DEEL 8 — OMGAAN MET CLIËNTEN
INLEIDING
Voor u ligt de module ‘Omgaan met cliënten’. Deze module is een onderdeel van de opleiding tot Erkend Hypothecair Planner.
De module is opgedeeld in drie hoofdstukken: 1. Wet op het financieel toezicht (Wft) 2. overige wet- en regelgeving 3. professioneel gedrag, integriteit en adviesvaardigheden van de hypothecair planner
Samen met uw voorkennis van de Wft modules basis, vermogen en hypothecair krediet vormt deze module de lesstof voor het examen en uw naslagwerk als beginnend praktiserend hypothecair planner.
Wij wensen u veel leesplezier!
NB. In de module gaan we wisselend uit van een mannelijke of een vrouwelijke hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we dan telkens ook de hypothecair planner van elk geslacht of gender.
1. WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT
1.1 INLEIDING
In de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een groot aantal regels en voorschriften voor de financiële markten en het toezicht daarop samengebracht.
Het uitgebreide stelsel van toezicht op financiële instellingen dat we in Nederland kennen (toezicht op banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen en dergelijke) is daarmee voor een groot deel geregeld in één wet, met daarop gebaseerde lagere regelgeving.
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) is de gedragstoezichthouder voor de hele financiële marktsector. Alle financiële instellingen staan op basis van verschillende wetten onder het gedragstoezicht van de AFM. Welke specifieke wet- en regelgeving voor een financiële instelling van toepassing is, is afhankelijk van het soort instelling.
1.2 ADVISEURS EN BEMIDDELAARS
Adviseurs en bemiddelaars van financiële producten en diensten zijn gebonden aan een aantal regels. Deze regels hebben betrekking op: • Wft-vergunning • bedrijfsvoering • informatieverstrekking • advies en bemiddeling • beloning • nazorg. 15
Op de website van de AFM is het volgende te lezen: ‘De ontwikkelingen op het gebied van digitalisering, duurzaamheid en internationalisering gaan steeds sneller en hebben een steeds grotere impact op de financiële sector. Deze ontwikkelingen vragen aanpassing van de financiële sector en bijsturing van beleidmakers en toezichthouders. In eigen land blijft de pensioentransitie een belangrijke factor.’
De prioriteiten komen voort uit de AFM Strategie (2023-2026).’
Zie ook bijlage 3 van deze module.
1.2.1 Wft-vergunning
Een Wft-vergunning kan bij de AFM worden aangevraagd via het Digitaal loket op de AFM-website (www.afm.nl). In afdeling 1.6.1 Wft is het een en ander geregeld voor de vergunningen. Voor het verlenen van de volgende financiële diensten is een vergunning vereist: • adviseren van een financieel product; • bemiddelen in een financieel product; • herverzekeringsbemiddelen; • optreden als (onder)gevolmachtigd agent in verzekeringen; • adviseren en/of orders doorgeven in deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen (nationaal regime); • aanbieden van kredieten; • aanbieden van beleggingsobjecten.
Als een vergunning wordt aangevraagd, dan toetst de AFM de aanvraag aan een aantal eisen op het gebied van betrouwbaarheid, geschiktheid en vakbekwaamheid. Ook na de vergunningaanvraag moet doorlopend worden voldaan aan de gestelde eisen.
1.2.1.1 Vakbekwaamheid
Sinds 1 januari 2014 wordt het huidige Wft-vakbekwaamheidsbouwwerk gehanteerd. Binnen dit systeem worden negen typen adviseurs onderscheiden die actief kunnen zijn binnen de beroepskwalificaties.
Op 1 april 2019 is het aantal beroepskwalificaties teruggebracht naar acht, waarbij de beroepskwalificatie ‘Basis’ is komen te vervallen. Het modulecertificaat Basis blijft echter een vereiste om een andere beroepskwalificatie te behalen.
Financieel adviseurs moeten voor elke beroepskwalificatie waarin zij willen 16 adviseren hun bevoegdheid aantonen. Dit doen zij door een vakbekwaam-
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT heidsdiploma te behalen, wat zij verkrijgen na het succesvol afronden van één of meerdere initiële Wft-examens.1
De vakbekwaamheidseisen gelden voor alle financiële dienstverleners, waaronder banken en verzekeraars die financiële producten aanbieden, bemiddelen of hierover adviseren. Dit geldt ook voor adviseurs, (verbonden) bemiddelaars en gevolmachtigd agenten.
Het uitgangspunt is dat alle klantmedewerkers binnen een financiële dienstverlener vakbekwaam zijn. Onder klantmedewerkers vallen alle medewerkers die financiële diensten verlenen aan klanten. De financiële dienstverlener is verantwoordelijk voor het borgen van deze vakbekwaamheid binnen de bedrijfsvoering. Hoe dit wordt georganiseerd, hangt af van zowel de specifieke werkzaamheden van de medewerker als de inrichting van de onderneming.
Iedereen die adviseert, moet beschikken over een geldig Wft-diploma voor het betreffende onderwerp. Daarnaast is het verplicht om de vakbekwaamheid continu actueel te houden. Hoe de adviseur dit doet, is vooralsnog vrij in te vullen.
1 A rt. 4:9 lid 2 Wft en artt. 31 en 115r BGfo. 17
Bij elk soort adviseur hoort een Wft-diploma. Een Wft-diploma kan opgebouwd zijn uit verschillende modules2.
Voorbeeld Gerben wil het Wft-diploma Adviseur Hypothecair krediet halen. Hij moet de volgende Wft-diploma’s behalen: • Adviseur Basis • Adviseur Vermogen • Adviseur Hypothecair krediet.
Alleen als hij alle drie de Wft-diploma’s bezit, ontvangt Gerben het Wft-diploma Adviseur Hypothecair krediet. Hij mag daarna pas als hypotheekadviseur aan de slag.
1.2.1.2 Betrouwbaarheid binnen onderneming3
De beleidsbepaler moet een adequaat beleid voeren dat een integere uitvoering van het bedrijf waarborgt. Om dit aan te kunnen tonen moet men beschikken over een: • incidentenregeling; • beschrijving van de borging van de betrouwbaarheid van de medewerkers; • beschrijving van de passende maatregelen die men neemt zodra bepaalde incidenten zich voordoen; • klachtenregeling.
2 oofdstuk 2 § 2.1 BGfo. H 18 3 A rt. 12 BGfo.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT 1.2.1.3 Betrouwbaarheidstoets dagelijks beleidsbepaler4
De AFM en DNB toetsen de betrouwbaarheid van dagelijks beleidsbepalers, medebeleidsbepalers en commissarissen. De toetsing vindt plaats bij een eerste aanstelling in de financiële sector, maar ook bij een overstap naar een andere beleidsbepalende functie binnen de sector kan een nieuwe toets nodig zijn.
De betrouwbaarheid hangt niet alleen af van openheid bij het invullen van het formulier, maar ook van het ontbreken van relevante antecedenten en van de beoordeling van de toezichthouder.
Toezichthouders kunnen ook eigen informatiebronnen raadplegen, zoals justitiële gegevens en sanctielijsten.
De AFM en DNB raadplegen verschillende bronnen, zoals de Belastingdienst en de Landelijk Officier van Justitie. Graydon (een commercieel informatiebedrijf) wordt genoemd, maar het is niet gegarandeerd dat dit altijd een standaardbron is. De Kamer van Koophandel kan relevant zijn voor bepaalde toetsingen, zoals ondernemerschapsgeschiedenis.
Organisaties moeten de betrouwbaarheid van beleidsbepalers continu monitoren. Antecedentenmeldingen zijn verplicht en kunnen inderdaad leiden tot een herbeoordeling.
In maart 2023 hebben de AFM en DNB de Beleidsregel Geschiktheid 2012 geëvalueerd en gewijzigd. Deze beleidsregel beschrijft het kader dat de toezichthouders gebruiken bij geschiktheidstoetsingen van beleidsbepalers in de financiële sector. De evaluatie en wijzigingen zijn bedoeld om het begrip ‘geschiktheid’ te verduidelijken en om de aspecten die bij de toetsing worden meegenomen, te actualiseren.
Een recente uitspraak benadrukt het belang van het tijdig melden van voorgenomen benoemingen van (mede)beleidsbepalers aan de AFM of DNB. Nieuwe (mede)beleidsbepalers mogen hun functie pas uitoefenen na goedkeuring door de toezichthouder. Dit onderstreept de noodzaak voor financiële ondernemingen om dergelijke wijzigingen tijdig en correct te melden om boetes of andere sancties te voorkomen.
Het blijft essentieel dat ondernemingen de betrouwbaarheid van hun beleidsbepalers continu monitoren. Wijzigingen in antecedenten moeten direct
4 A rt. 16 BGfo. 19
worden gemeld aan de AFM of DNB, aangezien deze kunnen leiden tot een herbeoordeling van de betrouwbaarheid. Dit benadrukt de verantwoordelijkheid van ondernemingen om proactief te zijn in het bijhouden en rapporteren van relevante wijzigingen.
1.2.1.4 Geschiktheidstoets dagelijks beleidsbepaler5
Hoewel de Beleidsregel Geschiktheid 2012 nog steeds van kracht is, is deze in maart 2023 geëvalueerd en aangepast. Deze wijzigingen zijn bedoeld om het begrip ‘geschiktheid’ te verduidelijken en te actualiseren.
Geschiktheid is gekoppeld aan de specifieke functie. Dit betekent dat wanneer een persoon een andere functie binnen de organisatie krijgt, een nieuwe geschiktheidstoetsing noodzakelijk is.
De AFM beoordeelt de geschiktheid van een kandidaat op basis van diverse criteria, waaronder: • opleiding en werkervaring: het curriculum vitae en behaalde diploma’s, zoals HBO-diploma’s, worden hierbij in overweging genomen. • vaardigheden en professioneel gedrag: naast kennis en ervaring worden ook de vaardigheden en het professionele gedrag van de kandidaat beoordeeld.
Het invullen van het Referentenformulier blijft een essentieel onderdeel van de toetsingsprocedure. De opgegeven referenten worden geraadpleegd om een goed beeld te krijgen van de kandidaat.
1.2.1.5 Eed of belofte in financiële sector
Iedere persoon die op geschiktheid getoetst is of wordt, moet een eed of belofte afleggen6. De eed of belofte bevat verklaringen over bijvoorbeeld het centraal stellen van klantbelang, geen misbruik maken van kennis, geheimhouding van wat is toevertrouwd en het maken van een zorgvuldige belangenafweging.
De eed of belofte was eerst opgenomen als onderdeel van de Code Banken. Toen de wetgever dit onderdeel wilde verankeren in de wet is ook de reikwijdte van de eed uitgebreid naar meer dan alleen de banken. De officiële naam is nu ‘eed of belofte in de financiële sector’. In veel berichten wordt het nog de ‘bankierseed’ genoemd.
5 rt. 4:9 Wft. A 6 Regeling van de Minister van Financiën van 12 december 2014, kenmerk: FM 2014/1237 20 M.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT Met ingang van 1 januari 2015 is de bankierseed van toepassing op alle medewerkers met klantcontact. De reikwijdte van de bankierseed geldt dan ook voor overige medewerkers die het risicoprofiel van de financiële onderneming kunnen beïnvloeden, zoals effectenhandelaren. Voor bestaande medewerkers is de bankierseed of -belofte verplicht per 1 april 2016. Nieuwe medewerkers moeten uiterlijk drie maanden na indiensttreding de bankierseed afleggen.
De eed of belofte wordt mondeling afgelegd én schriftelijk vastgelegd in een verklaring. De onderneming bewaart de ondertekende verklaring op toegankelijke wijze.
Bij het afleggen van de eed of belofte zijn (als mogelijk) ten minste drie personen aanwezig: • persoon die de eed of belofte aflegt; • persoon in een hogere functie die de eed of belofte afneemt; • andere vertegenwoordiger van de onderneming die getuige is.
De woorden ‘als mogelijk’ zien op de situatie waarin sprake is van een onderneming waar in het totaal minder dan drie personen werkzaam zijn. In het geval er twee personen werkzaam zijn, vervult één van hen de rol van persoon in hogere functie. Dit kan in de praktijk ook een persoon in een lagere of gelijke functie zijn. In het geval van een eenmanszaak zonder personeel zegt de wet dat logischerwijs kan worden volstaan met ondertekening van de eed of belofte door de beleidsbepaler zelf. In dit geval hoeft de tekst van de eed of belofte dus niet voorgelezen te worden in aanwezigheid van een persoon in een hogere functie.
1.2.2 Bedrijfsvoering
Een financiële onderneming moet zo zijn ingericht dat zij aan alle vergunningvereisten voldoet. De belangrijkste aandachtspunten hierbij zijn: 1. Zeggenschapsstructuur Het moet duidelijk zijn welke personen binnen de onderneming de zeggenschap hebben. 2. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Als er wordt bemiddeld in verzekeringen, dan is het verplicht om over een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering te beschikken. Ook voor advisering en orders doorgeven onder het nationaal regime is een dergelijke verzekering nodig. 3. Vakbekwaamheid Binnen de onderneming moet voldoende vakbekwaamheid aanwezig zijn. Dat houdt in dat men over de juiste Wft-diploma’s en Wft-PE-certificaten beschikt en ervoor zorgt permanent actueel vakbekwaam te zijn. 21
4. Klachtenregeling en administratie Een goede afhandeling en administratie van klachten van consumenten is belangrijk voor het vertrouwen in de onderneming en de financiële sector als geheel. Daarom moet iedere financieel dienstverlener over een interne en externe klachtenregeling beschikken. Deze regeling moet bekend zijn bij alle personen die betrokken zijn bij de afhandeling van klachten. Meer informatie over de klachtenregeling vindt u verderop in deze module. 5. Incidentenregeling Onder een incident wordt verstaan een gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van de onderneming. De incidentenregeling moet onderstaande vragen beantwoorden: – hoe wordt het incident vastgelegd; – welke passende maatregelen worden genomen bij een incident; – wanneer en hoe wordt het incident bij de AFM gemeld?
In sommige gevallen is de dienstverlener verplicht om de AFM op de hoogte te stellen van ontwikkelingen binnen de eigen onderneming. Dat geldt ook voor misstanden in de markt die de dienstverlener in zijn dagelijkse werkzaamheden tegenkomt.
