geldverstrekker dezelfde geldverstrekker zijn als voor wie het eerste recht van hypotheek is gevestigd. Het gaat hier dus om een aanvullende lening in verband met kwaliteitsverbetering van de woning. • De woning is niet verhuurd. Ook huurkoop of op een andere manier aan derden ter beschikking stellen is niet toegestaan. Dit staat in de hypotheekakte respectievelijk pandakte. Hiervan kan alleen met schriftelijke toestemming van de geldverstrekker worden afgeweken. Ook is er een extra regeling in de situatie dat de eigenaar zijn te koop staande woning tijdelijk wil verhuren. • De lener verzekert de woning tegen brand- en stormschade voor de herbouwwaarde. Ook moeten de premies op tijd worden voldaan. • Op het moment van offreren voldoet de geldverstrekker aan de normen die op dat moment gelden. De SWEW kan haar normen jaarlijks bijstellen.
Sinds 2013 is een aantal richtlijnen van ‘intensief beheer van NHG’ aangescherpt. Deze aanscherping is nog verder doorgevoerd in 2014. Onder andere is opgenomen dat als sprake is van relatiebeëindiging, werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid, de geldgever moet bezien of behoud van de woning mogelijk is. In elk geval moet aangetoond zijn dat, als dat niet lukt, zowel de geldgever als de geldnemer alles hebben gedaan om het verlies zoveel mogelijk te beperken.
Daarnaast zijn de onderstaande artikelen in dit kader aangescherpt en/of toegevoegd:
Als sprake is van onderhandse verkoop waarbij een bod lager is dan 95 procent van de marktwaarde, moet de geldgever in overleg treden met de SWEW om te bezien of het bod kan worden geaccepteerd.
Wanneer wordt overgegaan tot executoriale verkoop van de woning dan moet de geldgever toestemming verkrijgen van de SWEW. Ook als voor de 227
veiling een bod wordt uitgebracht, moet de geldgever in overleg treden met de SWEW om te bezien of het bod kan worden geaccepteerd.
Als een achterblijvende geldnemer niet in staat is om de geldlening zelfstandig voort te zetten, is het de geldgever toegestaan een nieuwe schuldenaar toe te voegen, onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de regelgeving.
Voorbeeld Cornelis en Adrie willen hun eigen woning verbouwen. Op de woning rust een hypothecaire geldlening van € 155.000 bij geldverstrekker A. Deze is destijds afgesloten met NHG. Cornelis en Adrie hebben een bedrag van € 45.000 nodig voor de verbouwing. Dit geld willen zij lenen. Bij verschillende geldverstrekkers vragen zij offertes aan voor de verhoging van hun hypothecaire geldlening. Voor de verhoging kan alleen geldverstrekker A offreren op basis van NHG. Hierdoor kan geldverstrekker A een rentekorting geven. Andere geldverstrekkers kunnen alleen NHG aanbieden als Cornelis en Adrie een heel nieuwe lening afsluiten en de oude lening bij geldverstrekker A aflossen.
7.5.5.2 Overname borgtocht
Bij het oversluiten van een hypothecaire geldlening onder NHG liep de geldnemer vóór 2016 aan tegen een behoorlijke administratieve exercitie. Vanaf 2016 is er een versoepeling in de overname van de borgtocht door een andere geldverstrekker van kracht. Vóór 2016 moest eerst het hele dossier worden overgedragen aan de SWEW. Vanaf 2016 is dat niet meer vereist. Het gaat nu om een beperkt aantal documenten met basisinformatie dat in dit geval aan de SWEW moet worden overgedragen.
7.5.5.3 Standaardovereenkomst van borgtocht
De geldverstrekkers met wie de SWEW een standaardovereenkomst van borgtocht heeft afgesloten, zijn op grond van een mandaat bevoegd namens de SWEW beslissingen te nemen over aanvragen van de NHG. Ook zijn de geldverstrekkers gemachtigd om namens de SWEW de door de geldleners verschuldigde borgtochtprovisie te innen.
De geldlener dient de aanvraag in bij de geldverstrekker, tegelijkertijd met de aanvraag van de hypothecaire geldlening. De geldlener hoeft zelf geen acties te ondernemen. Wanneer een geldverstrekker onterecht een geldlening onder NHG toekent, is de SWEW niet gebonden te handelen conform NHG. De geldverstrekker moet zich dan wel tegenover de lener aan alle regels en voorwaarden houden, want deze mag niet lijden onder een fout van de geldverstrekker.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 7.5.5.4 Geldlener en NHG
Een geldlener die gebruikmaakt van NHG krijgt een korting op zijn hypotheekrente. Daarnaast moet hij een borgtochtprovisie betalen.
Met NHG betaalt de geldlener een lagere hypotheekrente. De geldverstrekker biedt deze korting aan door de extra zekerheid die er door NHG ontstaat. Door deze extra zekerheid hoeft de geldverstrekker namelijk minder eigen geld aan te houden (solvabiliteitseis). Dat levert de geldverstrekker geld op, een voordeel dat de geldverstrekker doorberekent naar een rentekorting voor de geldnemer.
Voorbeeld Astrid en Henk willen maximaal een woonlast van € 650 per maand. Ze hebben een leuke woning op het oog. De adviseur van Astrid en Henk berekent dat ze met NHG net onder deze woonlast blijven. Maken Astrid en Henk geen gebruik van NHG dan ligt de woonlast ruim boven deze € 650. NHG maakt het voor Astrid en Henk mogelijk deze woning, met de daarbij gewenste woonlast, aan te kopen.
De door de koper te betalen borgtochtprovisie bedraagt 0,4 procent (2025) van de hypotheeksom. Bij het (gedeeltelijk) vervallen van de borgtocht vindt geen (gedeeltelijke) restitutie van de betaalde borgtochtprovisie plaats.
Voorbeeld Frederik sluit een hypothecaire geldlening met NHG af ter hoogte van € 185.000. Het is een annuïteitenhypotheek. Frederik betaalt aan borgtochtprovisie voor NHG € 185.000 x 0,4% = € 740.
7.5.6 NHG-normen
De geldverstrekker toetst aan de hand van de NHG-normen of de potentiële lener in aanmerking komt voor NHG.
7.5.6.1 Kosten eigen woning
Of een lener aanspraak kan maken op NHG is in eerste instantie afhankelijk van de kosten die hij maakt voor de eigen woning. Dit noemen we ook wel de ‘kostengrens’.
Hierbij onderscheiden we de kosten die gepaard gaan met: • aankoop bestaande woning; • aankoop nieuwe woning; • bouw in eigen beheer; 229
• aankoop woonwagen; • kosten voor kwaliteitsverbetering woning. NHG volgt de in de Trhk opgesomde ebv; • vergroten van de eigendom.
7.5.6.2 Aankoop bestaande woning
Onderstaande opsomming geeft weer uit welke kosten het in eigendom verkrijgen van een bestaande woning bestaat volgens de NHG-normen.
Tel deze posten bij elkaar op: a. het laagste bedrag van: – koopsom kosten koper zonder kosten voor roerende zaken. Koopsom moet blijken uit een koopovereenkomst die getekend is door de consument en de verkoper. – 97 procent van de koopsom vrij op naam, als de koopsom vrij op naam is. De koopsom moet blijken uit een koopovereenkomst die getekend is door de koper en verkoper. Of uit een akte van gunning. – marktwaarde vrij van huur en gebruik volgens het taxatierapport dat aan de NHG-regels voldoet. o bij erfpachtconstructie: waarde erfpachtrecht is marktwaarde. o bij kortingsconstructie: waarde woning met aftrek kortingsdeel is marktwaarde. b. kosten voor kwaliteitsverbetering. c. afkoopsom erfpachtcanonverplichtingen. Alleen als afkooptermijn minstens gelijk is aan looptijd de lening. d. eenmalige storting in fonds voor toekomstig onderhoud. Deze storting moet in een overeenkomst staan. e. bij erfpacht- of kortingsconstructie met aanvullend vermogensrisico: waarde van aan consument verpachte grond of bedrag van kortingsdeel. f. maximaal zes procent over som van a t/m d en h voor bijkomende kosten. g. restschuld geldlening met NHG vorige woning. En maximaal twee procent over dit bedrag voor bijkomende kosten. h. kosten voor energiebesparende voorzieningen.
Voor de NHG-grens wordt rekening gehouden met de gemiddelde woningwaarde van de afgelopen 27 maanden plus vijf procent. Op basis van deze systematiek neemt de NHG-grens in 2026 toe tot € 470.000 (€ 20.000 meer dan in 2025). Om verduurzaming te stimuleren is extra leenruimte beschikbaar. Met Energie Besparende Voorzieningen (ebv) is de NHG-grens in 2026 € 498.200.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Voor woonwagens geldt een andere systematiek. Tot en met 2025 gold voor woonwagens een eigen, lagere NHG-grens (2025: € 172.000, met ebv € 182.320). Per 1 januari 2026 is deze aparte grens vervallen: woonwagens en standplaatsen vallen nu onder dezelfde (uniforme) kostengrens als andere woningen (€ 470.000, met ebv € 498.200).
7.5.6.3 Aankoop nieuwbouwwoning
De toetsing van de nieuwbouwwoning aan de NHG-grens vindt plaats door de posten in het overzicht hierna bij elkaar op te tellen. De volgende regels zijn daarbij belangrijk: 1. de posten a t/m e en i tellen ook mee als de klant de kosten wel heeft maar niet leent. Heeft de klant bijvoorbeeld kosten om de woning geschikt te maken voor bewoning, zoals een keuken, badkamer of toilet en betaalt hij deze uit eigen middelen, dan tellen ook deze kosten mee. Dit is anders voor posten f, g en h. Deze tellen alleen mee als de klant de kosten hiervoor leent. 2. het totaal van a t/m i mag maximaal € 498.200 zijn. En het totaal van a t/m h mag maximaal € 470.000 zijn. 3. bij koop van een woning met een A++++ label mag het totaal van a, b en i maximaal € 498.200 zijn.
Tel deze posten bij elkaar op: a. koop-/aannemingssom of kosten die bouwkundig bedrijf begroot voor bouw. Deze moet blijken uit een koop-/aannemingsovereenkomst, getekend door koper en verkoper. – bij kortingsconstructie zonder aanvullend vermogensrisico: het bedrag van de korting wordt in mindering gebracht op koop-/ aanneemsom. – bij kortingsconstructie met aanvullend vermogensrisico: het bedrag van de korting wordt opgeteld bij koop-/aanneemsom. Als de bedragen b tot en met i hierna geen onderdeel van de koop-/aannemingssom of de begrote kosten zijn, worden deze opgeteld bij bedrag a: dan op bij bedrag a. a. grondkosten. – als cliënt al eigenaar is van de grond wordt de oorspronkelijke koopsom van de grond genomen. – als er sprake is van koop van een nieuwbouwwoning met erfpachtconstructie met aanvullend vermogensrisico, dan wordt de marktwaarde van de grond als kosten voor de grond aangemerkt. – bij andere erfpachtconstructies wordt de marktwaarde van de grond op nul gesteld. b. bij afkoop erfpachtcanon wordt de waardevermeerdering die dit heeft op de woning meegeteld. c. saldo meer- en minderwerk. d. bouwrente. 231
e. renteverlies tijdens bouwperiode. f. kosten voor aansluiting op nutsvoorzieningen. g. bouwkosten. h. kosten voor aanvullende energiebesparende voorzieningen.
7.5.6.4 Bouw in eigen beheer
Bij het vaststellen van de kosten van een verkrijging van een nieuw te bouwen woning in eigen beheer gelden bijna dezelfde regels als bij aankoop van een bestaande nieuwbouwwoning. Een bouwkundig bedrijf moet een gespecificeerde begroting opstellen, omdat er geen sprake is van een koop-/ aannemingssom.
7.5.6.5 Aankoop woonwagen
NHG is ook van toepassing op woonwagens en woonwagenstandplaatsen. Op een woonwagen kan de geldlener geen hypotheekrecht vestigen, omdat het geen registergoed is. Wel kan de geldverstrekker pandrecht vestigen. Op woonwagenstandplaatsen kan wel een recht van hypotheek worden gevestigd.
Tel de volgende bedragen bij elkaar op: a. Het laagste bedrag van deze drie waardebepalingen: – koopsom van de woonwagen zonder de kosten voor andere roerende zaken – aannemingssom – marktwaarde vrij van huur en gebruik van vóór uitvoering van eventuele verbouwingen. Deze waarde moet blijken uit een taxatie die aan onze regels voldoet. b. saldo van meer- en minderwerk c. kosten voor kwaliteitsverbetering d. Maximaal zes procent over de som van a t/m c en f voor bijkomende kosten e. restschuld van de lening met NHG van de vorige woning. En maximaal twee procent bijkomende kosten. f. kosten voor aanvullende energiebesparende voorzieningen
Tel de posten ook mee als de klant kosten wel heeft maar niet leent. Dit is anders voor d en e. Deze posten tellen alleen mee als de consument de kosten hiervoor leent. Het totaal van a t/m f mag maximaal € 182.320 zijn, waarbij a t/m e maximaal € 172.000 is.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER En de kosten voor het verkrijgen van eigendom van een woonwagenstandplaats zijn maximaal € 61.000. De toetsing voor aankoop van een woonwagen vindt plaats door het WEW zelf en niet door de geldverstrekker.
7.5.6.6 Kosten kwaliteitsverbetering
Kwaliteitsverbeteringen conform NHG zijn: • herstel achterstallig onderhoud • woningverbetering • woninguitbreiding • saneren verontreinigde grond. (Alleen als uit het taxatierapport blijkt dat de sanering van de bodem nodig is om de woning geschikt te maken voor bewoning.).
De kwaliteitsverbeteringen moeten onderdeel gaan uitmaken van de woning.
De kosten moeten blijken uit een taxatierapport, een bouwkundig rapport en/of een specificatie. Voor kwaliteitsverbetering geldt een depotverplichting.
7.5.6.7 Vergroten eigendom
Bij vergroten van de eigendom kan de geldlener een geldlening met NHG krijgen in de volgende situaties: • echtscheiding of uit elkaar gaan van partners. Bij het uit elkaar gaan van de partners krijgt één van de partners de gehele eigendom van de woning. • afkoop van een erfpachtcanon of verkrijging van het recht van volle eigendom op de grond. • onverdeelde boedel op grond van erfopvolging. De eigendom van de woning wordt vergroot door verwerving uit een onverdeelde boedel op grond van erfopvolging.
De notariële akte van levering ter uitvoering van de verdeling moet op het moment van verstrekken van de geldlening nog niet zijn ingeschreven in de openbare registers.
Bij afkoop van de erfpachtcanon geldt dat de canonverplichtingen gedurende de resterende looptijd van de geldlening niet kunnen eindigen door: • tijdsverloop of • opzegging, zonder een passende vergoeding.
7.5.6.8 Correctie NHG door AFM begin 2018
In geval van het treffen van energiebesparende voorzieningen, mogen de kosten van deze voorzieningen worden meegefinancierd in een hypothecair krediet voor zover het hypothecair krediet maximaal 106 procent bedraagt van de waarde van de woning. Vervolgens staat in artikel 115 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen wat allemaal onder de definitie ‘waarde van de woning’ valt. Dat kan bijvoorbeeld ook de getaxeerde marktwaarde náverbouwing zijn.
Voorbeeld ebv Ali koopt een woning voor € 200.000. Dit is ook de getaxeerde marktwaarde vóór verbouwing. Hij wil voor € 8.000 ebv treffen. De getaxeerde marktwaarde ná verbouwing is € 205.000. Wat is de maximale LTV?
Antwoord: Het laagste bedrag van onderstaande drie berekeningen: 1. 100 procent van de marktwaarde ná verbouwing exclusief ebv + kosten ebv = € 200.000 + € 8.000 = € 208.000. 2. 106 procent van de marktwaarde ná verbouwing inclusief ebv = 106% x € 205.000 = € 217.300. 3. kosten verkrijgen eigendom = (€ 200.000 + € 8.000) x 106% = € 220.480.
Het laagste bedrag is de maximale LTV, dus € 208.000.
Bovenstaand voorbeeld is duidelijk en ook makkelijk uit te voeren. Het wordt een grotere uitdaging in het geval iemand een woning aankoopt en die tegelijkertijd verbouwt, waarbij de verbouwing voor een deel uit ‘gewone’ kwaliteitsverbetering bestaat en voor een ander deel uit ebv.
Voorbeeld combinatie ebv en ‘gewone’ kwaliteitsverbetering Ben koopt een woning van € 200.000. Dit is ook de getaxeerde marktwaarde vóór verbouwing. Hij wil voor € 20.000 verbouwen. Van die verbouwing kwalificeert € 8.000 als ebv en € 12.000 als gewone kwaliteitsverbetering (KVb). De waarde ná verbouwing is € 210.000. De waarde ná verbouwing, exclusief de ebv zou zijn: € 207.000. Wat is de maximale LTV?
Antwoord: Het laagste bedrag van: 1. 100 procent marktwaarde ná KVb exclusief ebv + kosten ebv = € 207.000 + € 8.000 = € 215.000.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 2. 106 procent marktwaarde ná verbouwing (zowel KVb als ebv) = 106% x € 210.000 = € 222.600. 3. kosten verkrijgen eigendom = € 220.000 x 106% = € 233.200.
Het laagste bedrag van de drie is de maximale LTV, dus € 215.000.
Hoewel ook bovenstaand voorbeeld in beginsel relatief eenvoudig te begrijpen en berekenen is, is er wel een praktisch probleem. Een taxateur stelt wel een taxatierapport op waarin melding wordt gemaakt van de waarde vóór en náverbouwing, maar zal in dat taxatierapport niet standaard een fictieve waarde náeen gedeeltelijke verbouwing opgeven. Als we het voorbeeld hierboven volgen, zullen in het taxatierapport alleen de waarden staan van € 200.000 (vóór verbouwing) en € 210.000 (náverbouwing). En niet de waarde van € 207.000 (waarde nákwaliteitsverbetering exclusief ebv).
Dit moet volgens de AFM als volgt opgelost worden: de marktwaarde, exclusief waardevermeerdering door ebv, inclusief waardevermeerdering door andere kwaliteitsverbetering, moet worden berekend. Hierbij wordt de waardevermeerdering door ebv berekend op basis van de volgende aanname: investeringen in ebv dragen in gelijke mate bij (naar rato van kosten) aan de waardevermeerdering van de woning als investeringen in andere kwaliteitsverbeteringen.
We passen deze zienswijze toe op het eerder gegeven voorbeeld van Ben.
Voorbeeld maximale LTV bij combi verbouwing en LTV – geen waarde ná deel verbouwing bekend Ben koopt een woning van € 200.000. Dit is ook de getaxeerde marktwaarde vóór verbouwing. Hij wil voor € 20.000 verbouwen. Van die verbouwing kwalificeert € 8.000 als ebv en € 12.000 als gewone kwaliteitsverbetering (KVb). De waarde ná verbouwing is € 210.000. De waarde ná verbouwing, exclusief de ebv zou zijn: ‘onbekend’.
Wat is de maximale LTV?
Antwoord: Eerst moet de waardestijging door ebv berekend worden. De totale waardestijging is € 10.000. De kosten van de ebv zijn € 8.000 op totale verbouwingskosten van € 20.000. Dat is dus 8.000/20.000 = 40 procent. De waardestijging die moet worden toegerekend aan de EBV is dan 40% x € 10.000 = € 4.000. Dat betekent dat de waarde ná verbouwing exclusief deze ebv zou moeten zijn: € 210.000 -/- € 4.000 = € 206.000. Dat bedrag wordt het uitgangspunt voor de verdere berekening van de maximale LTV, die het laagste is van: 235
1. 100 procent marktwaarde ná KVb exclusief ebv + kosten ebv = € 206.000 + € 8.000 = € 214.000. 2. 106 procent marktwaarde ná verbouwing (zowel KVb als ebv) = 106% x € 210.000 = € 222.600. 3. kosten verkrijgen eigendom = € 220.000 x 106% = € 233.200.
De maximale LTV is dus in dit geval € 214.000.
Eerder paste NHG bovenstaande volgens de AFM verkeerd toe. Hierna een voorbeeld van een FOUTIEVE uitwerking door NHG.
Voorbeeld FOUTIEVE uitwerking NHG Annette koopt een woning voor € 200.000. Dit is ook de getaxeerde marktwaarde vóór verbouwing. Zij wil voor € 8.000 ebv treffen. De getaxeerde marktwaarde ná verbouwing is € 205.000.Wat is de maximale LTV?
Antwoord: Het laagste bedrag van onderstaande drie berekeningen: 1. 100 procent van de marktwaarde ná verbouwing + kosten ebv = € 205.000 + € 8.000 = € 213.000. 2. 106 procent van de marktwaarde ná verbouwing = 106% x € 205.000 = € 217.300. 3. kosten verkrijgen eigendom = (€ 200.000 + € 8.000) x 106% = € 220.480.
Het laagste bedrag is € 213.000. Dit zou dus de maximale LTV zijn.
De AFM heeft begin 2018 gesteld dat bovenstaande uitleg door NHG in strijd is met de Trhk. Het uitgangspunt is dat boven 100 procent van de marktwaarde alleen de kosten van de ebv mogen worden meegefinancierd. Dus niet ook nog eens de waardevermeerdering door ebv. Als absoluut maximum van de geldlening, in geval van ebv, geldt een bedrag van 106 procent van de waarde van de woning náverbouwing.
De SWEW is de nieuwe interpretatie van de AFM direct aan het begin van 2018 gaan volgen. Het idee van de AFM is dat als je de interpretatie van NHG voor rekenregel 1 (zie de berekening in het voorbeeld ‘Voorbeeld FOUTIEVE uitwerking NHG’) volgt, iemand feitelijk dubbel voordeel heeft van de ebv.
Als geldgevers de interpretatie van NHG hebben gevolgd over de maximale LTV bij ebv, terwijl de geldlening niet met NHG is verstrekt, betekent dit ook dat er overgekrediteerd is. Het probleem van de onjuiste maximale LTV-berekening strekt dus verder dan alleen NHG-geldleningen.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 7.5.6.9 Energiebespaarbudget en verbeterbudget
Als op de datum van het bindend aanbod van geldverstrekker aan cliënt nog niet bekend welke aanpassingen deze gaat doen, waardoor het onduidelijk is wat de kosten zijn, dan moet het bedrag voor de aanpassingen in depot en kan cliënt gebruikmaken van het Energiebespaarbudget (EBB) of het verbeterbudget.
Het EBB is een variant op het ebv-bouwdepot, waarbij de geldverstrekker er akkoord mee is dat de geldlener afwijkt van de oorspronkelijke ebvspecificatie. Uitbetaling van de depotgelden vindt alleen plaats als de geldlener op basis van nota’s aantoont, dat de kosten voor een ebv zijn gemaakt. Deze mogen anders zijn dan de oorspronkelijk ingeschatte ebv. Het voordeel van het EBB is, dat de geldlener flexibiliteit heeft voor wat betreft welke ebv hij gaan treffen. Het EBB mag maximaal tot zes procent boven de waarde van de woning vóór uitvoering van de maatregelen bedragen.
7.5.6.10 Oversluiten of verhogen
De toetsing van een geldlening aan de NHG-grens bij oversluiten of verhogen vindt plaats door de kostenposten die de klant leent bij elkaar op te tellen. Voor welke kostenposten een geldlening met NHG toegestaan is als de klant de geldlening oversluit staat in D.2.2. Voor een verhoging met NHG staat dit in D.3.2 en in D.5.4. De totale lening met NHG bij een woning is maximaal € 450.000. De volgende aanvullende regels gelden: 1. bij aanvullend lenen voor ebv: maximaal lenen tot € 477.000. 2. totale lening met NHG bij een woonwagen mag maximaal € 172.000 zijn. In het geval van aanvullend lenen voor ebv geldt het maximum van € 182.320. 3. totale lening bij een woonwagenstandplaats mag maximaal € 61.000 zijn.
De toetsing bij oversluiten of verhogen aan de NHG-grens vindt plaats door de posten in het overzicht hierna bij elkaar op te tellen: a. bedrag dat de klant nog moet terugbetalen aan de oude lening met NHG. Bij een opbouwproduct wordt het bedrag van de oude lening als volgt bepaald: – bij niet koppelen aan nieuwe lening van opbouwproduct: de waarde uit het opbouwproduct verlaagt het bedrag dat de cliënt nog moet terugbetalen aan de oude lening met NHG.
– bij ‘koppelen’ van opbouwproduct gekoppeld aan de nieuwe lening met NHG gaat NHG uit van het bedrag dat de cliënt nog moet terugbetalen aan de oude lening met NHG. De waarde in het opbouwproduct blijft dan buiten beschouwing. o bedrag dat klant nog moet terugbetalen om een fiscale lening af te lossen. o kosten om de kwaliteit van de woning te verbeteren. o bedrag dat klant aan de vertrekkende partner moet betalen om de woning volledig in eigendom te krijgen. Deze kosten staan in de notariële akte van verdeling. o bedrag dat klant aan de andere erfgenamen moet betalen om de woning volledig in eigendom te krijgen. Deze kosten staan in de notariële akte van verdeling. o kosten om volledig eigendom grond te verkrijgen in geval van erfpacht en recht van opstal. o kosten om toekomstige erfpachtcanonverplichtingen af te kopen voor minimaal de looptijd van de lening. o kosten om kortingsdeel helemaal terug te betalen. o kosten om schulden te consolideren. o kosten om een woning energiezuinig te maken.
Daarnaast moet het benodigde hypotheekbedrag uiteraard op het inkomen te dragen zijn (LTI).
7.5.6.11 Inkomsten geldlener: IBL of IKV
De berekening van de maximale LTI-ratio is gelijk aan die van de wettelijke norm. Alleen staan in de wettelijke norm enkele uitzonderingen genoemd, die onder NHG niet mogelijk zijn.
Het inkomen van iemand met een dienstbetrekking moet blijken uit zowel een salarisstrook als een volledig ingevulde werkgeversverklaring (NHG-model), die beide maximaal drie maanden oud mogen zijn op het moment van offreren. De geldgever moet de gegevens naast elkaar houden om te controleren of de salarisstrook en werkgeversverklaring overeenkomen.
Vanaf 2019 hanteert NHG naast de ‘gewone’ manier van toetsinkomen bepalen de zogenoemde ‘Inkomensbepaling Loondienst’ (IBL) als methode voor het vaststellen van het inkomen van aanvragers met een loondienstinkomen. Gegevens uit het UWV verzekeringsbericht van de aanvrager vormen daarbij de gegevensbron. Door hier beleids- en rekenregels op toe te passen bereken de hypothecair planner het maximale inkomen dat geldt voor de berekening van het toetsinkomen: de Inkomensbepaling Loondienst.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Via de link www.hdn.nl/inkomensbepalingloondienst/ kan de hypothecair planner het toetsinkomen berekenen. Hiervoor is nodig: • UWV verzekeringsbericht van de klant(en) en • Werknemersbijdrage(n) pensioen (volgens een recente loonstrook).
Het proces verloopt veel sneller, de uitvoering is makkelijker, de gegevensbron is zeer betrouwbaar en de volledig digitale ondersteuning minimaliseert fouten. De Inkomensverklaring Ondernemer (IKV) is nodig om het toetsinkomen te bepalen in de volgende situaties, klant: • is de directe of indirecte eigenaar of mede-eigenaar van een onderneming. • oefent minstens 12 maanden zelfstandig een beroep of bedrijf uit. • ontvangt een meewerkvergoeding.
Als de onderneming gedreven wordt in een bv of nv en cliënt heeft direct of indirect vijf procent of meer van de aandelen in deze onderneming, dan is ook het gebruik van een IKV voorgeschreven.
NHG heeft vier geselecteerde Rekenexperts aangewezen om een voor NHG geldige verklaring op te kunnen stellen. Sinds 2019 zijn de voor NHG toegestane Rekenexperts: • Zakelijk Inkomen in Nieuwegein • Overviewz in Barneveld • Pentrax advies in Nijmegen • Raadhuys Tax Legal Accounting in Den Haag. Vanaf dagtekening is de verklaring maximaal zes maanden geldig.
7.5.6.12 Sociale uitkering
Als een aanvrager van NHG een sociale uitkering ontvangt, maakt de hypothecair planner onderscheid tussen: • tijdelijke sociale uitkering. De hypothecair planner gaat uit van het sociaal minimum vanaf het moment dat er geen zekerheid bestaat over de hoogte van de uitkering. Dit is de hoogte van de huidige bijstanduitkering. • blijvende sociale uitkering. Een blijvende sociale uitkering is een uitkering waarop blijkens een toekenningsbesluit of een schriftelijke verklaring van de uitkerende instantie een recht voor een onbeperkte periode bestaat. Het totale jaarlijkse bedrag blijkens het toekenningsbesluit rekent de hypothecair planner tot het toetsinkomen.
Voorbeeld Herman (33 jaar) is getrouwd met Karin (31 jaar). Herman is in loondienst en heeft een brutosalaris van € 4.100 per maand. Karin heeft geen betaalde baan. Zij zorgt voor hun zoontje Sven van drie jaar oud. Ze willen een woning kopen met een waarde van € 210.000 kosten koper.
De taxatiewaarden van de woning bedragen: Marktwaarde vrij van huur en gebruik € 205.000 Herbouwwaarde € 195.000
Herman en Karin gaan naar een hypothecair planner. Zij willen een maximale hypothecaire geldlening met NHG. De hypothecair planner komt met de volgende gegevens van een hypothecaire geldlening:
Rente 4,6 procent Rentevastperiode 10 jaar Looptijd 30 jaar Toetsinkomen: 12 x € 4.100 = € 49.200 acht procent van € 49.200 (vakantiegeld) € 3.936 + Toetsinkomen € 53.136
Zij vragen de hypothecair planner of de woning met NHG kan worden gefinancierd. Voor het antwoord hierop zijn de volgende voorwaarden van belang: 1. bedrag voor verkrijging in eigendom van woning is maximaal het garantiebedrag van de NHG. 2. financiering is maximaal de toegestane financiering op basis van het inkomen.
Voorwaarde 1 Het bedrag voor de verkrijging in eigendom van de woning is maximaal € 470.000. Het bedrag voor de verkrijging in eigendom van de woning berekenen we als volgt:
Het laagste bedrag van de koopsom en de getaxeerde marktwaarde € 205.000 zes procent van € 205.000 € 12.300 + Totaal € 217.300 Aan de eerste voorwaarde wordt voldaan.
Voorwaarde 2
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER De financiering is maximaal de toegestane financiering op basis van het inkomen.
Stap 1: bepaling financieringslastenpercentage: • Toetsinkomen van € 53.136 en een rente van 4,6 procent: de toegestane financieringslast is 25,5 procent.
Stap 2: bepaling van de financieringslast: • Bruto jaarsalaris x tabelpercentage = € 53.136 x 25,5% = € 13.549,68. • Per maand is dit € 1.129,14.
Stap 3: vaststellen annuïteitenfactor: • De annuïteitentabel (zie bijlage): A (360 maanden, 4,6 procent) = 195,0670.
Stap 4: bepaling van de maximale toegestane lening: • De maximale financiering is nu: € 1.129,14 x 195,0670 = € 220.257.
Herman en Karin kunnen op grond van de LTV-norm maximaal € 205.000 lenen. Eventuele overige kosten moeten zij dus uit eigen middelen betalen.
7.5.6.13 Hybride taxatie
Om een hypothecaire geldlening onder NHG te kunnen krijgen, is een taxatierapport van de woning nodig. In het taxatierapport staat de marktwaarde van de woning.
De geldlener kan zelf een taxatie regelen via een taxateur, een hypothecair planner of geldverstrekker. Bij een fysieke taxatie bezoekt een gecertificeerde taxateur de woning om de marktwaarde vast te stellen.
NHG staat naast fysieke taxatie ook hybride taxatie (voorheen ‘desktoptaxatie’) toe als onderbouwing van de marktwaarde van een woning. Dit is een taxatievorm waarbij de taxateur een modelwaarde beoordeelt, evalueert en goedkeurt. Deze vorm van taxatie kan gebruikt worden voor de aankoop van een woning en bij het oversluiten van een hypotheek. In beide gevallen tot maximaal 90 procent LTV vóór de woningaanpassing.
Let op! Iedere geldverstrekker kan zijn eigen beleid voeren op desktoptaxaties. Controleer dus goed of en onder welke voorwaarden een door NHG geaccepteerd desktoptaxatie product door de geldverstrekker van uw keuze wordt geaccepteerd.
7.5.6.14 Documenten bij echtscheiding
Als er een echtscheiding heeft plaatsgevonden vroeg NHG tot 2022 in alle gevallen standaard drie documenten op, ongeacht wanneer de scheiding plaatsvond: • vonnis rechtbank • echtscheidingsconvenant • recent afschrift burgerlijke stand.
Klanten hebben deze documenten vaak niet meer en daarom is dit proces vanaf 2022 verbeterd. In de situatie dat een echtscheiding langer dan 12 jaar geleden heeft plaatsgevonden, is ook een recent afschrift uit de burgerlijke stand samen met de meest recente belastingaangifte voldoende om te bepalen of er mogelijk nog sprake is van alimentatieplicht. De echtscheidingsbeschikking en het convenant hoeven door deze klanten niet te worden aangeleverd.
7.5.6.15 Vervallen hypotheekrenteaftrek ná 30 jaar
Voor de eerste hypothecaire geldleningen vervalt de hypotheekrenteaftrek op 1 januari 2031. Doordat de betaalbaarheid van de hypotheeklasten voor een periode van 10 jaar wordt getoetst, moet vanaf 1 januari 2021 al rekening worden gehouden met het vervallen van de hypotheekrenteaftrek.
Als een leningdeel binnen 10 jaar nádatum bindend aanbod de maximale termijn van hypotheekrenteaftrek bereikt, dan moet het vervallen van de hypotheekrenteaftrek worden meegenomen in het bepalen van de financieringslast van de klant.
In dat geval moet de financieringslast van dit leningdeel vanaf het moment waarop de hypotheekrenteaftrek vervalt worden vastgesteld aan de hand van norm C.7.2.2 V&N 2025-1 (niet fiscaal aftrekbare rente).