Deze meldplicht voor adviseurs en bemiddelaars gaat vooral over het melden van de volgende zaken: – misstanden en incidenten binnen de eigen onderneming die van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van beleidsbepalers, de integere en beheerste bedrijfsvoering en de continuïteit van de onderneming. – wijzigingen in de bedrijfsvoering van de eigen onderneming die van belang zijn voor het toezicht van de AFM. Dit ziet bijvoorbeeld op een adreswijziging, wijziging van rechtsvorm, wijziging van de financiële diensten die worden verleend en de financiële producten waarop deze gewijzigde diensten betrekking hebben. – misstanden in de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van ondernemingen waar de dienstverlener mee samenwerkt. Deze verplichting valt onder de ketenverantwoordelijkheid die gaat over samenwerking met andere (onder)bemiddelaars.
1.2.3 Informatieverstrekking
1.2.3.1 Algemene eisen aan informatieverstrekking
Consumenten hebben vaak een beperkte kennis over en ervaring met financiële producten. Informatie over producten en diensten die wordt verstrekt 22 of beschikbaar wordt gesteld, moet daarom correct en duidelijk zijn. Deze
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT informatie mag evenmin misleidend zijn. De AFM ziet erop toe dat consumenten in staat worden gesteld om een weloverwogen beslissing te nemen over het afnemen van een product of dienst, op basis van de informatie die door de financieel dienstverlener wordt verstrekt.
1.2.3.2 Verplichte en onverplichte informatieverstrekking
De AFM maakt onderscheid tussen verplichte en onverplichte informatieverstrekking.
Onverplichte informatie zijn bijvoorbeeld reclame-uitingen op websites, in advertenties, banners, brochures of de Dienstenwijzer. Daarentegen bestaat verplichte informatieverstrekking onder andere uit de vergelijkingskaart (tot 1 april 2023 was dit het Dienstverleningsdocument).
1.2.3.3 Beloningstransparantie
Voor de volgende producten is het verboden voor de adviseur om provisie voor de bemiddeling te ontvangen: • hypothecaire geldkredieten • betalingsbeschermers • overlijdensrisicoverzekeringen • individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen • uitvaartverzekeringen • complexe producten, zoals beleggingsverzekeringen, pensioenverzekeringen en bankspaarproducten • dienstverlening onder het nationaal regime.
Voor advies en bemiddeling in sommige financiële producten, zoals schadeverzekeringen en consumptieve kredieten, mag nog provisie worden ontvangen. In het geval van consumptief kredietbemiddeling is provisie zelfs op grond van de wet de enige manier voor de financieel dienstverlener om beloond te worden. De financieel dienstverlener is in dat geval wel verplicht om informatie te verstrekken over het precieze nominale bedrag dat hij aan provisie ontvangt. Dat geldt in het geval de cliënt daarom vraagt. Het noemen van een percentage van de premie of de verzekerde waarde is dus onvoldoende. De dienstverlener moet ook inzicht geven in de verschillen tussen vergelijkbare financiële producten en tussen verschillende banken en verzekeraars.
1.2.3.4 Vergelijkingskaart vervangt Dienstverleningsdocument
Vanaf 1 april 2023 heeft de vergelijkingskaart het Dienstverleningsdocument (DVD) vervangen. Het DVD was er sinds 2013.
De kaart moet worden uitgereikt door de financieel dienstverlener aan de klant en is bedoeld voor advies en bemiddeling in producten die onder het provisieverbod vallen.
Het doel van het nieuwste informatiedocument is om informatie begrijpelijker weer te geven voor de klant waardoor deze een beter geïnformeerde keuze kan maken. De behoefte voor het aangescherpte document kwam voort uit een evaluatie van het provisieverbod. Hieruit bleek dat het DVD beperkt effectief was en maar door een kleine groep klanten als naslagwerk werd gebruikt.
De vergelijkingskaart kan sinds 1 april 2023 worden aangemaakt via een applicatie van de AFM. De financieel dienstverlener kan online in de applicatie alle benodigde informatie invoeren. Vervolgens wordt het standaarddocument aangemaakt en kan deze als pdf worden gedownload. Financieel dienstverleners moeten de vergelijkingskaart ook publiceren op een goed vindbare plek op de eigen website of andere digitale kanalen.
1.2.3.5 Dienstenwijzer
Een dienstenwijzer is geen wettelijk verplicht document, maar wordt vaak gebruikt door financieel dienstverleners om informatie over hun onderneming en dienstverlening te verstrekken. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een brochure.
Er is echter wel een wettelijke basis voor het verstrekken van bepaalde informatie. Volgens artikel 57 van het BGfo moet een adviseur/bemiddelaar vóór het sluiten van een overeenkomst met een consument minimaal de volgende gegevens verstrekken: • statutaire naam en adresgegevens van de onderneming. • aard van de dienstverlening. • interne klachtenprocedure en geschillenregeling. • inschrijving in het register van de toezichthouder.
Omdat het verstrekken van deze verplichte informatie vormvrij is, heeft de AFM hiervoor geen standaardformat beschikbaar.
Het doel van de dienstenwijzer is, net als bij het DVD, de klant een duidelijk beeld te geven van de dienstverlening van de adviseur, zodat hij een weloverwogen keuze kan maken met wie hij zaken wil doen. Hoewel de dienstenwijzer en het DVD op elkaar lijken, is het DVD een standaarddocument met wettelijk vastgelegde inhoud en vorm, terwijl de dienstenwijzer vormvrij is.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT Daarnaast moeten adviseurs en bemiddelaars, vóór de totstandkoming van de cliëntovereenkomst, schriftelijk aangeven: • of zij al dan niet adviseren op basis van een objectieve analyse. • welke contractuele verplichtingen zij hebben met bepaalde aanbieders en in hoeverre zij verplicht zijn om uitsluitend voor één of meer aanbieders te bemiddelen. • op welke wijze de financieel dienstverlener wordt beloond. • of er sprake is van een belangenverstrengeling, bijvoorbeeld als een financieel dienstverlener een belang heeft in een aanbieder of andersom.
Het is belangrijk dat de dienstenwijzer actief wordt uitgereikt met betrekking tot de dienstverlening van alle financiële producten, dus bijvoorbeeld ook bij schadeverzekeringen of bij het openen van een spaarrekening.
1.2.3.6 Klant- of cliëntovereenkomst
Financieel adviseurs werken vaak met een klantovereenkomst, ook wel bekend als een cliënt-, advies- of beheerovereenkomst. Dit is een schriftelijke overeenkomst tussen de klant en de financieel dienstverlener, waarin afspraken worden vastgelegd over de dienstverlening die de adviseur biedt en de vergoeding die de klant betaalt voor deze dienstverlening.
In artikel 168 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo) wordt de term ‘cliëntovereenkomst’ gehanteerd in plaats van klantovereenkomst.
Het is belangrijk dat de financieel adviseur duidelijk omschrijft welke dienstverlening hij levert en wat de klant daarvan mag verwachten. Er is geen vaste wettelijke vorm voor een klantovereenkomst; de financieel dienstverlener heeft de vrijheid om deze naar eigen inzicht op te stellen. Wel geldt dat de klant goed geïnformeerd moet worden over de werkwijze van de financieel dienstverlener en de kosten die in rekening worden gebracht. Daarnaast moet de adviseur de klant uitleg geven over de overeenkomst en controleren of deze de afspraken begrijpt.
Voor adviseurs die werkzaam zijn bij een beleggingsonderneming, geldt een wettelijke verplichting om een klantovereenkomst af te sluiten in de volgende situaties: • voorafgaand aan een advies over beleggingsfondsen. • voordat de adviseur namens de klant aan- of verkooporders van beleggingsfondsen doorgeeft.
Voor andere financiële producten, zoals beleggingsverzekeringen, geldt deze verplichting niet. Toch is het in veel gevallen verstandig om een klan- 25
tovereenkomst op te stellen, zodat beide partijen helderheid hebben over de gemaakte afspraken.
Zowel de klant als de financieel dienstverlener ondertekenen de klantovereenkomst. Hiermee bevestigt de klant dat hij op de hoogte is van de inhoud en akkoord gaat met de afspraken.
1.2.3.7 Beloning van werknemers
Voor klanten moet transparant zijn hoe medewerkers van een financiële instelling worden beloond. Daarom is een schriftelijk vastgelegd en beheerst beloningsbeleid verplicht. Dit beleid moet openbaar beschikbaar zijn, bijvoorbeeld via de website van de instelling.
Een goed beheerst beloningsbeleid draagt bij aan een bedrijfscultuur waarin het klantbelang, zorgvuldige klantbehandeling en passend advies centraal staan. De wijze waarop medewerkers worden beloond, kan namelijk invloed hebben op de kwaliteit van hun dienstverlening. Daarom is het belangrijk om bewust na te denken over de prikkels die medewerkers krijgen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de belangen van de klant.
Dit beleid geldt voor alle medewerkers, inclusief directieleden en medewerkers met een volledig vast salaris. Bovendien omvat het beloningsbeleid beloningen in de breedste zin van het woord. Om financiële instellingen te ondersteunen, heeft de AFM een stappenplan ontwikkeld voor het opstellen en onderhouden van een beheerst beloningsbeleid.
Het stappenplan voor een beheerst beloningsbeleid bestaat uit vier onderdelen: 1. risicoanalyse: identificeren van risico’s in de beloningsstructuur en de mogelijke gevolgen voor klantbehandeling. 2. schriftelijke vastlegging: beloningsbeleid formeel documenteren. 3. implementatie van maatregelen en procedures: voorkomen en beheersen van risico’s door passende maatregelen. 4. openbaarmaking: beleid toegankelijk maken voor medewerkers en (potentiële) klanten, bijvoorbeeld via de website.
Financiële dienstverleners zonder personeel, of zonder medewerkers die werkzaamheden verrichten die een risico vormen voor zorgvuldige klantbehandeling, zijn niet verplicht een intern beloningsbeleid op te stellen. Dit geldt voor zowel werknemers in dienstverband als personen die onder de verantwoordelijkheid van de financieel dienstverlener werken.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT DNB als AFM houden toezicht op beloningen binnen de financiële sector. Zij hanteren daarbij een verschillende invalshoek: • AFM richt zich op de risico’s binnen het beloningsbeleid die kunnen leiden tot onzorgvuldige klantbehandeling. • DNB beoordeelt de impact van het beloningsbeleid op de financiële stabiliteit van de onderneming.
1.2.3.8 Gelijk speelveld
De overheid hecht veel waarde aan een gelijk speelveld tussen het intermediaire en het directe distributiekanaal van financiële producten. De belangrijkste maatregel om deze gelijkheid te waarborgen, betreft dienstverleningstransparantie. Dit houdt in dat zowel onafhankelijke adviseurs en bemiddelaars als aanbieders die hun eigen financiële producten verkopen, op transparante wijze inzicht moeten geven in hun dienstverlening. Hierdoor kan de klant een goed geïnformeerde keuze maken over de dienstverlening die het beste bij diens behoeften past.
1.2.3.9 Aandachtspunten voor informatieverstrekking per product
Adequate informatieverstrekking is een voorwaarde voor zorgvuldige dienstverlening. De wet schrijft voor dat de financieel dienstverlener de consument zóinformeert, dat deze een goede afweging kan maken over de aanschaf van het financiële product.
De AFM heeft per productsoort of dienst leidraden gemaakt met de aandachtspunten bij het verstrekken van informatie daarover. Ook worden de open normen, zoals de norm over misleidende informatie, hierin toegelicht.
Er zijn leidraden voor de volgende producten: • kredieten (hypothecair en consumptief) • verzekeringen • betalen • sparen en deposito’s • beleggingen.
De Wft stelt dat de informatie die de adviseur aan de klant verstrekt feitelijk juist, begrijpelijk en niet misleidend moet zijn. Daarbij mag de adviseur uitgaan van een gemiddelde klant. Dit is een klant die zich verdiept in de informatie, om na te gaan welk product voor hem geschikt is. De klant neemt uiteindelijk zelf de beslissing voor welk product hij kiest. De adviseur adviseert hem alleen maar.
Er zijn op hoofdlijnen twee fasen waarin de adviseur informatie aan de klant verstrekt. Deze fasen zijn de precontractuele en postcontractuele fase. De precontractuele fase is de periode vóór het afsluiten van een overeenkomst. In deze fase is er bij de klant een grotere behoefte aan informatie. De adviseur moet informatie verstrekken die afhankelijk is van het type product dat hij aanbiedt. Daarnaast gelden er standaardregelingen voor alle productsoorten, zoals regels voor werving, reclame en klachtenprocedures.
De postcontractuele fase is de periode náhet afsluiten van de overeenkomst. Als er tijdens de looptijd van een financieel product wijzigingen optreden, moet de adviseur de klant hierover tijdig informeren. Een voorbeeld hiervan is het wijzigen van de polisvoorwaarden van een verzekering. Ook bestaat voor bepaalde levensverzekeringen de verplichting om de klant jaarlijks te informeren over de opgebouwde waarde binnen de verzekering.
Deze informatieverplichtingen zijn bedoeld om de klant te beschermen en te zorgen voor transparantie gedurende de gehele looptijd van het financiële product.
1.2.3.10 Verzekeringskaarten
Tot 1 januari 2017 stelde het Verbond van Verzekeraars productwijzers op voor haar leden. De productwijzer was bedoeld voor consumenten die een verzekering wilden afsluiten. In een productwijzer stonden de belangrijkste kenmerken van een verzekering en algemene informatie. Daarnaast gaven ze antwoord op veelgestelde vragen en bevatten ze de rechten en plichten van zowel de verzekeraar als de verzekeringnemer. Met de productwijzers kon een verzekeringnemer snel en gemakkelijk beoordelen of de verzekering voor hem een geschikte keuze was.
Per 1 januari 2017 is de Regeling Verzekeringskaarten ingevoerd ter vervanging van de productwijzers. In deze regeling is vastgelegd dat verzekeraars verplicht zijn om op hun websites Verzekeringskaarten te publiceren. De Verzekeringskaart dient als een eenvoudige en begrijpelijke visuele vertaling van de polisvoorwaarden.