Een box 3 leningdeel zonder (annuïteiten)aflossing is toegestaan, zodat een aflossingsvrij leningdeel ongewijzigd kan worden voortgezet als de hypotheekrenteaftrek voor de klant vervalt.
Voor klanten waarbij binnen 10 jaar de hypotheekrenteaftrek eindigt én die binnen 10 jaar de AOW-leeftijd bereiken, kan een gat ontstaan in de betaalbaarheid. Dit komt doordat er vanaf het moment waarop de renteaftrek eindigt moet worden getoetst op basis van de box 3 tabellen (norm C.7.4.2). Als de klant echter de AOW-leeftijd bereikt, zijn de financieringslasttabellen voor AOW-gerechtigden van toepassing. Hierdoor is het krediet mogelijk wél 242 betaalbaar.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Als hypothecair planner kunt u onderbouwen waarom u van mening bent dat het krediet ook in de periode tussen het eindigen van de renteaftrek en het bereiken van de AOW-leeftijd betaalbaar is. Omdat er echter veel onvolledige verzoeken binnenkomen, is bepaald dat het aanvragen van een hardheidsclausule vanaf 1 juli 2021 alleen nog mogelijk is door een adviseur of door de geldverstrekker die de hypothecaire geldlening heeft verstrekt. Hierbij wordt een vast format gebruikt.
7.5.6.16 Tijdelijk tekort regeling senioren
NHG heeft in norm C.8.3 voor de situatie dat de geldnemer bij het aanvragen van de hypothecaire geldlening al de AOW-leeftijd heeft bereikt of deze binnen 10 jaar bereikt de oplossing om naar de werkelijke lasten te kijken van de hypothecaire geldlening bij het beoordelen van de betaalbaarheid voor de geldnemer. De toetsing geldt alleen bij verhuizingen door de senior(en).
Dat betekent dat als de geldlener een (deel) aflossingsvrij leent, NHG voor de beoordeling rekent met de werkelijke lasten van deze aflossingsvrije hypotheek in plaats van met de annuït aire lasten. Onder de huidige werkelijke maandlast verstaat NHG de bruto maandlast van de huidige woning die de aanvrager in eigendom heeft. Deze maandlast is de som van: 1. rente 2. aflossing 3. inleg van een opbouwproduct. In het geval de inleg van een opbouwproduct periodiek verschuldigd is over een langere termijn dan een maand, moet deze inleg worden herberekend naar een maandelijks bedrag 4. erfpachtcanon.
Een losse orv hoeft niet te worden meegenomen.
De huidige werkelijke maandlast kan worden vastgesteld door de maandlast van de maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag voor een bindend aanbod wordt gedaan te gebruiken. In het geval van een echtscheiding moet de hele maandlast aangehouden te worden.
Ook bij tijdelijk huren kan de geldnemer in aanmerking komen voor deze norm van NHG. Hij moet dan uiterlijk 31 december in het jaar náverkoop van de woning een andere woning gekocht hebben. De huidige werkelijke maandlast wordt vastgesteld door de maandlast van de maand voorafgaand aan de maand waarop de klant is gaan huren te gebruiken.
Het bereiken van het einde van de looptijd van een aflossingsvrij leningdeel is op zichzelf geen reden om de lening op te eisen. Alleen als de geldverstrekker voorziet dat geldnemer aan het eind van de looptijd de lasten niet kan opbrengen, gaat de geldverstrekker in gesprek met de geldnemer om te onderzoeken of er een oplossing is op basis van beheeraspecten en/of -criteria. Als blijkt dat de geldnemer ook onder deze voorwaarden de lasten niet kan dragen mag de geldverstrekker tot opeising overgaan.
De minimale rentevastperiode is 20 jaar. Hierbij neemt SWEW als uitgangspunten stabiele maandlasten en het creëren van een bestendige situatie. In bepaalde gevallen mag hiervan worden afgeweken met een minimale rentevastperiode van 10 jaar. Dit kan als het in het belang van de geldnemer is.
Afwijkingen op de standaard rentevastperiode van minimaal 20 jaar: 1. het door de jongste partner bereiken van minimaal de 85-jarige leeftijd aan het einde van de rvc mag in alle situaties als bestendig worden gekenmerkt. 2. wanneer de geldverstrekker een kortere rvp aanbiedt op grond van een LTV-ratio lager dan 50 procent, wordt dit door WEW toegestaan onder de voorwaarde dat is voldaan aan norm 8.1.1. Alleen het hebben of realiseren van een LTV-ratio lager dan 50 procent is onvoldoende argumentatie om te kunnen stellen dat sprake is van bestendige woonlasten bij een rvp korter dan 20 jaar. De geldverstrekker moet in dat geval adequaat invulling geven aan de wettelijke norm ter voorkoming van overkreditering. De klant moet aantoonbaar het renterisico van een kortere rvp kunnen dragen. 3. een rvp korter dan 10 jaar, waarbij het leningdeel aan het einde van de rvp helemaal is afgelost, is toegestaan. In dat geval mag getoetst worden met de rente uit het bindend aanbod.
7.5.6.17 Vervallen hypotheekrenteaftrek in beheersituaties
Bij het bepalen van de financieringslast voor klanten waarbij binnen 10 jaar de hypotheekrenteaftrek vervalt, moet vanaf 1 juli 2021 rekening worden gehouden met het vervallen van de renteaftrek.
In beheersituaties wordt vanaf 1 januari 2022 rekening gehouden met het vervallen van hypotheekrenteaftrek binnen drie jaar. Deze periode wordt in lijn gebracht met het beheerbeleid, dat een scope van drie jaar hanteert.
Als gedurende de looptijd van een aflossingsvrije lening de renteaftrek vervalt, dan mag deze aflossingsvrije lening ongewijzigd worden voortgezet 244 in box 3. Dit geldt pas vanaf 1 januari 2028.
7.6 GEDRAGSCODE HYPOTHECAIRE FINANCIERINGEN
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER De Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) is een regeling die consumenten beschermt tegen het afsluiten van een, voor hún financiële situatie, te hoge hypothecaire geldlening. In overeenstemming met de GHF moeten hypotheekverstrekkers volledige informatie geven over de implicaties van een bepaalde hypothecaire geldlening.
In Nederland zijn hypotheekverstrekkers verplicht zich te houden aan de GHF. In deze regeling is een aantal bepalingen, die consumenten moeten beschermen tegen overkreditering.
In de GHF staan echter niet alleen bepalingen die betrekking hebben op hypotheekverstrekkers, ook consumenten zelf moeten voor sommige hypothecaire geldleningen in staat zijn om aan te tonen dat ze aan de bepalingen van de GHF voldoen. De GHF is op deze manier een schakel tussen hypotheekverstrekker en consument en ziet erop toe dat beide partijen niet tekort worden gedaan in een eventuele overeenkomst.
Hoewel de GHF al enige jaren bestaat, worden er regelmatig aanpassingen gedaan aan de verschillende bepalingen die erin zijn opgenomen. Daarnaast geldt voor sommige bepalingen dat deze jaarlijks worden aangepast.
Enkele belangrijke bepalingen van de GHF zijn: • volledige informatievoorziening van de hypotheekverstrekker naar de consument en een berekening waarin alle mogelijk factoren (rente, aflossing, eigenwoningforfait en erfpacht) worden meegenomen. • berekening van de maximale hypotheeksom door de geldverstrekker op basis van de leencapaciteit van de consument. De consument zelf moet voor hypothecaire geldleningen het jaarinkomen en een eventuele bestaande schuldenlast opgeven.
Een belangrijk onderdeel van de GHF was de vaststelling van de maximale verstrekkingsnormen. Omdat deze verstrekkingsnormen vanaf 2013 wettelijk zijn vastgelegd in de Trhk, beperken wij ons in deze paragraaf tot de overige regelgeving in de GHF.
In Bijlage 7 van deze module vindt u de integrale tekst van de GHF.
7.6.1 Maximaal aflossingsvrij deel lening
Onder de fiscale regels vanaf 2013 worden klanten ‘gedwongen’ hun geldlening volledig en minimaal annuït air af te lossen in maximaal 360 maanden. 245
Tot 2013 was dit anders. Ook toen al werd de noodzaak ingezien om geen volledig aflossingsvrije hypothecaire kredieten meer te verstrekken. Er is daarom afgesproken maximaal 50 procent van de waarde van de woning aflossingsvrij te verstrekken. Deze afspraken blijven geldig voor hypothecaire kredieten die onder het overgangsrecht vallen. Bij oversluiten of verhuizen, waarbij een lening onder het fiscaal overgangsrecht blijft doorlopen, moet de adviseur dus wel rekening houden met deze maximale aflossingseis uit de GHF, ook al is er voor (dat deel van) de lening geen fiscale aflossingseis.
Letterlijk staat in de GHF:
‘De financier mag voor ten hoogste 50 procent van de marktwaarde van de woning op het moment van verstrekking, geen schema voor aflossing of vermogensopbouw bestemd voor aflossing overeenkomen met de cliënt. Dit komt erop neer dat de hypotheekverstrekker een zodanig aflossingsschema van de hypothecaire financiering dient op te nemen dat geleidelijk na 30 jaar na verstrekking dit deel van de hypotheek geheel is afgelost hetzij een verplichting tot opbouw van vermogen. De cliënt dient het op te bouwen vermogen aan de financier te verpanden tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen.’
Samengevat komt het erop neer dat maximaal 50 procent van de marktwaarde van de woning aflossingsvrij verstrekt mag worden. Voor het meerdere moet de klant kiezen voor aflossing of vermogensopbouw. Vermogensopbouw in de vorm van een KEW, SEW of BEW (vanaf hier noemen wij alleen nog de KEW als wij ook een SEW of BEW bedoelen) is alleen nog maar fiscaal gefaciliteerd voor nieuwe gevallen. Het zal dus moeten gaan om een KEW die onder het overgangsrecht valt. Anders zal er lineair of annuït air moeten worden afgelost.
Om vast te stellen wat de waarde van de woning is, mag volgens de GHF uitgegaan worden van verschillende begrippen.
7.6.1.1 Begrip marktwaarde
De GHF omschrijft de marktwaarde als volgt: • koopprijs van een woning, zoals blijkt uit een schriftelijke door de klant en de verkoper ondertekende koopovereenkomst, akte van levering of een veilingakte of • koop- en/of aannemingssom zoals blijkt uit een schriftelijke koop- en/of aannemingsovereenkomst, vermeerderd met de waarde of koopprijs van de grond, de kosten van de bouw, meerwerk, bouwrente en de af- en/of 246 aansluiting op openbare nutsvoorzieningen of
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER • meest recente WOZ-waarde of • door de hypothecair financier ter zake deskundig geachte taxateur vastgestelde marktwaarde (eventueel na verbouwing), blijkend uit een recent taxatierapport.
In de praktijk houdt men meestal de laagste waarde van de hiervoor besproken waarden.
Voorbeeld Martijn en Sandra willen in juli 2025 een woning kopen van € 400.000 kosten koper. Dit neemt de geldgever als uitgangspunt voor de waarde van de woning.
Ze hadden sinds 2001 al een andere woning, die zij op 1 februari 2025 hebben verkocht. Sindsdien huren zij. De hypothecaire geldlening die daarop rustte was € 300.000 en was volledig een EWS. Ze hadden aan de geldlening een KEW gekoppeld die in 2031 een waarde van € 80.000 bereikt. De KEW is ná aflossen EWS door verkoop verhuisd naar box 3 en loopt daar nog door. Bij verkoop van de oude woning hebben zij de oude EWS afgelost en nog € 40.000 aan overwaarde gerealiseerd. Dit is hun eigenwoningreserve.
De kosten koper van de nieuwe woning betalen zij uit eigen middelen. Zij hebben een nieuwe geldlening nodig van € 400.000 -/- € 40.000 (overwaarde) = € 360.000. Van de nieuwe geldlening valt € 300.000 onder het overgangsrecht (hoogte oude EWS). Voor € 60.000 moet om fiscale redenen een minimaal annuïtair aflossingsschema worden opgesteld.
In fiscale zin zou de rest aflossingsvrij verstrekt mogen worden. Conform de GHF niet. De waarde van de woning is in dit geval € 400.000. Dan mag er maximaal € 200.000 (50 procent) aflossingsvrij verstrekt worden. Er wordt nu € 300.000 aflossingsvrij verstrekt. Wanneer ze de kapitaalverzekering, met gebruikmaking van de verhuisregeling, weer zouden aanmerken als KEW, wordt het te bereiken eindkapitaal aangemerkt als aflossing. Het te bereiken kapitaal is € 80.000. Van de totale geldlening van € 360.000 wordt dan € 60.000 annuïtair afgelost en € 80.000 via een KEW. Resteert nog een aflossingsvrij deel van € 220.000 wat volgens de GHF nog steeds niet is toegestaan.
Fiscaal is het geen optie om de KEW te verhogen, omdat daarvoor dan het overgangsrecht vervalt.
Martijn en Sandra zullen op een andere manier met de geldgever moeten afspreken hoe zij € 20.000 gaan aflossen. Dit kan bijvoorbeeld door voor dit deel een lineair of annuïtair aflossingsschema af te spreken. Of zij kunnen, als het 247
past binnen de financieringsnormen, de € 20.000 als box 3 deel opnemen. Dan hebben zij geen recht op hypotheekrenteaftrek over dit bedrag, maar het kan gezien de lage rentestand, toch aantrekkelijk zijn. Bovendien kan het hen meer flexibiliteit opleveren.
7.6.1.2 Tweede hypotheek of verhoging
Hoe werkt de voorgaande norm -maximaal 50 procent aflossingsvrije hypotheek- dan uit, als de klant een tweede hypotheek of een verhoging binnen de inschrijving vraagt?
Hierover is een apart onderdeel opgenomen in de Gedragscode: ‘Indien er sprake is van een verhoging van een bestaande hypothecaire financiering dan wel een tweede hypothecaire financiering (al dan niet bij dezelfde geldverstrekker) wordt ten aanzien van de nieuwe financiering voor de hoogte van de verplichte aflossing/opbouw van vermogen rekening gehouden met de eerdere financiering.‘
De norm werkt dus door naar de bestaande financiering. Het maakt daarbij geen verschil of de verhoging of tweede hypotheek wordt aangevraagd bij de geldverstrekker van de bestaande hypothecaire geldlening. Omdat van het gedeelte van een hypothecair krediet dat ‘nieuw’ verstrekt wordt aan een klant ná1 januari 2013, de rente alleen aftrekbaar is als men dit gedeelte in maximaal 360 maanden ten minste annuït air aflost, heeft deze regel uit de GHF weinig toegevoegde waarde meer. Alleen wanneer iemand zijn hypothecair krediet wil verhogen om het geld consumptief te besteden, moet er rekening gehouden worden met deze regel.
Voorbeeld Stel dat Michiel en Ingrid een bestaande aflossingsvrije hypotheek van € 150.000 hebben op hun huidige woning. De marktwaarde van hun woning bedraagt € 325.000. Zij willen een tweede hypothecaire geldlening aangaan van € 40.000 om een nieuwe auto van te kopen. De lening kwalificeert toch al niet als EWS, dus in fiscale zin maakt het niet uit of zij de geldlening wel of niet aflossen. Kan deze aanvullende hypothecaire geldlening ook aflossingsvrij verstrekt worden?
Het antwoord daarop is ‘neen’. De totale hypothecaire geldlening overschrijdt de norm van maximaal 50 procent van de waarde van die woning (€ 162.500). Dit mag op basis van de GHF maximaal aflossingsvrij verstrekt worden.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER De totale geldlening wordt door de verhoging € 190.000. In dit geval zullen Michiel en Ingrid minimaal € 190.000 -/- € 162.500 = € 27.500 moeten aflossen gedurende de looptijd. Het is aan hen en hun adviseur om de meest passende aflossingsvorm te vinden.
7.6.1.3 Afwijken hoofdregel maximaal 50 procent aflossingsvrij
In de GHF is een aantal uitzonderingen op de hoofdregel opgenomen. Het is toegestaan voor hypotheekverstrekkers om hiervan af te wijken, onder de voorwaarde dat rekening wordt gehouden met het volgende: a. bij het oversluiten van een hypothecaire financiering, onder de voorwaarden dat: – klant blijft in de woning wonen én – nieuwe hypothecaire geldlening is maximaal de af te lossen financiering vermeerderd met notaris- en taxatiekosten, of een door klant te betalen vergoeding aan een bemiddelaar ter zake van de financiering en eventueel verschuldigde vergoedingsrente. b. voor het bedrag aan vermogen dat aan de hypothecaire financier is verpand tot zekerheid voor de hypothecaire financiering hoeft geen aflossingsschema of verplichting tot opbouw van het vermogen met de klant overeengekomen te worden. c. als de lasten van de hypothecaire financiering substantieel lager liggen dan het maximale woonlastpercentage als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de GHF.
Ad a. Uitzondering bij oversluiten Dat betekent dus dat men van de normen mag afwijken als de op 1 augustus 2011 bestaande hypothecaire geldlening wordt overgesloten en de nieuwe financiering bestaat uit het bedrag van de oude hypothecaire geldlening plus taxatiekosten plus notariskosten plus eventueel te betalen vergoedingsrente. Voorwaarde is wel dat de klant in de woning blijft wonen. Er mag dan dus bijvoorbeeld een hoger percentage dan 50 procent van de marktwaarde van de woning aflossingsvrij verstrekt worden. Als de klant een extra bedrag wil meefinancieren voor bijvoorbeeld een verbouwing of oversluiten van consumptieve financieringen dan geldt deze uitzondering niet en zal de nieuwe hypothecaire geldlening moeten voldoen aan de nieuwe normen uit de GHF.
Tot welk percentage aflossingsvrij wordt verstrekt, ligt niet vast in de GHF. Dit is naar keuze van de geldverstrekker. Het aflossingsvrije deel wordt dikwijls beperkt tot de ‘oude’ norm van de verstrekker: tussen de 75 en 100 procent van de executiewaarde.
Ad b. Verpand bedrag De hoofdregel zegt dat maximaal 50 procent van de marktwaarde van de woning aflossingsvrij verstrekt mag worden. Het overig te financieren bedrag moet ofwel een aflossingsschema ofwel vermogensopbouw bevatten. Het is toegestaan om af te wijken van deze hoofdregel als de cliënt een bedrag verpandt aan de geldverstrekker.
Ad c. Nieuwe lasten substantieel lager Een aantal keer is in de tekst van de GHF een uitzondering opgenomen ten aanzien van het inkomen:
‘Als de lasten van de hypothecaire financiering substantieel lager liggen dan het maximale woonlastpercentage als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de Gedragscode.’
De vraag is wat men moet verstaan onder ‘substantieel’. Hierover wordt het volgende aangegeven in de toelichting van de GHF:
‘Onder substantieel dient u te denken aan dat de lasten minder bedragen dan 60% van de lasten uit een hypothecaire financiering op basis van de maximale leencapaciteit’.
Voorbeeld Het echtpaar Hendriks heeft haar volledig aflossingsvrij gefinancierde huis verkocht. Het stel koopt een nieuwe eigen woning voor € 300.000. Ze verbouwen voor € 40.000. Ze willen een hypothecaire geldlening van € 340.000. De marktwaarde ná de verbouwing is getaxeerd op € 325.000. Op LTI-basis zou het echtpaar € 600.000 kunnen lenen.
Standaard zouden zij maximaal 50 procent van € 340.000 = € 170.000 aflossingsvrij kunnen lenen. Zij lenen substantieel minder (56,67 procent) dan volgens de LTI-norm. De nieuwe geldverstrekker is daarom bereid 90 procent van de executiewaarde aflossingsvrij, in dit geval: 90% x 90% x € 325.000 = € 263.250 te verstrekken.
7.6.2 Invloed GHF op LTI-norm
De LTI-norm (maximale lening op basis van inkomen) komt volledig overeen met de wettelijke normen. Wel zijn er extra afspraken gemaakt over de wijze waarop bestaande lasten van de cliënt in aanmerking genomen moeten worden. Daarvoor zijn afspraken gemaakt met de verantwoordelijken voor de Gedragscode Consumptieve Financieringen. Door gezamenlijk afspraken te 250 maken, wordt overkreditering bij cliënten nog beter tegengegaan.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER 7.6.2.1 erbeterde aansluiting GHF op Gedragscode voor
Consumptieve Financieringen
De GHF benoemt de normen die betrekking hebben op een cliënt die al een consumptief krediet heeft (doorlopend krediet, persoonlijke lening of studieschuld) onder 4 punt 5. Met deze norm zorgt de GHF voor aansluiting op de Gedragscode voor Consumptieve Financieringen:
‘Als de klant een consumptief krediet is verstrekt, houdt de financier rekening met de daaraan verbonden lasten, in die zin dat hij per maand ten minste 2% van de kredietlimiet bij een doorlopend krediet of ten minste twee procent van de oorspronkelijke kredietsom bij een aflopend krediet in aanmerking neemt, ook al zijn de werkelijke financiële lasten lager. Het hiervoor bepaalde is niet van toepassing indien uiterlijk op de datum van het verstrekken van de hypotheek het consumptief is afgelost uit eigen middelen en de overeenkomst inzake het consumptief krediet wordt beëindigd.’
Een dergelijke bepaling is ook opgenomen in de normen van NHG (wel met enige versoepeling voor aflopende kredieten vanaf april 2022, zie eerder). Het zorgt ervoor dat de kredietruimtes voor hypothecair en consumptief krediet beter op elkaar worden aangesloten, zodat de hypothecaire geldlening ook betaalbaar blijft bij een bestaand consumptief krediet.
Tot vóór de invoering van de GHF was er geen aansluiting tussen de normen voor hypothecair en consumptief krediet. Dit leidt tot de situatie dat de kredietruimte bij de ene kredietvorm ruimer is dan bij de andere kredietvorm, wat overkreditering in de hand kan werken. Inmiddels zijn er afspraken gemaakt waardoor deze verschillen tot een minimum beperkt zijn. De meeste afspraken hebben geleid tot aanpassing van de Gedragscode voor Consumptieve Financieringen, waarop we hier niet verder ingaan.
7.6.3 Alternatieve financieringswijzen
7.6.3.1 Inleiding
Als een klant een eigen woning wil kopen zijn er verschillende manieren om deze koop te financieren naast de ‘standaard’ manier van een hypothecaire geldlening bij een financiële onderneming zoals deze benoemd wordt in artikel 1:1 van de Wft. Te denken valt aan financiering door eigen privévermogen, financiering bij de (eigen) bv, schenking, hypothecaire geldlening via derden (bijvoorbeeld familie), stimuleringsfondsen of loan based crowdfunding.
Wij staan nu stil bij financiering bij de (eigen) bv en loan based 251 crowdfunding.
7.6.3.2 (Loan based) crowdfunding
Op de website van de AFM lezen we de volgende definitie van crowdfunding: ‘Crowdfunding is het investeren met of uitlenen van relatief kleine bedragen door een grote groep investeerders (geldgevers) aan particulieren of ondernemingen (geldvragers) via een doorgaans online platform (crowdfundingplatform). Crowdfundingplatformen brengen geldvragers en geldgevers samen. Er zijn verschillende verschijningsvormen, waarvan crowdfunding via het uitlenen van geld (loan based) en investeren in bedrijven (equity based) onder het toezicht van de AFM vallen.’
Bij crowdfunding onderscheiden wij vier vormen: 1. Doneren: hierbij schenkt de investeerder geld aan een goed doel. Het is voor de investeerder duidelijk waar het geld aan besteed wordt. Hij heeft een goed gevoel bij het doel. 2. Sponsoring en reward based: het doel van de aanvrager van de crowdfunding spreekt de geldgever aan. Het gaat hier minder om financieel gewin voor de geldgever, zij steunen een project waar zij achterstaan en krijgen hiervoor een (niet financiële) tegenprestatie. 3. Loan based: hierbij leent de geldgever uit aan een bedrijf of particulier tegen een rentevergoeding. Voor de geldgever is het financieel rendement op zijn geld belangrijk. 4. Equity based: de geldgever investeert in een bedrijf en ontvangt in ruil hiervoor dividend en waardevermeerdering van het aandeel. Ook hier is het rendement op de investering belangrijk voor de geldgever.
Alleen voor loan based en equity based crowdfunding geldt conform de Wft een vergunningsplicht, ontheffing en eventueel een prospectusplicht.
In het kader van deze module zoomen wij in op variant 3: Loan based crowfunding aan particulieren.
Als het via een crowdfundingplatform mogelijk is voor consumenten om een consumptieve of hypothecaire geldlening af te sluiten, dan heeft dit platform een vergunning voor het aanbieden van krediet nodig.
Risico’s van loan based crowdfunding: 1. financieel risico: de kosten die verbonden zijn aan loan based crowdfunding. De investeerders moeten een fee betalen, waardoor het rendement onder druk komt te staan. Informatie over de kosten is dus cruciaal. 2. niet halen van het targetbedrag: als dat gebeurt, storten de platformen het geld terug aan de investeerders. De meeste crowdfundingplatformen geven het geld terug aan de investeerder als de target niet behaald is, en
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER sommige vinden 75 procent van het targetbedrag als voldoende om door te gaan. 3. geldvrager niet kan voldoen aan de betalingsverplichting: hierdoor wordt het rendement voor de investeerder lager tot nihil. 4. ‘operationele risico’s’: technische problemen met de website. Geldstromen komen dan mogelijk direct stil te liggen. Een derdenrekening biedt dan soelaas. Ook bij faillissement speelt de derdenrekening uiteraard een rol. 5. crowdfundingplatform niet gecertificeerd door de AFM: niet voor alle platformen geldt een vergunningsplicht. 6. integriteitsrisico’s: met fraude als één van de grootste.
Bij het verstrekken van financieringen via crowdfunding worden in toenemende mate zekerheden van de geldvrager geëist. Met het afgeven van zekerheden door de geldvrager wordt het risico voor de investeerder verkleind. Immers, als de geldvrager niet aan de overeengekomen verplichtingen voldoet, kan de investeerder de zekerheden uitwinnen. Zekerheden die vaak worden afgegeven zijn zowel zakelijke als persoonlijke: hypotheek- en pandrecht, hoofdelijke aansprakelijkheid en borgtocht. Uiteraard ten eerste de hoofdelijke aansprakelijkheid van de geldvrager zelf. Daarnaast verbinden ook andere partijen zich regelmatig aan de verplichtingen die de geldvrager aangaat, bijvoorbeeld een familielid. Bij borgtocht verbindt een derde persoon, de zogenoemde ‘borg’, zich tot nakoming van de verbintenis van de geldvrager. De borg kan worden aangesproken als de geldvrager tekort schiet. In het geval van hoofdelijke aansprakelijkheid kan de schuldeiser zelf bepalen of hij de geldvrager aanspreekt of een eventuele medeschuldenaar.
Het crowdfundingplatform heeft een wettelijke verplichting om te zorgen dat de juiste stappen tijdig worden gezet in het proces van zekerheden stellen. In het geval dit fout gaat, dan loopt het platform het risico dat de zekerheden waardeloos blijken te zijn.
Daarnaast moeten de platforms zorgen voor transparantie in de informatieverstrekking over de details van de geboden zekerheden. Onderwerpen die hierbij een rol spelen zijn: gaat het om een eerste zekerheidsrecht, is het vestigen van een opvolgend recht toegestaan?
Een opvallend kenmerk van crowdfunding is dat het vaak gaat om veel investeerders (crowd) die relatief kleine bedragen investeren. Alle investeerders in hetzelfde project hebben recht op hun aandeel in de gestelde zekerheid. Ook moet het platform rekening houden met het scenario dat het zelf ophoudt te bestaan of failliet gaat. Hoe zit het dan met de zekerheden?
7.6.3.3 Lenen bij de (eigen) bv
De dga kan om verschillende redenen geld lenen van zijn eigen bv. Echter, dat leidt vaak tot discussies met de Belastingdienst. Het bestedingsdoel van de geldlening speelt hierbij een grote rol.
In alle gevallen dat de dga geld leent van zijn bv moet het gaan om een geldlening onder zakelijke voorwaarden. De voorwaarden worden beschouwd als zakelijk in het geval de bv deze ook zou stellen aan een onafhankelijke derde. Schriftelijk vastlegging, de afspraken over het terugbetalen en de zekerheden zijn aanwijzingen voor de Belastingdienst om te bepalen of er daadwerkelijk een geldlening is overeengekomen. Daarnaast moet de bv ook een zakelijke rente afspreken met de dga. In het geval er onzakelijkheid wordt vastgesteld door de Belastingdienst ziet deze de geldlening als een uitdeling en is deze als zodanig belast.
In het geval de rente hoger is dan zakelijk nodig is, wordt de hogere rente gezien als een informele kapitaalstorting. Hiermee wordt feitelijk de verkrijgingsprijs van de aandelen verhoogd met het bedrag van de storting.
De hoogte van de rente wordt mede bepaald door de geldende marktrente, het risico dat de bv loopt en een vaste of variabele rente. Soms geldt dan ook een risico-opslag. Bijvoorbeeld als er geen zekerheid wordt gesteld en als de belegging voor de bv een risico inhoudt.
Afhankelijk van het doel waarmee de dga het geld leent, zijn er verschillende fiscale gevolgen.
In het geval de bv voldoende liquiditeiten heeft, kan de financiering van de eigen woning via de bv lopen. Ook het omzetten van een hypothecaire geldlening bij een financiële instelling in een geldlening bij de bv is mogelijk. De voor de dga verschuldigde rente is dan eigenwoningrente en aftrekbaar in box 1 tegen maximaal 35,82 procent (2025). Bij de bv is de ontvangen rente in 2025 belast met Vpb tegen een tarief van 19 (tot € 200.000 belaste winst) of 25,8 procent (boven € 200.000 belaste winst).
Voorbeeld Gini is dga en bezit een eigen woning. Zij wil deze woning verbouwen voor een bedrag van € 100.000. Hiervoor leent zij bij haar bv. Alle betaalde rente kan zij in box 1 aftrekken tegen 35,82 procent. Voor de geldlening betaalt Gini vijf procent per jaar (€ 5.000). Netto is dit € 3.209. Bij haar bv is de ontvangen rente van € 5.000 belast. Uitgaande van een tarief van 19 procent betekent dit € 950 Vpb. Het nettobedrag van € 4.050 kan de bv 254 als dividend uitkeren. Hiervan houdt Gini bij een belastingtarief in box 2 van 24,50% (2025) € 3.058 over.
FINANCIERING VAN DE PARTICULIER Gini uit onze vorige voorbeeld kan ook om consumptieve doeleinden bij haar bv geld lenen. De geldlening valt dan bij haar in box 3 en de betaalde rente is niet aftrekbaar. De rente die de bv ontvangt, is wél belast met Vpb. In de meeste gevallen is het lenen voor consumptieve doeleinden dan ook minder tot niet fiscaal aantrekkelijk.
Veel dga’s hebben een schuld in rekening-courant bij hun bv. Dit is iets anders dan een geldlening bij de bv. Via een rekening-courant worden kleine bedragen over en weer geboekt. Bedragen die op deze rekening worden geboekt, worden doorlopend met elkaar verrekend. Het saldo van de rekening-courant mag gedurende het jaar maximaal € 17.500 zijn om geen rente te hoeven berekenen. Zodra het saldo hoger is dan € 17.500 is de dga over het gehele bedrag rente verschuldigd aan de bv. Deze rente is bij de dga niet aftrekbaar. Meestal leidt een rekening-courantverhouding met de bv niet tot fiscale problemen behalve in de situatie dat de rekening-courantverhouding zóhoog is dat het onaannemelijk is dat de dga deze nog kan aflossen. De Belastingdienst kan het saldo dan zien als een winstuitdeling en deze is als zodanig belast. Daarom is een aflossingsregeling tussen dga en bv belangrijk.
Vanaf 2024 mag de dga samen met zijn partner tot € 500.000 onbelast lenen van zijn eigen vennootschap(pen). Een uitzondering geldt voor de financiering van de eigen woning.
In de situatie dat de belastingplichtige als aanmerkelijkbelanghouder samen met zijn partner meer dan € 500.000 leent, dan wordt het meerdere vanaf 2024 per jaareinde belast met de AB-heffing in box 2 van de inkomstenbelasting.
Dit maximumbedrag geldt ook voor leningen vanuit de vennootschap aan een persoon en diens partner samen die met de AB-houder of diens partner is verbonden.
Het toetsmoment is telkens 31 december van het jaar.
De rekening-courantmaatregel strekt behalve tot rekening-courantschulden bij de eigen bv óók tot alle andere schulden van de dga én zijn partner aan de bv. Alleen bestaande en nieuwe eigenwoningschulden vallen buiten de rekeningcourant-maatregel.
Plas bij Loosdrecht, Willem Roelofs (I), 1887
8. FINANCIERING VAN DE ONDERNEMER
Het begeleiden van een ondernemer bij zijn financieringsaanvraag voor de aankoop van een woning verloopt op een aantal punten anders dan bij een cliënt die in loondienst werkzaam is. We onderscheiden als ondernemer de ZZP’er, de IB-ondernemer en de dga.
Voor het beoordelen van een financieringsaanvraag van een ondernemer is het zaak om de cijfers van de onderneming te kunnen doorgronden. Hoe kan het inkomen van de ondernemer nu, straks en later bepaald worden zodat een passende hypothecaire planning kan worden gemaakt?
In de module ‘Financieringsaanvraag van de ondernemer’ leest u hierover meer.
9. FINANCIERING VIA STIMULERINGSFONDS VOLKSHUISVESTING
Het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) biedt financieringsoplossingen die maatschappelijke waarde helpen creëren samen met gemeenten en andere overheden. SVn is partner voor overheden en woningcorporaties. Sinds 1996 voert SVn financiële regelingen uit voor overheden en verstrekt kredieten aan zowel particulieren als ondernemers. De financieringsoplossingen van SVn kunnen een rol spelen bij verduurzaming, ontwikkeling van gebieden of stimuleren van ondernemerschap.
Het SVn voert de volgende geldleningen voor particulieren: • Starterslening: aanvullende hypothecaire financiering voor de aankoop van de eerste woning; • Duurzaamheidslening: persoonlijke lening voor het verduurzamen en/of energiezuinig of -opwekkend maken van een woning; • Maatwerklening: hypothecaire financiering van een verbouwing in het geval van te weinig draagkracht; • Stimuleringslening: persoonlijke of hypothecaire financiering inzetbaar voor het renoveren of verduurzamen van een woning; • Verzilverlening: hypothecaire financiering om de overwaarde van de woning voor het renoveren of verduurzamen van een woning te benutten; • Blijverslening: persoonlijke of hypothecaire financiering voor het levensloopbestendig maken van de woning.
9.1 STARTERSLENING
De Starterslening is een hypothecaire lening die starters kunnen gebruiken om hun eerste woning aan te kopen. De geldlening wordt tegelijk met de eerste hypothecaire geldlening bij een andere geldverstrekker afgesloten. De Starterslening overbrugt het verschil tussen de prijs van een eerste huis en 259
het bedrag dat een koopstarter bij een geldverstrekker kan lenen. Het is een aanvullende lening, van de gemeente of de woningcorporatie, op de eerste hypothecaire geldlening.
De lening bestaat uit twee delen: een annuït air deel (feitelijke Starterslening) en een oplopend leningdeel (Combinatielening). De looptijd van de Starterslening en de Combinatielening is 30 jaar. Voor beide delen zijn de eerste drie jaar de maandlasten nihil.
Hierna enige aandachtspunten bij de Starterslening: • de lening wordt afgesloten met NHG-garantie. Op een aantal punten wijkt de SVn af van NHG. • de lening is minimaal € 2.500 en is maximaal het bedrag dat de gemeente of provincie heeft vastgesteld. • de lening is maximaal 20 procent van de koop- of aanneemsom (plus eventuele verbeter- of meerwerkkosten), óf de marktwaarde uit het taxatierapport. Het laagste bedrag van de twee geldt. • uitbetaling van de lening vindt plaats bij de notaris, alleen in het geval van zelfbouw wordt de lening verstrekt via een bouwdepot. • beide hypotheekaktes -van de Starterslening en van de eerste hypotheekmoeten samen met de transportakte in gebruikelijke volgorde, maar beslist in één en dezelfde afspraak bij de notaris passeren. • de rente wordt door de gemeente/provincie/corporatie betaald. De aflossing van de Starterslening wordt ‘betaald’ met de Combinatielening, waardoor de Combinatielening de eerste drie jaar altijd oploopt. • na drie jaar kan de klant bij betalingsonmacht een hertoets aanvragen. Deze ‘hertoetsmomenten’ zijn er náhet derde, zesde, 10de en 15de jaar om te kijken of er wel of niet betaald kan worden voor de leningdelen. • aan het einde van de looptijd moet de restschuld in één keer terugbetaald worden. • de rente en afsluitkosten over het deel Starterslening zijn meestal fiscaal aftrekbaar, de rente van de Combinatielening is nooit fiscaal aftrekbaar.
De productvoorwaarden van de Starterslening hypothecair en persoonlijke lening vindt u in Bijlage 8 en 8a van deze module.
9.2 DUURZAAMHEIDSLENING
De Duurzaamheidslening is een persoonlijke lening die de klant kan inzetten voor het duurzaam maken of energiezuiniger maken van zijn woning. De productvoorwaarden vindt u in bijlage 12 van deze module.
FINANCIERING VIA STIMULERINGSFONDS VOLKSHUISVESTING Hierna enige aandachtspunten bij de Duurzaamheidslening: • Duurzaamheidslening is een persoonlijke lening en de looptijd is 10 jaar tot een bedrag van € 7.499 en 15 jaar vanaf een bedrag van € 7.500. • gemeente bepaalt de hoogte van de lening en deze is minimaal € 2.500 en maximaal € 25.000. • bij een persoonlijke lening moet één van beide geldnemers jonger zijn dan 76 jaar. • iedere gemeente en provincie beslist wie van de lening gebruik mag maken. Alleen met een toewijzing van de gemeente of provincie kan de geldnemer de lening bij SVn aanvragen. • náde toewijzing van de gemeente of provincie, kan de geldnemer een aanvraag doen. SVn doet vervolgens een krediettoets. • voor het verstrekken van de lening wordt een bouwdepot geopend. • het is een annuït aire geldlening. • afhankelijk van het bestedingsdoel en de persoonlijke situatie kan de rente in veel gevallen fiscaal afgetrokken worden. • lening mag eerder boetevrij (gedeeltelijk) worden afgelost vanaf een minimumbedrag van € 250.
De productvoorwaarden vindt u in Bijlage 9 van deze module.
9.3 MAATWERKLENING
De Maatwerklening is er voor klanten die onvoldoende toetsinkomen hebben om een hypothecaire geldlening te verkrijgen via de ‘standaardnormen’ van de GHF en Trhk en het wél noodzakelijk is dat zij onderhoud plegen aan de eigen woning. Denk dan aan de volgende mogelijke situaties, woning is onveilig geworden door: • aanwezigheid van asbest; • funderingsproblemen.
De productvoorwaarden vindt u in bijlage 13 van deze module.
Hierna enige aandachtspunten bij de Maatwerklening: • hypothecaire geldlening die bestaat uit een annuït air (feitelijke Maatwerklening) en een oplopend leningdeel (Combinatielening). • beide leningdelen lopen 30 jaar. • hoogte van de lening is minimaal € 2.500 en maximaal het bedrag dat de gemeente of provincie heeft vastgesteld. • toetsinkomen van klant(en) is onvoldoende voor maandlasten ‘normale’ hypothecaire geldlening. Ook bepaalt het vermogen in box 3 van klant(en) mede de hoogte van het te verkrijgen bedrag. Het bedrag wordt
lager naarmate bij klant(en) sprake is van vermogen boven de vrijstelling in box 3. • aanvraag loopt via gemeente van klant(en). Iedere gemeente heeft eigen beleid. • SVn doet in alle gevallen een financiële toetsing. SVn kijkt dan onder andere naar inkomen, vaste lasten, eventuele schulden of leningen en de waarde van de woning. • geldlening wordt verstrekt via een bouwdepot. • geen maandlasten gedurende eerste drie jaar van geldlening. Gemeente/ provincie betaalt dan de verschuldigde rente. Aflossing van de Maatwerklening gebeurt uit Combinatielening, waardoor deze de eerste drie jaar oploopt. • na drie jaar is hertoets mogelijk. Hertoetsmomenten zijn er ná3de, 6de, 10de en 15de jaar. • mogelijkheid van restschuld aan einde looptijd: Maatwerklening is afgelost, maar daardoor is de Combinatielening opgelopen tot oorspronkelijke schuld. Aan einde looptijd moet overgebleven schuld ineens terugbetaald worden. • rente over Maatwerklening is meestal fiscaal aftrekbaar, rente Combinatielening is nooit fiscaal aftrekbaar. • net zoals alle SVn leningen mag Maatwerklening eerder boetevrij (gedeeltelijk) worden afgelost. • De productvoorwaarden vindt u in Bijlage 10 van deze module.
9.4 STIMULERINGSLENING
De Stimuleringslening is een geldlening met een vaste, lage rente. Met het geleende bedrag kunnen cliënten hun eigen woning aanpassen voor bijvoorbeeld aanpassingen aan de woning om langer te kunnen blijven wonen (levensloopbestendig maken). Daarnaast ook voor renoveren, restaureren of verduurzamen van de eigen woning.
De productvoorwaarden vindt u in Bijlagen 11 en 11a van deze module.
Hierna enige aandachtspunten bij de Stimuleringslening: • financieren kan hypothecair, met een persoonlijke of zakelijke lening (deze laatste laten wij hier buiten beschouwing). • persoonlijke lening loopt maximaal 15 jaar, is onderhands en maximaal bedrag dat gemeente/provincie heeft vastgesteld (maximaal € 75.000). • vaste rente (door gemeente/provincie bepaald) en looptijd en aflossing is annuït air.
FINANCIERING VIA STIMULERINGSFONDS VOLKSHUISVESTING • toewijzing van gemeente/provincie is vereist. Elke gemeente heeft eigen beleid. • elke gemeente/provincie heeft eigen voorwaarden over looptijd, rente, en welke maatregelen gefinancierd mogen worden. • lening wordt náfinanciële toetsing door SVn via bouwdepot door SVn verstrekt.
9.5 VERZILVERLENING
Met de Verzilverlening kunnen huiseigenaren met een minimumleeftijd van 10 jaar vóór de wettelijke AOW-leeftijd (op dit moment ongeveer 58 jaar) aanpassingen en verbeteringen aan de woning met een stukje van de overwaarde van de woning financieren.
De productvoorwaarden vindt u in bijlage 12 van deze module.
Hierna enige aandachtspunten bij de Verzilverlening: • betreft hypothecaire geldlening van één leningdeel met looptijd van 75 jaar. • alleen beschikbaar voor klant(en) met eigen woning met overwaarde in laatste fase wooncarrière. • klant(en) eerst contact opnemen met gemeente/provincie voor toewijzing. Iedere gemeente bepaalt zelf beleid. • SVn beoordeelt SVn aanvraag met financiële toets. Hierbij gaat het om voldoende overwaarde in plaats van voldoende inkomen. Overwaarde hangt samen met leeftijd jongste aanvrager en gevraagde leensom. Er wordt gekeken naar verschil tussen 80 procent WOZ-waarde of 80 procent marktwaarde en de schuldrest van bestaande hypothe(e)k(en). Dit relateert SVn dan aan het bereiken van het 98ste levensjaar van jongste aanvrager. • lening is onafhankelijk van hoogte vermogen in box 3. • uitbetaling lening vindt plaats via bouwdepot. • lening is aflossingsvrij en oplopend, doordat rente één maal per jaar wordt bijgeschreven. Aan einde looptijd, bij verkoop woning of overlijden langstlevende schuldenaar, wordt de lening afgelost. • rvp is 40 jaar en fiscaal niet aftrekbaar.
9.6 BLIJVERSLENING
De Blijverslening is bedoeld om senioren langer in hun eigen woning of huurwoning te kunnen laten wonen doordat zij de benodigde woningaanpassingen kunnen doen met het geld van deze geldlening. 263
Het kan in de vorm van een persoonlijke lening of hypothecaire geldlening en de rente is onder de gebruikelijke voorwaarden aftrekbaar.
Het geld wordt in een bouwdepot gestort, waaruit de aannemer wordt betaald.
Voor het bepalen van de hoogte van de Blijverslening blijft het vermogen in box 3 buiten beschouwing. Het is wel mogelijk dat het eigen vermogen nodig is om de woningaanpassingen te kunnen betalen. Daarnaast kan de gemeente of provincie een eigen bijdrage eisen.
Slechts een aantal gemeenten bieden deze geldleningsvorm aan.
De productvoorwaarden voor de persoonlijke lening variant vindt u in Bijlagen 13 en 13a van deze module.
Hierna enige aandachtspunten bij de Blijverslening: • mogelijk in hypothecaire of persoonlijke leningsvorm. • persoonlijke lening variant is bedoeld voor zowel woningeigenaren als huurders. • één van de leningaanvragers moet jonger zijn dan 76 jaar. • persoonlijke lening variant heeft een looptijd van 10 jaar, is onderhands en is -afhankelijk van financiële draagkracht- minimaal € 2.500 en maximaal € 50.000. • tot en met € 10.000 is de looptijd 10 jaar, vanaf € 10.001 is de looptijd 20 jaar. • in alle gevallen doet SVn een krediettoets. • Lening wordt bij toekenning verstrekt via bouwdepot. • rente wordt door gemeente/provincie bepaald en cliënt lost tijdens looptijd maandelijks af.
Meerdere factoren spelen een rol bij het bepalen van de juiste financiële oplossing voor de klant. Denkt u aan leeftijd, eventuele overwaarde van een eigen woning, inkomen en overige bezittingen. Daarom is het belangrijk om eerst alle voorwaarden van de Blijverslening (persoonlijke lening) te onderzoeken voordat de klant deze lening aanvraagt. Ook de verschillen tussen de hypothecaire en persoonlijke lening variant zijn goed om te vergelijken.
Boek 3.indb 265
FINANCIERING VIA STIMULERINGSFONDS VOLKSHUISVESTING
17-03-2025 14:30
10. GELDLENING NATIONAAL WARMTEFONDS
De Energiebespaarlening is een aantrekkelijke lening waarmee eigenaar-bewoners energiebesparende investeringen voor hun eigen woning kunnen financieren. Het Warmtefonds wil het mogelijk maken dat iedere eigenaar-bewoner de eigen woning kan verduurzamen. Het Warmtefonds stelt deze mogelijkheid daarom open voor huizenbezitters ouder dan 75 jaar of met onvoldoende leenruimte.
Hierna enige aandachtspunten bij de geldlening bij het Nationaal Warmtefonds: • geldlener is eigenaar én bewoner van de te verduurzamen woning; • aanvraag is niet voor een nieuwbouwwoning; • woongedeelte van deze woning wordt verduurzaamd met een of meerdere maatregelen; • minimaal € 1.000 en maximaal € 28.000 lenen; • voor alleen de thuisbatterij kan men maximaal € 8.500 lenen. • aanvraag voor de Energiebespaarlening is drie maanden geldig; • voor eigenaar-bewoners met een verzamelinkomen van minder dan € 60.000, is er een speciale nul procentregeling.
BIJLAGEN
Bij deze module horen aanvullende bijlagen die digitaal beschikbaar zijn.
Scan de QR-code hieronder met je smartphone of tablet om direct toegang te krijgen.
Scan de QR-code en bekijk de bijlagen!
Mocht de QR-code niet werken of wil je de bijlagen op je computer bekijken, ga dan naar: https://www.hypothecairplanner.nl/redirect/syllabi
DEEL 7 — IB-ONDERNEMER EN DGA
INLEIDING
Bij hypothecaire planning is kennis over de ondernemer en zijn onderneming(en) van belang. Een onderneming kan gedreven worden vanuit privé (eenmanszaak of vennootschap onder firma) of vanuit één of meer vennootschappen (besloten vennootschap (bv) of naamloze vennootschap (nv).
In deze module komen de verschillende ondernemingsvormen aan de orde. Daarbij belichten wij onder andere de fiscale aspecten. Zo krijgt de ondernemer in privébij de dagelijkse gang van zaken in elk geval te maken met de inkomstenbelasting in box 1. In het geval de onderneming gedreven wordt in de vorm van een bv of een nv komt ook nog de vennootschapsbelasting (Vpb) om de hoek kijken naast de boxen van de inkomstenbelasting.
Bij de advisering kunt u ook te maken krijgen met de directeur-grootaandeelhouder (dga). Deze is ook inkomstenbelasting verschuldigd, namelijk in box 2 voor de inkomsten uit aanmerkelijk belang, in box 1 bij loon of het resultaat uit overige werkzaamheden en in box 3 over zijn vermogen.
Klanten hechten steeds meer waarde aan een integraal advies en aan een adviseur die eventuele aandachtspunten en mogelijkheden kan signaleren.
Omdat ook ondernemers en dga’s ooit komen te overlijden of schenkingen willen doen, komt de Successiewet (SW) aan bod.
Verder behandelen wij de volgende onderwerpen in deze module in meer of minder uitgebreide vorm: • administratieve verplichtingen • vermogensetikettering • winstbepaling • omzetbelasting • overdrachtsbelasting • loonbelasting • sociale zekerheid • oprichting bv • aansprakelijkheid • oudedagsvoorziening/pensioen. 273
Voor de bestudering van deze stof is intensief gebruik van de wettenbundel noodzakelijk. Het vereenvoudigt het bestuderen van de module en leert u omgaan met het gebruik van de wettenbundel en geeft u handvatten om in de adviespraktijk zaken terug te zoeken. De relevante wetsartikelen staan steeds in de voetnoten vermeld. Leest u de wetsartikelen ook daadwerkelijk tijdens het studeren. Een tweede belangrijke tip is om bij het bestuderen van de stof de Leerdoelen en Toetstermen Hypothecaire Planning van de NVHP als leidraad te raadplegen.
Samen met uw voorkennis van de Wft modules basis, vermogen en hypothecair krediet vormt deze module de lesstof voor het examen en uw naslagwerk als beginnend praktiserend hypothecair planner.
Deze module is bijgewerkt tot 1 maart 2025. Nádeze datum aangenomen wetgeving is niet verwerkt, evenmin als besluiten die na deze datum bekend zijn geworden of zijn gewijzigd.
NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender.
INLEIDING
11. STARTENDE ONDERNEMER
11.1 STARTEN ONDERNEMING
Bij het starten van een onderneming komen - naast de eigenlijke activiteiten van de onderneming - een aantal belangrijke vragen aan de orde waarop een antwoord nodig is.
Denkt u dan onder meer aan de volgende vragen: • welke rechtsvorm wordt gekozen voor de op te starten onderneming; • welke regelgeving bestaat ten aanzien van werknemers- en volksverzekeringen; • moet er een verzekering voor bijvoorbeeld ziektekosten en arbeidsongeschiktheid worden afgesloten; • welke verplichtingen stelt de Kamer van Koophandel (KvK) aan de startende ondernemer; • welke rol speelt het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bij het starten van een onderneming; • hoe kijkt de Belastingdienst tegen een onderneming en haar ondernemer aan; • op welke wijze wordt de positie van de eventuele meewerkende echtgenoot of partner geregeld; • hoe staat het met het sociale vangnet voor de (startende) ondernemer?
In dit hoofdstuk beantwoorden wij deze en andere vragen, waarbij in dit onderdeel al enkele algemene aspecten, waarmee een startende ondernemer wordt geconfronteerd, worden behandeld.
Veel regelingen die wij hierna zullen behandelen zijn niet specifiek van toepassing op de startende ondernemer, deze gelden voor élke ondernemer. Desondanks besteden we hierna aan deze regelingen aandacht, omdat het starten van een onderneming meestal het eerste moment is waarop men met deze voor ondernemers geldende regelingen wordt geconfronteerd. Zoals zal blijken, worden ondernemers met andere regelingen en verplichtingen geconfronteerd dan werknemers.
11.1.1 Belastingdienst
Bij de start van een onderneming moet de onderneming worden aangemeld bij de eenheid van de Belastingdienst, waaronder de onderneming valt. Vervolgens beoordeelt de Belastingdienst of de startende ondernemer inderdaad als ondernemer voor de fiscale wetgeving kan worden beschouwd. De aanmelding bij de Belastingdienst gebeurt meestal voor de inkomstenbelasting, de Vpb (afhankelijk van de gekozen rechtsvorm, zie hierna) en de omzetbelasting. Als vervolgens personeel wordt aangenomen, vindt ook aanmelding voor de loonheffingen (loonbelasting, premies volks- en werknemersverzekeringen) en Zorgverzekeringswet (Zvw) plaats.
In het geval de startende ondernemer een uitkering ontvangt, zoals een uitkering op grond van de WW, Wet WIA of Participatiewet (Pw), wordt aan de uitkeringsinstantie gemeld dat er een onderneming wordt gestart. Deze instantie is meestal het UWV of de gemeente. De uitkering wordt in dat geval meestal verlaagd of wellicht zelfs helemaal stopgezet.
De UWV-startersregeling biedt WW-gerechtigden de kans om met behoud van een deel van hun uitkering een onderneming te beginnen.
De UWV-startersregeling stelt WW-gerechtigden in staat om maximaal zes maanden een eigen onderneming op te bouwen zonder dat hun verdiensten direct worden verrekend met de uitkering. Dit brengt de volgende voorwaarden en consequenties met zich mee: • de startperiode duurt maximaal zes maanden (of korter als de WW-uitkering eerder afloopt). • tijdens deze periode ontvangt de ondernemer 29 procent minder WW-uitkering. • inkomsten uit het eigen bedrijf worden in deze periode niet verrekend met de resterende uitkering.
De werkzoekende moet toestemming krijgen van UWV voor deelname aan de regeling. Dit vereist een goedgekeurd ondernemingsplan en het volgen van een online training bij UWV.
STARTENDE ONDERNEMER Tijdens de startperiode hoeft de ondernemer niet te solliciteren. De focus mag volledig liggen op de opbouw van het bedrijf.
Het is niet toegestaan om opdrachten uit te voeren voor de vorige werkgever.
De ondernemer moet bijhouden hoeveel uren hij besteedt aan de onderneming. De startersregeling van vóór 1 januari 2013 bestaat uit een voorschot op de WW gedurende 26 weken. Achteraf wordt berekend of het voorschot (gedeeltelijk) moet worden terugbetaald, omdat er voldoende inkomsten zijn geweest. Ook in dat geval is er geen sollicitatieplicht van toepassing.
Zonder toestemming van de werkcoach een onderneming starten vanuit de WW kan ook. De startende ondernemer krijgt dan een urenkorting. Hij geeft direct vanaf het begin aan UWV door hoeveel uren hij aan zijn bedrijf zal besteden. Deze uren worden gekort op de WW-uitkering. Alleen de reisuren naar de vaste werkplek tellen niet mee voor het berekenen van de urenkorting.
Tot slot kan een startende ondernemer afzien van een WW-uitkering en met zijn bedrijf starten.
11.1.2 Ondernemer en huwelijksvermogensrecht vanaf 2018
Let u ook op de wijzigingen op dit gebied als gevolg van het nieuw huwelijksvermogensrecht sinds 2018.
Voor de behandeling van dit onderwerp verwijzen wij u naar de module ‘Recht’.
11.2 OPTIMALE ONDERNEMINGSVORM
11.2.1 Rechtsvormkeuze
Eén van de eerste vragen waarmee een startende ondernemer wordt geconfronteerd, betreft de keuze van de voor hem relevante rechtsvorm waarin hij zijn onderneming gaat drijven. We schreven hierover ook in de module ‘Recht’.
Hierbij onderscheiden wij de volgende rechtsvormen: • rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid: – eenmanszaak – maatschap – vennootschap onder firma (vof) – commanditaire vennootschap (cv) • rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid: – besloten vennootschap (bv) – naamloze vennootschap (nv) – stichting of vereniging – coöperatie.
Welke van de hiervoor vermelde rechtsvormen in aanmerking komt voor de startende ondernemer hangt onder meer af van het aantal personen met wie de onderneming wordt gedreven en wat de activiteiten van die onderneming zijn. Als de onderneming door maar één ondernemer wordt gedreven, dan komt de eenmanszaak of de (eenmans-)bv als mogelijke rechtsvorm in aanmerking. Als de onderneming door meerdere ondernemers wordt gedreven dan komt de maatschap, de vof, de (meermans-)bv of zelfs de nv als mogelijke rechtsvorm in aanmerking. Wanneer één of meer van de bij de onderneming betrokken personen in de positie van geldschieter (op de achtergrond) optreedt, dan komt de rechtsvorm van de commanditaire vennootschap (cv) in beeld. Als de activiteiten van de onderneming eerder van levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele en/of wetenschappelijke aard zijn in plaats van gericht op het maken van winst, dan ligt de rechtsvorm van de stichting of vereniging voor de hand. De rechtsvorm van de coöperatie treffen we meestal aan in de agrarische sector.
Het is overigens niet zo dat de (startende) ondernemer voor altijd aan een gemaakte keuze vastzit. Afhankelijk van latere ontwikkelingen kan de aanvankelijk gekozen rechtsvorm (al dan niet geruisloos) veranderen van een eenmanszaak naar een maatschap of vof, als er een zakenpartner bij komt. Wanneer voorheen gekozen is voor de (eenmans-)bv, dan kan de nieuwe zakenpartner toetreden door (enkele) aandelen aan hem te verkopen dan wel nieuwe aandelen aan hem uit te geven. Ten slotte kan een aanvankelijk gekozen rechtsvorm altijd worden omgezet in een andere rechtsvorm. Welke van bovenstaande mogelijkheden wordt gekozen, hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval.
STARTENDE ONDERNEMER Hierna besteden wij aan elke (huidige) rechtsvorm afzonderlijk aandacht, waarbij wij naast de fiscale aspecten ook ingaan op de juridische en de sociale zekerheidsaspecten.
11.2.1.1 Eenmanszaak
In de module ‘Recht’ behandelen wij uitgebreid de juridische kant van de eenmanszaak. Wij noemen hier de essentie en verwijzen u voor het overige naar de genoemde module.
Meestal oefent een startende ondernemer zijn onderneming uit in de rechtsvorm van de eenmanszaak. Deze rechtsvorm is als zodanig niet in de wet geregeld. De bezittingen en schulden van de eenmanszaak zijn rechtstreeks eigendom van de ondernemer als privépersoon. De ondernemer is zelf aansprakelijk met zijn gehele (privé)vermogen voor de ondernemingsschulden. Als de ondernemer in gemeenschap van goederen is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan zonder partnerschapsvoorwaarden kan dit grote gevolgen hebben in geval van aansprakelijkstelling of faillissement.
De eenmanszaakondernemer valt onder de inkomstenbelasting1. Als aan de voorwaarden voor het fiscale ondernemerschap is voldaan, dan worden de (positieve en negatieve) resultaten van de onderneming belast als winst uit onderneming2. De eenmanszaakondernemer heeft dan ook toegang tot de diverse ondernemersfaciliteiten.
Omdat de eenmanszaakondernemer geen werknemer is -hij staat immers niet in een gezagsverhouding tot een werkgever- is hij in principe onverzekerd voor de sociale werknemersverzekeringen (WW en Wet WIA). Zelfstandigen vallen onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en zijn naast de nominale premie een inkomensafhankelijke bijdrage van 5,26 procent over de winst uit onderneming verschuldigd aan de zorgverzekeraar3. Voor 2025 geldt een maximum premiegrondslag van € 75.8644. Er zijn diverse initiatieven genomen om ZZP’ers vrijwillig te laten deelnemen aan collectieve pensioenregelingen.
1 rt. 3.2 Wet IB 2001. A 2 A fdeling 3.2, art. 3.2 - art. 3.7 Wet IB 2001. 3 A rt. 5.4 lid 2 Rzv. 4 A rt. 5.2 Rzv. 281
ZZP’ers kunnen zich vrijwillig aansluiten bij verschillende pensioenregelingen. Enkele belangrijke initiatieven zijn: • collectieve pensioenregelingen via verzekeraars en banken: – diverse financiële instellingen bieden pensioenproducten aan voor zzp’ers. – deze producten hebben vaak flexibele inlegmogelijkheden en bieden fiscale voordelen. – belangrijk is om de voorwaarden en kosten van verschillende aanbieders te vergelijken. • beroeps- of bedrijfstakpensioenfondsen: – voor bepaalde beroepsgroepen, zoals artsen, fysiotherapeuten, notarissen, stukadoors en schilders, gelden verplichte pensioenregelingen. – ZZP’ers in deze sectoren kunnen pensioen opbouwen via het relevante pensioenfonds.
Soms kunnen ook zzp’ers buiten deze sectoren vrijwillig deelnemen.
Daarnaast staat hem de mogelijkheid van lijfrentevoorzieningen te treffen open. Tot 2023 was deelname aan de fiscale oudedagsreserve (OR) mogelijk.
De ondernemer kan uiteraard ook vermogen vormen in box 3.
Ten slotte spaart hij op termijn door af te lossen op de eigenwoningschuld uitgaven uit. Het gevolg hiervan is dat hij minder inkomen nodig heeft om de hypotheeklasten te betalen. Op deze manier kan een ondernemer flexibel omgaan met het vormen van een oudedagsvoorziening.
11.2.1.2 Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap
Voor de maatschap, vof en cv verwijzen wij u naar wat wij hierover in de module ‘Recht’ hebben geschreven.
11.2.1.3 Besloten vennootschap en naamloze vennootschap
Een onderneming kan ook worden uitgeoefend in de rechtsvorm van besloten vennootschap (bv) of naamloze vennootschap (nv). Met name de bv-vorm leent zich ervoor om er zowel een eenmanszaakonderneming in uit te oefenen (de bv heeft dan maar één aandeelhouder) als een samenwerkingsverband met meerdere personen aan te gaan. In dit laatste geval kent de bv meerdere aandeelhouders. In het kader van deze opleiding beperken wij ons tot de bv-vorm.
STARTENDE ONDERNEMER De rechtsvorm van de bv is uitgebreid geregeld in Boek 2 van het BW. Deze uitgebreide wettelijke regeling heeft enerzijds tot doel om misbruik van met name de bv-vorm te voorkomen en anderzijds om schuldeisers voldoende waarborgen te bieden voor verhaal van hun schuldvordering. Sinds 1 oktober 2012 is de wettelijke eis dat de bv beschikt over een minimaal aandelenkapitaal van € 18.000 dat als buffervermogen ten gunste van de schuldeisers dienst deed, komen te vervallen5.
De aandelen van de bv zijn aandelen op naam. Een bv heeft dan ook een aandeelhoudersregister, zodat op elk moment bekend is wie de aandeelhouders zijn.
De bv is een rechtspersoon en daarmee dus zelfstandig drager van rechten en plichten. De onderneming wordt dan ook gedreven door de bv en niet door de achterliggende aandeelhouder(s). Dit betekent ook dat de aandeelhouder(s) noch de directeur aansprakelijk zijn voor de schulden van de bv. Wanneer de bv failliet gaat dan verlie(st)(zen) de aandeelhouder(s) maximaal het op de aandelen gestorte bedrag, dan wel de koopprijs van de aandelen. De aandeelhouder(s) komt(en) voor verrekening van hun vordering bij een faillissement immers pas aan beurt nadat de vorderingen van alle schuldeisers -zowel preferente als concurrente- zijn voldaan.
Echter, op deze hoofdregel ten aanzien van de aansprakelijkheid bestaan belangrijke uitzonderingen: • bestuurder(s) van (een) rechtsperso(o)n(en) is (zijn) in geval van faillissement van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon als sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement6. • bestuurder(s) van (een) rechtsperso(o)n(en) die (is) zijn onderworpen aan de Vpb (is) zijn ook buiten de situatie van faillissement hoofdelijk aansprakelijk voor de niet-betaalde premies sociale verzekeringen, loonen omzetbelasting en verplichte bijdragen aan bedrijfspensioenfondsen als sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur7.
Verder wordt in de praktijk door kredietverstrekkers en overige geldverstrekkers, zoals banken en dergelijke, meestal geëist dat de dga zich ook in privéborg stelt voor de aan zijn bv verstrekte gelden.
5 rt. 2:178 lid 2 BW. A 6 A rt. 2:138 lid 1 BW. 7 Zie onder andere art. 36 Invorderingswet 1990. 283
Fiscaal is een bv onderworpen aan de heffing van Vpb8. Deze heffing bedraagt voor 2025 voor de winst tot € 200.000 19 procent (eerste schijf) en voor de winst boven € 200.000 25,80 procent (tweede schijf)9.
De fiscaal mogelijk gunstige ondernemersfaciliteiten, zoals de ondernemersaftrek en de oudedagsreserve (tot 2023), zijn niet beschikbaar voor de onderneming die in de rechtsvorm van de bv wordt gedreven. Verder is de aandeelhouder - die eventueel ook directeur is van de vennootschap - voor zijn inkomsten die hij uit de bv ontvangt, onderworpen aan de heffing van inkomstenbelasting. De aandeelhouder die ook directeur van de bv is, wordt voor zijn arbeidsinkomsten belast op grond van inkomsten uit dienstbetrekking tegen het normale marginale tarief van maximaal 49,50 procent in box 1; de dga wordt in zoverre gelijk gesteld aan iedere normale werknemer. Dit betekent ook dat de vennootschap de dga een pensioen kan toezeggen. Overigens hebben werknemers/pensioengerechtigden die een aandelenbelang met stemrecht van minimaal 10 procent hebben10 in hun werkgever (wat bij een dga meestal het geval is) de mogelijkheid pensioen op te bouwen in eigen beheer.
De dga die aanmerkelijkbelanghouder in de bv is, wordt ten aanzien van alle opbrengsten van de (aanmerkelijk belang) aandelen - zowel de inkomsten uit de aandelen als de vervreemdingsresultaten - belast tegen een inkomstenbelastingtarief van 24,50 procent tot € 68.843 inkomen in box 2 en daarboven van 31 procent (2026). Fiscaal partners mogen bij de aangifte inkomstenbelasting onderling schuiven met inkomen in box 2 en zo tweemaal de lage schijf toepassen, tot € 137.686. Dit geldt ook als slechts één partner aandeelhouder is.
Van een aanmerkelijk belang is sprake als de belastingplichtige alleen of met diens fiscaal partner minimaal vijf procent heeft van de aandelen, winstbewijzen, genotsrechten of stemrechten in een vennootschap heeft, of minimaal vijf procent van het stemrecht heeft in een coöperatie of in een coöperatieve vereniging of als de belastingplichtige deze aandelen of stemrechten indirect heeft, bijvoorbeeld via een holding.11.
8 A rt. 2 lid 1 onderdeel a Wet Vpb. 9 A rt. 22 Wet Vpb 1969. 10 A rt. 1 PW. 284 11 A rt. 4.6 Wet IB 2001.
STARTENDE ONDERNEMER Uit het bovenstaande volgt dat de dga in ten minste twee hoedanigheden en soms zelfs in meerdere hoedanigheden tot de bv kan staan: • werknemer (directeur) • pensioengerechtigde • aandeelhouder, meestal zelfs aanmerkelijkbelanghouder • crediteur/geldverschaffer • verhuurder.
Voor de fiscale consequenties is het essentieel deze hoedanigheden goed uit elkaar te houden, omdat elke hoedanigheid een eigen fiscale behandeling kent. Hoewel de fiscale consequenties hetzelfde zijn, komt een dergelijke combinatie van hoedanigheden bij een nv meestal niet voor. Bij deze laatste rechtsvorm zijn de aandeelhouders meestal andere personen dan de bestuurders.
Vanuit fiscaal oogpunt heeft de uitoefening van de onderneming in de rechtsvorm van de bv of de nv tot gevolg dat een gecumuleerde belastingheffing optreedt. Over de winsten van de bv of de nv moet Vpb worden betaald, terwijl de uitgekeerde winsten (nogmaals) bij de aandeelhouder worden belast met inkomstenbelasting.
Om te bepalen wat de dga in privéoverhoudt van een euro winst die de bv maakt, berekenen we de gecombineerde belastingdruk. Dat is de optelsom van de vennootschapsbelasting in de bv en later de box 2-heffing over de winst návennootschapsbelasting.