Sinds 2018 moeten alle Europese verzekeraars een Insurance Product Information Document (IPID) beschikbaar stellen voor hun non-life producten. De Nederlandse Verzekeringskaarten voldoen grotendeels aan de eisen die de Europese toezichthouder EIOPA aan een IPID stelt.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT Ná2018 zijn er enkele ontwikkelingen geweest met betrekking tot de Verzekeringskaarten en het Insurance Product Information Document (IPID).
De AFM heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van verschillende IPID’s en concludeerde dat deze niet altijd voldoende inzicht gaven in de uitgesloten risico’s, dekkingsbeperkingen en verplichtingen tijdens de looptijd. Naar aanleiding hiervan heeft de AFM handvatten opgesteld om de kwaliteit van IPID’s te verbeteren.
Het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven dat een modernisering van de Insurance Distribution Directive (IDD) welkom is. Het streven is om de conversie van Verzekeringskaarten naar het IPID-format voor verzekeraars zo soepel mogelijk te laten verlopen.
In 2018 is het ontwerp van de Verzekeringskaart aangepast aan het Europese IPID, waarna de Regeling Verzekeringskaarten is herzien en goedgekeurd door de Algemene Ledenvergadering van het Verbond van Verzekeraars.
Het is raadzaam om de meest recente informatie te raadplegen bij officiële instanties, zoals de AFM en het Verbond van Verzekeraars, om op de hoogte te blijven van eventuele verdere ontwikkelingen ná2018.
1.2.4 Advies en bemiddeling
1.2.4.1 Advies
Volgens de wet is sprake van adviseren als een onderneming een aanbeveling doet voor een specifiek financieel product, van een bepaalde aanbieder, aan een bepaalde klant.
Een persoon is dus geen adviseur volgens de Wft als hij: • uitsluitend algemene uitleg geeft over een productsoort, en geen specifiek product aanbeveelt of adviseert. • uitsluitend algemene informatie geeft over producten. Ook al leidt dit tot verkoop, dan is er nog geen sprake van advies volgens de Wft. • uitsluitend schades begeleidt.
1.2.4.2 Bemiddeling
De wettelijke definitie van bemiddelen is ruim. Alle werkzaamheden die zijn gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van de aankoop van een financieel product door de klant, gelden als bemiddelen.
1.2.4.3 Passend dienstverleningsproces
Volgende figuur geeft aan uit welke fasen een adviestraject moet bestaan.
Inventariseren Analyseren Adviseren Nazorg geven
Kennismaking Beheer Oplossing
Beeldvorming Actueel houden
De Wft schrijft voor dat het financieel advies passend is. Dit wil zeggen dat het advies aansluit bij de situatie en wensen van de klant. Een advies kan alleen aansluiten bij de wensen en situatie van de klant als de adviseur deze situatie en wensen kent. Als de adviseur de situatie en de wensen van de klant in beeld heeft gebracht, dan moet hij vervolgens deze situatie en wensen analyseren, een conclusie trekken en de oplossing hierbij bedenken. Uiteindelijk komt hij tot een oplossing en dus tot een advies. De adviseur moet het advies beheren en actueel houden.
Een dienstverleningstraject hoort dus te voldoen aan de wettelijke eisen en kan worden opgedeeld in vier fasen: 1. kennismaking (oriëntatiefase): hierin verkennen zowel de klant als de adviseur de mogelijkheden van samenwerking. De adviseur inventariseert globaal de financiële positie, wensen en doelen, risicobereidheid en de kennis en ervaring van de klant. Tevens informeert de adviseur over zijn dienstverlening, kosten en werkwijze, wat kan worden vastgelegd in een klantovereenkomst. 2. beeldvorming (inventarisatie & analyse): de adviseur verzamelt gedetailleerde informatie om een klantprofiel op te stellen. Deze gegevens worden geanalyseerd om passende financiële producten te identificeren. Het is essentieel dat de informatie volledig en relevant is voor het advies. 3. oplossing (advisering en afhandeling): op basis van de analyse doet de adviseur een voorstel voor een financieel product dat aansluit bij de situatie en wensen van de klant. Dit advies en de onderbouwing ervan worden zorgvuldig gedocumenteerd. Als de klant afwijkt van het advies, wordt de reden hiervan vastgelegd. 4. nazorg (beheer tijdens de looptijd van het product): na het afsluiten van het product blijft de adviseur verantwoordelijk voor het informeren van
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT de klant over wezenlijke wijzigingen in productinformatie of relevante wet- en regelgeving. Deze zorgplicht geldt gedurende de gehele looptijd van het product.
Het is belangrijk op te merken dat per 1 juli 2024 nieuwe regels van kracht zijn geworden die de kwaliteit van volledig geautomatiseerd financieel advies waarborgen. Deze aanpassing in het BGfo Wft zorgt ervoor dat geautomatiseerde adviezen aan dezelfde kwaliteitseisen moeten voldoen als adviezen van menselijke adviseurs.
Daarnaast benadrukt de AFM dat financiële dienstverleners regelmatig moeten controleren of een afgesloten product nog steeds aansluit bij de huidige situatie van de klant. Dit onderstreept het belang van de nazorgfase in het adviesproces.
Later in deze module gaan we verder in op het onderwerp nazorg en de beloning die daartegenover staat. Het is goed om u te realiseren dat een financieel dienstverlener altijd een minimale wettelijke zorgplicht heeft, zelfs als de klant niet bereid is om daarvoor te betalen.
1.2.4.4 AFM-leidraden over dienstverlening
De AFM heeft diverse leidraden gepubliceerd over financiële dienstverlening. Hierin geeft de AFM haar visie op zorgvuldig adviseren over de volgende onderwerpen: • hypotheekadvies met onder andere de checklist hypotheekgesprek • hypotheekadviessoftware • vermogensopbouw • tweede pijler pensioenadvies • innovatie en online bedieningsconcepten in het belang van de klant • handboek online dienstverlening.
Deze leidraden geven praktische handvatten om het belang van de klant centraal te stellen. Daarnaast kunt u hierover ook op de website van de AFM (www.afm.nl) allerlei aanvullende informatie vinden. Raadpleegt u deze pagina regelmatig.
1.2.4.5 Voorwaarden vrijstellingen vergunningplicht adviseren
Om voor een vrijstelling van de vergunningplicht adviseren in aanmerking te komen moet de onderneming aan alle onderstaande voorwaarden voldoen. • adviseur heeft een andere hoofdberoepswerkzaamheid dan het verlenen van financiële diensten. 31
• vanwege de hoofdberoepswerkzaamheid heeft de adviseur inzicht in de financiële situatie van zijn klant. • adviezen over financiële producten liggen in het verlengde van de hoofdberoepswerkzaamheid. • adviseur ontvangt voor de verleende adviezen geen betalingen van de aanbieder. • adviezen mogen alleen marginaal onderdeel uitmaken van de totale werkzaamheden. • adviseur bemiddelt niet in het product waarover hij adviseert.
1.2.5 Informeren of adviseren
In december 2021 heeft de AFM duidelijkheid gegeven over het verschil tussen informeren en adviseren.
Adviseren • Er is sprake van adviseren als: • er sprake is van een aanbeveling, die niet alleen van het delen van objectieve informatie en • de gedane aanbeveling wekt de suggestie dat deze passend is voor de individuele klant, óf wordt gegeven op basis van de persoonlijk situatie van de klant en • de aanbeveling moet betrekking hebben op ene nieuw af te sluiten financieel product (uitzondering: verzekering met beleggingscomponent) en • de aanbeveling richt zich tot een (gevolmachtigde van een) (potentiële) klant.
1.2.5.1 Doorlopende klantondersteuning
Onderhoud en nazorg zijn cruciale aspecten van hypothecaire planning en kunnen een grote impact hebben op de financiële gezondheid van klanten. Goed onderhoud en goede nazorg draagt bij aan een duurzame relatie met de klant, voorkomt financiële problemen, en zorgt ervoor dat de klant optimaal profiteert van de hypothecaire geldlening, die is afgesloten.
1.2.6 Nazorg
Belang van onderhoud en nazorg in hypothecaire planning:
1. Begeleiding bij veranderende omstandigheden De financiële situatie van een klant kan in de loop van de tijd veranderen door bijvoorbeeld: – wijzigingen in het inkomen (bijvoorbeeld bij verlies van werk of een 32 loonsverhoging)
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT – gezinsuitbreiding of andere levensgebeurtenissen (zoals een huwelijk, scheiding, of de aankoop van een nieuw huis) – veranderingen in de rentevoet of het rentebeleid – verzekeringen of herfinanciering bij stijgende of dalende woningwaarden
Met nazorg en onderhoud blijven klanten op de hoogte van: • herziening van hun hypotheek bij een renteverlaging • advies over het verhogen of verlagen van de hypotheek als hun situatie verandert (bijvoorbeeld een daling van het inkomen door verlies van werk) • aanpassing van de looptijd of rentevoorwaarden als hun financiële situatie dat vereist.
2. Voorkomen van financiële problemen Nazorg helpt klanten proactief problemen te voorkomen, bijvoorbeeld: – tijdig signaleren van betalingsproblemen, bijvoorbeeld door klanten te adviseren over herfinanciering of tijdelijke oplossingen bij tijdelijke betalingsmoeilijkheden. – waarschuwen voor risicovolle situaties, zoals het niet kunnen betalen van de maandlasten door een stijging van de rente of het missen van verzekeringsbetalingen, kan je klanten helpen om financiële problemen te voorkomen.
3. Optimaliseren van fiscale voordelen In veel gevallen kan het fiscale voordeel van een hypothecaire geldlening maximaal benut worden door regelmatige controle: – hypotheekrenteaftrek kan bij veranderende omstandigheden. – renteherzieningen kunnen resulteren in fiscale besparingen als ze goed gecoördineerd worden. – bijzondere belastingvoordelen voor energiebesparende maatregelen kunnen ook goed benut worden wanneer klanten geholpen worden helpt hun woning te verduurzamen, bijvoorbeeld door het gebruik van groene hypotheken.
4. Inzicht in de woningmarkt en herfinanciering De woningmarkt is dynamisch en de waarde van het onroerend goed kan fluctueren. Als hypothecair planner kunt u nazorg bieden door klanten op de hoogte te houden van: – stijgende of dalende woningwaarden, waardoor herfinanciering of het opnemen van overwaarde mogelijk is. – optimaliseren van de hypothecaire geldlening bij een hogere woningwaarde, bijvoorbeeld door overwaarde te gebruiken voor verbouwingen of om andere schulden af te lossen. 33
5. Duurzaam advies en klanttevredenheid Goede nazorg draagt bij aan een lange-termijnrelatie met de klant. Wanneer u regelmatig contact heeft en klanten adviseert bij veranderingen in hun financiële situatie of het gebruik van hun woning, vergroot u niet alleen hun tevredenheid, maar ook de kans dat ze u opnieuw inschakelen voor toekomstig advies of doorverwijzingen.
Proactief advies toont dat u als adviseur om de klant geeft en zorgt ervoor dat ze altijd de beste opties hebben. Klanten die weten dat ze altijd bij u terecht kunnen, bouwen vaak meer vertrouwen op, wat leidt tot een langdurige relatie.
6. Verantwoordelijkheid en compliance Als hypothecair planner heeft u ook een verantwoordelijkheid om klanten goed geïnformeerd te houden. Regelmatige nazorg zorgt ervoor dat u voldoet aan wettelijke vereisten en zorgt dat klanten geen onterecht risico lopen. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op: – controle op compliance met wet- en regelgeving, zoals de Wft en andere relevante wetgeving met betrekking tot hypotheken en financiële advisering. – ethische verplichtingen: het is belangrijk dat klanten niet alleen profiteren van de laagste rente, maar ook een hypothecaire geldlening hebben die past bij hun financiële situatie en toekomstplannen.
Het wettelijk begrip ‘nazorg’ verwijst naar de verantwoordelijkheid van de adviseur om, ná het geven van advies of het afsluiten van een financieel product, de klant verder te ondersteunen, monitoren en te helpen bij het doorvoeren van eventuele noodzakelijke aanpassingen in hun situatie.
In Nederland is nazorg geregeld onder verschillende wet- en regelgeving, zoals de Wft en de GHF. Het doel van deze nazorg is om ervoor te zorgen dat klanten zich bewust blijven van hun financiële verplichtingen en dat ze indien nodig tijdig worden geïnformeerd over veranderingen die hun situatie of productvoorwaarden beïnvloeden.
Nazorg in financieel advies heeft betrekking op verschillende verplichtingen en acties die een adviseur moet ondernemen nadat het advies is gegeven of een product is afgesloten: • monitoring van de financiële situatie van de klant Het is belangrijk dat de adviseur de klant blijft monitoren, vooral als de klant omstandigheden heeft die in de toekomst kunnen veranderen (bijvoorbeeld veranderingen in inkomen, gezinsomstandigheden, of rentetarieven).
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT De adviseur moet periodiek nagaan of de gekozen hypothecaire geldlening nog steeds geschikt is voor de klant en of er aanpassingen nodig zijn. • informatie verstrekken over relevante veranderingen Nazorg houdt in dat de adviseur de klant op de hoogte houdt van belangrijke veranderingen die van invloed kunnen zijn op hun situatie, zoals wijzigingen in wet- en regelgeving, rentewijzigingen, of beschikbare producten die beter aansluiten bij de huidige situatie van de klant. Dit kan bijvoorbeeld het aanbieden van een herziening van de hypothecaire geldlening zijn bij rentewijzigingen of het adviseren over de mogelijkheid van herfinanciering als de woningwaarde toeneemt. • proactief advies bij wijzigingen in de klantsituatie Als er belangrijke veranderingen plaatsvinden, zoals gezinsuitbreiding, een scheiding, of een verlies van inkomen, moet de adviseur de klant benaderen om te controleren of de huidige hypotheek of financiële producten nog steeds passen. Dit kan ook inhouden dat de adviseur de klant helpt bij het aanvragen van een extra geldlening, het oversluiten van de hypothecaire geldlening of het herstructureren van de geldlening om aan de gewijzigde behoeften van de klant te voldoen. • ondersteuning bij betalingen en schulden Als een klant tijdelijk niet in staat is om aan zijn hypotheekbetalingen te voldoen, kan de adviseur oplossingen aanbieden, zoals een herstructurering van de betalingen of het aanvragen van tijdelijke betalingspauzes. Dit kan ook gaan over het begeleiden van de klant in geval van financiële problemen, zoals het lenen van extra geld voor onderhoudskosten of het aanvragen van een schuldhulpverlening.