De gecombineerde belastingdruk rekenen we met de volgende formule uit:
1 – ( 1 – Vpb) × ( 1 – box 2)
Vpb 19 procent Vpb 25,80 procent Box 2 24,50 procent 38,88 procent 43,98 procent Box 2 31 procent 44,11 procent 48,80 procent
Ten overvloede merken wij op dat deze dubbele belastingheffing achterwege blijft bij het salaris dat de dga ontvangt van de bv. Het salaris is voor de heffing van Vpb aftrekbaar van de winst (in tegenstelling tot de dividenduitkering12). Het loon wordt dan uitsluitend belast met inkomstenbelasting in box 1.
12 A rt. 10 lid 1 sub a Wet Vpb. 285
Hetzelfde geldt voor rente op de door de dga eventueel verstrekte geldleningen. Ook deze rente is uitsluitend belast met inkomstenbelasting als resultaat uit overige werkzaamheden. Hierop komen wij later terug.
Een dga is ook werknemer. Zijn werkzaamheden voor de bv verricht hij op grond van een arbeidsovereenkomst.13 Het voor de arbeidsovereenkomst benodigde gezag wordt uitgeoefend door de aandeelhoudersvergadering. Dat is formeel een ander (orgaan), ook al kan hij door zijn aandelenbezit de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) bepalen.
Ondanks zijn civielrechtelijk werknemerschap is een dga onverzekerd voor de werknemersverzekeringen zoals ZW14, WIA15, WW16 en WAZO17. Voor deze wetten kwalificeert hij als dga en is dus niet verzekerd.18
Een werknemer is dga en onverzekerd (voor de werknemersverzekeringen) als aan één of meer van de navolgende criteria wordt voldaan als hij: • al dan niet met zijn echtgenoot, ten minste de helft van de stemgerechtigde aandelen bezit. • niet kan worden ontslagen of geschorst zonder zijn medewerking. • samen met de andere dga’s een (nagenoeg) gelijk gelijk aantal stemmen kan uitbrengen. en: • als ten minste twee derde van de aandelen wordt gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. De door de bestuurder zelf gehouden aandelen tellen hierbij niet mee.
Het voorgaande geldt ook voor de bestuurder die zeggenschap heeft in de ava door tussenkomst van een rechtspersoon. Dit is dus de dga die via zijn eigen persoonlijke houdstervennootschap de aandelen in de werkgever houdt. UWV kan evenwel besluiten om een bestuurder niet als dga aan te merken, wanneer hij door feiten en omstandigheden kan aantonen dat hij daadwerkelijk ondergeschikt is aan de algemene vergadering van aandeelhouders van de werkgever19. In de toelichting bij de regeling wordt benadrukt dat niet de formele situatie, maar de feitelijke situatie bepalend is voor het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding. De regeling is geen absolute maatstaf, waar nooit van afgeweken kan worden. Als er twijfel bestaat of een dga al dan niet verplicht verzekerd is, kan de situatie worden voorgelegd, aan UWV
13 A rt. 7:610 BW. 14 A rt. 6 lid 1 sub d en lid 5 ZW. 15 A rt. 8 WIA. 16 A rt. 6 lid 1 sub d en lid 4 WW. 17 A rt. 3:17 lid 2 Wet arbeid en zorg. 18 A rt. 2 Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. 286 19 A rt. 3 Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.
STARTENDE ONDERNEMER (door de werknemer) of de belastinginspecteur (door de werkgever), die daarover dan een beslissing neemt.
Voorbeeld In een uitspraak van 9 april 1998 oordeelt de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over een ingenieursbureau dat overeenkomsten met betrekking tot directiewerkzaamheden heeft gesloten met een aantal persoonlijke houdstervennootschappen. De CRvB vindt dat er ondanks deze constructie een gezagsverhouding is tussen het ingenieursbureau en de directeuren. Holding G. bv exploiteert een aantal ingenieursbureaus. De Holding is houdster van alle aandelen van Ingenieursbureau G. bv. Vijf ingenieurs hebben ieder een persoonlijke houdstervennootschap. Holding G. heeft met deze vijf houdstervennootschappen managementovereenkomsten gesloten met betrekking tot het verrichten van directiewerkzaamheden. Elk van de vijf houdstervennootschappen heeft oorspronkelijk 20 procent van de aandelen in Holding G.
Als één van de vijf in 1991 uittreedt, houden de overige vier ieder 22,5 procent van de aandelen van de Holding, terwijl twee nieuwe houdstervennootschappen ieder vijf procent krijgen. Deze twee nieuwe vennootschappen zijn eigendom van twee ingenieurs die eerder bij het Ingenieursbureau in loondienst waren. Begin 1993 wordt 70 procent van de aandelen van Holding G. overgedragen aan Heidemij holding. Elk van de zes persoonlijke managementvennootschappen houdt vanaf dat moment vijf procent van de aandelen van Holding G. Op 26 januari 1995 besluit de Uitvoeringsinstelling (Uvi) dat alle zes ingenieurs/ directeuren verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Nadat het bezwaar daartegen is verworpen, stappen de Holding en het Ingenieursbureau naar de Rechtbank. De Rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waarna hoger beroep wordt ingesteld.
In dit geval kent de CRvB geen betekenis toe aan het gegeven dat de managementovereenkomsten formeel zijn aangegaan tussen de Holding/het Ingenieursbureau en de houdstervennootschappen die eigendom zijn van de zes ingenieurs. Uit de managementovereenkomsten blijkt immers dat het te doen was om de persoonlijke arbeidsinzet van de desbetreffende directeuren-grootaandeelhouders. Bovendien vormen de ingenieurs persoonlijk het bestuur van de Holding respectievelijk het Ingenieursbureau. De houdstervennootschappen hielden elk vijf procent van de aandelen in de Holding en de Heidemij 70 procent. Weliswaar is bij de overname door de Heidemij ernaar gestreefd de directeuren zoveel mogelijk op de oude voet te laten functioneren, in feitelijke zelfstandigheid, dat neemt niet weg dat de zeggenschap in de Holding, en middellijk in het Ingenieursbureau berust bij de Heidemij. In de overeenkomst van aankoop door de Heidemij zijn bepaalde beperkingen aangebracht in de mogelijkheden om de directeuren te ontslaan of te schorsen, en volgens de 287
CRvB laat dit onverlet dat de Heidemij, dankzij haar meerderheid van meer dan twee derde van de aandelen in de AvA, eventueel besluiten kan doorzetten die aan de directeuren onwelgevallig zijn. De directeuren zijn ook verplicht dergelijke besluiten uit te voeren, omdat de algemene vergadering aanwijzingen kan geven met betrekking tot de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid. In ieder geval ontbreken naar het oordeel van de CRvB vanaf januari 1993 duidelijke materiële indicaties voor een situatie waarin de betrokken zes directeuren middels hun houdstervennootschappen gezamenlijk een onderneming drijven. De CRvB vindt dan ook dat er een gezagsverhouding is en daarom ook verzekeringsplicht.
De echtgenote en overige gezinsleden van de dga zijn alleen verplicht verzekerd als hun arbeidsvoorwaarden gelijk zijn aan die van overige werknemers. Als de arbeidsvoorwaarden afwijken en die afwijking is ingegeven door de familierelatie met de dga, dan zijn ze in beginsel onverzekerd.
Doordat een dga (in beginsel) onverzekerd is voor Ziektewet, WIA en WW, kan hij bij ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid geen aanspraak maken op een sociale zekerheidsuitkering. In het ergste geval zal de dga terugvallen op de Participatiewet (Pw).
Voor de goede orde merken wij op dat de relatie tussen de bv en de dga voor het civiel recht (BW) en de loonbelasting (nog) wel wordt aangemerkt als een dienstbetrekking. Ook is de dga verzekerd voor de volksverzekeringen, zoals AOW, Anw, Wlz en Zvw. Voor de Pensioenwet (PW) geldt dan nog weer eens een andere regeling. De hierboven genoemde regeling geldt dus alléén voor de werknemersverzekeringen.
11.2.2 Administratie, publicatie en bewaarplicht
Een startende ondernemer wordt vanuit allerlei wettelijke voorschriften geconfronteerd met administratieverplichtingen, publicatieplichten en dergelijke. Hierbij kan worden gedacht aan civielrechtelijke voorschriften en aan voorschriften uit de fiscale wetgeving. Aan deze en andere administratievoorschriften wordt hierna aandacht besteed.
11.2.2.1 Civielrechtelijke voorschriften
Behalve het feit dat het voeren van een administratie onontbeerlijk is om inzicht te krijgen in het financiële reilen en zeilen van de onderneming, is er ook een groot aantal wettelijke bepalingen die een administratie verplicht stellen.
STARTENDE ONDERNEMER Onder andere bv’s moeten20 de volgende stukken opstellen: • jaarverslag • jaarrekening, deze omvat de volgende onderdelen: – balans – winst- en verliesrekening – toelichting op beide • overige gegevens, onder andere – accountantsverklaring – (voorstel tot) bestemming van de winst – opgave van gebeurtenissen na balansdatum met belangrijke financiële gevolgen.
Titel 9 van boek 2 BW schrijft voor dat de commerciële jaarrekening moet worden opgesteld volgens de normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en een zodanig inzicht moet geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over het vermogen en het resultaat van de onderneming.
De basis voor de jaarrekening vormt de boekhouding die iedere ondernemer op grond van het Wetboek van Koophandel (KvK) verplicht is te voeren. De wijze waarop dit gebeurt, is overigens geheel vrij; de wet bevat daarvoor geen specifieke voorschriften. Wel moet de boekhouding zodanig worden ingericht dat daaruit op elk gewenst moment de zakelijke bezittingen en schulden van de onderneming en de omvang van deze bezittingen en schulden kunnen worden vastgesteld.
In principe moet de administratie zeven jaar worden bewaard21. Wanneer sprake is van btw over onroerende goederen kan deze termijn worden verlengd naar 10 jaar22.
Bv’s (en enkele andere rechtsvormen) zijn verplicht hun (verkorte) jaarrekening ter inzage te deponeren bij de KvK. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte gelden hiervoor verschillende verplichtingen. Kleine rechtspersonen kunnen de commerciële jaarrekening opstellen op basis van dezelfde fiscale grondslagen als bij de aangifte Vpb. Zelfstandig ondernemers mogen zelf beslissen op welke wijze ze voldoen aan de deponeringsplicht.
20 T itel 9 van boek 2 BW (art. 2:360 e.v. BW). 21 A rt. 52 lid 4 AWR. 22 A rt. 34a Wet OB 1968. 289
11.2.2.2 Fiscale voorschriften
Ook de fiscale wetgeving kent specifieke voorschriften met betrekking tot de administratie. De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) schrijft voor dat ‘iedereen verplicht is gegevens en inlichtingen te verschaffen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn’23. Ook is iedereen verplicht boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen24. De AWR bepaalt verder de reikwijdte en omvang van de administratie- en bewaarplicht voor alle lichamen, natuurlijke personen die een bedrijf of een zelfstandig beroep uitoefenen en natuurlijke personen die inhoudingsplichtig zijn (deze laatste is van belang voor de loonbelasting)25.
Daarnaast is een urenadministratie aan te bevelen, omdat een aantal faciliteiten in de inkomstenbelasting afhankelijk is van het aantal in de onderneming gewerkte uren van de ondernemer zelf en zijn echtgenoot. Denkt u hierbij aan het urencriterium dat onder andere van belang is voor de oudedagsreserve (tot 2023), de zelfstandigen-, de starters-, Speur- & Ontwikkelings- (S&O) en meewerkaftrek.
Naast deze algemene wettelijke bepalingen met betrekking tot de administratie die in beginsel voor alle belastingsoorten gelden, bevatten de diverse belastingwetten in aanvulling hierop nog specifieke voor de desbetreffende belastingsoort geldende voorschriften. Hierop gaan we in het kader van deze opleiding niet nader in.
11.2.2.3 Aansprakelijkheid
Met betrekking tot de civielrechtelijke aansprakelijkheid bestaat een theoretisch verschil. De ondernemers die hun onderneming uitoefenen in een rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid - eenmanszaak, maatschap, vof of cv - zijn met hun hele vermogen aansprakelijk voor de ondernemingsschulden van de onderneming. Voor ondernemers die hun onderneming uitoefenen in een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid - bv, nv, stichting, vereniging of coöperatie - is dit anders.
In de praktijk blijkt dit theoretische verschil weg te vallen, omdat veel geldverstrekkers (zoals banken) de aansprakelijkheid uitbreiden tot de privés-
23 A rt. 47 lid 1 sub a AWR. 24 A rt. 47 lid 1 sub b AWR. 290 25 A rtt. 52, 52a en 53 AWR.
STARTENDE ONDERNEMER feer van de dga(’s) door middel van bijvoorbeeld borgstellingen in geval van onder andere bedrijfsfinancieringen.
11.2.2.4 Sociale zekerheid
De sociale zekerheidsaspecten spelen evenmin een doorslaggevende rol, omdat noch de ondernemers die hun onderneming uitoefenen in een rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid noch de ondernemers die hebben gekozen voor een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid in beginsel zijn verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Beide groepen ondernemers zijn overigens wel verzekerd voor de volksverzekeringen.
11.2.2.5 Fiscaliteit
De verschillen tussen de bv en de IB-onderneming zijn voornamelijk te vinden in de heffing van inkomstenbelasting en Vpb. De heffing van loonbelasting speelt hier maar een ondergeschikte rol, omdat ook deze heffing onafhankelijk is van de rechtsvorm waarin de onderneming wordt gedreven.
Een fiscale factor die een rol speelt bij de keuze van de rechtsvorm betreft de regels voor de fiscale winstbepaling. De fiscale winst wordt op ongeveer dezelfde wijze bepaald voor ondernemingen die onder de inkomstenbelasting vallen en ondernemingen die onder de Vpb vallen. De Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 verwijst voor de regels inzake de fiscale winstbepaling dan ook naar de desbetreffende regels in de inkomstenbelasting. Hierop bestaat een belangrijke uitzondering: het zogenoemde ‘ondernemersloon’ is niet aftrekbaar van de winst voor de inkomstenbelasting, maar wel als salaris van de winst voor de Vpb. Overigens is de ondernemer over het salaris weer inkomstenbelasting verschuldigd.
Daarnaast kan de ondernemer in de inkomstenbelasting voor de bepaling van de belastbare winst uit onderneming de ondernemersfaciliteiten op de winst in mindering brengen.
Naast de bovenstaande fiscale factoren bestond tot 2023 een mogelijkheid tot belastinguitstel. Deze is vormgegeven als ‘oudedagsreserve’ (OR). Het is goed om te realiseren dat dit niet echt een oudedagsvoorziening is. Een ondernemer voor de inkomstenbelasting - eenmanszaakondernemer, maat of vennoot - mocht tot 2023 aan de OR doteren (waardoor de belastbare winst verlaagde). De dotatie was in 2022 nog 9,44 procent van de winst met daarbij geldend twee plafonds26. Allereerst een vast plafond van € 9.632.
26 A rt. 3.68 Wet IB 2001. 291
Daarnaast mocht de dotatie aan de OR maximaal het bedrag, waarmee het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar de OR aan het begin van het kalenderjaar overtreft, zijn. Overigens had een ondernemer alleen recht op toevoegingen aan de OR als hij voldeed aan het urencriterium.
Voor verdere behandeling van de OR verwijzen wij u naar de module ‘Toekomstvoorzieningen’.
In de sfeer van de Vpb - bv of nv - kan aan de ondernemer - directeur-(groot) aandeelhouder - een pensioen worden toegekend en opgebouwd op vrijwel dezelfde wijze als voor de ‘normale’ werknemers die niet ook aandeelhouder zijn in de vennootschap.
Voor een uitgebreide behandeling van dit onderwerp verwijzen wij u naar de module ‘Toekomstvoorzieningen’.
11.2.2.6 Conclusie
Concluderend stellen wij dat (met name uit fiscaal oogpunt) voor een startende onderneming, die een gebruikelijk groeiproces doormaakt, meestal de eenmanszaak of de vof de meest aantrekkelijke vorm is vanwege de toepassing van de ondernemersfaciliteiten. In de beginperiode van de onderneming zorgen deze voor een aanzienlijke, fiscale lastenverlichting. Wanneer de onderneming voorspoedig groeit, komt op enig moment een overgang naar de bv in beeld, omdat niet langer alle winsten nodig zijn voor privédoeleinden.
11.3 (STARTENDE) ONDERNEMER EN SOCIALE ZEKERHEID
Ondernemers zijn in beginsel onverzekerd voor de sociale werknemersverzekeringen: de WW en de Wet WIA. De risico’s die samenhangen met werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid kan de ondernemer dan ook zelf (gedeeltelijk) afdekken via particuliere verzekeringen of via vrijwillige voortzetting ZW-/Wet WIA-verzekering. Dit geldt zowel voor de ondernemer die onder de inkomstenbelasting valt als voor de dga van een bv. Ook de dga is dus in beginsel onverzekerd voor de werknemersverzekeringen.
Ondernemers zijn wél volledig verzekerd voor de volksverzekeringen: AOW, Anw, AKW en Wlz. Met uitzondering van de AKW zijn voor elke genoemde volksverzekering premies verschuldigd.
STARTENDE ONDERNEMER Naast bovengenoemde algemene verzekeringen, kunnen ondernemers een beroep doen op enkele bijzondere regelingen. Deze regelingen zijn vooral gebaseerd op de Participatiewet (tot 2015 Wwb) en zien met name op situaties waarin het bedrijf slecht loopt en nog slechts een gering inkomen oplevert.
Het gaat hierbij om de volgende bijzondere regelingen: • Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). • Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). • Participatiewet (Pw).
11.3.1 Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz)
Op deze regeling kan een beroep worden gedaan als de onderneming tijdelijk onvoldoende inkomen oplevert. De ondernemer kan dan bijstand krijgen voor de noodzakelijke kosten van bestaan en voor bedrijfskapitaal.
Bijstand wordt niet verleend, als: • ondernemer zelf meer dan € 237.758 vermogen heeft27. • ondernemer verwijtbaar werkloos is (baan heeft opgezegd). • er nog andere kredietmogelijkheden zijn. • er sprake is van een niet-levensvatbaar bedrijf (uitzonderingen mogelijk). • er sprake is van arbeidsongeschiktheid. • niet aan de wettelijke vereisten is voldaan voor het uitoefenen van een beroep. • niet naar behoren een administratie is gevoerd.
In het Bbz worden verschillende groepen rechthebbenden gedefinieerd, die afhankelijk van hun situatie recht hebben op verschillende vormen van bijstand, te weten: • startende ondernemer die vanuit de bijstand of de WW een bedrijf start. • gevestigde zelfstandige in tijdelijke financiële problemen of een zelfstandige die zijn bedrijf wil beëindigen. • een zelfstandige van 55 jaar of ouder met een niet-levensvatbaar bedrijf.
Zowel gevestigde als beginnende zelfstandigen kunnen bijstand voor bedrijfskapitaal krijgen. De drie andere groepen behouden recht op bijstand. In sommige gevallen kan bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening worden verstrekt.
27 A rt. 3 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. 293
11.3.2 Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) biedt een uitkering op minimumniveau aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen van wie het inkomen structureel onder het sociaal minimum ligt, waardoor zij hun bedrijf hebben beëindigd. Dit geldt ook voor maten en vennoten van een maatschap of vof, evenals voor de dga van een bv.
De zelfstandige kan een beroep doen op de IOAZ als zijn bedrijf onvoldoende opbrengt om van te leven. Bovendien gelden de volgende voorwaarden: 1. de zelfstandige is 55 jaar of ouder, en heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt 2. de zelfstandige heeft de afgelopen 10 jaar onafgebroken gewerkt, waarvan de laatste drie als zelfstandige.
Daarnaast geldt een aantal aanvullende voorwaarden met betrekking tot het inkomen en vermogen van ex-zelfstandigen. De hoogte van de uitkering hangt mede af van de burgerlijke staat.
11.4 PARTICIPATIEWET
Als geen beroep kan worden gedaan op één van de hiervoor vermelde bijzondere regelingen, dan kan men teruggevallen op de bijstand via de Participatiewet (Pw). Deze wordt verleend aan ieder die regelmatig in Nederland verblijft die niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien. De hoogte van de bijstand is afhankelijk van de persoonlijke en financiële omstandigheden van de ondernemer. Op eventueel aanwezig vermogen behoeft niet volledig te worden ingeteerd; bepaalde bedragen zijn vrijgesteld.
11.5 AFSLUITING
In dit eerste hoofdstuk is de positie van de startende ondernemer aan de orde geweest. We hebben de onderwerpen behandeld die van belang zijn voor de onderhavige opleiding tot hypothecair planner in plaats van een volledig en compleet overzicht te geven van alle wetten en regelingen. Voor een aanvullende behandeling van dit onderwerp verwijzen wij u naar de module ‘Toekomstvoorzieningen’.
STARTENDE ONDERNEMER Op (startende) ondernemers is een dusdanige veelheid van regels van toepassing, dat het onmogelijk is om deze in één hoofdstuk te behandelen. Wij hebben dan ook inzicht gegeven in een groot aantal regelingen waarmee de beginnende ondernemer in aanraking komt. Voor meer informatie over specifieke onderwerpen verwijzen wij u naar de KvK waar de onderneming staat ingeschreven, de desbetreffende eenheid van de Belastingdienst, UWV en/of specifieke verenigingen en/of instanties voor de startende ondernemer. Ook organiseert de KvK, meestal in samenwerking met de Belastingdienst, cursussen voor startende ondernemers.
12. INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN
12.1 ALGEMEEN
In dit hoofdstuk bespreken wij de fiscale aspecten die zijn verbonden aan het ondernemerschap in de inkomstenbelasting. Meestal kiest een ondernemer in de beginfase van zijn onderneming voor de vorm van een eenmanszaak, een maatschap, een vof of en cv. Gedurende de startfase van de onderneming blijven de winsten vaak nog achter bij de verwachtingen, zodat de fiscale ondernemersfaciliteiten voor die ondernemer de doorslag geven bij de rechtsvormkeuze. In een andere situatie brengen de activiteiten van de ondernemer het risico van aansprakelijkstelling met zich mee en is dat een reden om te kiezen voor de bv.
Wanneer de onderneming zich vervolgens voorspoedig ontwikkelt, en de winsten van de onderneming toenemen, kan zich op enig moment de vraag voordoen of het wenselijk is om de onderneming in te brengen in een bv.
Voor een uitgebreidere behandeling van sommige onderwerpen zullen wij u verwijzen naar de module ‘Fiscaliteit’ om dubbele behandeling te voorkomen.
12.1.1 Boekhouding
In hoofdstuk 1 is ingegaan op de fiscale en civielrechtelijke administratie- en publicatieverplichtingen. In dit onderdeel wordt specifiek ingegaan op enkele voorschriften voor de boekhouding die van belang zijn bij de fiscale winstberekening voor heffing van de inkomsteninkomstenbelasting en Vpb.
Als gevolg van de verschillende normstellingen in het burgerlijk recht en in de fiscale wetgeving kunnen verschillen tussen de commerciële en de fiscale winstbepaling ontstaan. Voor de commerciële jaarrekening geldt immers dat deze moet worden opgesteld volgens de normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd28. Dit houdt in dat verliezen moeten genomen worden op het moment dat deze bekend zijn en winsten pas mogen worden genomen op het moment van realisatie. De commerciële jaarrekening moet dus een zodanig inzicht in de onderneming geven dat er een verantwoord oordeel kan worden gevormd over het vermogen en het resultaat van de onderneming.
Door middel van de fiscale winstbepaling wordt de winst vastgesteld waarover inkomstenbelasting en Vpb kan worden geheven. Het doel van de fiscale winstbepaling komt dus niet overeen met het doel van de commerciële winstbepaling, waardoor in de fiscale wetgeving aparte voorschriften zijn opgenomen. Deze voorschriften bepalen dat de winst naar goed koopmansgebruik en met inachtneming van een bestendige gedragslijn, moet worden vastgesteld29. Van die gedragslijn mag alleen worden afgeweken als goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Hierna gaan we uitgebreider in op deze fiscale begrippen. Als gevolg van deze verschillende uitgangspunten en daarmee samenhangende normen, kunnen tussen de commerciële en fiscale winstbepaling verschillen ontstaan.
12.1.1.1 Noodzaak van boekhouden
Omdat de heffing van de inkomstenbelasting en Vpb is gebaseerd op de fiscale winst van een onderneming, is een deugdelijke boekhouding onontbeerlijk om deze fiscale winst enigszins gefundeerd vast te stellen. Een betrouwbare boekhouding is dus een noodzakelijke voorwaarde. Wanneer de boekhouding ontbreekt en daarmee de administratie ondeugdelijk en/of onbetrouwbaar is, kan de boekhouding worden verworpen en zal de inspecteur de winst van de onderneming vaststellen (schatten) aan de hand van normen ontleend aan de boekhouding van soortgelijke bedrijven in dezelfde bedrijfstak30. In die zin beschikt de Belastingdienst inmiddels over een behoorlijke dosis specifieke branchekennis.
Daarnaast kan de winst worden berekend door het opstellen van een vermogensvergelijking, waarbij begin- en eindvermogen zo goed mogelijk worden bepaald, terwijl ook een raming plaatsvindt van bedragen die voor
28 A rt. 2:362 lid 1 BW. 29 A rt. 3.25 Wet IB 2001. 298 30 A rt. 11 lid 2 AWR.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN privédoeleinden aan de bedrijfskas zijn onttrokken. Het is vervolgens aan de ondernemer om aan te tonen dat de op deze wijze vastgestelde winst onjuist is31.
12.1.2 Balanscontinuïteit en foutenleer
Zoals hierna nog blijkt, wordt - in principe - de totale winst van de onderneming, berekend over de gehele levensduur van de onderneming, in de belastingheffing betrokken. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat de totale winst vervolgens wordt opgeknipt in jaarmoten, om al gedurende de levensduur van de onderneming belasting te kunnen heffen. Idealiter is het dan zo dat de som van alle jaarwinsten de totale winst vormt. Het beginsel van de balanscontinuïteit bewerkstelligt dit. Het beginsel van de balanscontinuïteit houdt in dat het ondernemingsvermogen aan het begin van het boekjaar moet aansluiten op het ondernemingsvermogen aan het eind van het vorige boekjaar. Wanneer dit niet het geval is, dan is sprake van een fout die moet worden hersteld. Op welke wijze het herstellen van een fout moet gebeuren, wordt bepaald door de ‘foutenleer’. Als gevolg van deze leer moeten (balans) fouten in beginsel worden hersteld in het jaar waarin ze zijn ontstaan. Is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de aanslag van dat jaar al definitief is geregeld en er ook geen navorderingsmogelijkheid is, dan moet herstel plaatsvinden in het oudste nog openstaande jaar. Hierna geven we een voorbeeld van de wijze waarop de foutenleer moet worden toegepast.
Voorbeeld (gebaseerd op jurisprudentie) Werk-bv heeft in 2008 de economische eigendom van een pand met een boekwaarde van € 16.183 voor een bedrag van € 195.000 verkocht. Zij rekent de boekwinst niet tot de winst van 2008. In 2016 corrigeert de inspecteur de winst over het oudste nog openstaande jaar 2014. De foutenleer staat deze handelswijze toe, onder de voorwaarde dat richting de belanghebbende een behoedzaam beleid wordt toegepast. De inspecteur moet een redelijke tegemoetkoming aan belanghebbende aanbieden als het herstel van de fout voor deze tot nadelige gevolgen leidt. In dit geval was er per saldo geen nadelig gevolg voor Werk-bv, zodat de correctie in 2014 juist is uitgevoerd.
12.1.3 Verband tussen commerciële en fiscale winstbepaling
Tussen de gegevens, zoals die worden gepresenteerd in de jaarrekening, opgemaakt volgens de regels van het jaarrekeningenrecht32 de gegevens van de fiscale balans, blijken in de praktijk allerlei verschillen te bestaan. Dit lijkt wat vreemd omdat beide opstellingen zijn gebaseerd op dezelfde feitelijke
31 A rt. 25 lid 6 AWR. 32 Boek 2 BW. 299
gegevens zoals die in de boekhouding van de onderneming zijn vastgelegd. De verschillen worden veroorzaakt door het verschil in doelstelling tussen de commerciële en de fiscale jaarrekening.
De commerciële jaarrekening heeft immers als doel om een zodanig inzicht te geven in de gang van zaken van de vennootschap dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd. De commerciële jaarrekening moet dan ook voldoen aan normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. De wet schrijft voor dat uit de balans en de toelichting daarop getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming aan het eind van het boekjaar moet blijken. De verlies- en winstrekening en de toelichting daarop moeten de grootte van het resultaat van het boekjaar en de specificatie daarvan in baten en lasten weergeven.
De fiscale winstbepaling daarentegen heeft alleen tot doel om in overeenstemming met de fiscale regelgeving de in een jaar genoten belastbare winst vast te stellen. De fiscale winstberekening dient dan ook veel meer het interne verkeer tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst, terwijl de commerciële jaarrekening voornamelijk de buitenwacht dient. Alleen de belastinginspecteur neemt immers kennis van de in de fiscale winstberekening opgenomen gegevens. Deze gegevens vallen vervolgens onder zijn ambtsgeheim. Zo oordeelt de inspecteur ook niet over het gevoerde bedrijfsbeleid, omdat zijn taak gaat tot beoordelen of de bepalingen van de fiscale wetgeving zijn nageleefd.
Verder kent de fiscale wetgeving specifieke voorschriften voor de winstbepaling33 zoals voor de zogenoemde gemengde kosten of de hoogte van de afschrijvingen op duurzame activa (alleen tegen historische kosten) en beperkte verliesverrekening, welke voorschriften bij de commerciële winstbepaling in beginsel geen rol spelen. Al deze specifieke fiscale waarderingsvoorschriften leiden weer tot afwijkingen op de commerciële winstberekening.
12.2 WINST UIT ONDERNEMING
12.2.1 Algemeen
Winst uit onderneming wordt gesteld op het gezamenlijke bedrag van de winst, die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit één of meerdere ondernemingen, verminderd met de ondernemersaftrek en de mkb-winst-
300 33 A rt. 7 Wet Vpb 1969 voor de bv en art. 3.2 Wet IB 2001 voor de IB-onderneming.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN vrijstelling34. Echter, ook de winst die genoten wordt als een winstgenieter, zoals beschreven in artikel 3.3 Wet IB 2001, wordt belast in box 1.
Bestanddelen Gezamenlijke winst(¦en) uit onderneming(¦en) van belastingplichtige af: Zelfstandigenaftrek S&O-aftrek Meewerkaftrek Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid Stakingsaftrek + Totaal ondernemersaftrek ¦ af : MKB-winstvrijstelling¦ - Belastbare winst ¦ uit onderneming¦
Het belang van het fiscale ondernemerschap is gelegen in de vaak gunstige fiscale faciliteiten waarop een ondernemer een beroep kan doen. Belastingplichtigen die niet de fiscale status van ondernemer bezitten, zoals werknemers en personen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten, kunnen geen beroep doen op deze fiscale faciliteiten.
12.2.2 Ondernemersfaciliteiten
Bij de ondernemersfaciliteiten moet u denken aan: • ondernemersaftrek, waaronder vallen: – zelfstandigen- en startersaftrek – aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O-aftrek) – meewerkaftrek – startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid – stakingsaftrek • investeringsaftrek • willekeurige afschrijving op specifieke bedrijfsmiddelen • oudedagsreserve (tot 2023) • mkb-winstvrijstelling • verliescompensatie.
34 A rt. 3.2 Wet IB 2001. 301
In de context van deze module behandelen wij hier de faciliteiten ondernemersaftrek, mkb-winstvrijstelling en verliescompensatie. In de module ‘Toekomstvoorzieningen’ vindt u meer over de stakingsaftrek en oudedagsreserve.
12.2.2.1 Ondernemersaftrek35
De ondernemersaftrek bestaat uit vijf onderdelen, te weten de zelfstandigenaftrek, de S&O-aftrek, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek. Om in aanmerking te komen voor één van de onderdelen van de ondernemersaftrek moet de ondernemer voldoen aan het urencriterium. Een belastingplichtige komt namelijk alleen in aanmerking voor de ondernemersaftrek als hij kwalificeert als ondernemer en hij voldoet aan het urencriterium. De stakingsaftrek is van deze voorwaarde uitgezonderd.
Om aan het urencriterium te voldoen moet een belastingplichtige aan twee eisen voldoen:, de belastingplichtige moet36 • gedurende een kalenderjaar ten minste 1.225 uren besteden aan werkzaamheden voor één of meer ondernemingen waaruit hij winst uit onderneming geniet en • de tijd die hij in totaal besteedt aan werkzaamheden waaruit hij winst uit onderneming, belastbaar loon en resultaat uit overige werkzaamheden geniet, grotendeels (≥ 50 procent) besteden aan die ondernemingen. We noemen dit het ‘grotendeelsvereiste’. Het houdt in dat de ondernemer in totaal niet meer tijd mag besteden aan werkzaamheden waaruit hij belastbaar loon of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden geniet.
De startende ondernemer is uitgezonderd van de voorwaarde van het grotendeelsvereiste. Een startende ondernemer is een ondernemer, die in één of meer van de vijf voorafgaande jaren geen ondernemer was. Een startende ondernemer komt dus al in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek als hij voor ten minste 1.225 uur werkzaam is binnen de door hem gedreven onderneming. Na deze startperiode geldt ook voor hem dat de werkzaamheden grotendeels in beslag worden genomen door het drijven van een onderneming. Voor zwangere ondernemers geldt een fictie. Gedurende de periode die overeenkomt met het zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals dat geldt
35 A rt. 3.74 Wet IB 2001. 302 36 A rt. 3.6 Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN voor vrouwelijke werknemers worden zij geacht hun werkzaamheden niet te hebben onderbroken37.
Niet alle werkzaamheden worden in aanmerking genomen bij beantwoording van de vraag of men al dan niet voldoet aan het urencriterium.38 Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een belastingplichtige samen met een echtgenoot of thuiswonend kind deel uitmaakt van een samenwerkingsverband. In dat geval moet er gekeken worden naar de aard van de samenwerking, de zogenoemde ‘gebruikelijkheidstoets’.
Werkzaamheden die worden verricht in samenwerkingsverbanden tussen verbonden personen (personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige en hun bloed- en aanverwanten) blijven buiten beschouwing wanneer deze werkzaamheden: • zijn verricht in een ondermaatschap; • voornamelijk van ondersteunende aard zijn en het ongebruikelijk is dat de belastingplichtige een dergelijk samenwerkingsverband zou zijn aangegaan met een niet verbonden persoon.