Onder de Wft zijn er duidelijke regels over de verplichtingen van een financieel adviseur na het verstrekken van advies: • continuïteit van advies: het is verplicht voor adviseurs om hun klanten regelmatig te controleren en te adviseren over aanpassingen aan hun hypothecaire geldlening of andere financiële producten, als hun situatie verandert of als er nieuwe producten beschikbaar zijn die beter passen. • verantwoordelijkheid voor klantbelang: de adviseur moet handelen in het beste belang van de klant en proactief handelen wanneer er zich wijzigingen voordoen die het product of de situatie van de klant beïnvloeden. • documentatie van nazorg: adviseurs moeten kunnen aantonen dat ze hun nazorgplicht hebben uitgevoerd, bijvoorbeeld door het bijhouden van documenten die de monitoring en het adviesproces ondersteunen.
Het is onmogelijk om de wettelijke Wft-zorgplicht uit te sluiten. Het is bijvoorbeeld niet rechtsgeldig om dat schriftelijk in een overeenkomst met de klant af te spreken. Naast de Wft-zorgplicht is er een civiele zorgplicht in het
kader van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat betekent dat een adviseur zich in de richting van de klant zorgvuldig moet gedragen, zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht.
Ook in het geval er alleen een serviceabonnement wordt afgesloten verwacht de AFM dat de klant goed wordt geïnformeerd over wat hieronder valt, en ook wat het abonnement kost. Voor de adviseur is het belangrijk dat hij zich verdiept in de behoeftes van de klant en zijn dienstverlening daarop laat aansluiten. De AFM verwacht dat de dienstverlener bij het aanbieden van een serviceabonnement uitgaat van de volgende uitgangspunten: • relevante dienstverlening binnen het abonnement Diensten moeten overduidelijk nuttig zijn voor de klant en aansluiten bij zijn behoefte. Als een klant bepaalde diensten ergens anders heeft geregeld, moet de adviseur dit uitsluiten in het abonnement. • actieve versus passieve dienstverlening De adviseur moet de klant actief benaderen voor dienstverlening waarvoor de klant logischerwijs niet direct zelf contact opneemt met de adviseur. Denkt u daarbij aan bijvoorbeeld het jaarlijkse onderhoudsgesprek met als mogelijk onderwerp de relevante wijzigingen in wet- en regelgeving. • informatieverstrekking De verstrekte informatie moet duidelijk en concreet zijn voor de klant. Bij de keuze uit meerdere abonnementsvormen helpt het om de verschillen in een tabel zichtbaar te maken. De AFM heeft aanbevelingen gepubliceerd over informatieverstrekking waarmee de duidelijkheid en presentatie van het serviceabonnement kan worden verbeterd. • kosten van het abonnement Voor de klant moet duidelijk zijn op welke diensten hij recht heeft op basis van provisie en welke aanvullende diensten hij kan afnemen via een serviceabonnement. Het belangrijkste is dat voorkomen wordt dat de klant dubbel betaalt. De totaalprijs van het abonnement moet zichtbaar zijn en duidelijk worden vermeld. Uiteraard moet de prijs redelijkerwijs in verhouding staan tot de geleverde diensten. Daarnaast ziet de AFM een abonnement tegen koopsom als onwenselijk en dringt zij erop aan om hiermee zeer terughoudend te zijn. In het geval de adviseur toch koopsomconstructies aanbiedt, moet hij een redelijke restitutieregeling opnemen. De klant weet dan in welke situaties hij recht heeft op terugbetaling van een deel van de koopsom. – wijze van aanbieden Geen verplicht abonnement voor bestaande klanten: naast een eventueel serviceabonnement moeten bestaande klanten ook de mogelijkheid hebben om per uur of verrichting te betalen voor nazorg of beheer. Voor nieuwe klanten kan de adviseur dit wel verplichten. Hij
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT moet de klant hierover in een vroeg stadium op de hoogte stellen en het opnemen op de vergelijkingskaart. – Opt-out-brieven zijn verboden: het eenzijdig aangaan van een overeenkomst voor een serviceabonnement met de klant is uitgesloten. Hiervoor is expliciete toestemming van de klant vereist. – In het belang van de klant is het goed om klanten naast mondeling, ook schriftelijk te informeren. Bij het afsluiten van het abonnement is expliciete instemming van de klant vereist. Een schriftelijke opdrachtbevestiging heeft hierbij de voorkeur. Het belangrijkste verschil tussen nazorg en actieve advisering is dat nazorg zich richt op het verder monitoren van de situatie van de klant na het advies of het afsluiten van een hypothecaire geldlening. Actieve advisering daarentegen is wanneer een klant zelf de adviseur benadert voor advies of wanneer de adviseur actief nieuwe producten of opties aanbiedt, bijvoorbeeld bij veranderingen in wet- of regelgeving of rentetarieven.
1.2.7 Advies op maat
‘Advies op maat’ in financieel advies (hypothecaire planning) betekent dat een adviseur advies geeft dat specifiek is afgestemd op de unieke financiële situatie, wensen, en doelen van de klant. Dit gaat verder dan het simpelweg aanbieden van standaardproducten of -oplossingen; het houdt in dat de adviseur de klant persoonlijk begeleidt door middel van een gedetailleerde analyse van hun situatie en het aanbevelen van een hypotheek die het beste past bij hun individuele omstandigheden.
Belangrijke aspecten van advies op maat in hypotheekadvisering: 1. Diepgaande analyse van de klantbehoefte Een hypothecair planner die advies op maat levert, begint met het in kaart brengen van de persoonlijke en financiële situatie van de klant. Dit houdt in: – inkomen: wat is het gezinsinkomen, zijn er aanvullende bronnen van inkomen, en wat zijn de toekomstige verwachtingen? – vermogen: wat is het beschikbare vermogen (bijvoorbeeld eigen spaargeld voor de aankoop of verbouwing)? – schulden: heeft de klant bestaande schulden, zoals een andere hypothecaire geldlening, consumptieve kredieten, of studieleningen, die invloed hebben op de leencapaciteit? – levensdoelen: wat zijn de lange-termijndoelen van de klant? Wil de klant bijvoorbeeld op korte termijn een eigen huis kopen of liever eerst sparen voor een hogere aanbetaling? – gezinsomstandigheden: is de klant getrouwd, alleenstaand, met kinderen, of van plan om uit te breiden? 37
2. Op maat gemaakte hypotheekoplossingen Naar aanleiding van deze analyse wordt een hypothecaire geldlening gezocht die het beste past bij de behoeften en wensen van de klant. Dit betekent dat de adviseur niet alleen kijkt naar de rentepercentages, maar ook naar: – soorten hypotheken: welke hypotheekvorm is het beste; – looptijd: wat is de meest geschikte looptijd van de hypothecaire geldlening; – rentemogelijkheden: vast rente of variabel rente, of eventueel een combinatie; – flexibiliteit: zijn er opties voor extra aflossen of het opschorten van betalingen bij – onvoorziene omstandigheden, zoals werkloosheid of ziekte; – bijzondere wensen: bijvoorbeeld verduurzamen met een groene hypotheek of specifieke belastingvoordelen benutten?
3. Toekomstgerichte planning Advies op maat houdt ook in dat de adviseur meedenkt over de toekomst van de klant, bijvoorbeeld: – veranderingen in inkomen: wat gebeurt er als het inkomen stijgt of daalt? Moet de hypotheek flexibel zijn om extra aflossingen mogelijk te maken; – verkoop van de woning: wat als de klant in de toekomst de woning wil verkopen; – verandering van persoonlijke situatie: wat gebeurt er bij veranderingen zoals huwelijk, gezinsuitbreiding, of echtscheiding? Kan de hypotheek meebewegen met dergelijke veranderingen?
4. Advies over gerelateerde producten Advies op maat houdt ook in dat de adviseur rekening houdt met gerelateerde producten die het hypotheektraject kunnen verbeteren of optimaliseren, zoals: – verzekeringen: is er behoefte aan een opstal-, arbeidsongeschiktheids-, of overlijdensrisicoverzekering? Hoe passen deze bij de hypotheek; – leningopties: zijn er mogelijkheden voor een persoonlijke lening of een renovatiehypotheek als er plannen zijn om de woning te verbouwen?
5. Transparantie en uitleg Een ander belangrijk aspect van advies op maat is dat de adviseur de klant helder en volledig informeert over de verschillende hypotheekopties, kosten en voorwaarden. Dit zorgt ervoor dat de klant:
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT – duidelijkheid krijgt over de keuzes die hij maakt en de gevolgen daarvan. – geen verborgen kosten of onverwachte voorwaarden tegenkomt. – in controle blijft over de gemaakte keuzes.
6. Verantwoord advies en nazorg Het leveren van advies op maat houdt ook in dat de hypotheekadviseur verantwoordelijk is voor het geven van duidelijk, objectief en op het klantbelang gericht advies. Dit betekent dat de adviseur: – geen overmatige risico’s aanraadt die de klant mogelijk niet kan dragen. – de klant doorverwijst naar andere professionals (bijvoorbeeld een fiscalist of notaris) als dat nodig is om een weloverwogen beslissing te nemen. – regelmatig nazorg biedt: het is niet alleen een kwestie van het verstrekken van advies op het moment van afsluiten van de hypothecaire geldlening, maar ook het monitoren van de situatie van de klant na de aankoop (zoals rentewijzigingen, – herfinanciering, of veranderingen in de financiële situatie).
1.2.8 Beloning
Het is belangrijk dat de financieel dienstverlener open en eerlijk is over de manier waarop hij wordt beloond voor zijn werkzaamheden. Het moet voor de klant duidelijk zijn welke diensten daarvoor wel of niet geleverd worden. Het klantbelang, zorgvuldige behandeling van de klant en passende advisering moeten bij beloningen centraal staan.
Dat betekent bijvoorbeeld dat de ontvangen provisie of fee in verhouding moet staan tot de diensten die worden geleverd. Bij beloning van medewerkers mag er in de manier van beloning geen aanleiding zitten die het risico op onzorgvuldige behandeling van de klant en het geven van een niet passend advies vergroot.
1.2.8.1 Beloning op basis van provisie
Sinds 1 januari 2013 geldt een wettelijk provisieverbod voor de zogenoemde complexe en impactvolle producten. Dit zijn: • hypothecaire kredieten • betalingsbeschermers • overlijdensrisicoverzekeringen • individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen • uitvaartverzekeringen
• complexe producten, zoals beleggingsverzekeringen, pensioenverzekeringen en bankspaarproducten en • dienstverlening onder het nationaal regime.
Dat betekent dat klanten, vanaf 1 januari 2013, adviseurs en directe aanbieders rechtstreeks moeten betalen voor advies en het afsluiten van deze producten. Vóór de inwerkingtreding van het provisieverbod betaalden klanten deze kosten vaak via de prijs van het product. Ook mogen adviseurs voor deze producten geen vergoeding (provisie) meer ontvangen van de aanbieder.
Dit betekent dat de adviseur voor zijn beloning onafhankelijk is geworden van de productaanbieder. Hierdoor is het voor adviseurs en directe aanbieders mogelijk het belang van de klant nóg beter centraal te stellen.
1.2.8.2 Uitzonderingen provisieverbod
Een aanbieder mag nog wel een vergoeding aan een adviseur/bemiddelaar geven als die noodzakelijk is om de financiële dienstverlening voor de klant mogelijk te maken. Denkt u hierbij aan het beschikbaar stellen van een offertesysteem, of het geven van productinformatie. Deze uitzondering moet beperkt worden opgevat. Het verstrekken van algemene adviessoftware valt bijvoorbeeld niet onder de uitzondering.
Provisiebetaling bij advies in het geval van (voorzienbare) betalingsachterstanden is een andere belangrijke uitzondering op het provisieverbod en is bedoeld om acute betalingsproblemen bij hypotheekklanten te voorkomen of te helpen oplossen. De uitzondering geldt voor alle financiële dienstverleners en alleen bij daadwerkelijke of voorzienbare betalingsachterstanden bij hypothecaire geldleningen. Geldverstrekkers kunnen op deze manier zelfstandig adviseurs inschakelen en belonen om de noodzakelijke hulp bij (voorzienbare) betalingsachterstanden te geven.
Van voorzienbare betalingsachterstanden is sprake als: 1. hypotheekgever geconfronteerd wordt met een langdurige en relatief grote daling van zijn inkomsten en 2. die daling niet door de hypotheekgever (of diens huishouden) kan worden opgevangen en 3. die binnen afzienbare termijn tot betalingsachterstanden kan leiden.
In de situatie van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, echtscheiding, relatiebreuk of overlijden van de partner is sprake van een ‘langdurige en relatief 40 grote daling van inkomsten’.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT Van een ‘afzienbare termijn’ is sprake als het aannemelijk is dat er op relatief korte termijn (half jaar tot jaar) een betalingsachterstand ontstaat doordat er onvoldoende middelen zijn om de hypotheeklasten te betalen.
Als voldaan is aan de voorwaarden voor de uitzondering op het provisieverbod, mag de adviseur/bemiddelaar een vergoeding/provisie ontvangen van de geldverstrekker voor de werkzaamheden die gericht zijn op het oplossen van (voorzienbare) betalingsachterstanden bij hypotheken.
Aan deze vergoedingen zijn de volgende voorwaarden verbonden: 1. vergoeding past bij de aard en omvang van de dienstverlening en 2. adviseur informeert de hypotheekgever op een begrijpelijke wijze over het feit dat hij een vergoeding ontvangt van de aanbieder en 3. adviseur informeert de hypotheekgever over de hoogte van deze vergoeding, tenzij het bedrag van de provisie op dat moment onbekend is.
Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding moeten geldverstrekkers onder meer de al betaalde afsluit- en doorlopende provisie verrekenen. Dit zorgt ervoor dat de totale vergoeding aan de bemiddelaar in redelijke verhouding staat tot de werkzaamheden die hij heeft verricht in het kader van het product. De geldverstrekker mag geen voorwaarden verbinden aan de uitkomsten van het advies. Van de betaling mag evenmin aansporende, motiverende of stimulerende werking uitgaan, die het adviseren/bemiddelen kunnen beïnvloeden. De uitzondering is alleen bedoeld voor hypotheekgevers met (voorzienbare) betalingsproblemen waarvan verwacht mag worden dat zij (bijna) niet in staat zijn om de advieskosten te betalen.
1.2.8.3 No cure no pay
Het hanteren van no cure no pay-constructies is in strijd met doel en strekking van het provisieverbod. Dat betekent dat klanten pas voor het advies betalen als zij ook daadwerkelijk een product afsluiten. Op grond van het provisieverbod zijn directe aanbieders verplicht advies- en distributiekosten rechtstreeks in rekening te brengen.
Het aanbieden van advies op no cure no pay-basis leidt ertoe dat adviseurs een prikkel hebben om een product te verkopen, terwijl het ook in het belang van de klant kan zijn om juist geen product af te sluiten. Het aanbieden van advies op basis van no cure no pay door directe aanbieders zou daarmee nog steeds aanleiding geven voor ‘productpushing’, waarbij aanbieders proberen zoveel mogelijk producten te verkopen.
Directe aanbieders en onafhankelijke adviseurs/bemiddelaars mogen klanten wel een kosteloos oriëntatiegesprek aanbieden. In de oriëntatie kunnen aanbieders de klant duidelijk maken hoe de dienstverlening eruit zal zien en wat de kosten hiervan zijn. Als de klant besluit om een advies af te nemen, dan moeten aanbieders deze kosten rechtstreeks bij de klant in rekening brengen. Meestal is één gesprek voldoende voor een oriëntatie. Het is niet de bedoeling dat er tijdens een oriëntatiegesprek specifiek advies wordt gegeven, bijvoorbeeld door concreet naar de situatie van de klant te kijken. Zodra wordt overgegaan tot advisering moeten advieskosten in rekening worden gebracht bij de klant. Uiteraard kunnen aanbieders klanten ook in de beheerfase een kosteloze oriëntatie op de dienstverlening aanbieden.
1.2.8.4 Beloning op fee basis
De klant kan een vast bedrag betalen voor advies of bemiddeling. Er kan ook een uurtarief worden afgesproken. De adviseur en de klant zijn vrij om hierover afspraken te maken. Daarbij is het belangrijk dat de klant goed weet wat hij betaalt en welke dienstverlening daar tegenover staat. Een goed hulpmiddel daarbij is de vergelijkingskaart.
1.2.8.5 Kennelijke onredelijkheidsnorm
Voor rechtstreekse vergoedingen, die klanten aan aanbieders en adviseurs/ bemiddelaars betalen, geldt de kennelijke onredelijkheidsnorm. Dit betekent dat de vergoeding die wordt gevraagd niet buitensporig mag zijn in relatie tot de voor de klant verrichte werkzaamheden.
Bij de vraag of een vergoeding kennelijk onredelijk is, spelen vier omstandigheden een rol. Daarbij is het de vraag of: • bedrag dat de dienstverlener bij de klant in rekening brengt onredelijk is, gezien het aantal uren dat aan het advies is besteed. • aantal bestede uren aan het advies en de bemiddeling onredelijk is, gezien de reikwijdte van het advies. • reikwijdte van het advies onredelijk is, gezien de adviesaanvraag/-behoefte van de klant. • in de branche gebruikelijk is om bepaalde diensten in rekening te brengen.
1.2.8.6 Gespreid betalen
De betaling van de kosten voor advies en bemiddeling door de klant mag over maximaal twee jaar worden gespreid. Aan gespreide betaling is wel een aantal voorwaarden verbonden. Deze luidt dat de financieel dienstverlener geen extra kosten en/of rente in rekening mag brengen voor het gespreid betalen 42 van advies- en bemiddelingsdiensten.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT 1.2.8.7 Wel of geen btw?
Er geldt een btw-vrijstelling voor verzekeringen en diensten door tussenpersonen. De voorwaarde om daarvan gebruik te mogen maken is de intentie om te bemiddelen in financiële producten. Daarbij is het onbelangrijk of de bemiddeling uiteindelijk via de betreffende adviseur zal verlopen of daadwerkelijk gaat plaatsvinden. Het gaat om de intentie tot bemiddeling. De adviseur moet het wel van tevoren duidelijk op schrift aangeven. Dit kan hij bijvoorbeeld doen in de klantovereenkomst.
In het geval dat er sprake is van bijvoorbeeld een second opinion of een algemeen financieel advies geldt het hoge btw-tarief van 21 procent. Er is dan immers geen intentie tot afname van een financieel product. Overigens is het advies over schadeverzekeringen belast met 21 procent btw. Denkt u hierbij aan een second opinion zonder intentie tot oversluiten door adviseur schadeverzekeringen B, terwijl het schadepakket via de bemiddeling van adviseur schadeverzekering A tot stand is gekomen. Alleen bij daadwerkelijke bemiddeling van een schadeverzekering is assurantiebelasting verschuldigd in plaats van btw.
Of over een serviceabonnement assurantiebelasting of btw verschuldigd is, hangt af van de werkzaamheden die binnen het abonnement worden toegezegd en welke producten onder het abonnement vallen. Over de beloning voor werkzaamheden die samenhangen met de schadeverzekeringen die onder het abonnement vallen, moet assurantiebelasting worden geheven, tenzij de bemiddelaar provisie (volledig en gebruikelijk) voor deze schadeverzekeringen ontvangt van de verzekeraar. Btw moet worden geheven over de beloning voor werkzaamheden die niet zijn aan te merken als bemiddeling in financiële producten. Er kunnen ook werkzaamheden onder het abonnement vallen die zijn vrijgesteld van zowel assurantiebelasting (omdat de werkzaamheden betrekking hebben op producten die zijn vrijgesteld van assurantiebelasting) als van btw (omdat de werkzaamheden zijn aan te merken als bemiddeling in financiële producten).
Voorbeeld Marloes heeft hypotheekadvies ingewonnen bij de Geldbank. Ze vraagt nu aan hypotheekadviseur Maarten, die bij Adviesbureau Tromp werkt, om een second opinion over het advies van de adviseur van de Geldbank. Maarten geeft de second opinion. De second opinion van Maarten heeft niet tot doelstelling het afsluiten van het financieel product. Maarten moet Marloes dus btw in rekening brengen over de vergoeding die hij rekent voor de second opinion.
1.2.9 Dienstverlening op maat
De AFM kreeg veel vragen van financieel dienstverleners over het betaalbaar houden van hun dienstverlening. Men had het idee dat er van de AFM altijd een integraal advies moest worden aangeboden, terwijl de klant weigerde om de kosten daarvan te betalen.
In reactie hierop heeft de AFM een visiedocument ‘Dienstverlening op maat’ opgesteld, waarin zij financieel dienstverleners meer duidelijkheid wil geven. Hierin staat beschreven op welke wijze financieel dienstverleners hun dienstverlening efficiënt kunnen inrichten en daarmee toch zo goed mogelijk aansluiten bij de wensen en behoeften van de klant.
Dit visiedocument bouwt voort op de bestaande leidraden en is bedoeld als voorbeeld waarmee een financieel dienstverlener de open wettelijke normen kan invullen binnen zijn eigen dienstverlening.
Het visiedocument gaat uit van de volgende drie principes: a. Pas de dienstverlening aan op de behoefte van de klant – redeneer vanuit de behoefte van de klant en laat de dienstverlening hierop aansluiten. – bepaal welke dienstverlening toegevoegde waarde heeft voor de klant. – raad de klant de dienstverlening aan die bij hem past en waarschuw hem als hij afwijkt van de aanbeveling van de adviseur. – de passendheidstoets bij execution only-dienstverlening is geen formaliteit. – zorg dat ook ondersteuning bij execution only-dienstverlening past bij de klant. – zorg dat de adviseur en de klant elkaar begrijpen. b. Vraag alleen de relevante gegevens uit bij de klant – bepaal welke informatie relevant is voor de dienstverlening aan de klant. – maak gebruik van de techniek, de klant kan zelf informatie aanleveren. – maak de klant duidelijk welke informatie voor de dienstverlening irrelevant is. c. Aannames over de doelgroep kunnen het proces versnellen – gebruikmaken van doelgroepaannames in de inventarisatiefase. – baseer aannames op objectief feitenonderzoek. – houd aannames actueel door deze periodiek te toetsen. – toets aannames bij de klant.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT Met deze publicatie wil de AFM de financieel dienstverlener laten zien dat er binnen de bestaande wet- en regelgeving ruimte is om de dienstverlening tijd- en kostenefficiënt in te richten. Het resultaat is een betere aansluiting bij de behoeften en wensen van de klant.
De AFM geeft hiermee een duidelijk signaal af dat zij het ongewenst vindt dat financieel dienstverleners hun focus verleggen van productverkoper naar de rol van adviesrapportverkoper. De AFM vindt het zeer onwenselijk als klanten onnodig veel advieskosten in rekening wordt gebracht.
Met dit visiedocument geeft de AFM een ‘good-practice-voorbeeld’. Dit kan gehanteerd worden als een soort norm om te beoordelen of een financieel dienstverlener al dan niet integer heeft gehandeld met betrekking tot de in rekening gebrachte advieskosten.
1.2.10 Klantdossier aanleggen en onderhouden
Bij advies over impactvolle producten moet de adviseur voor elke klant een klantdossier aanleggen en onderhouden. Het in het klantdossier bewaarde advies moet reproduceerbaar zijn. Dit wil zeggen dat de adviseur kan aantonen op welke wijze hij tot het advies is gekomen. Het is dan ook belangrijk dat de adviseur de geïnventariseerde gegevens en het uitgebrachte advies bewaart. Ook moeten de gegevens van de geadviseerde en de afgesloten producten in het dossier aanwezig zijn.
De AFM stelt eisen aan het klantdossier. Er zijn geen voorbeelden te vinden in de regelgeving van stukken die in een bepaald dossier moeten zitten. De Commissie Transparantie en Zorgplicht Bemiddeling en Advisering heeft eerder wel uitgewerkt welke stukken een dossier van een bepaalde productcategorie kan bevatten wanneer sprake is van advies.
Hierna treft u het lijstje stukken aan dat volgens de Commissie in een klantdossier van een hypotheekadvies zouden passen: • klantprofiel met alle relevante gegevens die noodzakelijk zijn om te komen tot het advies. • advies en overwegingen die ten grondslag liggen aan het advies. • het klantprofiel. • risicoprofiel, indien van toepassing. • analyses en berekeningen/offerte(s). • overwegingen voor het gegeven advies en de motivering van de adviseur. • kopie getekend aanvraagformulier/offerte. • taxatierapport, indien van toepassing. • kopie hypotheekakte, leningovereenkomsten.
• kopie van de gebruikte financiële bijsluiter. • eventuele klachten. • eventueel een aantekening als de klant een beslissing heeft genomen die niet overeenkomt met het gegeven advies van de adviseur. • vastlegging eventuele andere keuze van klant met betrekking tot advies • oversluitadvies, met onderliggende berekeningen. • afspraken over de nazorg nadat het desbetreffende product is verkocht • relevante overige correspondentie en aantekeningen met betrekking tot het advies (bijvoorbeeld correspondentie met klant, hypotheekverstrekker, verzekeraar en derden, (telefoon)notities, faxbevestigingen, e-mails en dergelijke).
De dienstverlener kan het klantdossier zowel in een fysieke als elektronische vorm bewaren.
Voorbeeld Eric werkt als financieel adviseur bij een bank. Hij is Adviseur Hypothecair krediet, Adviseur Vermogen en Adviseur Schadeverzekeringen. Hij ontvangt particuliere relaties van de bank voor allerlei vragen over hun hypothecaire geldlening. Daarnaast maakt Eric eenvoudige financiële planningen om voor de klanten hun inkomensrisico’s na pensionering, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of een onverhoopt overlijden van de partner inzichtelijk te maken. Eric is een serieuze adviseur met een warm hart voor de klant. Hij vindt het belangrijk om zich precies te houden aan de adviestrajectregels van de Wft. Samen met zijn persoonlijke ondersteuner Janine zorgt hij ervoor dat zijn klantdossiers er altijd goed verzorgd uitzien.
Peter en Maria zijn al jarenlang trouwe klant bij Eric. Zij hebben een afspraak gemaakt met hem omdat zij vanwege de lage rentestand overwegen hun hypothecaire geldlening over te sluiten. De wet schrijft voor dat een financieel advies passend moet zijn. Dat wil zeggen dat het aansluit bij de wensen en situatie van de klant.
Ondanks het feit dat Eric Peter en Maria al jaren als klant van de bank kent en heeft geadviseerd zal hij toch een klantprofiel moeten opstellen. Het betreft immers een advies dat valt onder de Wft-adviestrajectregels.
Zij zullen waarschijnlijk minder tijd besteden aan het klantprofiel, omdat het gaat om controleren, wijzigen en/of aanvullen van de bekende informatie.
1.2.10.1 Bewaarplicht
Volgens de Wft moet het klantdossier minimaal vijf jaar bewaard blijven. Ook 46 het BW stelt deze bewaartermijn. Echter, het is verstandig om het dossier
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT langer te bewaren. Het advies is om het klantdossier minimaal te bewaren gedurende de looptijd van het product en/of de klantrelatie.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de financieel dienstverlener kent, volgens de polisvoorwaarden, in de meeste gevallen ook een bewaarplicht gedurende de looptijd van het product en/of het advies.
1.2.11 Klachten afhandelen
Het kan voorkomen dat klanten ontevreden zijn over het financiële product of de financiële dienst. Ze kunnen dan een klacht indienen. Een klacht is elke uiting van ontevredenheid over een dienst, een persoon of een product.
1.2.11.1 Regelgeving en klachtenafhandeling7
Volgens de Wft moet een financieel dienstverlener een klacht goed afhandelen. Een dienstverlener moet zorgen voor: • een interne klachtenprocedure (IKP). De doelstelling van de procedure is dat de dienstverlener klachten juist en op tijd afhandelt. De dienstverlener moet de klachtenprocedure schriftelijk vastleggen. Ook moet de dienstverlener zijn klanten informeren over het bestaan van de klachtenprocedure. • aansluiting bij een erkend klachteninstituut. De minister van Financiën moet een klachteninstituut erkennen. Tot nu toe zijn er twee klachteninstituten erkend. Dit zijn het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) en de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ).
1.2.11.2 Klachtenadministratie
Bij een klachtenprocedure hoort een klachtenadministratie. In deze administratie staan minimaal de volgende gegevens: • gegevens klager • schriftelijke klacht van de klant • omschrijving van de klacht • wijze van afhandeling.