Verschillen de werkzaamheden van de ondernemer en de verbonden persoon zódat de samenwerking ongebruikelijk zou zijn in derdenverhoudingen, dan blijven de werkzaamheden van de ondernemer die in derdenverhoudingen geen deel zou uitmaken van het samenwerkingsverband, buiten beschouwing voor het urencriterium.39 Ook de uren in een ondermaatschap/firma tussen verbonden personen blijven buiten beschouwing voor het urencriterium voor zover dit samenwerkingsverband verband houdt met een onderneming waaruit maar één van deze verbonden personen als ondernemer winst geniet40. Van een ondermaatschap of een onderfirma is dus sprake, als de ene echtgenoot de onderneming al in maatschaps-/firmaverband drijft met andere maten/firmanten en overeenkomt zijn aandeel in de winst van de (boven) maatschap/firma te delen met de (meewerkende) echtgenoot.
In dit verband worden als verbonden personen aangemerkt:41 • personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige; • bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huishouden.
37 A rt. 3.6 lid 5 Wet IB 2001. 38 A rt. 3.6 lid 2 Wet IB 2001. 39 A rt. 3.6 lid 2 onderdeel a Wet IB 2001. 40 A rt. 3.6 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001. 41 A rt. 3.6 lid 3 Wet IB 2001. 303
Hierbij merken wij op dat het begrip ‘verbonden personen’ voor de toepassing van het urencriterium anders wordt uitgelegd dan bij de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling.
Voorbeeld Een tandarts is met zijn vrouw (tandartsassistente) een man-vrouwfirma aangegaan. Allebei worden ze als ondernemer beschouwd (firmanten zijn immers hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming), maar om gebruik te kunnen maken van de oudedagsreserve en de ondernemersaftrek moeten beiden ook aan het urencriterium voldoen.
Hiervoor moeten zij ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor de onderneming verrichten. Het echtpaar zal ten aanzien van de ondersteunende werkzaamheden van de vrouw dus moeten aantonen dat een vof tussen een tandarts en een willekeurige assistente een normaal verschijnsel is. De Belastingdienst zal hier zeer kritisch op toezien. De echtgenote van de tandarts zal hierdoor waarschijnlijk niet meer in aanmerking komen voor de belangrijkste ondernemersfaciliteiten.
Voorbeelden van situaties waarin het gebruikelijk is dat een samenwerkingsverband wordt aangegaan, zijn uiteraard twee belastingadviseurs of twee architecten, maar ook de belastingadviseur en een registeraccountant die in een maatschap samenwerken, en de tandarts en de orthodontist die in een maatschap samenwerken. Een voorbeeld waarin niet aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan, is de architect die met zijn echtgenote een maatschap aangaat waarbij de echtgenote uitsluitend ondersteunende werkzaamheden verricht zoals het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden, telefoonwacht, het mede beslissen over voorgenomen investeringen en het zorgdragen voor de facturering. Zij voldoet hierdoor niet aan het urencriterium, zodat ze bijvoorbeeld geen zelfstandigenaftrek heeft.
Overigens is bepaald dat als een ondernemer winst geniet uit meer dan één onderneming, deze ondernemingen in het kader van de ondernemersaftrek als één onderneming worden beschouwd. Dit brengt onder andere met zich mee dat de stakingsaftrek maar eenmaal per ondernemer kan wordt toegepast.42
Zelfstandigen- en startersaftrek43 Een ondernemer die voldoet aan het urencriterium komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek daalt sinds een aantal jaren.
42 A rt. 3.75 Wet IB 2001. 304 43 A rtt. 3.76 en 3.78a Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN Dit om het verschil tussen ondernemer en werknemer te verkleinen. De zelfstandigenaftrek wordt versneld afgebouwd tot € 900 in 2027. De zelfstandigenaftrek bedraagt € 2.470 (2025) voor degene die bij begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Degene, die bij het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd wel heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek 50 procent van voornoemd bedrag.
Voor zover de zelfstandigenaftrek hoger is dan de winst wordt deze aftrekpost doorgeschoven naar de een van de volgende negen jaren.44
We merken op dat het vaste bedrag van invloed is op het verzamelinkomen en dus op het inkomen voor toeslagen. De zelfstandigenaftrek kan door iedere ondernemer afzonderlijk worden toegepast. Als meerdere ondernemers tot dezelfde onderneming zijn gerechtigd, zoals het geval is bij een maatschap of een vof, dan kan iedere ondernemer afzonderlijk de zelfstandigenaftrek toepassen. Doordat de hele winst van de maatschap of de vof wordt verdeeld over het aantal maten/vennoten, wordt door alle maten/vennoten meer zelfstandigenaftrek genoten, dan in het geval maar één ondernemer tot de onderneming was gerechtigd.
Voorbeeld Karel de Vries verhuurde twee snackbars die hij eerder zelf had geëxploiteerd. De huurpenningen vormden voor hem winst uit onderneming. Omdat de snackbars slecht draaiden, werkte hij geregeld mee in beide zaken. In zijn aangifte voerde hij een zelfstandigenaftrek op die was gebaseerd op de uren waarop hij had gewerkt in zowel zijn eigen onderneming, als in de snackbars.
Wanneer Karel de Vries voor de zelfstandigenaftrek in aanmerking wil komen, dan moet zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 1.225 uren in beslag worden genomen door het als ondernemer drijven van een onderneming.
Omdat in dit geval ook is gewerkt in een niet voor eigen rekening gedreven onderneming en wel zodanig, dat ten behoeve van de eigen onderneming niet aan het vereiste urencriterium wordt voldaan, heeft Karel dus geen recht op zelfstandigenaftrek. Hierbij is dus niet meer van belang dat hij ook niet voldaan heeft aan het grotendeelscriterium, omdat hij al niet aan het vereiste urencriterium toekwam.
44 A rt. 3.76 lid 5 en verder Wet IB 2001. 305
De zelfstandigenaftrek wordt verhoogd met € 2.123 voor startende ondernemers (dit is de startersaftrek). Een startende ondernemer is een ondernemer die in één of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was. De startende ondernemer kan gedurende de vijfjaarsperiode maximaal drie keer de verhoogde zelfstandigenaftrek (startersaftrek) claimen.45 Let wel, de startersaftrek is gekoppeld aan de toepassing van de zelfstandigenaftrek.
Het maximale tarief voor aftrek van de zelfstandigenaftrek is in 2025 35,82 procent als gevolg van de tariefsmaatregel van artikel 2.10 lid 2 Wet IB 2001.
Arbeidsongeschikte starters Onder de volgende voorwaarden heeft de arbeidsongeschikte ondernemer ook recht op startersaftrek: • in 2025 ondernemer; • in één of meer van de vijf voorgaande kalenderjaren geen ondernemer; • recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; • voldoet niet aan urencriterium van 1.225, maar wel aan verlaagde urencriterium van 800 uur.
Voor het eerste, tweede en derde jaar is de aftrek respectievelijk € 12.000, € 8.000 en € 4.000.46 De aftrek is maximaal de winst.
Verliescompensatieregelingen 47 Negatieve inkomensbestanddelen in box 1, zoals negatieve winst uit onderneming, kunnen worden gecompenseerd met positieve inkomensbestanddelen in hetzelfde jaar. Als er dan nog een verlies overblijft, zodat het belastbare inkomen over dat jaar negatief is, kan dit verlies worden verrekend met positieve inkomens van de drie voorafgaande jaren (carry back) en, voor verliezen tot en met 2021, de negen volgende jaren (carry forward).48 Voor verliezen vanaf 2022 geldt een onbeperkte carry forward, al kunnen deze slechts tot maximaal 50 procent van het belastbare inkomen boven een miljoen euro per jaar worden verrekend.
Verliezen die niet binnen de geldende termijn zijn verrekend, kunnen niet meer worden gecompenseerd met latere positieve inkomens en gaan definitief verloren
45 A rt. 3.76 lid 3 Wet IB 2001. 46 A rt. 3.78a Wet IB 2001. 47 A rtt. 3.148 t/m 3.153 Wet IB 2001. 306 48 A rt. 3.150 lid 1 Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN 12.2.2.2 Mkb-winstvrijstelling 49
Ondernemers hebben ook recht op de zogenoemde ‘mkb-winstvrijstelling’. Voldoen aan het urencriterium is geen vereiste. De mkb-winstvrijstelling wordt berekend over het gezamenlijke bedrag aan winst dat de belastingplichtige als ondernemer geniet uit één of meer ondernemingen, nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek. De mkb-winstvrijstelling bedraagt in 2025 12,7 procent (2024: 13,31 procent). Het voordeel wordt berekend met een tarief van 37,48 procent.
Dit houdt ook in dat 12,7 procent van een eventueel verlies niet in aanmerking komt voor verliesverrekening of kan worden afgezet tegen andere inkomensbronnen in box 1 in hetzelfde jaar.
12.2.3 Fiscaal ondernemerschap
Nu is het niet zo dat iedere (startende) ondernemer die zichzelf als ondernemer beschouwt, ook fiscaal als ondernemer wordt aangemerkt. Hiertoe bevat de fiscale wetgeving een eigen omschrijving. Winst is het bedrag dat de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet. De Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geeft een definitie van het begrip ondernemer: ‘de belastingplichtige voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen van de onderneming’50. Om als ondernemer aangemerkt te worden is dus allereerst van belang dat er sprake is van een onderneming. Vervolgens is van belang vast te stellen voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven en ten slotte moet er nagegaan worden wie wordt verbonden voor de verbintenissen van de onderneming.
Van een onderneming is sprake, als er een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal is die erop gericht is door deelname aan het economisch verkeer winst te behalen.
Uit de jurisprudentie blijkt dat hiervoor naar een scala van feiten en omstandigheden wordt gekeken: • wordt er winst gemaakt en hoeveel; • hoe zelfstandig is de onderneming; • beschikt de onderneming over kapitaal, al dan niet in de vorm van geld; • hoeveel tijd steekt de ondernemer in de onderneming;
49 A rt. 3.79a Wet IB 2001. 50 A rt. 3.4 Wet IB 2001. 307
• wat is de omvang van de werkzaamheden, zowel in tijd als in geld gemeten. • hoeveel klanten heeft de onderneming; • hoe treedt de onderneming naar buiten toe op, bijvoorbeeld door middel van advertenties; • wordt er ondernemersrisico, zoals debiteurenrisico en dergelijke, gelopen?
Het bovenstaande houdt in dat in beginsel geen sprake is van een onderneming, als de enige activiteiten van de onderneming bestaan uit bijvoorbeeld het beleggen in onroerende zaken. De opbrengsten uit deze beleggingsactiviteiten worden dan niet belast als winst uit onderneming, maar de onroerende zaak wordt in box 3 belast. Gesteld kan worden dat er in dat geval sprake is van ‘normaal’ vermogensbeheer. In voorkomende gevallen (bijvoorbeeld als specifieke (voor)kennis aanwezig is op het gebied van het beleggen in onroerende zaken of als sprake is van het uitponden van onroerende zaken) kunnen deze opbrengsten in box 1 worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden51.
Als er sprake is van normaal vermogensbeheer vindt belastingheffing dus plaats in box 3. In box 3 wordt men niet voor de gerealiseerde waardestijgingen van activa (bijvoorbeeld de onroerende zaak) belast. Als deze onroerende zaken tot een onderneming behoren, zijn de waardestijgingen daarentegen wel belast, en bestaat er recht op ondernemingsfaciliteiten en zijn eventuele kosten in beginsel aftrekbaar.
Het fiscale verschil in behandeling tussen onroerende zaken die tot de winstsfeer (box 1) behoren en onroerende zaken die tot de beleggingssfeer (box 3) behoren, is in het volgende schema samengevat.
Winstsfeer (box 1) Beleggingssfeer (box 3) Opbrengsten werkelijke forfaitair rendement over opbrengst belast netto vermogen Onderhoud aftrekbaar niet aftrekbaar Afschrijving aftrekbaar niet aftrekbaar Winst bij verkoop belast onbelast Verlies bij verkoop aftrekbaar niet aftrekbaar Ondernemersfaciliteiten ja* nee * Afhankelijk van het urencriterium¦.
308 51 A rt. 3.91 lid 1 sub c Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN Om vast te stellen voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven moet worden gekeken wie het ondernemersrisico loopt in de onderneming. Hierbij is niet van belang dat de betrokkene ook daadwerkelijk deelneemt aan de feitelijke bedrijfsuitvoering.
Ten slotte is voor het ondernemerschap van belang dat de betrokkene rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming. De vereiste rechtstreekse verbondenheid van de betrokkene voor de verbintenissen van de onderneming, houdt in dat deze ten aanzien van de schulden van de onderneming volledig aansprakelijk moet zijn. De commanditaire vennoot is daardoor geen ondernemer.
Niet alleen de ondernemer wordt belast voor de winst uit onderneming. Sinds 1 januari 2001 wordt namelijk mede als winst uit onderneming aangemerkt (winstgerechtigden): • winst die een belastingplichtige geniet als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming52. Hierdoor geniet een commanditaire vennoot toch winst uit onderneming, ondanks het feit dat hij geen ondernemer is. Dit houdt in dat zijn inkomsten in box 1 worden belast, maar dat hij geen gebruik kan maken van de specifieke ondernemersfaciliteiten. Echter, een commanditaire vennoot heeft wel recht op bepaalde ondernemingsfaciliteiten. • winst die een belastingplichtige maakt bij het hebben van een vordering op een ondernemer (natuurlijk persoon), die een zodanige vorm heeft dat er eigenlijk sprake is van het verstrekken van eigen vermogen aan de onderneming of dat de rente op een dergelijke vordering grotendeels afhankelijk is van de winst van de onderneming53. Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat kapitaal dat de kenmerken heeft van eigen vermogen, in de vorm van vreemd vermogen wordt gegoten om de vergoeding over dit kapitaal (dividend of rente) te kunnen aftrekken in de Vpb. Dividend (vergoeding voor eigen vermogen) is namelijk niet aftrekbaar in de Vpb, terwijl rente (vergoeding voor vreemd vermogen) dat wel is.
In de situatie dat niet wordt voldaan aan de vereisten om fiscaal als ondernemer te worden aangemerkt, kunnen de opbrengsten uit de activiteiten evengoed belast zijn. De winst uit de activiteiten wordt dan meestal belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden tegen maximaal 49,50 procent. Het nadeel is dat hier geen beroep kan worden gedaan op de (meestal gunstige) ondernemersfaciliteiten.
52 A rt. 3.3 lid 1 sub a Wet IB 2001. 53 A rt. 3.3 lid 1 sub b Wet IB 2001. 309
In de praktijk is het dikwijls lastig om iemand al dan niet als ondernemer aan te merken. Bijvoorbeeld in geval van freelance activiteiten, huis-aanhuis-verkopers of de boekhouder die naast een fulltime dienstbetrekking voor eigen rekening boekhoudkundige adviezen verstrekt. De jurisprudentie laat dan ook een rijk geschakeerd beeld zien van allerlei personen die al dan niet als ondernemer worden aangemerkt. Duidelijke richtlijnen kunnen niet worden verstrekt en telkens hangt het van de concrete feiten en omstandigheden af of iemand al dan niet als ondernemer moet worden aangemerkt. Bij wijze van voorbeeld worden hieronder enkele gevallen beschreven die zich in de jurisprudentie hebben voorgedaan.
Voorbeeld Een leraar bewoont met zijn gezin een boerderij. De daarbij behorende silo en garage worden aan derden ter beschikking gesteld voor stallingsactiviteiten, die door de echtgenote worden verricht. Er is geen sprake van het uitoefenen van een onderneming, omdat de werkzaamheden niet uitgaan boven wat in het kader van vermogensbeheer gebruikelijk is. Er is sprake van vermogensinkomsten. De waarde van de silo wordt in box 3 belast naar een forfaitair rendement tegen 36 procent (2025) belastingheffing en de werkelijke inkomsten zijn niet belast.
Voorbeeld Een particulier verpleegster is werkzaam via een bemiddelingsbureau. Zij verpleegt de klanten tegen een vast dagtarief plus reiskosten. Zij biedt de klanten elke week haar diensten aan. In 2020 werkte zij voor drie klanten, in totaal 134 dagen. In 2025 staakt zij de werkzaamheden in verband met een vervolgstudie. De werkzaamheden van de verpleegster hebben een voldoende duurzaam karakter; ofschoon zij dat jaar maar drie klanten heeft gehad en zij haar werkzaamheden in het volgende jaar heeft beëindigd. De verpleegster oefende dus een vrij beroep uit en had daarmee de ondernemersstatus.
12.2.4 Totaalwinst
Volgens de Wet IB 2001 is winst het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming54. Zoals uit deze omschrijving al blijkt, moet het gaan om de winst uit onderneming. Dit betekent dat voor- en nadelen die met de eigenlijke ondernemingsactiviteiten niets van doen hebben, uit de winst moeten worden geëlimineerd. Hierdoor zal duidelijk vastgesteld moeten worden welke voordelen, respectievelijk nadelen, tot de ondernemingssfeer behoren en welke niet (meer). Hiervoor zijn in de literatuur en jurisprudentie drie criteria ontwikkeld:
310 54 A rt. 3.8 Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN causaliteit, finaliteit en omgeving (milieu). Hierop gaan wij in het kader van deze module niet verder in.
Zoals gezegd, voor- en nadelen die met de eigenlijke ondernemingsactiviteiten niets van doen hebben, de zogenoemde stortingen en onttrekkingen, moeten uit de winst worden geëlimineerd. Wanneer een ondernemer geld of goederen van zijn privévermogen overhevelt naar zijn ondernemingsvermogen, is sprake van een storting. Door een storting wordt het eindvermogen verhoogd, maar deze verhoging ontstaat niet door winstrealisatie. Het bedrag van de stortingen wordt daarom afgetrokken van de vermogensmutatie om een correcte winstberekening te verkrijgen. Wanneer iets in natura wordt ingebracht, bijvoorbeeld een pand, dan wordt de waarde van de kapitaalstorting gesteld op de waarde in het economische verkeer ten tijde van de inbreng.
Tegenover het inbrengen van geld en goederen in de onderneming staat het onttrekken van geld en goederen aan de onderneming. Onttrekkingen zorgen niet voor een vermindering van de winst. Van een onttrekking is sprake, als een ondernemer geld of goederen aan het ondernemingsvermogen onttrekt voor persoonlijke doeleinden. Een voorbeeld is het via de onderneming betalen van een verbouwing van de niet tot het ondernemingsvermogen behorende woonhuis of de betaling door de onderneming van een aanslag inkomstenbelasting van de ondernemer. Naast geld kunnen ook goederen aan de onderneming worden onttrokken. De waardering van deze onttrekkingen vindt plaats tegen de waarde in het economische verkeer (= verkoopprijs).
Voorbeeld Een botenhandelaar doet zijn dochter een boot cadeau bij haar huwelijk. Deze boot is voor € 15.000 ingekocht en als zodanig in de voorraad opgenomen. De verkoopprijs van de boot bedraagt € 20.000. De onttrekking aan de onderneming bedraagt dan € 20.000 en er is een winst geboekt van € 5.000.
De winst uit onderneming kan door middel van een vermogensvergelijking nu als volgt worden bepaald. Door het eindresultaat met de aanvangssituatie te vergelijken en te corrigeren voor onttrekkingen en stortingen ontstaat het totaal te belasten voordeel:
Eindvermogen -/-Beginvermogen = Vermogensmutatie Vermogensmutatie -/- Onttrekkingen +/+ Stortingen = Totaalwinst
12.2.4.1 Vermogensetikettering
Naast het feit dat moet worden vastgesteld of een voor- respectievelijk nadeel winst uit onderneming vormt, moet worden vastgesteld welk vermo- 311
gen van de ondernemer tot het ondernemingsvermogen behoort en welk vermogen tot het privévermogen55. Verkoopresultaten behaald met de verkoop van vermogensbestanddelen die tot het ondernemingsvermogen behoren, worden als winst uit onderneming belast in box 1, terwijl verkoopresultaten behaald met de verkoop van het privévermogen niet als winst uit onderneming wordt aangemerkt, maar bijvoorbeeld in box 3 wordt belast. Het belang van een juiste etikettering van het vermogen van de ondernemer schuilt ook in het feit dat de omvang van het ondernemingsvermogen van belang is voor enkele ondernemersfaciliteiten, zoals de oudedagsreserve. Ook kan de ondernemer voor investeringen in ondernemingsvermogen in veel gevallen investeringsaftrek56 krijgen. Het is daarom van belang vast te stellen of een vermogensbestanddeel tot het ondernemings- of het privévermogen van een ondernemer behoort. Hiertoe wordt onderscheid gemaakt in: • verplicht ondernemingsvermogen • verplicht privévermogen • keuzevermogen
Verplicht ondernemingsvermogen Hiervan is sprake als de vermogensbestanddelen naar hun functie alleen tot het ondernemingsvermogen kunnen behoren, zoals machines en fabrieksgebouwen. Ook behoort hiertoe het zogenoemde buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen, waarvan sprake is als verplicht ondernemingsvermogen niet is ingebracht in een maatschap of een vennootschap onder firma, maar het gebruik ervan wel aan de maatschap of de vennootschap onder firma ter beschikking is gesteld.
Voorbeeld Wanneer twee ondernemers samengaan met hun ondernemingen krijgen zij te maken met overdrachts- en herwaarderingswinst. Als hierbij sprake is van een bedrijfspand met een meerwaarde ten opzichte van de balans wordt winstrealisatie en dus belastingheffing hierover voorkomen door het bedrijfspand niet in te brengen in de samenwerking maar het te verhuren aan de nieuwe onderneming. Er ontstaat dan buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Het pand blijft in beginsel verplicht ondernemingsvermogen. Omdat geen overdracht plaatsvindt, wordt de meerwaarde niet gerealiseerd. De eigenaar brengt huur in rekening van de nieuwe onderneming.
Verplicht privévermogen Dit zijn vermogensbestanddelen die naar hun functie alleen tot het privévermogen kunnen behoren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het woonhuis van een zelfstandige beroepsuitoefenaar, een vordering ontstaan
55 B esluit van 5 september 2003, nr. CPP 2003/2002M. 312 56 A rt. 3.40 en verder Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN door overdracht van een gedeelte van de onderneming of incourante aandelen die zijn aangekocht uit blijvend overtollig kasgeld.
Keuzevermogen Hiertoe behoren vermogensbestanddelen waarvan de ondernemer zelf binnen de grenzen van de redelijkheid kan bepalen of zij tot het ondernemings- of het privévermogen behoren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een pand dat gedeeltelijk voor de onderneming en gedeeltelijk als woning wordt gebruikt (gesplitst gebruik), of een auto die zowel in privéwordt gebruikt als voor de onderneming (gemengd gebruik).
Met betrekking tot de eerste twee categorieën bestaat geen keuzemogelijkheid, omdat deze vermogensbestanddelen naar hun functie niet anders dan ondernemings- respectievelijk privévermogen kunnen zijn. In de laatste categorie bestaat wel een keuzemogelijkheid waarbij de keuze helemaal afhankelijk is van de wil van de ondernemer. Als eenmaal een keuze is gemaakt, kan de ondernemer deze keuze herzien tot het moment waarop de gemaakte keuze nog geen gevolgen heeft gehad. Dit is meestal tot het moment waarop de aanslagen inkomstenbelasting over de betreffende jaren definitief vaststaan. Wanneer de eenmaal gemaakte keuze vaststaat, bijvoorbeeld omdat de desbetreffende aanslag inkomstenbelasting al definitief is geregeld, dan is het alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk op de gemaakte keuze terug te komen. Er moet dan wel een zogenoemde bijzondere omstandigheid zijn, zoals de inbreng van een onderneming in een maatschap of in een vennootschap onder firma of wetswijzigingen (bijvoorbeeld de invoering van de Wet IB 2001).
Worden privézaken voor het drijven van de onderneming gebruikt, dan mag een bedrag in aftrek van de winst worden gebracht. Echter, het aftrekbedrag in de onderneming wordt beperkt tot het bedrag dat in box 3 moet worden aangegeven57. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen in box 3. Daarnaast gelden voor sommige zaken nog extra voorwaarden, zoals bij de werkruimte ten aanzien waarvan bepaald is dat er ook inkomsten in of vanuit de werkruimte moeten zijn verworven.
Voorbeeld Theo heeft een computer van € 7.000 aangeschaft en deze als privévermogen aan zijn onderneming ter beschikking gesteld. Deze computer wordt niet in aanmerking genomen als een bezitting, omdat roerende zaken die niet als belegging worden gehouden geen voordeel uit sparen en beleggen opleveren. Als gevolg hiervan is er ook geen kostenaftrek ten aanzien van de computer voor de winst uit onderneming mogelijk.
57 Z onder aftrek van schuld; art. 3.17 lid 1 sub c juncto art. 5.5 Wet IB 2001. 313
Voorbeeld Monique rekent een woonwinkelpand tot haar privévermogen. De winkel met een waarde van € 150.000 stelt zij aan haar onderneming (eenmanszaak) ter beschikking. Ten aanzien van deze winkel wordt in box 3 € 150.000 tot de rendementsgrondslag gerekend. Monique mag een bedrag ten hoogte van het fictief rendement in box 3 in aanmerking nemen als kostenaftrek ten aanzien van het gebruik van de winkel. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het heffingvrij vermogen. Als haar onderneming een bv zou zijn, zou de TBS gelden, vandaar de toevoeging.
Vermogensbestanddelen die de meeste problemen opleveren bij de vermogensetikettering zijn onroerende zaken. Bij panden die gedeeltelijk voor de onderneming en gedeeltelijk als woning worden gebruikt (gesplitst gebruik), heeft de ondernemer de keuze uit drie mogelijkheden: het gehele pand wordt aangemerkt als ondernemingsvermogen, het gehele pand wordt aangemerkt als privévermogen of het pand wordt overeenkomstig het gebruik gesplitst in een ondernemingsgedeelte en een privégedeelte. De keuzemogelijkheden zijn niet volledig vrij. Wanneer het privégedeelte overheerst, is het niet toegestaan het gehele pand als ondernemingsvermogen aan te merken en andersom ook niet. In dat geval is er sprake van verplicht privé- of verplicht ondernemingsvermogen. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen vrije beroepsuitoefenaars en andere ondernemers.
Mede naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad58 heeft de staatssecretaris het besluit over de waardering van een woning bij overbrenging van ondernemingsvermogen naar privévermogen geactualiseerd59.
Uit jurisprudentie volgt dat een vrije beroepsuitoefenaar die een pand voor een zesde gedeelte als ondernemingspand gebruikt en voor vijf zesde als woning gebruikt, dit pand geheel mag aanmerken als ondernemingsvermogen60. Daarentegen is het een ondernemer niet toegestaan een pand dat voor vijf zesde gedeelte wordt gebruikt in het kader van de onderneming en voor een zesde gedeelte als woning, helemaal tot zijn privévermogen te rekenen. Als sprake is van bouwkundig splitsbare panden, is de keuzevrijheid ook beperkt, omdat de delen van het pand afzonderlijk kunnen worden geëxploiteerd. De Hoge Raad is van oordeel dat dan sprake is van een gedwongen splitsing, waarbij ieder afzonderlijk exploiteerbaar deel voor de vermogensetikettering afzonderlijk moet worden bekeken.
58 H R 10 november 2006, nr. 42.745, V-N 2006/60.2. 59 B esluit van de staatssecretaris van 4 juli 2007, nr. CPP2007/521M, V-N 2007/33.13. 60 Uit jurisprudentie blijkt dat een ondernemer een woning zelfs geheel tot het ondernemingsvermogen kan rekenen als op het moment van aankoop de woning voor meer dan 10% is bestemd om voor de onderneming te worden gebruikt (Hof Arnhem, 30 maart 314 2004, nr. 03/00626.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN Een vergroting van een kleine praktijkruimte in een woon-praktijkpand kan er in bepaalde situaties toe leiden dat het complete pand niet langer helemaal verplicht privévermogen is, maar dat het pand keuzevermogen wordt. In dat geval krijgt de ondernemer voor het eerst de mogelijkheid om een keuze te maken of hij het pand tot zijn privévermogen of tot zijn ondernemingsvermogen rekent. Dit blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Arnhem. In de onderhavige procedure bedroeg de inhoud van de praktijkruimte voor de verbouwing acht procent van de inhoud van de woning en na de verbouwing 12 procent. Dit leidde ertoe dat na de verbouwing het zakelijke gebruik van de woning 12 procent was en dus meer bedroeg dan de kritische grens van 10 procent waarbij sprake kan zijn van keuzevermogen61. bestaan uit rechten op periodieke uitkeringen of verstrekkingen. In feite is geen sprake van een echte vrijstelling, maar van een doorschuiffaciliteit, vergelijkbaar met de pensioenregeling van de werknemer. De pensioenpremies zelf zijn aftrekbaar als deze premies binnen de fiscale begrenzingen blijven. De belastingheffing vindt plaats op het moment dat de pensioenregeling tot uitkering komt.
12.2.4.2 Werkruimte
Als uitgangspunt geldt dat de werkruimte in beginsel onderdeel is van de eigen woning. Hierdoor loopt de behandeling van de werkruimte mee met de eigen woning en vindt geen aparte behandeling plaats. De waarde van eigen woning wordt dus volledig in aanmerking genomen bij de bepaling van het eigenwoningforfait. Daarbij wordt de aftrekbare hypotheekrente niet beperkt. Deze behandeling van de werkruimte voorkomt dat er een werkzaamheid aanwezig is waardoor de waardemutaties van de werkruimte worden belast in box 1.
De wet onderscheid twee soorten werkruimten: • kwalificerende werkruimte; • niet-kwalificerende werkruimte.
Een werkruimte62 is een kwalificerende werkruimte als de werkruimte naar de verkeersopvattingen een zelfstandig gedeelte van de woning vormt (zelfstandigheidcriterium) en intensief wordt gebruikt voor de verwerving van inkomen (inkomenscriterium). Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de werkruimte als niet-kwalificerend aangemerkt. De kwalificerende werkruimte moet een zelfstandig gedeelte van de eigen woning vormen. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij een slaapkamer, zolderkamer of een werkplek in de woonkamer, maar wel bij een ruimte met een eigen ingang en sanitaire voorzieningen.
61 B ron: Rechtbank Arnhem, 7 december 2010, nr. 10/1515. 62 A rt. 3.16 lid 1 Wet IB 2001. 315
Het inkomenscriterium betekent dat 70 procent van het inkomen vanuit de werkruimte moet worden verdiend als elders ook werkruimte ter beschikking staat. Als elders geen werkruimte ter beschikking staat, moet ten minste 70 procent van het inkomen in of vanuit de werkruimte in de eigen woning worden verworven (dat wil zeggen in de werkruimte zelf of met de werkruimte als basis) én moet in ieder geval 30 procent van het inkomen verdiend zijn in de werkruimte (daadwerkelijk in de werkruimte thuis).
De term ‘vanuit’ ziet op situaties waarin de werkruimte als vertrekpunt en thuisbasis wordt gebruikt, bijvoorbeeld voor het bezoeken van cliënten zoals een artsenbezoeker in dienstbetrekking. Ook moet deze artsenbezoeker ten minste 30 procent van zijn diensttijd in de werkruimte doorbrengen om aan het tweede criterium te voldoen. Dit zelfde geldt bijvoorbeeld voor een ambulante markthandelaar, die ten behoeve van zijn onderneming een werkruimte in de eigen woning in gebruik heeft. Wel moeten de in de werkruimte verrichte werkzaamheden kwantitatief en kwalitatief van voldoende betekenis zijn voor het geheel van werkzaamheden van de ondernemer.
Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, is de werkruimte geen onderdeel van het eigenwoningregime. Wel is de fiscale behandeling voor de ondernemer afhankelijk van het feit of hij het pand tot zijn privévermogen, respectievelijk ondernemingsvermogen heeft geëtiketteerd.
12.2.4.3 Privévermogen woon-praktijkpand
Een ondernemer die zijn woon-praktijkpand als privévermogen heeft geëtiketteerd kan voor het zakelijke gebruik van de kwalificerende werkruimte maar een forfaitaire vergoeding ten laste van de winst brengen. De aftrekmogelijkheid is beperkt tot het bedrag van het in box 3 in aanmerking te nemen voordeel uit sparen en beleggen, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met het heffingvrije vermogen. Het zakelijke gedeelte wordt belast in box 3 (het woongedeelte valt onder de eigenwoningregeling van box 1). De onderhoudskosten van het praktijkgedeelte zijn niet aftrekbaar, omdat de kosten niet in box 3 in aanmerking kunnen worden genomen. Wel kan een evenredig deel van de kosten die in een huurverhouding door een huurder zouden worden betaald in aftrek komen. Als het praktijkgedeelte met een lening is gefinancierd, is de rente over deze lening niet aftrekbaar. Wel komt de schuld op de rendementsgrondslag in mindering.
Voorbeeld Een (IB-)ondernemer rekent een woonwinkelpand tot zijn privévermogen. Het pand is gefinancierd met een geldlening van € 200.000. De waarde in het economische verkeer van de winkel bedraagt € 150.000. Aan de woning kan de helft 316 van de schuld worden toegerekend, terwijl de WOZ-waarde € 50.000 is. Voor
de kwalificerende werkruimte bedraagt de kostenaftrek slechts € 6.000. Niet
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN ten laste van het resultaat komen alle overige kosten, zoals de onderhouds- en rentekosten en afschrijving. In box 1 neemt hij het eigenwoningforfait (€ 50.000 x 0,35 procent) minus de rente over de schuld voor het woongedeelte in aanmerking. In box 3 neemt hij de waarde van de winkel minus de schuld (€ 50.000) in aanmerking.
12.2.4.4 Bijtelling privégebruik auto/woning
Voor de auto en de woning die tot het ondernemingsvermogen behoren, maar ook privégebruikt worden, zijn speciale regelingen opgenomen, die hieronder worden toegelicht.
De ondernemer kan te maken krijgen met diverse vervoersregelingen. Een auto behoort in het algemeen tot het keuzevermogen. Het staat de ondernemer vrij om deze binnen de grenzen der redelijkheid tot het privévermogen of tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Deze keuze heeft uiteraard fiscale consequenties.