Uit de administratie moet blijken hoe en wanneer er op de klacht is gereageerd. Ook geeft de dienstverlener aan wat het gevolg is geweest van de reactie op de klacht. Dat kan bijvoorbeeld door het bewaren van kopieën van brieven of door aantekeningen van telefoongesprekken.
7 Hoofdstuk 7 BGfo. 47
De dienstverlener moet de klachtenadministratie minimaal vijf jaar náde afhandeling van de klacht bewaren. Ook hiervoor geldt dat het verstandig is de klachtenadministratie langer te bewaren.
1.2.11.3 Snelheid afhandelen klacht
De dienstverlener moet klachten binnen een redelijke termijn afhandelen. In navolgend schema staat wat een redelijke termijn is.
Ontvangst Ontvangstbevestiging + reactie Cliënt kan klacht klacht wanneer klacht wordt afgehandeld rechtstreeks indienen bij erkend klachteninstituut
binnen twee vanaf: weken • zes weken na ontvangstbevestiging; of • acht weken na indienen van de klacht
Een klant moet zijn klacht eerst voorleggen aan de financieel dienstverlener bij wie hij het financieel product of de dienst heeft afgenomen. Vervolgens ontvangt hij binnen twee weken een ontvangstbevestiging van de desbetreffende dienstverlener. De klager kan de klacht rechtstreeks voorleggen aan het erkend klachteninstituut. Dit kan zes weken na het ontvangen van de ontvangstbevestiging, of acht weken na het indienen van de klacht. Het is hierbij niet van belang of de klacht is afgewezen of dat de financieel dienstverlener niet heeft gereageerd. De termijnen worden verlengd als verdere informatie nodig is om de klacht goed af te kunnen handelen.
De verlenging is de tijd die nodig is om de benodigde informatie te krijgen. Een goede klachtenafhandeling is belangrijk omdat hiermee de klanttevredenheid wordt vergroot. Ook kan de financieel dienstverlener de klacht zien als belangrijk signaal en gebruiken om de eigen bedrijfsvoering te verbeteren.
1.2.11.4 Digitaal klachtenloket Kifid
Vanaf halverwege 2015 is het voor consumenten ook mogelijk om digitaal een klacht in te dienen bij het Kifid. Het indienen van een digitale klacht verloopt via ‘Mijn Kifid’ in de volgende stappen, de consument: 1. geeft aan in welke hoedanigheid hij een klacht indient: als consument of als vertegenwoordiger van een consument. 2. geeft de kenmerken op van de financiële dienstverlener tegen wie hij een 48 klacht wil indienen.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT 3. omschrijft de klacht, geeft een mogelijke oplossing en geeft aan of hij financiële schade heeft geleden en, zo ja, hoeveel deze bij benadering bedraagt. 4. omschrijft wat voor type klacht hij heeft: hij kan bijvoorbeeld kiezen uit bankproducten, hypotheken, schade- en levensverzekeringen. Bij deze stap kunnen documenten worden geüpload. 5. accepteert ten slotte de privacyverklaring.
Het is de bedoeling dat het Kifid op termijn alle klachten digitaal afwikkelt.
1.2.11.5 Klachtenbegeleiding Kifid
Kifid begeleidt vanaf 6 juni 2016 naar aanleiding van klachten van consumenten deze consumenten beter in de klachtenprocedure en heeft deze begeleiding uitgebreid met klachten die voortkomen uit onbegrip of uit onvrede over bejegening, tijdens de dienstverlening of de interne klachtenprocedure.
Kifid wil de werkelijke klacht van de consument achterhalen en eventueel ‘de klacht achter de klacht’ serieus behandelen. Die is soms anders dan de klacht zoals die is geformuleerd.
Kifid wil consumenten ook helpen om hun klacht en vordering zo duidelijk mogelijk te verwoorden. Het anders formuleren van de klacht en het doorvragen naar relevante stukken kan betekenen dat de consument wel gelijk krijgt, terwijl dit anders zou zijn geweest als Kifid verzuimd had door te vragen of niet had verzocht om specifieke stukken.
1.2.12 Toezicht en onderzoek door de AFM
De AFM houdt toezicht op de naleving van de Wft. Naast het verlenen van vergunningen doet de AFM ook onderzoek bij ondernemingen om te controleren of de wetten en regels worden nageleefd. Als de AFM tot de conclusie komt dat een onderneming een wet of regel overtreedt, kan zij overgaan tot het opleggen van handhavingsmaatregelen, zoals een boete of een last onder dwangsom. Een onderneming kan bezwaar maken tegen een maatregel van de AFM en kan bovendien bij de rechter in beroep gaan tegen een eventuele uitspraak van de AFM.
De AFM kan de volgende maatregelen treffen: • normoverdragend gesprek of waarschuwing • openbare waarschuwing door persbericht • plaatsing op een waarschuwingenlijst • aanwijzing • een boete of een last onder dwangsom 49
• heenzenden van bestuurders • intrekken van de vergunning • opleggen van een toezegging • overdragen van een zaak aan het Openbaar Ministerie door aangifte van een strafbaar feit te doen.
Voordat de AFM overgaat tot het opleggen van een maatregel doet zij altijd eerst grondig onderzoek. Bij het bepalen van de maatregel houdt de AFM rekening met relevante omstandigheden zoals: • in welke mate consumenten zijn benadeeld door de overtreding en zo ja, of zij door de overtreder uit eigen beweging zijn gecompenseerd. • wat de duur van de overtreding is geweest. • in hoeverre de overtreder medewerking heeft verleend aan het onderzoek. • de verwijtbaarheid van de overtreding. • wat de financiële draagkracht van de overtreder is. • of er sprake is van een overtreding bij herhaling. • in welke mate de overtreding verwijtbaar is. • in welke mate de overtreder door de overtreding voordeel heeft verkregen. • of de overtreder uit eigen beweging de overtreding heeft beëindigd. • wat het economisch effect van de toezichtsmaatregel op de overtreder is. • of de overtreding heeft geleid tot marktverstoring. • of door de overtreding het vertrouwen in de markt is geschaad.
Voordat de AFM overgaat tot het opleggen van een handhavingsmaatregel krijgt een financiële dienstverlener de mogelijkheid om zijn zienswijze te geven op een voorgenomen handhavingsmaatregel. De AFM verstuurt een financiële dienstverlener daarom meestal eerst een ‘voornemen’. Als de financieel dienstverlener het oneens is met een beslissing van AFM kan hij in bepaalde gevallen daartegen bezwaar maken.
WET OP HET FINANCIEEL TOEZICHT
2. OVERIGE WET- EN REGELGEVING
2.1 INLEIDING
Naast de branchespecifieke regels uit de Wft krijgt u als hypothecair planner ook te maken met andere wet- en regelgeving. Branche- en beroepsorganisaties stellen eigen gedrags- en beroepscodes op om de professionaliteit en integriteit van financieel dienstverleners te waarborgen. De Nederlandse Vereniging van Hypothecair Planners (NVHP) heeft in dit kader ook haar eigen regels en bepalingen opgesteld om de kwaliteit van hypotheekadvies te verbeteren. Deze zijn vastgelegd in de statuten, het huishoudelijk reglement, de gedragscode en het reglement van de commissie van beroep. Raadpleegt u deze documenten op de website van de NVHP: www.hypothecairplanner.nl.
De NVHP houdt zich zeer actief bezig met activiteiten ter verbetering van de kwaliteit van adviezen zoals die door Erkend Hypothecair Planners worden gegeven. Dit doet de NVHP onder meer door het verzorgen van kennis en vaardigheidssessies (Masterclasses) ten behoeve van haar leden. In het kenniscentrum kunt u bekijken waar u gebruik van kunt maken. U vindt er onder andere een selectie van verschillende interessante publicaties, belangrijke jurisprudentie en voorbeelddocumenten.
Naast deze branchegerichte regelgeving geldt ook algemene wetgeving die relevant is voor verschillende beroepsgroepen, zoals de civiele zorgplicht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De AVG bevat richtlijnen voor het zorgvuldig en professioneel omgaan met klantgegevens, waaronder specifieke regels voor de veilige verwerking van medische informatie. Daarnaast is het essentieel om fraude te kunnen herkennen en voorkomen en om hier op een professionele manier 53
mee om te gaan. In dit kader is het van belang uw klant goed te kennen. In deze module gaan we verder in op klantonderzoek en de meldingsplicht zoals vastgelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft).
2.2 ZORGPLICHT BURGERLIJK WETBOEK
Zoals vaker vermeld, bevat ook het BW8 regels over de werkwijze van een adviseur. De adviseur moet een goede opdrachtnemer zijn en heeft de verplichting om de klant op de hoogte te houden van zijn werkzaamheden en diens belangen te bewaken. De overeenkomst tussen klant en adviseur is een overeenkomst van opdracht, waarbij de klant erop mag vertrouwen dat de adviseur een zorgvuldig en professioneel advies geeft. De regels uit het BW behoren tot het privaat- of civielrecht, wat betekent dat ze van toepassing zijn op de relatie tussen burgers onderling, zonder directe inmenging van de overheid.
Als een klant van mening is dat hij schade lijdt door onprofessioneel of niet-integer handelen van de adviseur, kan hij de adviseur daarop aanspreken. Op basis van regelgeving uit bijvoorbeeld het BW of de Wft heeft de klant de mogelijkheid om een klacht in te dienen of een schadeclaim voor te leggen aan de rechter.
2.3 WET TER VOORKOMING VAN WITWASSEN EN FINANCIEREN VAN TERRORISME
De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is ontstaan uit de samenvoeging van de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) en de Wet identificatie bij dienstverlening (Wid). Het doel van de Wwft is het tegengaan van witwassen en de financiering van terrorisme. Witwassen houdt in dat illegaal verkregen vermogen wordt omgezet in legaal ogend kapitaal, zodat de oorspronkelijke, criminele herkomst niet meer zichtbaar is. Van terrorismefinanciering is sprake wanneer vermogen wordt ingezet om terroristische activiteiten te ondersteunen of mogelijk te maken.
2.3.1 Doel en toepassing van de Wwft
De Wwft heeft als doel het tegengaan van witwassen van opbrengsten uit misdrijven en de financiering van terrorisme. De wet is van toepassing op
54 8 A rt. 7:401 BW.
OVERIGE WET- EN REGELGEVING financiële instellingen, evenals op notarissen, belastingadviseurs, accountants en andere beroepsgroepen die betrokken zijn bij financiële transacties of advisering. De belangrijkste verplichtingen onder de Wwft zijn het uitvoeren van klantonderzoek en de meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties.
2.3.2 Klantonderzoek
Het klantonderzoek is bedoeld om het risico te beoordelen bij het aangaan van een klantrelatie of het uitvoeren van een transactie. Een financieel dienstverlener moet weten met wie hij zaken doet en mag alleen relaties aangaan met personen of entiteiten die zijn integriteit niet in gevaar brengen. De aard en diepgang van het onderzoek hangen af van de risicobeoordeling die de financieel dienstverlener maakt voor de betreffende klant.
Volgens de Wwft is een financieel dienstverlener verplicht om een klantonderzoek uit te voeren: • vóór het aangaan van een zakelijke relatie of het uitvoeren van een incidentele transactie; • bij een transactie waarbij een bedrag van € 15.000 of meer in contanten wordt ontvangen of betaald, ongeacht of dit in één keer of in delen gebeurt; • bij signalen of vermoedens dat de klant betrokken is bij witwassen of de financiering van terrorisme; • als er twijfel bestaat over de juistheid of betrouwbaarheid van eerder verstrekte klantgegevens.
2.3.2.1 Uitzonderingen op hoofdregels klantonderzoek
Een instelling kan ervoor kiezen om de identificatie van de klant of ultimate beneficial owner (UBO) tijdens de dienstverlening te voltooien, zodat de normale zakelijke processen zo min mogelijk worden verstoord. Dit is echter alleen toegestaan in situaties met een laag risico en onder de voorwaarde dat de identificatie zo snel mogelijk na het eerste contact wordt afgerond.
Daarnaast biedt de Wwft enkele uitzonderingen waarbij het uitvoeren van een cliëntenonderzoek niet verplicht is voor bepaalde zakelijke relaties of transacties..
2.3.2.2 Drie vormen van klantonderzoek
De Wwft onderscheidt drie vormen van klantonderzoek: normaal onderzoek, vereenvoudigd onderzoek en verscherpt onderzoek. In de meeste gevallen moet een normaal onderzoek worden uitgevoerd, tenzij een vereenvoudigd 55
onderzoek is toegestaan of een verscherpt onderzoek vereist is. Dit wordt ook wel een ‘standaard-’ of ‘gewoon’ onderzoek genoemd.
Een normaal onderzoek bestaat uit verschillende stappen. Allereerst vindt de identificatie plaats, waarbij de gegevens van de klant worden verzameld. Vervolgens worden deze gegevens geverifieerd om de juistheid te controleren. Daarnaast moet de aard en het doel van de zakelijke relatie worden vastgesteld, waarbij bij twijfel nader onderzoek nodig is. Tot slot is een voortdurende controle van de zakelijke relatie vereist om risico’s te blijven monitoren.
In de onderstaande tabel wordt weergegeven welke gegevens nodig zijn voor de identificatie van de klant.
Natuurlijke persoon Rechtspersoon Achternaam en voorletters Statutaire naam Adres, postcode en woonplaats Handelsnaam/-namen Geslacht Adres, postcode en vestigingsplaats Burgerservicenummer (BSN)* Registratienummer bij het Handelsregister Aard, nummer en datum uitgifte Plaats van vestiging van het identiteitsbewijs Handelsregister Handtekening Aard van dienstverlening Aard van dienstverlening Bij vertegenwoordiger: naam en geboortedatum van degene die wordt vertegenwoordigd Schriftelijke volmacht: alleen Gegevens over de eventuele ‘ultimate bij vertegenwoordiging van een beneficial owner’ (UBO) natuurlijk persoon (niet bij een minderjarige) * geen wettelijk vereiste
Nadat de identiteit is vastgesteld, moet deze worden geverifieerd met een geldig en origineel identiteitsbewijs. Dit kan een Nederlands paspoort, rijbewijs, identiteitskaart van een Nederlandse gemeente, Europese identiteitskaart of een Nederlands document zijn waarmee een niet-Nederlander zijn identiteit en verblijfsrechtelijke status kan aantonen. De adviseur moet het identiteitsbewijs op echtheid controleren en mag niet afgaan op een kopie die door de klant is verstrekt. Voor de identificatie van rechtspersonen is een gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de KvK of een notariële akte met de statuten van de rechtspersoon vereist.
OVERIGE WET- EN REGELGEVING Als een persoon eenmaal correct is geïdentificeerd met een geldig identiteitsbewijs, hoeft de adviseur deze niet opnieuw te identificeren wanneer het document verloopt. De identificatiegegevens moeten minimaal vijf jaar na de beëindiging van de laatste overeenkomst met de betreffende klant worden bewaard.
Het BSN is een uniek persoonsnummer dat vermeld staat in paspoorten, rijbewijzen en identiteitskaarten en is primair bedoeld voor communicatie tussen burgers en de overheid. De Wwft vereist niet dat dienstverleners het BSN opvragen en opslaan. Dit mag alleen als het al op het identiteitsbewijs staat dat de klant toont. De dienstverlener mag niet expliciet vragen naar het BSN als dit ontbreekt op het identiteitsbewijs. Daarnaast mogen organisaties buiten de overheid het BSN alleen verwerken als daar een wettelijke basis voor is en uitsluitend voor het specifieke doel dat in de wet is vastgelegd. Een aanbieder van financiële producten en diensten mag bijvoorbeeld geen BSN opvragen bij een offerteaanvraag, maar pas wanneer er daadwerkelijk een klantrelatie bestaat. Zelfs met toestemming van de klant is dit niet toegestaan.
Tussenpersonen mogen het BSN van een klant niet verwerken bij bemiddeling tussen de klant en een aanbieder van financiële producten, tenzij dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van een rechtshandeling en de klant de tussenpersoon hiervoor expliciet een volmacht heeft gegeven. In het geval van het afsluiten van een hypothecaire geldlening in opdracht van de klant, wordt dit gezien als een noodzakelijke rechtshandeling en mag het BSN worden verwerkt. De tussenpersoon moet altijd kunnen aantonen dat het verwerken van het BSN rechtmatig is.
Bij het klantonderzoek geldt de verplichting om de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende (ultimate beneficial owner, UBO) te identificeren en verifiëren. Een UBO is een natuurlijk persoon die ten minste 25 procent van de aandelen of zeggenschap heeft in een onderneming of stichting die als opdrachtgever optreedt.
In sommige gevallen kan een vereenvoudigd klantonderzoek worden toegepast, zoals bij klanten die al onder toezicht van de Wwft vallen. Dit geldt bijvoorbeeld voor kredietinstellingen, financiële instellingen en beursgenoteerde ondernemingen. De financieel dienstverlener moet kunnen aantonen dat is gecontroleerd of de klant onder toezicht staat, bijvoorbeeld door een controle in de vergunningenregisters van de AFM of DNB. Naast een KvK-uittreksel kan een print van deze registratie in het dossier worden opgenomen.
Een verscherpt onderzoek is verplicht in drie situaties: wanneer er een verhoogd risico is op witwassen of terrorismefinanciering, wanneer de 57
persoon niet fysiek aanwezig is bij de identificatie of wanneer de klant een politiek prominente persoon (PEP) is zonder Nederlandse nationaliteit. Bij een verhoogd risico kan de minister van Veiligheid en Justitie specifieke zakelijke relaties en transacties aanwijzen waarbij extra waakzaamheid geboden is. Als de klant niet fysiek aanwezig is, moet de dienstverlener aanvullende documenten of gegevens opvragen en verifiëren, naast een kopie van het identiteitsbewijs.
Een PEP is bijvoorbeeld een staatshoofd, ambassadeur, minister of een directielid van een centrale bank, evenals hun directe familieleden. Dienstverleners moeten een procedure hebben om te controleren of een klant een PEP is. Kleine dienstverleners die weinig buitenlandse klanten hebben, kunnen hiervoor een eenvoudige online zoekopdracht uitvoeren, terwijl grotere dienstverleners gebruik kunnen maken van commerciële databases met lijsten van PEP’s.
2.3.2.3 Risicoclassificatie
De wet vereist dat instellingen klanten indelen in verschillende risicocategorieën op basis van de aard en omvang van het risico. De manier waarop cliëntidentificatie, verificatie, acceptatie en monitoring plaatsvinden, moet worden afgestemd op de bijbehorende risicocategorie. In de praktijk worden de meest gebruikte risicocriteria onderverdeeld in cliëntrisico, productrisico en land- of geografisch risico. Hoe hoger het risico, des te meer aanvullende maatregelen een instelling moet nemen. Instellingen hebben de vrijheid om hun risicoclassificatie op eigen wijze vorm te geven, zolang deze in lijn is met de wet- en regelgeving.
2.3.2.4 Onacceptabel risico
Instellingen zijn verplicht beleid op te stellen en vast te leggen voor klanten die een onacceptabel risico vormen. In dergelijke gevallen moet de instelling de klant weigeren. Als een bestaande klant later als onacceptabel risicovol wordt beschouwd, is de instelling verplicht de relatie met deze klant te beëindigen.
2.3.3 Meldingsplicht
Financieel dienstverleners hebben, naast het uitvoeren van een klantonderzoek, een wettelijke meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties. Op basis van specifieke indicatoren moet worden vastgesteld of een transactie gemeld moet worden bij FIU-Nederland. Het niet melden van een dergelijke transactie kan leiden tot een boete of zelfs strafrechtelijke gevolgen voor de 58 dienstverlener.
OVERIGE WET- EN REGELGEVING 2.3.3.1 UBO-register
Het register voor ‘ultimate beneficial owners’ (uiteindelijk belanghebbenden), beter bekend als het ‘UBO-register’, is op 26 juni 2017 ingevoerd. Het doel van dit register is het voorkomen en bestrijden van witwaspraktijken, terrorismefinanciering en belastingontduiking.
In Nederland is het UBO-register openbaar, waardoor iedereen tegen een kleine vergoeding kan opzoeken wie de uiteindelijk belanghebbende van een entiteit is. Om de privacy van de betrokkenen te beschermen, zijn er echter enkele waarborgen aan het register verbonden.
2.3.3.2 FIU-Nederland
De Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU-Nederland), ook bekend als de Financiële Inlichtingen Eenheid (FIE), is de organisatie waar instanties ongebruikelijke transacties kunnen melden. Het primaire doel van FIU-Nederland is het voorkomen van misdaad, met een specifieke focus op het tegengaan van witwassen en de financiering van terrorisme. Transacties die door de FIU-Nederland als verdacht worden aangemerkt, worden direct doorgegeven aan de bevoegde opsporingsdiensten.
De taken van FIU-Nederland omvatten het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van ongebruikelijke transacties, evenals onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van witwassen. Daarnaast werkt de organisatie aan het verbeteren van methoden om witwassen te voorkomen en op te sporen, biedt zij voorlichting om witwaspraktijken te bestrijden en onderhoudt zij contacten met vergelijkbare overheidsinstanties in het buitenland.
2.3.3.3 Government Against Money Laundering (goAML)
FIU-Nederland maakt gebruik van de applicatie goAML, wat staat voor Government Against Money Laundering (overheid tegen het witwassen van gelden). Met deze applicatie kunnen dienstverleners ongebruikelijke transacties via internet melden, mits zij zich vooraf registreren. Na het indienen van een melding ontvangt de melder digitaal een vrijwaringsbewijs en eventuele foutmeldingen. De vrijwaring dient als bescherming voor melders die ongebruikelijke transacties rapporteren.
2.3.3.4 Geheimhouding meldingen
Een financieel dienstverlener is verplicht tot geheimhouding van gedane meldingen en inlichtingen. De financieel dienstverlener mag de klant wel
informeren over het bestaan van de Wwft en over de inhoud van de indicatoren.
2.3.3.5 Ongebruikelijke transacties
Een transactie wordt als ongebruikelijk beschouwd wanneer deze voldoet aan een of meerdere indicatoren. Deze indicatoren geven nadere invulling aan de meldingsplicht en zijn onderverdeeld in twee categorieën: objectieve indicatoren en subjectieve indicatoren.
Objectieve indicatoren De volgende criteria zijn wettelijk vastgestelde indicatoren waarbij een melding verplicht is: • transacties met (rechts)personen die gevestigd zijn in landen of gebieden die door de Minister van Financiën en de Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangemerkt als een onaanvaardbaar risico voor witwassen of terrorismefinanciering. • transacties die in verband met witwassen aan politie of justitie worden gemeld, moeten ook worden gerapporteerd aan FIU-Nederland. • transacties waarbij reden is om te vermoeden dat ze verband kunnen houden met witwassen of de financiering van terrorisme. • contante transacties met een waarde van € 15.000 of meer, waarbij een omwisseling plaatsvindt naar een andere valuta of van kleinere naar grotere coupures. Dit criterium geldt specifiek voor banken.
Subjectieve indicatoren Bij subjectieve indicatoren moet de adviseur op basis van zijn professionele oordeel bepalen of een transactie als ongebruikelijk moet worden gemeld. Als hulpmiddel hiervoor heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) algemene richtlijnen opgesteld die praktische handvatten bieden voor de beoordeling van transacties. Deze richtlijnen worden periodiek geëvalueerd om te waarborgen dat ze actueel en effectief blijven. Ze zijn gebaseerd op een analyse van meer dan honderd internationale witwaszaken en geven een overzicht van relevante vragen en aandachtspunten binnen de belangrijkste risicocategorieën.
2.3.3.6 Meldingstermijn
Een dienstverlener is verplicht een ongebruikelijke transactie, evenals een beoogde of voorgenomen ongebruikelijke transactie, zo snel mogelijk te melden. De melding moet binnen 14 dagen worden gedaan, of eerder indien dit feitelijk mogelijk is na een zorgvuldige beoordeling.
OVERIGE WET- EN REGELGEVING 2.3.3.7 Inwerkingtreding vierde anti-witwasrichtlijn
Met de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn is de Wwft per 25 juli 2018 aangescherpt en gewijzigd, wat invloed heeft op de adviespraktijk. Instellingen zijn verplicht een risicoanalyse op te stellen met betrekking tot witwassen en de financiering van terrorisme. Een vereenvoudigd cliëntenonderzoek is alleen toegestaan nadat objectief is vastgesteld dat er sprake is van een laag risico. De definitie van UBO is aangepast en er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse PEP’s. Daarnaast is het verplicht om een compliance- en auditfunctie in te richten, mits dit in verhouding staat tot de aard en omvang van de onderneming.
2.3.3.8 Voorbeelden voor hypothecair planner
Aankoop woning ten behoeve van criminele doeleinden Uit onderzoek blijkt dat particuliere huurwoningen en opslagruimtes regelmatig door criminelen worden gebruikt voor illegale activiteiten, zoals de productie van drugs, de opslag van wapens of als onderduikadres.
Ondermijning is een vorm van criminaliteit waarbij de grens tussen de onder- en bovenwereld vervaagt. Criminelen richten bedrijven op, vragen vergunningen aan en kopen of huren panden voor criminele doeleinden. Hierbij maken zij gebruik van de diensten van onder andere makelaars, autoverhuurbedrijven, administratiekantoren en notarissen, waardoor legitieme sectoren ongewild betrokken raken bij illegale activiteiten.
Dit fenomeen leidt ertoe dat zowel bedrijven als overheidsinstanties onbedoeld een rol spelen in criminele netwerken. Slachtoffers van ondermijning kunnen onder meer gemeenten, makelaars, notarissen, horecabedrijven, energieleveranciers en vervoerders zijn. Dergelijke organisaties kunnen worden misbruikt voor witwaspraktijken, terwijl criminelen zich soms zelfs laten infiltreren in bedrijven om hun illegale activiteiten uit te voeren.
Aankoop woning ten behoeve van belastingfraude Belastingfraude, oftewel belastingontduiking, houdt in dat belastingplichtigen door het geven van een onjuist beeld van hun financiële situatie minder of geen belasting betalen, of onterecht bepaalde fiscale voordelen verkrijgen. Fraude kan betrekking hebben op verschillende belastingen en kan op diverse manieren worden gepleegd. Dit kan door het verzwijgen van inkomsten of vermogen, het onterecht opvoeren of opblazen van aftrekposten, of het gebruik van valse facturen en bonnetjes. Ook kan men een situatie simuleren om ten onrechte aanspraak te maken op bepaalde fiscale faciliteiten of gunstige tarieven.
In de praktijk komen verschillende vormen van belastingfraude voor bij de aankoop van een woning. Het is daarom van groot belang dat u als hypothecair planner alert bent op signalen die kunnen wijzen op misbruik.
Voorbeeld Een 54-jarige man uit Capelle aan den IJssel is aangehouden op verdenking van witwassen. De aankoop van een woning zonder hypotheek deed alarmbellen rinkelen.
De FIOD heeft de man eind vorige week aangehouden en zijn woning en een bedrijfspand in Vlaardingen doorzocht. Daarbij is beslag gelegd op fysieke en digitale administratie, € 80.000 contant geld en een woning.
Die woning was de aanzet tot het onderzoek: de man kocht het huis voor ruim € 200.000, maar er was geen hypotheek mee gemoeid. ‘Het is niet duidelijk hoe de aanschaf van de woning is gefinancierd. Uit gegevens van de Belastingdienst komt naar voren dat de verdachte niet kon beschikken over voldoende legale inkomsten of vermogen om de woning te kunnen betalen’, aldus de FIOD. Die vermoedt dat criminele inkomsten de aankoop van de woning mogelijk hebben gemaakt. ‘Daarnaast had de man tot voor kort een luxe auto op zijn naam staan, waarvan eveneens onbekend is hoe hij deze heeft kunnen bekostigen.’ Bron: www.accountancyvanmorgen.nl, 22 juni 2020
Voorbeeld De FIOD heeft maandag 11 november 2019 een woning doorzocht in Schiedam. Dit gebeurde in een witwasonderzoek onder leiding van het Functioneel Parket. Bij de doorzoeking is beslag gelegd op digitale en fysieke administratie. Daarnaast is beslag gelegd op drie woningen, twee auto’s, bankrekeningen, debitcards, contant geld en diverse luxe tassen, zonnebrillen en horloges.