Als de auto tot het ondernemingsvermogen behoort, kan de ondernemer alle kosten die ten behoeve van de auto zijn gemaakt, ten laste brengen van de winst. Wanneer deze auto ook voor ten minste 500 km voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt op jaarbasis gewerkt met een bijtelling voor het gebruik van de auto van de zaak.
De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto. In 2025 zijn er twee tarieven voor de bijtelling: 17 en 22 procent. De bijtelling is afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. De uitstootgrenzen worden ieder jaar opnieuw vastgesteld.
De onderstaande tabel geldt voor auto’s met een datum van eerste toelating in 2025. 63 64
Categorie CO2-uitstoot in gram per km 17 procent bijtelling 0 22 procent bijtelling ≥0
In 2025 vallen alleen bepaalde auto’s zonder CO2-uitstoot volledig in het 17 procent-tarief. Het verlaagde percentage van 17 geldt voor auto’s op waterstof en voor auto’s die volledig worden aangedreven door geïntegreer-
63 A rt. 3.20 lid 1 Wet IB 2001. 64 A rt. 3.20 lid 2 Wet IB 2001. 317
de zonnecellen. De zonnecellen moeten een vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek en de accu mag geen lood bevatten.
Voor andere nulemissie-auto’s geldt de 17 procent bijtelling slechts tot en met een cataloguswaarde van € 30.000. Voor het deel daarboven geldt de bijtelling van 22 procent.
Het verlaagde percentage van 17 geldt voor een periode van 60 maanden. Deze periode gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van eerste toelating. Is die datum bijvoorbeeld 7 maart, dan start de 60-maandsperiode dus op 1 april.
Direct na afloop van de periode van 60 maanden wordt het percentage opnieuw vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden.
Als datum van de eerste toelating geldt de datum waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. Dat kan in Nederland zijn, maar ook in het buitenland. Bij nieuwe auto’s valt dit moment samen met de datum waarop voor het eerst een kenteken is afgegeven. Maar dit hoeft niet altijd zo te zijn, bijvoorbeeld bij import van gebruikte auto’s.
Door de wetgever wordt ervan uitgegaan dat het privégebruik ten minste 500 km bedraagt, tenzij de belastingplichtige door middel van een rittenadministratie kan aantonen dat het privégebruik minder is dan deze 500 km. Dan is er geen sprake van een bijtelling.
Woon-werkkilometers worden geheel aangemerkt als zakelijk verkeer voor de toepassing van artikel 3.20 Wet IB 2001.
Als de auto tot het privévermogen van de ondernemer behoort, dan kan de ondernemer voor het woon-werkverkeer en alle (overige) zakelijke kilometers € 0,23 per gereden kilometer van de winst aftrekken.
De bijtelling voor het privégebruik van de auto is nooit hoger dan de werkelijke kosten van de auto, zoals de kosten van gebruik, onderhoud, verzekeringen en afschrijving.65 Bij de berekening van de autokosten mag geen rekening worden gehouden met eenmalige boekwinst of verlies. Kosten die voor eigen rekening komen van de ondernemer mogen van de bijtelling worden afgetrokken.
318 65 A rt. 3.20 lid 8 Wet IB 2001.
Voorbeeld
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN Jim heeft de beschikking over een auto (zonder lage CO2-uitstoot) die tot zijn ondernemingsvermogen behoort. Hij rijdt jaarlijks 6.500 kilometer in privé. De catalogusprijs van deze auto bedraagt € 20.000. De kosten van deze auto voor de onderneming bedragen jaarlijks totaal € 6.000.
Eind december wordt de auto verkocht, waarbij een boekwinst van € 5.000 wordt gerealiseerd. De bijtelling hoeft nooit hoger te zijn dan het bedrag dat aan autokosten ten laste van de winst is gebracht. In dit geval zijn de autokosten slechts € 1.000 (€ 6.000 -/- € 5.000).
Echter, bij de berekening van de autokosten over een jaar mag geen rekening worden gehouden met boekwinsten of boekverliezen. Hierdoor wordt 22 procent van € 20.000 = € 4.400 bijgeteld.
Woonlasten66 Als de woning die tot het ondernemingsvermogen behoort door de belastingplichtige voor privédoeleinden wordt gebruikt, moet een bepaald percentage van de waarde van de woning als onttrekking aan het ondernemingsvermogen in aanmerking worden genomen.
Bij een woningwaarde van Percentage onttrekking op jaarbasis (2025) meer dan maar niet meer dan - € 12.500 0,65 van deze waarde € 12.501 € 25.000 0,85 van deze waarde € 25.001 € 50.000 0,95 van deze waarde € 50.001 € 75.000 1,05 van deze waarde € 75.001 € 1.330.000 1,20 van deze waarde € 1.330.000 - € 15.960 vermeerderd met 2,35 procent van de woninwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.330.000
Als de woning tot het privévermogen wordt gerekend, terwijl een deel van deze woning wordt gebruikt voor ondernemingsactiviteiten, dan mag een bedrag in aftrek van de winst worden gebracht. Wanneer de woning niet wordt aangemerkt als eigen woning en dus in box 3 wordt belast, gelden de regels zoals deze hiervoor - bij de vermogensetiketteringsproblematiek - zijn uitgewerkt. De aftrek wordt dan beperkt tot het bedrag dat in box 3 moet worden aangegeven.
66 A rt. 3.19 lid 2 Wet IB 2001. 319
Wanneer de woning als eigen woning wordt aangemerkt en een zelfstandig deel van de woning aan de onderneming ter beschikking wordt gesteld, wordt dit zelfstandige deel in box 3 in belast en gelden de regels zoals deze hiervoor zijn aangegeven. Voor het deel van de woning dat als eigen woning wordt gebruikt, is het eigenwoningforfait van toepassing.
12.2.5 Bepaling jaarwinst
De totaalwinst is de winst van de onderneming gemeten over de gehele levensduur van de onderneming vanaf de start tot het einde van de onderneming. In deze module wordt aandacht besteed aan de bepaling van de jaarwinst. De belastingheffing is immers een jaarlijks terugkerend proces en het zou bezwaarlijk zijn om met de belastingheffing over de winst van de onderneming te wachten tot het einde van de onderneming. Pas op dit laatste moment is immers de over de gehele levensduur van de onderneming gemaakte totaalwinst bekend. De totaalwinst moet dus worden gesplitst in jaarmoten. De jaarlijks aan te geven winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik (zie hierna).
Idealiter is het dan zo dat alle jaarwinsten gezamenlijk de totaalwinst vormen:
totaalwinst = ∑ (gezamenlijke) jaarwinsten
Als de onderneming geen verliezen zou maken is de totaalwinst ook gelijk aan de som van de jaarwinsten. Echter, doordat de verliesverrekening is beperkt in de tijd is het mogelijk dat verliezen ‘verdampen’. 67 Hierdoor kan de som van de jaarwinsten groter zijn dan de totaalwinst.
Globaal kan de volgende opstelling van de fiscale jaarwinst worden gemaakt:
Bedrijfseconomische jaarwinst € ………… -/- fiscale (objectieve) vrijstellingen € ………… + bijtelling niet aftrekbaar deel gemengde kosten € ………… + bijtelling privégebruik auto/woning € ………… -/- willekeurige afschrijvingen € ………… -/- investeringsaftrek € ………… + desinvesteringsbijtelling € ………… -/- dotatie fiscale reserves € ………… € ………… Fiscale jaarwinst € …………
‘Goed koopmansgebruik’ is een fiscale term die gebruikt wordt om de belastbare winst van een onderneming te bepalen. De term wordt genoemd in artikel 3.25 Wet IB 2001 en wordt in artikel 8 Wet Vpb van overeenkomstige toepas-
67 A rt. 3.150 lid 1 Wet IB 2001.
INKOMSTENBELASTING EN ONDERNEMEN sing verklaard. Het gaat om regels met betrekking tot de loon- en prijswijziging na afloop van het jaar, de waardering van pensioenverplichtingen en soortgelijke verplichtingen, waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten, afschrijving op bedrijfsmiddelen en de beperking afschrijving op gebouwen. Aan de verschillende begrippen die een rol spelen in de hoogte van de jaarwinst wordt hieronder en verderop in het hoofdstuk meer aandacht besteed.
Afschrijving gebouwen Bij de bepaling van de winst uit onderneming wordt de normale afschrijving op gebouwen beperkt. Deze beperking houdt in dat de boekwaarde van een gebouw niet mag dalen beneden de zogenoemde ‘bodemwaarde’.
Met ingang van 1 januari 2019 is de afschrijvingsbeperking voor gebouwen in eigen gebruik in de Vpb aangescherpt. Sinds 1 januari 2017 kunnen gebouwen tot de bodemwaarde worden afgeschreven68. Tot 2019 was de bodemwaarde van een gebouw in eigen gebruik 50 procent van de WOZ-waarde. In de Vpb kan een gebouw in eigen gebruik dan nog maar tot 100 procent van de WOZ-waarde worden afgeschreven69. Als een gebouw vóór 1 januari 2019 in gebruik is genomen en hierop is korter dan drie afgeschreven, dan mag alsnog deze drie jaar volgens de oude regels worden afgeschreven.
Voor ondernemers in de inkomstenbelasting geldt dat voor verhuurde gebouwen (ter belegging) de WOZ-waarde de bodemwaarde is. Voor gebouwen in eigen gebruik is de bodemwaarde 50 procent van de WOZ-waarde70.
Voorbeeld Chantal heeft een bedrijfspand in eigen gebruik. Het pand heeft een gebruiksduur van 50 jaar. De aanschafwaarde van het pand was € 300.000, en de restwaarde is € 50.000. De boekwaarde aan het begin van het boekjaar is € 200.000. De WOZ-waarde is € 396.000. De bodemwaarde is dan € 198.000 (= 50 procent van WOZ-waarde). De normale jaarlijkse afschrijving is twee procent van de aanschafwaarde min de restwaarde van het pand: (€ 300.000 - € 50.000) x 2% = € 5.000. Maar als Chantal daadwerkelijk € 5.000 zou afschrijven, daalt de boekwaarde beneden de bodemwaarde. Zij mag in dit jaar dus maar € 2.000 afschrijven. Daarna is de bodemwaarde bereikt en mag Chantal niet meer afschrijven.
De WOZ-waarde van 2025 wordt vastgesteld naar de waardepeildatum van 1 januari 2024.71
68 A rt. 3.30a Wet IB 2001. 69 A rt. 8 lid 6 Wet Vpb 1969. 70 A rt. 3.30a Wet IB 2001. 321 71 A rt. 18 lid 2 WOZ.
13. BEËINDIGEN ONDERNEMINGSACTIVITEITEN IN IB-SFEER
13.1 STAKING IB-ONDERNEMING
Waar voor werkenden in loondienst een ‘standaard’ pensioengerechtigde leeftijd gebruikelijk is, gelden voor ondernemers op dit gebied geen regels. Tot het moment van overlijden kan men een onderneming blijven drijven. Meestal wordt op een eerder tijdstip de onderneming beëindigd.
In de fiscaliteit wordt bij een bedrijfsbeëindiging van een ‘staking’ gesproken. Bij staking van een IB-onderneming geldt de ondernemer als uitgangspunt. Een IB-onderneming is immers een persoonlijke onderneming, afhankelijk van de persoonlijke capaciteiten of kwaliteiten van de ondernemer (subjectief ondernemersbegrip).
Een IB-onderneming wordt dus gestaakt wanneer de ondernemer ophoudt winst uit onderneming te genieten, omdat de onderneming niet meer voor zijn rekening wordt gedreven. Uit deze definitie blijkt dat er zowel sprake is van het staken van een onderneming wanneer de onderneming ophoudt te bestaan (liquidatie), en ook wanneer de onderneming voortaan voor rekening van een derde gedreven wordt (overdracht).
Om het verschil tussen overdracht en liquidatie te begrijpen, is het nuttig de onderneming te zien als een band, die de bedrijfsmiddelen verbindt door haar gemeenschappelijke bestemming. Als de ondernemer bij de staking van de bedrijfsuitoefening deze band in tact houdt (inclusief de good-/badwill), dan is er sprake van overdragen. Liquidatie vindt daarentegen plaats als de band wordt verbroken door stuksgewijze vervreemding van activa/passiva en/of overbrenging naar het privévermogen van de ondernemer. 323
13.1.1 Stakingsvormen
Behalve in geval van liquidatie en overdracht is er ook sprake van staking bij inbreng van de onderneming in een bv.
In twee situaties wordt de ondernemer bovendien geacht zijn onderneming te hebben gestaakt, zonder dat hij daadwerkelijk ophoudt winst uit onderneming te genieten ten aanzien van deze onderneming (fictieve staking/fictieve overdracht).
Het gaat hier om de volgende situaties: • ontbinding van de huwelijksgemeenschap (waar de onderneming deel van uitmaakt), anders dan door overlijden van de ondernemer72. Dit is het geval bij echtscheiding van de ondernemer. Het aandeel van de onderneming dat op grond van het huwelijksvermogensrecht toekomt aan de echtgenoot wordt geacht op het moment voorafgaand aan de ontbinding te zijn overgedragen tegen de waarde in het economische verkeer. • bij het overlijden van de ondernemer zelf 73 . In dit laatste geval is eigenlijk sprake van een overdrachtsfictie (overdracht naar erven) in plaats van een stakingsfictie.
Het staken van een IB-onderneming kan dus op verschillende manieren plaatsvinden: • liquidatie; • overdracht (bedrijfsopvolging); • overlijden van de ondernemer (overdrachtsfictie); • ontbinding van het huwelijk van de ondernemer (stakings- en overdrachtsfictie); • inbreng van de IB-onderneming in een bv.
13.1.2 Staking zelfstandig deel onderneming
Voor het staken van een onderneming is het niet noodzakelijk dat alle ondernemingsactiviteiten worden beëindigd. Ook de staking van een deel van een onderneming is mogelijk. Hiervan is sprake bij overdracht van een gedeelte van een onderneming dat een zekere zelfstandigheid in de onderneming heeft of een gedeelte dat een zelfstandige onderneming kan vormen. Wel is bij gedeeltelijke staking een voorwaarde dat er geen gelijksoortige activiteiten worden gestart, waardoor de identiteit van de onderneming gelijk blijft
72 A rt. 3.59 Wet IB 2001. 324 73 A rt. 3.58 Wet IB 2001.
BEËINDIGEN ONDERNEMINGSACTIVITEITEN IN IB-SFEER (identiteitscriterium). Bij een duurzame belangrijke inkrimping kan er ook sprake zijn van een gedeeltelijke staking. Er is sprake van een duurzame belangrijke inkrimping als de onderneming binnen een kort tijdsbestek in belangrijke mate (voor ten minste 30%) duurzaam is ingekrompen.
Inbreng van een onderneming in een vof (of andere personenvennootschap) wordt altijd aangemerkt als een gedeeltelijke staking. De inbreng van een onderneming in een vof onderscheidt zich van de andere gedeeltelijke stakingen doordat er sprake is van de staking van een evenredig deel van de onderneming, in plaats van de staking van een specifiek deel van de onderneming.
Het begrip ‘staken’ omvat dus de volgende situaties, staking van: • de onderneming als één geheel; • een deel met een zekere zelfstandigheid; • een deel dat een zelfstandige onderneming kan vormen; • een evenredig deel; of: • een duurzame, belangrijke inkrimping.
13.2 STAKINGSWINST
Bij staking van zijn onderneming moet de ondernemer afrekenen over zijn, met de (fictieve) overdracht/staking, gerealiseerde meerwaarde. Dit zijn: • stille reserves op activa en passiva (verschil tussen economische en boekwaarde bedrijfsmiddelen); • fiscale reserves (herinvesterings-, kostenegalisatie-, terugkeer- en oudedagsreserve) en desinvesteringsbijtellingen; • goodwill (alleen bij voortzetting onderneming).
De stakingswinst behoort tot de totaalwinst van de onderneming evenals alle jaarwinsten van die onderneming.
De op deze manier berekende stakingswinst wordt belast tegen het progressieve tarief in de inkomstenbelasting (maximaal 49,50 procent). Omdat de ondernemer daardoor met een enorme belastingclaim kan worden geconfronteerd, is in de Wet IB 2001 een aantal faciliteiten opgenomen die dit vervelende effect enigszins verminderen. Deze faciliteiten zijn te verdelen in algemene stakingsfaciliteiten waar iedere stakende ondernemer recht op heeft en specifieke stakingsfaciliteiten, waar alleen in bepaalde situaties een beroep op kan worden gedaan.
13.2.1 Oudedagsreserve
De oudedagsreserve (OR) behoort tot de fiscale winstbepaling van een onderneming. Dit houdt in dat bij staking van een onderneming de opgebouwde OR vrijvalt in de winst. Overigens is het mogelijk de opgebouwde OR fiscaal geruisloos om te zetten in een gefacilieerde lijfrente75. De lijfrente kan worden bedongen in de vorm van een verzekering of een bankspaarproduct of bij de overnemer van de onderneming.76 Deze laatste zou ook een zelf opgerichte bv kunnen zijn. De aftrek die wordt toegestaan is gemaximeerd tot het bedrag waarmee in het desbetreffende kalenderjaar de oudedagsreserve is afgenomen.77 De ondernemer is in principe vrij om het bedrag van de afneming zelf te kiezen. Hierbij moet de ondernemer er wel rekening houden dat de afneming maximaal het bedrag van de premies voor lijfrente die in het kalenderjaar in aanmerking worden genomen is. Deze afneming wordt in de heffing betrokken.78 Dit wil zeggen dat er een belaste afname van de OR wordt voorgeschreven. Als gevolg van artikel 3.128 Wet IB 2001 worden de premies van de winst afgetrokken. Op deze wijze wordt de belastingheffing geneutraliseerd.
13.3 ALGEMENE STAKINGSFACILITEITEN
13.3.1 Stakingsaftrek
Bij staking van een gehele onderneming is van de berekende stakingswinst het bedrag van de stakingsaftrek vrijgesteld. Deze stakingsaftrek, die een onderdeel is van de ondernemersaftrek, bedraagt € 3.630 eenmaal per leven. Bij staking van een gedeelte van de onderneming heeft de ondernemer geen recht op stakingsaftrek.
13.3.2 Stakingslijfrente
De stakingslijfrente biedt een ondernemer de mogelijkheid de stakingswinst bij (gedeeltelijke) staking van zijn onderneming om te zetten in een lijfrente. Voor een uitgebreide behandeling van de stakingslijfrente verwijzen wij u naar ‘Toekomstvoorzieningen’.
74 A rtt. 3.67 t/m 3.73 Wet IB 2001. 75 A rt. 3.128 Wet IB 2001. 76 A rt.3.126a Wet IB 2001. 77 A rt. 3.70 Wet IB 2001. 78 A rt. 3:70 lid 2 Wet IB 2001. 79 A rt. 3.79 Wet IB 2001. 326 80 A rt. 3.129 Wet IB 2001.
BEËINDIGEN ONDERNEMINGSACTIVITEITEN IN IB-SFEER Naast de algemene stakingsfaciliteiten is ook een aantal specifieke stakingsfaciliteiten opgenomen. Ten eerste zijn er twee doorschuiffaciliteiten voor de situaties waarin fictief gestaakt wordt. Daarnaast kan een onderneming gefacilieerd aan een mede-ondernemer of een werknemer worden overgedragen en kan de onderneming gefacilieerd in een bv/nv ingebracht worden. In het kader van de opleiding tot hypothecair planner gaan wij hierop niet verder in.
14. ONDERNEMEN IN BV
14.1 BV EN JAARREKENINGENRECHT; PUBLICATIEPLICHT
14.1.1 Jaarrekening, jaarverslag en overige gegevens
Een vennootschap is verplicht tot het afleggen van verantwoording voor het financieel en bedrijfseconomisch beleid door middel van de jaarrekening en het jaarverslag.
Hiertoe maakt de wet een onderscheid in: • jaarrekening: dit zijn de balans en de winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting. • jaarverslag: dit is een door het bestuur op te stellen document, waarin nadere mededelingen worden gedaan over de toestand op balansdatum en de gang van zaken gedurende het boekjaar. Verder moet het jaarverslag mededelingen bevatten over de verwachte gang van zaken in de vennootschap. • overige gegevens: dit zijn gegevens, die in de jaarrekening of het jaarverslag niet op hun plaats zijn, maar wel in nauw verband hiermee staan. Gedacht kan worden aan de accountantsverklaring, het voorstel tot winstbestemming of verliesverrekening, een opgave van gebeurtenissen na de balansdatum met belangrijke financiële consequenties, en derge lijke.
De jaarrekening moet binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar worden opgemaakt, behoudens verlenging met maximaal zes maanden in geval van bijzondere omstandigheden; de plicht daartoe rust op het bestuur81. Vervolgens wordt de jaarrekening vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders. Sinds de invoering van de nieuwe bv-wetgeving is er niet altijd meer een algemene vergadering van aandeelhouders (ava) noodzakelijk voor de vaststelling van de jaarrekening. Voorwaarde is in dat geval wel dat alle aandeelhouders ook bestuurder van de bv zijn. De statuten kunnen deze manier van vaststelling van de jaarrekening uitsluiten.
Wanneer de vennootschap over een raad van commissarissen beschikt, dan stelt de raad van commissarissen de jaarrekening vast en moet de algemene vergadering van aandeelhouders de jaarrekening goedkeuren. Met het vaststellen van de jaarrekening wordt meestal ook decharge verleend aan het bestuur voor het in het afgelopen jaar gevoerde beleid. Voor het vaststellen respectievelijk goedkeuren van de jaarrekening kent de wet geen dwingende termijnen. De jaarrekening moet worden gecontroleerd door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent 82. Kleine rechtspersonen zijn hiervan overigens vrijgesteld83. De accountant toetst de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens aan de wettelijke voorschriften. Vervolgens brengt hij van zijn bevindingen verslag uit, het zogenoemde ‘accountantsrapport’, dat in beginsel niet voor derden ter inzage beschikbaar is. De uitslag van zijn onderzoek geeft de accountant weer in een verklaring, de zogenoemde ‘accountantsverklaring’, die moet worden opgenomen onder de overige gegevens. Uit de wettelijke voorschriften blijkt, dat de wetgever veel waarde hecht aan de accountantsverklaring.
14.1.1.1 Balans, winst- en verliesrekening en bijbehorende toelichting
De wet geeft gedetailleerde voorschriften met betrekking tot de indeling (rubricering), de detaillering, de waarderingsgrondslagen, en dergelijke, van de jaarrekening.
81 A rt. 2:210 BW. 82 A rt. 2:393 BW. 330 83 A rt. 2:396 lid 7 BW.
ONDERNEMEN IN BV Volgens het meest gebruikte balansmodel ziet een balans er als volgt uit84:
Activa Passiva Vaste activa: Eigen vermogen: immateriële • geplaatst kapitaal materiële • agio financiële • herwaarderingsreserve Vlottende activa: • wettelijke en statutaire reserves voorraden • overige reserves vorderingen • onverdeelde winst effecten Voorzieningen liquide middelen Langlopende schulden (> een jaar uitstaand) Kortlopende schulden (≤ een jaar uitstaand)
Als hoofdregel geldt, dat de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over het vermogen en het resultaat, en ook voor zover de aard van de jaarrekening dat toelaat over de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon85.
Verder moeten getrouw, duidelijk en stelselmatig worden weergegeven86: • door de balans met bijbehorende toelichting: de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar. • door de winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting: de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de baten en de lasten.
In de toelichting moeten onder meer de waarderings- en winstbepalingsgrondslagen duidelijk worden uiteengezet. Ook moet in de toelichting het verloop van het eigen vermogen gedurende het boekjaar worden weergegeven in een overzicht. Daarbij worden ook de mutaties vermeld in het geplaatste (aandelen)kapitaal, uitgesplitst naar soorten aandelen87. De toelichting moet een lijst met deelnemingen en aanvullende gegevens bevatten, zoals belangrijke toekomstige financiële verplichtingen enzovoort.
84 A rt. 2:364 BW. 85 A rt. 2:362 lid 1 BW. 86 A rt. 2:362 lid 2 BW. 87 A rt. 2:378 lid 3 BW. 331
Wanneer vennootschappen deel uitmaken van een (grotere) groep van vennootschappen, dan is naast de vennootschappelijke jaarrekening een geconsolideerde jaarrekening voorgeschreven. De wet omschrijft een geconsolideerde jaarrekening als een jaarrekening, waarin de activa, de passiva, de baten en de lasten van de rechtspersonen en/of de vennootschappen die een groep of een groepsdeel vormen, als één geheel zijn opgenomen.88
14.1.2 Publicatieplicht
Elke bv is verplicht tot openbaarmaking van de jaarrekening en de toebehoren, zij het dat kleine en middelgrote vennootschappen kunnen volstaan met een beperkte publicatie. Openbaarmaking van de jaarrekening gebeurt door deze te deponeren bij het handelsregister, wat binnen acht dagen na de vaststelling of de goedkeuring van de jaarrekening moet plaatsvinden. Wanneer de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken van de jaarrekening voorgeschreven termijn is vastgesteld (en goedgekeurd), dan maakt het bestuur de opgemaakte jaarrekening onverwijld openbaar. Omdat de termijn voor het opmaken van de jaarrekening maximaal vijf maanden en na verlenging 11 maanden bedraagt, kan de publicatietermijn oplopen tot 13 maanden. Tegelijk met de jaarrekening worden ook het ‘jaarverslag’ en de ‘overige gegevens’ openbaar gemaakt. Aan deze verplichting kan worden ontkomen door de stukken op het kantoor van de vennootschap ter inzage te leggen en een ieder op verzoek tegen kostprijs een afschrift te verstrekken; hiervan wordt dan weer mededeling gedaan bij het handelsregister. De genoemde stukken moeten gedurende zeven jaar worden bewaard90 (deze termijn is voor fiscale doeleinden ook zeven jaar91). Kleine en middelgrote vennootschappen zijn gedeeltelijk vrijgesteld van de vrij zware wettelijke verplichtingen voor war betreft het opmaken en het publiceren van een jaarrekening 92. De kleine vennootschap kan volstaan met een vereenvoudigde balans en, winst- en verliesrekening, waarvoor bovendien geen accountantscontrole is vereist. Verder dient alleen de vereenvoudigde balans met bijbehorende toelichting te worden gepubliceerd en behoeft het jaarverslag niet te voldoen aan de stringente wettelijke vereisten. Alle andere vennootschappen moeten voldoen aan de uitgebreide voorschriften inzake het opmaken en het publiceren van de jaarrekening.
88 A rt. 2:405 lid 1 BW. 89 A rtt. 2:394 t/m 398 BW. 90 A rtt. 2:10 lid 3 BW, 2:24 lid 1 BW en 3:15i BW. 91 A rt. 52 lid 4 AWR. 332 92 A rtt. 2:396 en 2:397 BW.
ONDERNEMEN IN BV Het niet voldoen aan de publicatieplicht is een economisch delict, dat kan worden bestraft met ten hoogste zes maanden hechtenis of een geldboete93. Daarnaast kunnen nog bijkomende straffen en maatregelen worden opgelegd. Verder kunnen bestuurders nog hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld als in het geval van faillissement het bedrag van de schulden van de rechtspersoon niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan. Dit is het geval als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en het aannemelijk is, dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
Van een onbehoorlijke taakvervulling is in elk geval sprake, als niet is voldaan aan de boekhoudplicht respectievelijk de publicatieplicht.
14.2 FISCALE POSITIE BV
De bv wordt met een veelheid aan fiscale bepalingen geconfronteerd. Zo wordt de winst van een bv belast met vennootschapsbelasting (Vpb) en moet de vennootschap op uitdelingen van winst dividendbelasting inhouden en afdragen. In dit onderdeel zal enige aandacht worden besteed aan de genoemde fiscale heffingen.
14.2.1 Vennootschapsbelasting
Veruit de belangrijkste belasting waarmee een bv te maken heeft, betreft de Vennootschapsbelasting (Vpb). Op dezelfde wijze als inkomen van natuurlijke personen wordt belast met inkomstenbelasting, zo wordt de winst van lichamen, zoals een bv en een nv, belast met Vpb. In dit onderdeel komen enkele algemene aspecten met betrekking tot de heffing van Vpb aan de orde.
14.2.1.1 Klassieke stelsel
Bij de belastingheffing van winsten van lichamen moet worden bedacht dat er een relatie bestaat tussen de heffing van Vpb over de winst bij de vennootschap en de heffing van inkomstenbelasting over het inkomen bij de aandeelhouder(s). Beide personen, die juridisch van elkaar zijn te onderscheiden als twee afzonderlijke personen, zijn immers met elkaar verbonden via het aandelenbezit. Dit betekent dat de heffing van Vpb over de winst van lichamen in feite ten laste komt van de aandeelhouder(s), omdat van de heffing van de Vpb een waardedrukkend effect uitgaat op de aandelen. Desalniet-
93 A rt. 2:394 BW juncto art. 1 ten 4° en art. 6 lid 1 ten 4° Wet op de economische delicten jo. art. 23 Wetboek van Strafrecht. 333
temin ontkent de fiscale wetgeving deze economische relatie tussen de aandeelhouder(s) en de vennootschap. De Vpb is een volledige afzonderlijke heffing van lichamen die zich niets gelegen laat liggen aan een eventuele vervolgheffing bij de achterliggende aandeelhouder(s) in de sfeer van de inkomstenbelasting. Dit staat bekend als het zogenoemde klassieke stelsel. Beide belastingen worden volledig onafhankelijk van elkaar geheven, met welk systeem Nederland redelijk uniek is binnen de Europese Unie. De meeste andere landen binnen de Europese Unie kennen één of andere variant op het verrekeningsstelsel, welk systeem bij de heffing van de inkomstenbelasting op het niveau van de aandeelhouder rekening houdt met het feit dat over dezelfde uitgedeelde winst al Vpb is geheven.
Cijfermatig ziet het gecombineerde inkomsten- en vennootschapsbelastingregime laag anno 2025 er als volgt uit:
Regime vanaf 1-1-2009 Winst vóór Vpb 200,00 Vpb (15%) 38,00 Dividenduitkering 162,00 IB (24,5%) 39,69 Netto 122,31 Gecombineerde Vpb/IB 77,69
Zoals uit het bovenstaande blijkt, is de gecombineerde belastingdruk bij een winst tot € 200.000 38,85 procent voor de dga. Bij winsten in de bv van € 200.000 en meer loopt deze druk iets op, omdat het Vpb-tarief dan 25,8 procent bedraagt.
Wij wijzen erop dat bovenvermelde gecombineerde belastingheffing over de winsten van de vennootschapsbelastingplichtige lichamen zich voornamelijk voordoet in de relatie tot aandeelhouders/natuurlijke personen, zoals het geval is bij de dga. Wanneer de aandeelhouder immers een lichaam is, dat ook is onderworpen aan de heffing van Vpb, dan blijft de heffing van de Vpb bij het lichaam dat het dividend ontvangt achterwege, als de zogenoemde ‘deelnemingsvrijstelling’94 van toepassing is.
14.2.2 Dividendbelasting
Ten slotte kan een bv worden geconfronteerd met de heffing van de dividendbelasting. Dit is het geval als de vennootschap dividend uitkeert aan haar aandeelhouder(s). Het tarief van de dividendbelasting bedraagt
334 94 A rt. 13 lid 1 Wet Vpb.
ONDERNEMEN IN BV 15 procent.95 Overigens is ook de dividendbelasting verschuldigd over de hiervoor genoemde zogenoemde vermomde of verkapte dividenduitdelingen. De aandeelhouders die het dividend ontvangen, kunnen zowel natuurlijke personen, bijvoorbeeld de dga, als rechtspersonen zijn. Wanneer de aandeelhouder overigens een rechtspersoon is, kan de heffing van de dividendbelasting achterwege blijven, als bij het lichaam dat het dividend ontvangt de zogenoemde ‘deelnemingsvrijstelling’ of ‘fiscale eenheid’ van toepassing is96. Uiteraard is de dividendbelasting weer verrekenbaar met de inkomstenrespectievelijk Vpb die de aandeelhouder is verschuldigd over het ontvangen dividend. Hieruit vloeit voort dat de dividendbelasting, evenals de loonbelasting, een voorheffing is op de uiteindelijk verschuldigde belasting, te weten inkomstenbelasting of Vpb. Op het moment dat de bv dividend uitkeert, houdt de bv ook 15 procent dividendbelasting in. De aandeelhouder ontvangt daardoor 85 procent.
14.3 BV OF IB-ONDERNEMER?
In de levensloop van een succesvolle ondernemer is een aantal fasen te onderscheiden. Belangrijk ijkpunt vormt vaak de overgang naar het drijven van de onderneming via een vennootschap, meestal een bv. Gestart als eenmanszaak of vof overstijgt na verloop van tijd de winst de privébestedingen van de ondernemer, wat het aantrekkelijk kan maken om als bv verder te gaan.
Bij de beslissing om een IB-onderneming (eenmanszaak, firma-aandeel van een vof en dergelijke) om te zetten in een bv kunnen de volgende zaken een rol spelen.
14.3.1 Tariefstructuur
Het meest in het oog springende argument voor de omzetting van een IB-onderneming in een bv is het verschil in de tariefstructuur van de inkomstenbelasting en de Vpb. De Vpb kent een tarief van de eerste schijf van 19 procent voor alle winsten tot € 200.000 (2025) en aanvankelijk een tweede schijf met een tarief van 25,80 procent voor de winsten boven de € 200.000.
In het volgende voorbeeld wordt het verschil in belastingdruk tussen een IB-onderneming en een bv verder verduidelijkt:
95 A rt. 5 Wet op de dividendbelasting 1965. 96 A rtt. 13 t/m 13k Wet Vpb 1969. 335
Voorbeeld Alex de Groot, 32 jaar en ongehuwd, ontwikkelt al vijf jaar software voor diverse opdrachtgevers. Zijn onderneming wordt gevoerd in de vorm van een eenmanszaak. Hij behaalt een winst van € 80.000. Hij staat nu voor de keuze om verder te gaan in een bv en wil daarom zijn huidige belastingdruk vergelijken met de belastingdruk bij een bv.
Stap 1: berekening belastbaar inkomen IB-ondernemer
Winst uit onderneming € 80.000 Zelfstandigenaftrek € 2.470 -/- € 77.530 Mkb-winstvrijstelling 12,7% € 9.846 -/- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 67.684
Te betalen inkomstenbelasting € 24.729 Algemene heffingskorting € 579 Arbeidskorting € 3.195 € 3.774 -/- Verschuldigde IB/PVV/belastingdruk nominaal € 20.955
Gemiddelde belastingdruk als een percentage van de winst = (€ 20.955/€ 80.000) x 100 = 26,19 procent.
Stap 2a: berekening winst ná belasting bv, onder veronderstelling van gelijke winst als bij IB-onderneming
Ondernemingswinst € 80.000 Salaris dga € 56.000 -/- Winst vóór belasting € 24.000 Verschuldigde Vpb 19% € 4.560 -/- Toevoeging aan winstreserve € 19.440
Stap 2b: berekening belastingdruk deze bv en dga
Inkomen uit werk en woning (dga) € 56.000 Te betalen belasting € 20.350 Heffingskortingen: Algemene heffingskorting € 1.320 Arbeidskorting € 4.758 € 6.078 -/- Verschuldigde IB/PVV € 14.272 Latente aanmerkelijkbelangclaim op winstreserves (stel: vijf procent) € 1.174 -/-
Belastingdruk € 13.098
Verschuldigde IB € 13.098 + Verschuldigde Vpb € 4.560 = € 17.658.
ONDERNEMEN IN BV Gemiddelde belastingdruk als percentage van de winst = (€ 17.658/€ 80.000) x 100 = 22,07 procent.
Stap 3: Uitgangspunten bij de vergelijking: • Zvw-premie blijft buiten beschouwing. • geen dividend uitgekeerd. • salaris van € 56.000 is voldoende om van te leven (en is gelijk aan gebruikelijk loon) 97. • percentages waarmee latente belastingclaims contant worden gemaakt, zijn afhankelijk van het moment, waarop tot belastingheffing wordt overge gaan. Naarmate dit moment dichterbij komt, zal de contante waarde van de toekomstige claim hoger komen te liggen.
Bij deze winsten leidt het hebben van een bv in 2025 tot een lagere belastingdruk.
De uitkomst van de vergelijking in het voorbeeld is afhankelijk van de winst en het gewenste salaris of dividend. Als Alex meer inkomen wenst (salaris of dividend), neemt de IB-druk bij de bv-vorm toe, maar daalt de winst van de bv en zodoende ook de Vpb-druk.
14.3.2 Aansprakelijkheid
Bij een IB-onderneming is de ondernemer in privéaansprakelijk voor de schulden van zijn zaak. Civielrechtelijk wordt namelijk geen scheiding gelegd tussen privé- en ondernemingsvermogen. Als een onderneming daarentegen in de bv-vorm gedreven wordt, bestaat deze scheiding wel. Doordat een bv als een rechtspersoon wordt aangemerkt, kan deze zelfstandig overeenkomsten sluiten, waar de bv dan ook zelfstandig verantwoordelijk voor is. In principe kan een zakelijke crediteur dus ook alleen de bv aansprakelijk stellen en niet de achterliggende aandeelhouder.
Op deze regel bestaat een aantal wettelijke uitzonderingen: • faillissementsrecht: de dga is bij een faillissement aansprakelijk wanneer hij als bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld heeft 98. • fiscaal recht: als een bv geen loonbelasting/premies werknemersverzekeringen of omzetbelasting afdraagt én de bestuurder/aandeelhouder heeft de betalingsonmacht van zijn bv niet aan de Belastingdienst gemeld, wordt ook de achterliggende aandeelhouder aansprakelijk gesteld99.
97 B ij het bepalen van het loon is het gebruikelijk loon van art. 12a Wet LB 1964 leidend. 337 98 A rt. 2:248 juncto art. 2:249 BW. 99 A rt. 36 lid 1 Invorderingswet.
• antimisbruikwetgeving: zij die handelen namens een bv in oprichting, een bv in oprichting (i.o.), zijn altijd hoofdelijk aansprakelijk. Deze aansprakelijk eindigt wanneer de oprichting van de bv een feit is én de door de bv i.o. verrichte rechtshandelingen bekrachtigd zijn100. • uitkeringstest: ook bestaat er sinds de invoering van de Flex-bv een zekere aansprakelijkheid van de bestuurders en de aandeelhouders bij ongeoorloofde uitkeringen aan aandeelhouders (zie ook hierna).
In dit verband is verder nog een aandachtspunt dat bij het aantrekken van extra vermogen externe financiers vaak vragen om garant staan in privé door de dga voor de schulden van de bv.
14.3.3 Overige argumenten
14.3.3.1 Aanzien
Een bv geniet in het algemeen meer aanzien dan een eenmanszaak. De meeste mensen associëren een bv namelijk met een belangrijke onderneming van een behoorlijke grootte.
14.3.3.2 Continuïteit
Waar de eenmanszaak eindigt bij het overlijden van de ondernemer, blijft de bv onafhankelijk van het leven van de dga bestaan. Met andere woorden: de eenmanszaak is een persoonlijke onderneming, afhankelijk van de persoonlijke capaciteiten van de ondernemer, terwijl de bv een onafhankelijke entiteit is die een eigen bestaan leidt.
14.3.3.3 Vererving
Als een onderneming tot een erfenis behoort, kan de verdeling hiervan over meerdere erfgenamen moeilijkheden opleveren. Stel dat een deel van de erfgenamen de onderneming wil voortzetten, terwijl deze onderneming wel over alle erfgenamen verdeeld moet worden. Degenen, die de onderneming niet voortzetten, willen graag hun aandeel in de erfenis in contanten ontvangen en niet in de vorm van een vordering op een ondernemer. De onderneming verkopen levert evenmin het gewenste resultaat op. Bij een vof is in dit probleem overigens vaak voorzien, doordat de vof-akte voortzettings(verblijvings-)bedingen bevatten.
Als de aandelen van een bv daarentegen tot een erfenis behoren, dan heeft dit als voordeel dat de aandelen over de erfgenamen verdeeld kunnen
338 100 A rt. 2:180 juncto art. 2:203 BW.
ONDERNEMEN IN BV worden. De bv drijft de onderneming en hierin komt geen verandering. Wel zal een nieuwe directeur moeten worden benoemd.
Toch kunnen bij de vererving van aandelen in een bv ook spanningen ontstaan. Onder de erfgenamen ontstaan bijvoorbeeld twee soorten aandeelhouders, namelijk een groep aandeelhouders die bij de onderneming betrokken is en een groep niet-betrokken aandeelhouders. Discussies in de ava kunnen zich hierdoor toespitsen op onderwerpen als dividendbeleid en directiesalarissen. In deze situatie is de aandeelhoudersovereenkomst een belangrijk document om informatie te verkrijgen over de afspraken die zijn gemaakt tussen de aandeelhouders met betrekking tot hun aandeelhouderschap en hun samenwerking in de vennootschap.
14.3.3.4 Externe financiering
Voor een bank maakt de rechtsvorm van een onderneming voor het verstrekken van een lening niet zoveel uit. Zij zullen kijken naar de verstrekte zekerheden en de toekomstverwachtingen. Eventueel moet de dga zich nog persoonlijk garantstellen voor de te verstrekken geldlening.
14.3.3.5 Werknemersstatus
Waar de eigenaar van een eenmanszaak en de firmant in een vof nooit als werknemer aangemerkt kunnen worden, heeft de dga van een bv fiscaal- en arbeidsrechtelijk de status van werknemer. Dit betekent bijvoorbeeld dat de bv op het salaris van haar directeur loonbelasting zal moeten inhouden. Aandachtspunt is in dit verband het feit dat deze werknemersstatus in beginsel niet geldt voor de werknemersverzekeringen (Wet WIA en WW).
Zowel bij een eenmanszaak/vof als bij een bv is de ondernemer onverzekerd tegen bijvoorbeeld het risico van arbeidsongeschiktheid. Wanneer de ondernemer dit inkomensrisico wil afdekken, zal hij zich in privémoet verzekeren.
14.3.3.6 Flexibiliteit
In geval van een holdingstructuur (zie hiernavolgende afbeelding) is sprake van een flexibele vennootschapsstructuur die het mogelijk maakt om zonder veel fiscale en financiële problemen in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Denkt u hierbij bijvoorbeeld aan bedrijfsopvolging, samenwerking met derden of de afstoting van één of meer bedrijfsonderdelen.
Aandeelhouder
Holding-bv
Werk-bv
Voorbeeld Bij een holdingstructuur is sprake van ten minste twee vennootschappen: de moedervennootschap (de Holding-bv) en de dochtervennootschap (Werk-bv).
In de praktijk is dit een veel voorkomende bv-structuur. De belangrijkste reden voor deze structuur is dat de activiteiten van de onderneming in de Werk-bv worden ondergebracht en daarmee ook het financiële risico van de activiteiten. De Holdingbv kan worden gebruikt voor zaken die de aandeelhouder wil afscheiden van het risicovolle ondernemingsvermogen, zoals de pensioenopbouw, salarisvaststelling et cetera.
De dga komt in de regel op de loonlijst te staan van de Holding-bv en ontvangt hieruit zijn salaris. De Holding-bv ontvangt een managementvergoeding van de Werk-bv. Eventueel kan de dga in de Holding-bv ook pensioen in eigen beheer opbouwen. Zijn er meerdere vennoten (holdings), dan ontvangt iedere Holding-bv een van tevoren overeengekomen managementvergoeding voor de geleverde managementdiensten. In de Holding-bv kan de dga in principe zelf de hoogte van het salaris vaststellen. Dit voorkomt in de praktijk onenigheid tussen de verschillende dga’s.
De winst die is overgebleven in de Werk-bv kan eventueel na betaling van Vpb worden uitgekeerd aan de Holding-bv. Deze winst mag via de deelnemingsvrijstelling onbelast worden uitgekeerd. Het vermogen in de Holding-bv kan zo onder meer worden gevormd door winstuitkeringen (dividend) door de Werk-bv.
Flexibiliteit is een andere belangrijke reden om te kiezen voor een holdingstructuur. Samenwerking met derden of opvolging in de toekomst is hierdoor namelijk eenvoudiger en financieel aantrekkelijker.
Bij verkoop van de Werk-bv is namelijk geen sprake van aanmerkelijkbelangheffing in box 2. Pas bij verkoop van de aandelen van de Holding-bv is deze heffing verschuldigd. Bij een eventueel faillissement van de Werk-bv komt de opgebouwde winst en een eventuele stamrechtverplichting en/of pensioenopbouw in de Holding-bv niet in 340 gevaar.
14.4 OPRICHTING/AANKOOP BV
ONDERNEMEN IN BV De ondernemer heeft inmiddels besloten om in een bv zijn onderneming voort te zetten en heeft vervolgens de eerste aanzetten tot een waardebepaling gemaakt. Nu zou hij de beschikking moeten hebben over een bv. Vraag is hoe hij aan een dergelijke vennootschap komt.
Hiervoor zijn twee mogelijkheden: • oprichting van een nieuwe bv • aankoop van een bestaande, ‘lege’ bv.
14.4.1 Oprichting nieuwe bv
14.4.1.1 Oprichtingshandeling en notariële akte
In de regel ziet een notariële oprichtingsakte er als volgt uit: • de verklaring van de comparant dat hij een bv wil oprichten; • de statuten van de vennootschap die ten minste bevatten: – de naam, de zetel en het doel van de vennootschap. In de naam van de vennootschap moeten in elk geval de woorden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of bv zijn opgenomen. Verder moet de zetel in Nederland zijn gelegen; in tijden van nood is (statutaire) zetelverplaatsing mogelijk door de Wet vrijwillige zetelverplaatsing derde landen101. – het bedrag van het maatschappelijk kapitaal van € 18.000 (dit is sinds 1 oktober 2012 niet meer vereist), het aantal en het nominale bedrag van de aandelen102. De vennootschap kan naast gewone aandelen ook preferente en prioriteitsaandelen emitteren. – de wijze waarop in de bestuurstaak wordt voorzien in geval van belet of ontstentenis van het bestuur103. • buiten de statuten: het bij de oprichting geplaatste en gestorte kapitaal, één en ander gespecificeerd naar de soort aandelen en de afnemers daarvan en met vermelding van de gegevens van de afnemers104. • enige additionele vermeldingen, waaronder de namen van de eerste bestuurder(s), eventueel de namen van de eerste commissarissen105.
101 A rt. 2:177 BW. 102 A rt. 2:178 lid 1 BW. 103 A rt. 2:144 lid 4 BW. 104 A rt. 2:194 BW. 105 A rt. 2:178 lid 1 juncto art. 2:196 lid 2 BW. 341
Het kabinet wil af van de verplichte notariële akte van oprichting van een eenvoudige besloten vennootschap (een bv in een eenvoudige standaardvorm). Een regeling hiervoor is in voorbereiding. Een notariële akte van oprichting (met onder meer de statuten van de bv) blijft dus voorlopig voor alle bv’s nodig.
Verklaring van geen bezwaar106 Sinds 1 juli 2011 hoeft niet langer een verklaring van geen bezwaar (vvgb) te worden aangevraagd bij de oprichting (en statutenwijziging) van een bv. Daarvoor in de plaats geldt een nieuw systeem van doorlopende controle van rechtspersonen. Dit betekent dat Dienst Justis107 (screeningsautoriteit van het ministerie van Veiligheid en Justitie) op vooraf vastgestelde momenten in het bestaan van de rechtspersoon een integriteitstoets uitvoert.
14.4.1.2 Deelname in kapitaal door elk(e) der oprichter(s)
Een minimale deelname van de oprichters is niet voorgeschreven, zodat aan dit vereiste al is voldaan als de oprichter alleen één aandeel neemt en de overige aandelen worden geplaatst bij derden. De oprichters - of, bij latere uitgifte, het tot uitgifte bevoegde orgaan - bepalen/bepaalt de omvang van de stortingsplicht op de aandelen. De nominale waarde en daarmee de inbreng op de aandelen zal positief moeten zijn, dus minimaal één eurocent. Een inbreng van nihil of een inbreng met een negatieve waarde, zoals vervuilde grond, is niet toegestaan.
14.4.1.3 Bv in oprichting
Zoals hierboven is vermeld, ontstaat de vennootschap op het moment dat de notariële akte wordt verleden voor de notaris. Al voordat een bv is opgericht, kan er een onderneming aanwezig zijn (bijvoorbeeld omdat er al bedrijfsactiviteiten zijn gestart). Doordat sinds de invoering van de Flex-bv de oprichting van een bv zeer snel kan verlopen, hebben we overigens nauwelijks nog te maken met een bv in oprichting. Wanneer de oprichter namens deze bv naar buiten treedt, is deze persoonlijk aansprakelijk.108 Doordat het oprichten van een bv eenvoudiger is geworden, zal deze situatie (de voorperiode) zich niet vaak meer voordoen. Na oprichting van de bv moeten de eventuele handelingen uit de voorperiode bekrachtigd worden.
106 A rt. 2:179 BW. 107 w ww.justis.nl 342 108 A rt. 2:203 lid 2 BW.
Voorperiode
ONDERNEMEN IN BV Een belangrijk punt tijdens de voorperiode is de aansprakelijkheid. Regel is dat alleen natuurlijke en rechtspersonen aansprakelijk kunnen zijn. De bv bestaat nog niet en een bv i.o. kan geen rechtspersoonlijkheid hebben, rest alleen de oprichter als aansprakelijk persoon. Wanneer verplichtingen niet nagekomen worden of de bv niet opgericht wordt, bestaat er zowel een contractuele als een wettelijke hoofdelijke aansprakelijkheid voor de ondertekenende oprichter(s).
Wanneer bij een vof niet alle firmanten een overeenkomst ondertekenen, kunnen er complicaties optreden. De vraag of de niet-ondertekenende firmanten hoofdelijk aansprakelijk zijn, is afhankelijk van hoe de contractpartij in de overeenkomst beschreven wordt.
Er bestaan namelijk twee manieren: 1. als contractpartner wordt de bv i.o. genoemd. In dit geval is alleen sprake van een contractuele aansprakelijkheid van de oprichter die ondertekent. Wanneer sprake wil zijn van de aansprakelijkheid van de medefirmanten, dan moet de wederpartij uit de inhoud van de voorovereenkomst en uit de feitelijke gedragingen af kunnen leiden, dat de overige firmanten naar buiten als bv i.o. zijn opgetreden. 2. het contract wordt gesloten voor rekening van de op te richten bv. Hier is sprake van een wettelijke aansprakelijkheid. Wanneer de bv niet wordt opgericht of als de bv de verplichtingen niet wenst na te komen, dan zijn alle oprichters hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de wederpartij lijdt.
15. ONDERNEMEN VENNOOTSCHAPSBELASTING
15.1 INLEIDING
Rechtspersonen zijn juridische eenheden die, zelfstandig op grond van de wet, dragers zijn van rechten en plichten. Zij kunnen dus, alsof het om natuurlijke personen gaat, aan het rechtsverkeer deelnemen. Zij zijn wat hun winst betreft zelfstandig belastingplichtig. Sommige rechtspersonen (zoals de bv) zijn dit alleen op grond van het bezitten van deze rechtsvorm109. Andere rechtspersonen (zoals de stichting) zijn alleen belastingplichtig als en voor zover deze een onderneming drijven.
Het winstbegrip in de vennootschapsbelasting (Vpb) komt in principe overeen met het winstbegrip in de inkomstenbelasting.110 Er zijn ook onderdelen waarbij het Vpb-winstbegrip afwijkt van het IB-winstbegrip. Denkt u hierbij aan: • deelnemingsvrijstelling • fiscale eenheid • regels met betrekking tot fusies • regels met betrekking tot de fiscale en de vrijgestelde beleggingsinstelling.
De deelnemingsvrijstelling moet dubbele belastingheffing voorkomen, terwijl de fiscale eenheid en de fusie herstructurering van ondernemingen
109 A rt. 2 lid 1 sub a Wet Vpb. 110 A rt. 8 Wet Vpb 1969. 345
mogelijk maken zonder nadelige fiscale gevolgen. De regels met betrekking tot de fiscale beleggingsinstelling zijn erop gericht het beleggen door vennootschappen gelijk te schakelen aan het beleggen door natuurlijke personen. In het kader van deze opleiding wordt kort ingegaan op de fiscale en de vrijgestelde beleggingsinstelling.
15.1.1 Algemeen
Vpb is een belasting naar de winst van lichamen (hieronder vallen onder andere bv’s en nv’s, coöperaties, stichtingen, fondsen voor gemene rekening enzovoort). De winstbelasting wordt betaald door het lichaam. Het overschot gaat behoren tot de reserves van het lichaam.
15.1.2 Belastingsubject in vennootschapsbelasting
In het voorgaande is een aantal malen het woord ‘lichaam’ gebruikt. In artikel 2 Vpb wordt een opsomming gegeven van de onder deze wet vallende belastingplichtige lichamen.
De belangrijkste belastingsubjecten in het kader van deze module zijn: • naamloze vennootschappen (nv’s) • besloten vennootschappen (bv’s) • stichtingen en de verenigingen (als en voor zover zij een onderneming drijven) • fondsen voor gemene rekening. 111
Het is ook mogelijk, dat een aantal bv’s samen een vennootschap onder firma vormen, ook wel joint-venture genoemd. De joint-venture is dan niet belastingplichtig, en ieder van de deelnemende bv’s wordt voor haar gedeelte van de winst met Vpb belast. Er geldt hier dus dezelfde regeling als bij een vennootschap onder firma in de IB-sfeer, waarbij alle vennoten voor hun gedeelte van de winst uit onderneming in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken.
15.1.3 Tarief
Het vennootschapsbelastingtarief bedraagt in 2025 19 procent voor een belastbaar bedrag tot € 200.000 en 25,80 procent over het meerdere.112
111 H et ‘fonds voor gemene rekening’ (hierna: FvGR) is/heeft geen specifieke rechtsvorm, noch rechtspersoonlijkheid. In het civiel recht is het FvGR (dan ook) niet als zodanig bekend. Het FvGR kan de vorm hebben van een samenwerkingsverband, maar ook een onderlinge overeenkomst (tussen een zelfstandig beheerder, zelfstandig bewaarder en de participanten). 346 112 D e budgettaire ruimte is ontstaan door de gereserveerde gelden voor de rentebox
ONDERNEMEN VENNOOTSCHAPSBELASTING De dividendbelasting (in te houden door de vennootschap) bedraagt 15 procent. Voor grensoverschrijdende dividenduitkeringen geldt als gevolg van verdragen vaak een tarief van vijf of 15 procent.
15.2 FISCALE BELEGGINGSINSTELLING
In de Vpb is een speciale regeling opgenomen voor de fiscale beleggingsinstelling (FBI)113. Dat is een bv die zich uitsluitend bezighoudt met het beleggen van vermogen. Als aan alle voorwaarden is voldaan, krijgt de bv de status van fiscale beleggingsinstelling met ingang van het volgende boekjaar. Het kenmerk van een FBI is dat hiervoor het tarief van nul procent geldt, onder de voorwaarde dat aan de voorwaarden wordt voldaan.114 Eén van deze voorwaarden is dat de winsten verplicht binnen acht maanden na het boekjaar uitgedeeld moeten worden.
De belangrijkste voorwaarden zijn verder115: • statutaire doelstelling van de vennootschap moet beperkt zijn tot het beleggen van vermogen. Ook feitelijk moet de vennootschap zich tot deze werkzaamheden beperken. Onder bepaalde voorwaarden valt het verstrekken van garanties ten behoeve van verbonden lichamen ook onder beleggen. • er mogen geen aandeelhouders/natuurlijke personen zijn die een aanmerkelijk belang in de vennootschap hebben, tenzij de FBI officieel aan de effectenbeurs is genoteerd. Is dit laatste het geval, dan mag het belang ten hoogste voor 25% bij een natuurlijk persoon berusten. • belang van niet-inwoners in de vennootschap mag ten hoogste 25 procent bedragen. • vennootschap heeft, zoals gezegd, een doorstootverplichting. Dat wil zeggen dat de fiscale winst (rente, dividend en huur verminderd met eventuele kosten) binnen acht maanden na afloop van het boekjaar in zijn geheel aan de aandeelhouders moet worden uitgekeerd. Vermogenswinsten vallen niet onder de doorstootverplichting. Deze kunnen toegevoegd worden aan de zogenoemde herbeleggingsreserve. • de beleggingen mogen alleen in beperkte mate met vreemd vermogen worden gefinancierd (maximaal 60 procent van de boekwaarde van onroerende zaken en 20 procent van de boekwaarde van de overige beleggingen).
die voorlopig van de baan is structureel op een andere wijze in te zetten voor het bedrijfsleven. 113 A rt. 28 Wet Vpb 1969. 114 A rt. 9 Besluit beleggingsinstellingen. 115 A rt. 28 lid 2 Wet Vpb 1969. 347
15.3 VRIJGESTELDE BELEGGINGSINSTELLING
De vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI)116 is een beleggingsinstelling en mag alleen beleggen in financiële instrumenten en banktegoeden.117 De VBI is ingevoerd als alternatief voor beleggen met buitenlandse entiteiten (Antillen, Belgiëen Luxemburg). Door invoering van de VBI is emigratie van een beleggings-bv naar een belastingparadijs veel minder urgent geworden. Getracht wordt vermogen in Nederland te houden.
De VBI in het kort: • fonds voor gemene rekening of een nv; • vrijgesteld van Vpb; • vrijgesteld van dividendbelasting; • geen beroep op belastingverdragen; • deelnemingsvrijstelling niet van toepassing; • geen aandeelhouderseisen, financieringseisen, uitdelingsverplichtingen (zoals bij FBI); • minimaal twee aandeelhouders; • direct beleggen in vastgoed is niet toegestaan; • geen recht op teruggave dividendbelasting; • uitkeringen zijn niet onderworpen aan dividendbelasting; • aanmerkelijkbelanghouder moet een forfaitair rendement van vier procent over de waarde van de aandelen in zijn aangifte in box 2 aangeven; • als geen sprake is van een aanmerkelijk belang dient de waarde als grondslag voor de heffing van box 3; • VBI moet meestal een vergunning aanvragen (Wft); • VBI-status wordt op verzoek verleend en ingetrokken.
In tegenstelling tot het bestaande nul procent-regime van de FBI kent artikel 6a Wet Vpb 1969 geen aandeelhoudersvereisten. Hierbij moet worden aangetekend dat het nieuwe regime alleen toegankelijk is voor de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 Wft, die de rechtsvorm heeft van een nv of een fonds voor gemene rekening of ‑ onder voorwaarden - een daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsfiguur. Volgens laatstgenoemd artikel is een beleggingsinstelling een beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij. Kenmerk van beide is dat vermogen ‘ter collectieve belegging’ bijeen wordt gebracht om de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen.
116 A rt. 6a Wet Vpb 1969. 348 117 A rt. 6a Wet Vpb 1969.
ONDERNEMEN VENNOOTSCHAPSBELASTING Hoewel er in artikel 6a Wet Vpb 1969 dus geen expliciete aandeelhouderseis is opgenomen, heeft de staatssecretaris tijdens de behandeling in de Eerste Kamer aangegeven, dat dit collectiviteitsvereiste tot gevolg heeft dat een nv met één aandeelhouder geen VBI kan zijn. Er moet sprake zijn van minimaal twee aandeelhouders. Dit betekent dat naast de dga er één of meer andere aandeelhouders moeten zijn met een gezamenlijk belang van ten minste 10 procent. Daarbij zijn de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot én minderjarige kinderen van de dga uitgesloten.
In de praktijk zal de VBI vooral beleggen in obligaties. Een nadeel van een aandelenbelegging is namelijk dat geen recht bestaat op restitutie van dividendbelasting (in tegenstelling tot bij de FBI).
15.4 DIVIDENDBELASTING
Dividendbelasting behandelen wij in ‘Fiscaliteit’. Graag verwijzen wij u hiernaar.
Winterlandschap, Willem Maris, ca. 1875
16. BIJZONDERE POSITIE DGA
16.1 ALGEMEEN
In dit hoofdstuk besteden wij eerst aandacht aan de situatie waarin een aanmerkelijkbelangpositie ontstaat. In het tweede gedeelte brengen wij de verschillende relaties van de dga met zijn bv in beeld. Deze is namelijk naast aandeelhouder van de bv ook werknemer. Daarnaast kan hij een bedrijfspand aan de bv verhuren, geld aan of van de bv lenen.
16.2 WINST UIT AANMERKELIJK BELANG
Voor de opbrengsten van aanmerkelijkbelangaandelen, zoals dividend en vervreemdingswinsten, geldt het box 2-tarief van de inkomstenbelasting. Let wel, dit tarief is alleen van toepassing als de aandelen bij de aandeelhouder behoren tot een aanmerkelijk belang118.
Voor aandeelhouders die géén aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap worden de aandelen in de vermogensrendementsheffing van box 3 betrokken. Hier wordt een fictief rendement vanaf 2025 tegen een tarief van 36 procent belast. Daarentegen is het genoten dividend of de behaalde vervreemdingswinst onbelast in box 3.
In dit onderdeel zetten wij het aanmerkelijkbelangregime uiteen.
118 Hoofdstuk 4 Wet IB 2001. 351
16.2.1 Hoofdlijnen regime winst uit aanmerkelijk belang
Een aanmerkelijkbelanghouder wordt ten aanzien van de voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen alleen in de heffing van inkomstenbelasting betrokken op basis van de bron winst uit aanmerkelijk belang van box 2119. Deze bron bevat zowel de inkomsten uit de aandelen als de vervreemdingsresultaten van deze aandelen.
16.2.2 Definitie aanmerkelijk belang
Een aanmerkelijk belang ontstaat als de belastingplichtige al dan niet samen met zijn partner voor ten minste vijf procent van het geplaatste aandelenkapitaal (on)middellijk aandeelhouder is. Verder is er ook een aanmerkelijk belang als de belastingplichtige (on) middellijke winstbewijzen heeft die betrekking hebben op ten minste vijf procent van de jaarwinst dan wel van wat bij liquidatie wordt uitgekeerd. Ten slotte geldt dit ook bij de belastingplichtige die een recht heeft van ten minste vijf procent op de jaarwinst (of liquidatiewinst) van een coöperatie of vijf procent van het stemrecht in de algemene vergadering van een coöperatie120.
Voor het begrip ‘fiscaal partner’ verwijzen wij u naar de module ‘Fiscaliteit’.
Als de vennootschap meerdere soorten aandelen, zoals preferente aandelen, letteraandelen en dergelijke heeft, dan moet dit vijf procent-criterium per soort worden toegepast. Er is dus ook sprake van een aanmerkelijk belang, als de dga alle aandelen van één soort bezit, terwijl deze soort aandelen op het totale geplaatste aandelenkapitaal minder dan vijf procent uitmaakt.
Sinds de invoering van het nieuwe bv-recht kunnen stemrechtloze, winstrechtloze aandelen en bijvoorbeeld aandelen met een flexibel winstrecht worden uitgegeven. Al deze aandelen worden in beginsel ook voor de aanmerkelijkbelangregeling aangemerkt als een aparte soort.
119 A fdeling 4.3 Wet IB 2001. 352 120 A rt. 4.6 Wet IB 2001.
BIJZONDERE POSITIE DGA De aanmerkelijkbelangregeling kent verder nog de zogenoemde meesleep- en meetrekregeling en een terbeschikkingstellingsregeling: • meesleepregeling: als de dga al aanmerkelijk-belanghouder is, dan behoren eventuele overige aandelen, opties (rechten om deze vermogensbestanddelen te verwerven) en winstbewijzen die hij bezit in relatie tot die vennootschap, ook tot het aanmerkelijk. 121 • meetrekregeling: als in plaats van de belastingplichtige zelf zijn echtgenoot of samenwonende partner of één van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn een aanmerkelijk belang heeft, worden de aandelen van de belastingplichtige zelf ook als aanmerkelijkbelangaandelen aangemerkt (evenals overige vermogensbestanddelen die hij bezit in relatie tot de vennootschap). De meetrekregeling heeft ook tot gevolg dat ook op grond van deze regeling de meegetrokken aanmerkelijkbelanghouders een fictief salaris in aanmerking moeten nemen.122 • terbeschikkingstellingsregeling: als de dga (of zijn partner) vermogen ter beschikking stelt aan de bv geldt de terbeschikkingstellingsregeling. Denkt u hierbij het lenen aan de bv of het verhuren van een pand aan de bv123. Het gevolg is dat dit vermogensbestanddeel voor de dga in box 1 terechtkomt.
Met betrekking tot de meetrekregeling is het wel verstandig om met een eventuele overdracht van aandelen zeer zorgvuldig om te gaan. Door bijvoorbeeld een overdracht van aandelen door de kinderen die een aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap, aan een willekeurige derde verliest de vader ook zijn aanmerkelijkbelangpositie en moet ook hij afrekenen over de latente aanmerkelijkbelangwinst (eventueel met doorschuiving).
Als de belastingplichtige ophoudt aanmerkelijkbelanghouder te zijn, bijvoorbeeld omdat zijn participatie door een emissie van aandelen terugvalt tot minder dan vijf procent, is sprake van een fictieve vervreemding. Echter, de belastingheffing hierover kan worden doorgeschoven naar het moment waarop de aanmerkelijkbelangwinst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Er ontstaat dan een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang.
Voorbeeld De heer en mevrouw Dresman bezitten ieder 50 procent van het aandelenkapitaal van Vrom bv. Jack Tuyp, broer van mevrouw Dresman, bezit vier procent van het aandelenkapitaal van Heman bv en zijn meerderjarige zoon Theo 32 procent. De rest van het aandelenkapitaal van Heman bv is voor 25 procent in handen van Vrom bv en het overige aandelenbezit is in zeer kleine pakketjes verspreid in handen van niet-familieleden.
121 A rt. 4.9 Wet IB 2001. 122 A rt. 4.10 Wet IB 2001 juncto art. 12a Wet LB 1964. 123 A rt. 3.92 Wet IB 2001. 353
Hebben de heer en mevrouw Dresman, Jack Tuyp en Theo Tuyp allen een aanmerkelijk belang in Heman bv?
Ja. De heer en mevrouw Dresman, want de aandelen Heman bv behoren tot de winstbewijzen die zij in relatie tot Vrom bv bezitten wat al een aanmerkelijk belang is (indirect houden van ten minste vijf procent van de aandelen). Theo Tuyp heeft meer dan vijf procent in Heman bv en vader Jack wordt hierdoor meegetrokken.
16.2.3 Reguliere en vervreemdingsvoordelen
In box 2 worden de volgende opbrengsten belast124: • reguliere voordelen, ofwel de inkomsten uit de aanmerkelijkbelangaandelen; • vervreemdingsvoordelen van de aanmerkelijkbelangaandelen.
Doordat de voordelen in box 2 zijn ondergebracht, zijn hier ook de kosten aftrekbaar. Dat betekent dat de rente van geldleningen om de aandelen te verwerven hier ook aftrekbaar zijn. Extra uitdaging is dat in box 2 vaak vlak na aankoop van de aandelen nog geen dividendinkomsten zijn, zodat er voorlopig in het geheel niets verrekend kan worden.
16.2.3.1 Reguliere voordelen
Tot de reguliere voordelen behoren125: • Dividend; • fictief rendement op aandelen of winstbewijzen in buitenlandse beleggingsmaatschappijen; • teruggaaf van wat op aandelen is gestort. Een teruggaaf vormt geen regulier voordeel voor zover deze maximaal de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen is en tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd; • teruggaaf van wat op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort. Een teruggaaf vormt geen regulier voordeel voor zover deze maximaal de verkrijgingsprijs van de desbetreffende bewijzen is; • de teruggaaf van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd. Een teruggaaf vormt geen regulier voordeel voor zover deze maximaal de verkrijgingsprijs van de desbetreffende bewijzen is;
124 A rt. 4.12 Wet IB 2001. 354 125 A rt. 4.13 Wet IB 2001.
BIJZONDERE POSITIE DGA • de nominale waarde van aandelen die door een FBI worden uitgereikt. Een dergelijke uitreiking vormt geen regulier voordeel als er een storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.
16.2.3.2 Vervreemdingsvoordelen
Vervreemdingsvoordelen worden gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. Wanneer alleen een gedeelte van de in aandelen of winstbewijzen besloten rechten wordt vervreemd, dan wordt een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen126.
Overdrachtsprijs De overdrachtsprijs is de tegenprestatie bij de vervreemding verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten127.
Als bij de vervreemding een tegenprestatie ontbreekt of deze bedongen is bij een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden is gesloten, dan wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde welke op het moment van de vervreemding in het economische verkeer aan de aandelen of de winstbewijzen kan worden toegekend. Dit is ook het geval, als bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden, behalve in geval van uitgifte van aandelen. Bij dit laatste moet worden gedacht aan inkopen en verkopen á pari al dan niet door de enig aandeelhouder128.
Verkrijgingsprijs De verkrijgingsprijs is de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten129. In geval van aandelen of winstbewijzen van eenzelfde soort met verschillende verkrijgingsprijzen, moet worden uitgegaan van de gemiddelde verkrijgingsprijs130.
Als de aandelen en/of de winstbewijzen bij de belastingplichtige op enig moment gaan behoren tot een aanmerkelijk belang, dan wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen of de winstbewijzen gesteld op de waarde in het economische verkeer131. Eventuele (latente) winsten op de aandelen of de winstbewijzen worden dus in de toekomst in box 2 belast bij vervreemding hiervan, terwijl een eventueel verlies op deze aandelen of winstbewijzen buiten beschouwing blijft.
126 A rt. 4.19 Wet IB 2001. 127 A rt. 4.20 Wet IB 2001. 128 A rt. 4.22 Wet IB 2001. 129 A rt. 4.21 lid 1 Wet IB 2001. 130 A rt. 4.21 lid 2 Wet IB 2001. 131 A rt. 4.23 Wet IB 2001. 355
Als bij de verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of deze bedongen is bij een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden is gesloten, dan wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde welke ten tijde van de verkrijging in het economische verkeer aan de aandelen of de winstbewijzen kan worden toegekend. Overigens kan de verkrijgingsprijs van tot de aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen -al dan niet op verzoek- door de belastinginspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld, welke beschikking onder omstandigheden kan worden herzien.
Vervreemding In de volgende situaties is (bij wetsfictie) sprake van een vervreemding in verband met het aanmerkelijk belang132: • verkoop van aandelen en winstbewijzen; • inkopen van aandelen; • afkopen en inkopen van winstbewijzen; • betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen; • van rechtswege worden van aandeelhouder of houder van winstbewijzen in een andere vennootschap, ingeval de vennootschap waarin de belastingplichtige aandeelhouder is of waarvan hij houder van winstbewijzen is, ophoudt te bestaan en het vermogen van die vennootschap onder algemene titel overgaat op de andere vennootschap (juridische fusie). Onder omstandigheden kan de aanmerkelijkbelangclaim worden doorgeschoven; • beëindiging van een tot een aanmerkelijk belang behorend genotsrecht, zoals een recht van vruchtgebruik; • overgang onder algemene titel (onder omstandigheden kan de aanmerkelijkbelangclaim worden doorgeschoven) of overgang krachtens erfrecht; • inbrengen in het vermogen van een onderneming; • niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang (onder omstandigheden kan de aanmerkelijkbelangclaim worden doorgeschoven); • anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige als gevolg van het bepaalde in de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting voor de toepassing van die regeling, onderscheidenlijk dat verdrag geacht wordt geen inwoner van Nederland meer te zijn (onder omstandigheden kan de aanmerkelijkbelangclaim worden uitgesteld); • verlenen van een koopoptie.
De belastingheffing vindt plaats door de overdrachtsprijs te verminderen met de (subjectieve) verkrijgingsprijs.
132 A rt. 4.16 Wet IB 2001.
Voorbeeld
BIJZONDERE POSITIE DGA Martin Kersten heeft in januari een zen procent-pakket gekocht in Perfors bv. De nominale waarde bedroeg € 7.000; de aankoopsom was € 20.000. Op 5 september koopt hij een zeven procent-pakket in dezelfde aandelenvennootschap erbij tegen de prijs van € 25.000. Op 21 december, wordt vervolgens weer een pakket ter grootte van zeven procent verkocht tegen een verkoopprijs van € 32.000.
Wat is juist met betrekking tot de fiscale consequenties?
De aanmerkelijkbelangwinst bedraagt € 32.000 minus € 22.500 is € 9.500 (gemiddelde waarde).
Ook de koopopties vallen onder het aanmerkelijkbelangregime zodat ook vervreemdingen hiervan tot belastingheffing uit hoofde van winst uit aanmerkelijk belang kunnen leiden.
Als de belastingplichtige aan een ander een koopoptie (calloptie) verleent, dan wordt de vergoeding daarvoor voor haar volle bedrag aangemerkt als een vervreemdingsvoordeel (in box 2), waarbij als tijdstip van vervreemding geldt het tijdstip waarop de koopoptie is verleend133. In het geval van uitoefening van de koopoptie wordt de verkrijgingsprijs van de koopoptie gerekend tot de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen134.
Wanneer de koopoptie niet uitgeoefend wordt dan wordt de verkrijgingsprijs van het optierecht gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de soort aandelen of winstbewijzen waarop het betrekking had, dan wel bij afwezigheid van die soort, bij de verkrijgingsprijs van de aandelen of de winstbewijzen welke tot het aanmerkelijk belang behoren135.
In de situatie dat de belastingplichtige van een ander tegen een vergoeding een recht verwerft om aandelen of winstbewijzen te vervreemden (putoptie), wordt deze vergoeding aangemerkt als kosten ter zake van de vervreemding welke, zo de belastingplichtige het recht uitoefent, in mindering komt op de overdrachtsprijs136. Bij degene aan wie wordt vervreemd, komt de vergoeding in mindering op de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen137. Wanneer de (put)optie niet wordt uitgeoefend, dan kunnen deze kosten niet in mindering worden gebracht. Dit laatste is gedaan om opzetjes in familieverband te vermijden. De aanmerkelijkbelanghouder zou
133 A rt. 4.16 lid 1 onderdeel i juncto art. 4.31 Wet IB 2001. 134 A rt. 4.30 lid 1 Wet IB 2001. 135 A rt. 4.30 lid 2 Wet IB 2001. 136 A rt. 4.32 lid 1 Wet IB 2001. 137 A rt. 4.32 lid 2 Wet IB 2001. 357
op deze wijze immers aanzienlijke bedragen aan zijn kinderen kunnen doen toekomen door langlopende putopties te vestigen zonder dat een reëel voornemen bestaat de vennootschap daadwerkelijk aan hen over te dragen.
16.2.4 Tijdstip aanmerkelijkbelangheffing
Reguliere voordelen worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop de voordelen138: • zijn ontvangen of verrekend; • ter beschikking van de belastingplichtige zijn gesteld; • rentedragend zijn geworden; • vorderbaar en ook inbaar zijn geworden.
Een vergelijkbare bepaling geldt voor de op de reguliere voordelen in mindering te brengen aftrekbare kosten139. Vervreemdingsvoordelen worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip van vervreemding140.
Wanneer een overdrachtsprijs uit één of meer termijnen bestaat, waarvan het aantal of de omvang op het moment van de vervreemding nog niet vaststaat, dan wordt op dat moment uitgegaan van een geschatte overdrachtsprijs141. Het verschil tussen deze prijs en wat daadwerkelijk wordt genoten, wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de daadwerkelijk genoten termijnen hoger zijn dan de geschatte overdrachtsprijs142. In de situatie dat het totaal van de daadwerkelijk genoten termijnen lager is dan de geschatte overdrachtsprijs, wordt het verschil op het tijdstip waarop de laatste termijn is genoten in aanmerking genomen als een negatief vervreemdingsvoordeel143. Als náhet tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verhoogd, dan wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs geacht te zijn genoten op het tijdstip van de verhoging van de overdrachtsprijs144.
In de situatie dat náhet tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verlaagd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs als een negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen op het tijdstip van de verlaging van de overdrachtsprijs145.
138 A rt. 4.43 Wet IB 2001. 139 A rt. 4.44 Wet IB 2001. 140 A rt. 4.46 Wet IB 2001. 141 A rt. 4.28 lid 1 Wet IB 2001. 142 A rt. 4.28 lid 2 Wet IB 2001. 143 A rt. 4.28 lid 3 Wet IB 2001. 358 144 A rt. 4.29 lid 1 Wet IB 2001. 145 A rt. 4.29 lid 2 Wet IB 2001.
BIJZONDERE POSITIE DGA
16.2.5 Verlies uit aanmerkelijk belang
Kenmerkend voor de boxenstructuur is dat verliezen in de ene box niet verrekend kunnen worden met inkomsten uit een andere box. Een uitzondering geldt voor de situatie dat een dga zijn aanmerkelijk belang aandelen met verlies verkoopt en daardoor nooit in staat is deze verliezen te verrekenen met inkomsten in de toekomst. De ab-positie is immers beëindigd. Terugwentelen van het verlies naar het verleden zal meestal ook niet mogelijk zijn, omdat er vermoedelijk in verband met de slechte gang van zaken geen dividend uitgekeerd is.
Als náhet beëindigen van de ab-positie een verlies in box 2 resteert, kan dit verlies met een belastingkorting van 24,50 procent verrekend worden met de verschuldigde inkomstenbelasting over een eventueel inkomen in box 1146.
De omvang van deze belastingkorting wordt pas vastgesteld in het tweede jaar dat de ab-positie is beëindigd. Als er in dat jaar onvoldoende inkomen in box 1 is, kan het resterende deel van de korting verrekend worden met inkomen uit box 1 uit volgende jaren. De belastingkorting kan tot negen jaar ná het ontstaan van het verlies worden verrekend met de heffing in box 1.
16.2.6 Niet langer aanwezig zijn van aanmerkelijk belang
Als geen aanmerkelijk belang meer aanwezig is, is sprake van een (fictieve) vervreemding147. Deze situatie kan ontstaan doordat een deel van de aandelen verkocht wordt of dat de vennootschap aandelen uitgeeft waardoor het percentage onder de vijf procent daalt. Er ontstaat dan een fictief aanmerkelijk belang. De aanmerkelijk belangclaim hoeft dan nog niet te worden afgerekend. Dit gebeurt pas als de (resterende) aandelen feitelijk worden vervreemd. Echter, de verdere waardestijging van de aandelen wordt ook in box 2 belast.
16.3 DIRECTEUR-GROOTAANDEELHOUDER
16.3.1 Inleiding
Een dga staat meestal in meerdere posities tot ‘zijn’ vennootschap, bijvoorbeeld: • werknemer • geld(in)lener • (ver)huurder • aandeelhouder (meestal zelfs aanmerkelijkbelanghouder).
146 A rt. 4.53 Wet IB 2001. 359 147 A rt. 4.11 juncto art. 4.40 Wet IB 2001.
Het is van belang dat de genoemde hoedanigheden die een dga ten opzichte van zijn bv inneemt, goed van elkaar worden onderscheiden. De Belastingdienst zal de hoedanigheden immers scherp onderscheiden, omdat de fiscale behandeling van elke hoedanigheid bij zowel de dga als de bv telkens weer anders ligt. De dga zelf zal dit niet steeds doen, zo hij zich hiervan al bewust is. Voor de dga is zijn bv een verlengstuk van hemzelf en zal zich niet steeds realiseren dat de bv een afzonderlijke juridische rechtspersoon is met eigen rechten en plichten. Dit betekent dat het in theorie wel mogelijk is om de hoedanigheden te onderscheiden, in de praktijk zal dit aanmerkelijk lastiger zo niet onmogelijk zijn. Dit neemt niet weg dat het essentieel is om de hoedanigheden scherp te onderscheiden en steeds opnieuw te kwalificeren in welke hoedanigheid de dga met zijn bv handelt.
Bij een dga van een bv kan worden gedacht aan een directeur die alle aandelen in een bv bezit (100 procent aandeelhouder), of aan meerdere directeuren die allemaal een al dan niet evenredig gedeelte van de aandelen in de bv bezitten. Wat in dit hoofdstuk aan de orde komt, is in beginsel op beide situaties van toepassing. Wel is het zo dat in de situatie van meerdere directeuren-aandeelhouders minder flexibiliteit aanwezig is om het privé-inkomen van de dga te reguleren, omdat eventuele handelingen met de vennootschap of het nalaten hiervan ook de overige directeuren-aandeelhouders raakt.
Wanneer deze overige directeuren-aandeelhouders personen buiten de (directe) familiesfeer van de dga zijn, dan is dit meestal ongewenst. Bij overige directeuren-aandeelhouders die zich in de (directe) familiesfeer van de dga bevinden, bijvoorbeeld zijn (klein)kinderen, hoeft dit overigens niet tot problemen te leiden; op deze wijze kan zelfs aan een stukje vermogensoverdracht aan de volgende generatie worden gedaan. Een spilzieke dga daarentegen zal graag een hoog salaris wensen, waardoor de winst van de onderneming wordt afgeroomd en er minder winst in de onderneming aanwezig blijft om eventuele calamiteiten op te vangen.
Ook zal de onderneming dan eerder zijn aangewezen op externe en meestal duurdere financiers om in een eventuele financieringsbehoefte te voorzien. Dit kan de relatie met zijn minder spilzieke directeur(en)-aandeelhouder(s) verstoren die ten behoeve van de onderneming bereid zijn om met minder salaris genoegen te nemen. In de praktijk wordt deze verminderde flexibiliteit wel opgelost door de directeuren-aandeelhouders niet rechtstreeks in de gemeenschappelijke onderneming te laten deelnemen maar via zogenoemde persoonlijke houdstervennootschappen die op hun beurt de desbetreffende aandelen in de eigenlijke onderneming houden; er zijn dan even zoveel persoonlijke houdstervennootschappen als er directeuren-aandeelhouders zijn.
360 In de praktijk heeft de dga meestal de keuze om een hoger salaris of meer dividend uit te keren.
BIJZONDERE POSITIE DGA
16.3.2 Dga en beloning
Net als iedere gewone werknemer is ook de dga in loondienst van zijn eigen bv. Er zou kunnen worden getwijfeld of ‘gezag’ aanwezig is, de Hoge Raad vond van wel. Formeel is dat ook zo. De Hoge Raad oordeelde dat de directeur-grootaandeelhouder een werknemer is. Vanuit fiscaal motief is dat nog eens extra geborgd in de Wet op de loonbelasting 1964, waarmee is geregeld dat zelfs zonder beloning toch sprake is van een (fiscale) dienstbetrekking.148 De bv zal dus ook loonheffing moeten inhouden op het salaris van de dga. Dit geldt ook voor het tantième dat vaak na afloop van het kalenderjaar wordt vastgesteld. Voor de wetten op het gebied van werknemersverzekeringen wordt geen dienstbetrekking aanwezig geacht, waardoor de dga niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen en dus ook niet premieplichtig is. De Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder omschrijft in artikel 2 als dga: • bestuurder die, al dan niet samen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen. • bestuurder die, al dan niet samen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen dat, als in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder alleen mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken. • bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen. of • bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste twee derde van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. 149
Voor de volksverzekeringen is de dga wel verzekerd. Voor de volksverzekeringen is het criterium (meestal) het ‘rechtmatig ingezetene’ zijn. Deze premies worden immers gecombineerd met de inkomstenbelasting geheven.
Verder kan de dga evenals een gewone werknemer gebruikmaken van alle faciliteiten die de Wet op de loonbelasting hem bieden.
Ten slotte kan de bv aan de dga op dezelfde wijze als aan gewone werknemers een fiscaal vrijgestelde pensioenaanspraak toezeggen.
148 A rt. 4 sub d Wet LB 1964. 149 L et op: zo tellen bij het vierde onderdeel de door de bestuurder zelf gehouden aandelen NIET mee. 361
16.3.3 Fictiefloonregeling
In de Wet op de loonbelasting 1964 is een zogenoemde fictiefloonregeling opgenomen150. Als het door een dga (of zijn partner) feitelijk genoten loon te laag is, dan wordt naast het feitelijk genoten loon ook een fictief loon in aanmerking genomen. Hierdoor wordt het salaris (feitelijk en fictief) ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. 75 procent van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen c. € 56.000 (2025).
Als bij de vennootschap duurbetaalde (specialistische) werknemers in dienst zijn (bijvoorbeeld kernfysici), dan hoeft het salaris niet te worden gelijkgetrokken met dat hoge loon en dan vervalt voornoemde letter b.151
Als bij de vennootschap verder alleen laagbetaalde (≤ € 56.000) werknemers in dienst zijn, dan wordt het salaris gezet op 100 procent van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.152
Als voorgaande zou resulteren in een loon van € 5.000 of minder, dan hoeft geen fictief loon in aanmerking te worden genomen.153 Dit speelt voornamelijk bij relatief inactieve vennootschappen, zoals pensioen- en beleggings-bv’s, bij deeltijdfuncties en bij vennootschappen met een slechte financiële positie.
16.3.3.1 Bewijslast
In de praktijk zal het loon (van de dga en/of zijn meewerkend partner) door de vennootschap ten minste worden gesteld op € 56.000 of, wanneer dat hoger is, het loon van de bestbetaalde collega. Als de inspecteur meent dat een hoger loon in aanmerking moet worden genomen (omdat 75 procent van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoger is) dan dient de inspecteur de vergelijkingscriteria van wat in zijn ogen de meest vergelijkbare dienstbetrekking is aan te dragen.154 Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het vermelden van de branche, de grootte van het bedrijf uitgedrukt in bijvoorbeeld werknemers of omzet, het werkpakket en de verantwoordelijkheden.
150 A rt. 12a Wet LB 1964. 151 A rt. 12a lid 2 Wet LB 1964. 152 A rt. 12a lid 2 Wet LB 1964. 153 A rt. 12a lid 4 Wet LB 1964. 362 154 A rt. 12a lid 6 Wet LB 1964.
BIJZONDERE POSITIE DGA Vanaf 2017 mag het belastbaar loon van de dga van een innovatieve startup voor toepassing van de gebruikelijkloonregeling worden vastgesteld op het wettelijk minimumloon.
Een startup heeft onder andere de volgende kenmerken: • innovatief idee is de start; • uitwerking van dit idee is zakelijk haalbaar; • startup heeft niet te veel medewerkers; • er is nog geen sprake van een miljoenenomzet; • betreft een groeionderneming; • bedrijf is maximaal drie jaar oud.
Tot en met 2014 gold een andere regeling. Als op basis van deze (oude) regeling afspraken zijn gemaakt over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling waardoor een loon in aanmerking wordt genomen van meer dan € 56.000 vervalt deze afspraak per 1 januari 2015. De afspraak mag gehandhaafd worden als het te genieten loon verhoogd wordt naar 75/70 van het eerder afgesproken loon.155 156
Voorbeeld Frits is aanmerkelijkbelanghouder in Trots bv. In 2025 heeft hij ná goedkeuring van de Belastingdienst een gebruikelijk loon afgesproken met de bv van € 56.000, terwijl de bestbetaalde werknemer € 70.000 per jaar verdient. Frits mag in 2025 een afwijkend gebruikelijk loon blijven ontvangen van minimaal 75/70 x € 56.000 = € 60.000.
16.3.4 Dga en Zorgverzekeringswet
De dga is verzekeringsplichtige in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw): • als de dga (ook) verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, dan betaalt de bv 6,51 procent inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.157 De dga zelf betaalt dan niets over zijn loon. • als de dga niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, dan betaalt de dga zelf 5,26 procent inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. 158 159 Dit gebeurt dan door inhouding van de bijdrage Zvw op het nettoloon.160
155 K amerstukken II, 34002 (Belastingplan 2015), nr. 3 (MvT), blz. 12. 156 N ieuwsbrief Loonheffingen 2016, Belastingdienst. 157 A rt. 45 lid 1 en lid 3 Zvw juncto art. 5.4 lid 1 Regeling zorgverzekering. 158 A rt. 45 lid 2 en lid 3 Zvw juncto art. 5.4 lid 2 Regeling zorgverzekering. 159 A rt. 42 lid 1 sub a 4° Zvw. 160 A rt. 49 lid 2 Zvw. 363
De heffingsgrondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (‘loon’ voor de bv / ‘bijdrage-inkomen’ voor de dga) is voor 2025 gemaximeerd op € 75.864 bruto per jaar.161
16.4 FINANCIERING EN VERHUUR
16.4.1 Inleiding
Doordat de wetgever beducht is voor misbruik van de wetgeving bij relaties tussen de dga en zijn bv is in artikel 3.92 Wet IB 2001 de zogenoemde ‘terbeschikkingstellingregeling’ (tbs) ingevoerd. Deze situatie doet zich met name voor bij lenen of verhuren aan de bv. De inkomsten (inclusief) de waardestijgingen worden in dat geval bij de dga in box 1 betrokken. Daartegenover staat dat alle kosten in deze box aftrekbaar zijn. Denkt u bijvoorbeeld aan afschrijving en onderhoud van de aan de bv verhuurde panden.
16.4.2 Lenen en verhuren aan bv
Als de bv de behoefte heeft aan extra vermogen in de onderneming, dan kan de bv dit lenen van de dga. Dit is voor de bv vaak voordeliger dan lenen van een bank. De rente die de bv betaalt aan de dga, is bij de bv aftrekbaar en bij de dga tegen het tarief uit box 1 belast162. Dit betekent dat bij vervreemding of aflossing van een schuldvordering een progressieve heffing is verschuldigd voor zover het ontvangen of afgeloste bedrag meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de schuldvordering. Verder wordt de rentevergoeding op die schuld ook als resultaat uit overige werkzaamheid in box 1 belast. Op dit resultaat moet wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling in mindering worden gebracht. Als de bv behoefte heeft aan extra ruimte en deze wil huren, kan deze ruimte via derden worden gehuurd, maar ook van de dga als deze hierin kan voorzien. De door de bv betaalde huur aan de dga is bij de bv zonder nadere voorwaarden aftrekbaar en bij de dga belast in box 1163.
In de situatie dat de dga geen rente of huur berekent aan zijn bv, wordt voor de inkomstenbelasting een fictieve rente, respectievelijk huur in aanmerking genomen. De bv mag deze fictieve rente, respectievelijk huur ook ten laste van de fiscale winst brengen.
161 A rtt. 42 lid 2 en 43 lid 3 Zvw juncto art. 5.2 Regeling zorgverzekering. 162 A rt. 3.92 lid 2 sub a onder 1 Wet IB 2001. 364 163 A rt. 3.92 Wet IB 2001.
BIJZONDERE POSITIE DGA
16.4.3 Lenen van bv
Omgekeerd is het ook mogelijk voor de dga om in zijn uitgaven te voorzien door de te lenen van zijn bv. Dit is meestal goedkoper voor de dga dan lenen bij een bankinstelling. Een veel voorkomend verschijnsel bij directeuren-aandeelhouders betreft de rekening-courantverhouding met de bv. In beginsel leidt dit niet tot fiscale problemen. Dit zal eerst het geval zijn als de rekening-courantverhouding zulke hoogten gaat aannemen dat het onaannemelijk is, dat deze door de dga zal worden afgelost. Het gevaar van een uitdeling (dividenduitkering) ligt dan op de loer. Om dit te voorkomen eist de Belastingdienst vaak dat een aflossingsregeling wordt overeengekomen. Wanneer aan deze aflossingsregeling overigens niet de hand wordt gehouden, dan zal een (jaarlijkse) uitdeling worden geconstateerd. De rente die de dga jaarlijks vergoedt aan de bv, is bij hem in beginsel niet aftrekbaar. De schuld vormt wel een schuld in box 3. Alleen als de dga de geldlening gebruikt voor de aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning kan de betaalde rente in box 1 worden afgetrokken. De rente die de bv van de dga ontvangt, is bij de bv uiteraard wel belast.
Wanneer van een rentevergoeding wordt afgezien, of deze lager is dan onafhankelijke derden zouden zijn overeengekomen, dan is in beginsel sprake van een uitdeling aan de dga ter grootte van de niet-betaalde rente.
Het kan voorkomen dat de dga geld leent van zijn bv en dat hij dit geld vervolgens op een spaarrekening zet waarop hij een hogere rente ontvangt. In een dergelijk geval heeft de Hoge Raad164 -in tegenstelling tot het Hof Den Haag165- uitgemaakt dat de dga geen voordeel heeft verworven dat voorzienbaar was en voor hem onder de gegeven omstandigheden ook beschikbaar. Hij is door zijn werkzaamheden het normaal, actief vermogensbeheer niet te buiten gegaan, zodat het verschil in rente niet belastbaar was als resultaat uit overige werkzaamheden, zoals omschreven in artikel 3.91 lid 1 letter c Wet IB 2001.
Een rekening-courant is een aparte rekening van de bv. Op een rekening-courant boekt de bv bedragen die over en weer gaan tussen de dga en diens bv. De rekening-courant verschilt van een geldlening. Via een rekening-courant worden kleine bedragen over en weer geboekt. Bedragen die op deze rekening worden geboekt, worden doorlopend met elkaar verrekend. De dga laat bijvoorbeeld een eigen rekening door zijn bv betalen. Dit bedrag betaalt de dga korte tijd later weer aan de bv terug. Of de dga betaalt even een rekening
164 Hoge Raad 25 februari 2011 10/00622, ECLI:NL:HR:2011:BN9739. 165 G erechtshof Den Haag 5 januari 2010 BK-08/00456 en Conclusie AG 14 september 2010, 10/00622, ECLI:NL:HR:2011:BN9739. 365
voor de bv en krijgt het geld snel weer terug. Deze kleine bedragen worden alleen even voorgeschoten. Daarom is een rekening-courant geen lening met rente.
Bij bedragen tot € 17.500 hoeft geen rente te worden berekend. Dit geldt alleen voor bedragen die de dga opneemt van of overmaakt naar de rekening-courant. Er mag het hele jaar nooit meer dan € 17.500 op de rekening-courant staan. Zodra het saldo op de rekening-courant hoger is dan € 17.500, moet er over het hele bedrag rente worden berekend.
In het geval dat de dga geld leent van zijn bv moet de geldlening voldoen aan zakelijke voorwaarden. Dit zijn voorwaarden die de bv ook zou stellen aan een derde, die overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Bijvoorbeeld een vergelijkbaar inkomen en vermogen. Het is aan te raden dat de voorwaarden waaronder de bv de lening verstrekt in een leningsovereenkomst zet. Dan kan er later geen misverstand over ontstaan.
Het is belangrijk dat de geldlening voldoet aan zakelijke voorwaarden. Anders handelt de dga onzakelijk.
De dga kan op twee manieren onzakelijk handelen als hij geld leent van zijn bv: • geldlening voldoet niet aan zakelijke voorwaarden. • dga komt de afspraken niet na die in de geldleningsovereenkomst staan. Als er sprake is van onzakelijk handelen, dan kan de Belastingdienst de geldlening als inkomsten van de dga beschouwen.
In het geval de dga een eigenwoningschuld aangaat bij zijn bv, moet hij sinds 2013 ook aan de aflossingseis166 en overige fiscale regels voldoen.
16.4.3.1 Wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap
Dit behandelen wij in de module ‘Beleggen en Financieren’. Voor de details verwijzen wij u graag naar deze module.
16.4.4 Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Per 1 januari 2010 is de terbeschikkingstellingsvrijstelling ingevoerd167. Deze vrijstelling bedraagt 12 procent van het resultaat uit overige werkzaamheden. De terbeschikkingstellingsvrijstelling is niet van toepassing wanneer er sprake is van het rendabel maken van het vermogen op een wijze
166 A rt. 3.119c Wet IB 2001. 366 167 A rt. 3.99b Wet IB 2001.
BIJZONDERE POSITIE DGA die normaal actief vermogensbeheer te buiten gaat zoals het uitponden van onroerende zaken het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis168.
Voorbeeld Jenny is eigenaar van een bedrijfspand dat zij verhuurt aan Verpakkingen bv, waarin Jenny een aanmerkelijk belang heeft.
Uitwerking Doordat Jenny een aanmerkelijk belang heeft in de bv die het bedrijfspand gebruikt, zorgt artikel 3.92 lid 1 sub a Wet IB 2001 ervoor dat de inkomsten uit het pand belast worden in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheid. Op dit resultaat komt dan wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12 procent in mindering 169.
16.5 VASTSTELLEN RESULTAAT
Voor het resultaat uit overige werkzaamheden is zoveel mogelijk aangesloten bij het regime van winst uit onderneming170. De bepalingen van het winstregime zijn dan ook voor het resultaat uit overige werkzaamheden voor een deel van toepassing.
Net zoals voor ondernemers voor de bepaling van de jaarwinst, geldt voor de bepaling van het (jaar)resultaat het goed koopmansgebruik. Ook voor de bepaling van het resultaat gelden de beperkingen van de jaarlijks in aanmerking te nemen afschrijfkosten voor bedrijfsmiddelen. Het resultaat moet per afzonderlijke werkzaamheid berekend worden. Per afzonderlijke werkzaamheid moet dan ook een balans worden opgemaakt en het resultaat worden bepaald. Werkzaamheden van dezelfde aard mogen als één werkzaamheid worden aangemerkt. Vrijgesteld van het resultaat uit overige werkzaamheden zijn voordelen uit kansspelen.
Voorbeeld Ans Vogel is gehuwd met Harry Smit. Ans is dga van Vogel bv. Deze bv drijft een communicatieadviesbureau. Vogel bv is gevestigd in een pand dat in bezit is van Ans. Zij verhuurt dit pand voor € 100.000 per jaar aan de bv. Zij heeft dit pand op 1 januari 2008 gekocht voor € 1.000.000. Het pand is voor de helft gefinan-
168 A rt. 3.91 lid 11 sub c Wet IB 2001. 169 A rt. 3.99b Wet IB 2001. 170 A rt. 3.95 Wet IB 2001. 367
cierd met een aflossingsvrije hypothecaire geldlening tegen zes procent. Het pand valt onder het resultaat uit overige werkzaamheden. Hiervoor moet een balans worden opgemaakt, waarbij het pand en de schuld voor de waarde in het economisch verkeer worden opgenomen. Bij het bepalen van het resultaat moet rekening worden gehouden met de hypotheekrente en de afschrijving (stel vier procent) over de waarde waarvoor het pand op 1 januari 2008 op de balans is gezet.
Het resultaat bedraagt voor 2025 € 100.000 -/- € 30.000 -/- € 40.000 = € 30.000. Dit wordt progressief in box 1 belast. Op de balans wordt het pand voor € 1.000.000 -/- € 40.000 = € 960.000 gewaardeerd. Bij verkoop van het pand wordt een eventuele waardeverandering ook belast in box 1.
Vanaf 2007 geldt de beperking van de jaarlijkse afschrijvingskosten tot 50 procent van de WOZ-waarde. Stel deze is € 900.000 en de bodemwaarde € 450.000 (50 procent). Ook in 2025 kan dus € 40.000 worden afgeschreven.
Omdat bij de belastingheffing van resultaat uit overige werkzaamheden zoveel mogelijk wordt aangesloten op de winstbepalingen moet de belastingplichtige van dit resultaat ook aan dezelfde administratieve verplichtingen, omschreven in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voldoen. Voor werkzaamheden van een bescheiden omvang wordt een uitzondering gemaakt. De belastingplichtige hoeft dan ‘alleen’ een eenvoudige administratie op basis van het kasstelsel bij te houden.
Tot het resultaat uit overige werkzaamheden behoren niet171: • voordelen uit het deelnemen aan kansspelen. • voordelen die door de belastingplichtige worden behaald met het verrichten van arbeid in de onderneming van zijn partner (partnerbeloning) en welke beloning niet groter is dan € 5.000, waardoor deze niet kan worden afgetrokken van de winst uit onderneming.
De opbrengsten die voortvloeien uit het houden van kostgangers in de eigen woning of in een gehuurde woning kunnen ter keuze van de belastingplichtige worden aangemerkt als resultaat uit een werkzaamheid172. Dit keuzerecht geldt voor de opbrengsten uit het duurzaam ter beschikking stellen aan derden van (gestoffeerde/gemeubileerde) niet-zelfstandige woonruimte. Deze woonruimte moet het hoofdverblijf van de belastingplichtige zijn en zowel de belastingplichtige als de kostganger moeten op dit adres zijn ingeschreven bij de basisadministratie persoonsgegevens. Evenmin mag het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen
171 A rt. 3.96 Wet IB 2001. 368 172 A rt. 3.97 Wet IB 2001.
BIJZONDERE POSITIE DGA van de woonruimte meer bedragen dan € 6.324 (2025). De belastingplichtige moet bij aangifte voor deze optie kiezen.
Wanneer de werkzaamheden worden beëindigd of wanneer tussen de afzonderlijke werkzaamheden met vermogensbestanddelen wordt geschoven moet (evenals bij staking van een onderneming) worden afgerekend over de stille reserves. Hierop zijn drie uitzonderingen gemaakt.
In de eerste plaats hoeft er niet te worden afgerekend wanneer de werkzaamheid wijzigt in een andere werkzaamheid (er blijft dus wel een werkzaamheid). Dit is het geval als iemand een pand ter beschikking stelt aan een eenmanszaak van zijn partner. Vervolgens brengt de partner de eenmanszaak in, in een bv. Het gevolg hiervan is nu dat deze persoon een pand aan een andere (verbonden) persoon ter beschikking stelt.
Evenmin hoeft de belastingplichtige af te rekenen als zijn werkzaamheid een (echte) onderneming wordt en dientengevolge alle winstbepalingen van toepassing zijn. De boekwaarde van de vermogensbestanddelen wordt dan doorgeschoven naar de (echte) onderneming. Voor de omgekeerde situatie dat een onderneming overgaat van winst uit onderneming naar resultaat uit overige werkzaamheden geldt deze doorschuiffaciliteit overigens niet.
Evenmin in het geval dat vermogensbestanddelen die aan de eigen bv van de belastingplichtige ter beschikking worden gesteld, door toepassing van de faciliteit voor de geruisloze terugkeer, tot het ondernemingsvermogen van de eenmanszaak gaan behoren, hoeft op verzoek van de belastingplichtige afgerekend te worden over de stille reserves in dit vermogensbestanddeel. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van het vermogensbestanddeel gesteld op de boekwaarde bij de werkzaamheid.