Het onderzoek richt zich op een 36-jarige vrouw uit Schiedam. Op papier beschikt zij over weinig tot geen legale inkomsten. Toch kon zij de afgelopen jaren vijf panden aankopen, deze luxe laten verbouwen en renoveren zonder enige hypotheek. De panden werden grotendeels via contante betalingen of money transfers verhuurd. In een van de panden werd vorig jaar een hennepplantage aangetroffen.
Het vermoeden is dat verdachte de panden gekocht heeft met criminele inkomsten. Door de aankoop van onroerend goed en latere verhuur heeft zij de inkomsten vermoedelijk witgewassen.
De aanpak van witwassen heeft prioriteit bij de overheid, omdat het van groot belang is voor de effectieve bestrijding van ondermijning en allerlei vormen van 62 ernstige criminaliteit. Hieronder valt ook de aanpak van onverklaarbaar vermo-
gen. Het gaat om personen met een levensstijl die niet aansluit bij hun officieel
OVERIGE WET- EN REGELGEVING geregistreerde inkomen en hun vermogen. Bron: https://www.fiod.nl/fiod-doorzoekt-pand-in-schiedam-in-witwasonderzoek/, 12 november 2019
Herkennen indicaties mogelijke fraude en criminele doelstellingen Brancheorganisatie VBO heeft een checklist om het risico op een criminele huurder zo klein mogelijk te maken (bijlage 5). Screenen op identiteit en inzage in financiële documenten zijn daarbij de voornaamste middelen.
Zie ook bijlagen 4 en 5 van deze module. In hoofdstuk 3 van deze module gaan wij dieper in op onder andere fraude.
2.4 ALGEMENE VERORDENING GEGEVENSBESCHERMING (AVG)
Sinds mei 2016 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking getreden. Vanaf mei 2018 heeft de AVG de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) in zijn geheel vervangen. De AVG is ook wel bekend onder de Engelse naam: General Data Protection Regulation (GDPR).
De AVG stelt strengere eisen en voorwaarden dan de Wbp. Een voorbeeld hiervan is dat de rechten van burgers versterkt worden en de verplichtingen van organisaties op dit gebied toenemen. Dit omdat bescherming van privacy als heel belangrijk wordt gezien.
In het geval er in strijd gehandeld wordt met de AVG kan een maximale boete worden opgelegd van € 2.000.000 of vier procent van de jaarlijkse wereldwijde omzet als het om een onderneming gaat.
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) heeft aanzienlijke invloed op hoe u als hypothecair planner omgaat met persoonsgegevens. De AVG beschermt de privacy van klanten en stelt strikte regels voor het verzamelen, opslaan, verwerken en delen van persoonlijke gegevens.
Als hypothecair planner bent u een verwerkingsverantwoordelijke en dus verantwoordelijk voor een veilige en legale verwerking van klantgegevens. Van u wordt transparantie verwacht over welke gegevens u verzamelt, met welke reden u deze gegevens nodig heeft en hoe u ze verwerkt. Klanten moeten worden geïnformeerd over hun rechten, zoals inzage en correctie van hun gegevens.
Voor het verwerken van persoonsgegevens is expliciete toestemming van de klant vereist, tenzij er een andere wettelijke basis is, zoals het uitvoeren van een contract. Toestemming moet vrijelijk gegeven, specifiek en ondubbelzin- 63
nig zijn. Daarnaast geldt het principe van gegevensminimalisatie: verzamel alleen de gegevens die noodzakelijk zijn voor de hypotheekaanvraag of het advies en vermijd het bewaren van onnodige informatie.
Er wordt van u verwacht dat u passende technische en organisatorische maatregelen neemt om klantgegevens te beschermen tegen verlies, diefstal of onbevoegde toegang. Dit kan onder meer versleutelde communicatie en veilige opslag van documenten omvatten. In geval van een datalek bent u verplicht dit binnen 72 uur te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en, indien nodig, ook bij de betrokken klanten.
Klanten hebben het recht om hun persoonsgegevens in te zien, te corrigeren, te laten verwijderen of hun toestemming in te trekken. Daarnaast moet u, wanneer u samenwerkt met externe partijen zoals banken, verzekeraars of softwareleveranciers, ervoor zorgen dat zij ook aan de AVG voldoen. Dit wordt vastgelegd in verwerkersovereenkomsten. Om te voldoen aan de AVG, kunt u de volgende maatregelen nemen: • zorg voor toestemmingsformulieren waarin klanten expliciet akkoord gaan met de verwerking van hun gegevens. • stel een duidelijke privacyverklaring op waarin staat hoe u klantgegevens verzamelt, gebruikt en beveiligt. • gebruik versleutelde communicatie bij het versturen van gevoelige informatie. • beperk en controleer de toegang tot klantgegevens in uw systemen. • train eventuele medewerkers in privacyregels en de juiste omgang met persoonsgegevens.
De AP heeft de interactieve tool ‘AVG-regelhulp’ ontwikkeld, die beschikbaar is voor alle organisaties die persoonsgegevens verwerken. Als u de vragen uit de regelhulp beantwoordt, krijgt u een praktisch advies op maat over waar u nog aan moet werken om aan de AVG te (blijven) voldoen. De AVG-regelhulp is ontwikkeld in samenwerking met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Deze online tool helpt u te toetsen of uw organisatie voldoet aan de belangrijkste verplichtingen van de AVG. U kunt de AVG-regelhulp vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Daarnaast biedt de AP een 5-stappenplan aan om ondernemers te ondersteunen bij het op orde brengen van hun AVG-verplichtingen. Dit plan is te raadplegen via de website van de AP.
Voorbeeld
OVERIGE WET- EN REGELGEVING Trudy is een financieel adviseur die zeer empathisch is ingesteld. Juist omdat ze zich emotioneel zo betrokken voelt bij haar klanten, neemt ze de verhalen vaak mee naar huis. ’s Avonds aan tafel moet zij die gewoon even kwijt. Gelukkig heeft zij een fijne echtgenoot die haar verhalen geduldig aanhoort.
Trudy vindt dat zij hierbij altijd integer handelt. Zij zal nooit de naam van de klant noemen. Zij vertrouwt haar echtgenoot volledig. Hij zal de verhalen zeker voor zich houden.
Collega Daan denkt daar duidelijk anders over. Hij vindt dat verhalen over klanten niet aan derden verteld horen te worden. Zelfs niet als je de namen van de betrokkenen achterwege laat en het alleen maar vertelt aan je eigen partner.
Daan heeft helemaal gelijk. Alle informatie die gegevens bevat over natuurlijke personen, waarmee die persoon identificeerbaar is, wordt gezien als klantgegevens. Dit is dus een heel ruim begrip. Trudy’s gedrag is daarom in strijd met de AVG.
In bijlage 7 van deze module vindt u de AVG in een notendop en in bijlage 8 een checklist. Beide documenten vindt u ook op https://autoriteitpersoonsgegevens.nl
3. PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR
3.1 INLEIDING
Elke adviseur is uniek, net als elke klant en diens adviesvraag. Hierdoor zal geen klantgesprek hetzelfde zijn. Toch moet elke adviseur beschikken over een aantal basisvaardigheden en inzichten om vakkundig en integer te kunnen adviseren. Hoewel de exacte vorm en inhoud van een adviestraject kunnen variëren, blijven de kernfasen binnen elk traject grotendeels gelijk. Hetzelfde geldt voor de opbouw en inhoud van klantdossiers.
De grondhouding van een financieel dienstverlener moet altijd consistent zijn, ongeacht persoonlijke kwaliteiten of stijl. Een professionele adviseur handelt correct en in het belang van de klant, is integer en beschikt over de benodigde kennis en inzichten om deskundig te adviseren. Daarnaast is empathie essentieel om de klantwensen en -behoeften goed te begrijpen. Sterke communicatieve vaardigheden en het vermogen om te gaan met verschillende gedragsstijlen zijn onmisbaar, zowel in persoonlijke gesprekken als bij schriftelijke communicatie.
In dit hoofdstuk ligt de focus op de persoonlijke vaardigheden en competenties die essentieel zijn voor elke adviseur. Deze vaardigheden maken het mogelijk om binnen de grenzen van de wetgeving effectief te handelen in het belang van de klant. Dit is geen uitgebreide vaardigheidstraining, maar een praktische voorbereiding op de belangrijkste competenties die in de dagelijkse adviespraktijk nodig zijn.
Daarnaast biedt dit onderdeel ondersteuning bij de voorbereiding op het assessment, dat deel uitmaakt van het examen voor Erkend Hypothecair Planner.
3.2 PROFESSIONEEL GEDRAG
3.2.1 Contact met (potentiële) klanten
3.2.1.1 Categorieën klanten
Een adviseur binnen de financiële dienstverlening zal contact moeten leggen en onderhouden met klanten. Het begrip ‘klant’ is een ruim begrip. Afhankelijk van het soort klant heeft deze een bepaalde dienstverlening nodig van de adviseur. Klanten zou u daarom kunnen onderverdelen in de volgende categorieën: • consumenten • MKB-ondernemers • grootzakelijke klanten • doelgroepen: – consumenten met/zonder onderneming – klanten met/zonder eigen woning – inkomen en vermogen – productsoorten – leeftijd et cetera.
3.2.1.2 De kwetsbare klant
Een kwetsbare klant is iemand die extra ondersteuning en zorgvuldige advisering nodig heeft bij het nemen van financiële beslissingen rondom een hypothecaire geldlening. Dit kan komen door factoren die de financiële stabiliteit en het beslissingsvermogen beïnvloeden, zoals een onzeker inkomen, persoonlijke omstandigheden of een gebrek aan financiële kennis.
We beschouwen een klant als kwetsbaar wanneer één of meerdere van de volgende factoren van toepassing zijn: • financiële kwetsbaarheid: klanten met lage of onzekere inkomens, schulden, een gebrek aan financiële buffers of afhankelijkheid van toeslagen lopen een groter risico op financiële problemen. • levensgebeurtenissen en persoonlijke omstandigheden: echtscheiding, overlijden van een partner, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of gezondheidsproblemen kunnen de financiële situatie van een klant drastisch beïnvloeden.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR • beperkte financiële kennis en vaardigheden: jongeren die voor het eerst een huis kopen, mensen met lage financiële geletterdheid en ouderen met onvoldoende kennis over pensioen en hypotheeklasten kunnen moeite hebben met het begrijpen van complexe financiële producten. • emotionele of psychologische kwetsbaarheid: klanten die onder hoge stress staan of mentale gezondheidsproblemen hebben, kunnen moeite hebben met het maken van weloverwogen financiële beslissingen.
Een hypothecair planner speelt een cruciale rol bij het begeleiden van kwetsbare klanten en kan hen ondersteunen door: • duidelijke en transparante uitleg van hypotheekvoorwaarden, zodat de klant de gevolgen van zijn keuzes goed begrijpt. • extra begeleiding en geduld om de klant te helpen een weloverwogen beslissing te nemen. • aanbieden van risicoanalyses en passende oplossingen, zoals overlijdensrisicoverzekeringen, arbeidsongeschiktheidsverzekeringen of hypotheekaanpassingen bij inkomensverlies. • verwijzing naar specialisten zoals een budgetcoach, mediator, notaris of juridisch adviseur bij complexe situaties zoals echtscheiding of problematische schulden.
Kwetsbare klanten lopen een groter risico op financiële problemen als ze een hypothecaire geldlening afsluiten die niet goed aansluit bij hun situatie. Door als hypothecair planner extra zorgvuldigheid te betrachten, kunt u voorkomen dat klanten in betalingsproblemen komen of verkeerde beslissingen nemen die hun financiële toekomst in gevaar brengen.
3.2.1.3 Toegevoegde waarde hypothecaire planning
Als adviseur weet u als geen ander wat de toegevoegde waarde van hypothecaire planning voor een klant is. Wat is anders de reden dat u dit beroep wilt uitoefenen? Wat is uw antwoord als iemand u vraagt ‘Wat doet een hypothecair planner?’.
Om iets aan een ander zodanig uit te kunnen leggen dat deze uw mening deelt en samen met u het hypothecair planningsproces instapt, is het eerst noodzakelijk dat u ruim voldoende kennis heeft van de verschillende vakgebieden om in te schatten of het voor iemand van toegevoegde waarde is en om de essentie van het vak te kunnen benoemen. Ten tweede moet u zelf achter de toegevoegde waarde ervan staan. Ten derde moet u zichzelf en het hypothecair planningsadvies kunnen presenteren.
Wij gaan nu nader in op de vaardigheden van het uzelf presenteren, het uitleggen wat de toegevoegde waarde van het hypothecair planningsproces inhoudt en het presenteren van het hypothecair planningsadvies aan uw klant.
Belang goede eerste indruk Het begin van een contactmoment met een (potentiële) klant heeft u niet altijd helemaal in de hand. De eerste indruk wordt vaak al gevormd voordat u zich daar bewust van bent. Onderzoek toont aan dat mensen binnen enkele minuten beslissen of ze u sympathiek vinden en geïnteresseerd zijn om verder met u in gesprek te gaan.
Uw presentatie als hypothecair planner gaat verder dan alleen wat u zegt. Het draait vooral om wat u uitstraalt en hoe u overkomt. Persoonlijke uitstraling wordt bepaald door uw houding, manier van spreken, oogcontact, loopstijl en kledingkeuze. Dit zijn allemaal zintuiglijk waarneembare aspecten die een grote rol spelen in hoe anderen u beoordelen.
Uit onderzoek blijkt dat het oordeel over een spreker grotendeels wordt gevormd door lichaamstaal (55 tot 70 procent), gevolgd door de stem (10 tot 22 procent) en pas in mindere mate door de inhoud van wat er gezegd wordt (7 tot 18 procent). Dit onderstreept het belang van non-verbale communicatie in een adviesgesprek.
Een goede eerste indruk en sterke communicatieve vaardigheden zijn essentieel in klantgesprekken.
Hier zijn enkele praktische tips die u kunnen helpen om professioneel en overtuigend over te komen. 1. Oogcontact Goed oogcontact bevordert openheid en wordt vaak gezien als een teken van sympathie. Houd oogcontact lang genoeg vast zonder het te intens te maken, draai uw hoofd naar uw gesprekspartner toe en vermijd schichtig wegkijken of neerslaan van de ogen.
2. Benoem de essentie Breng snel de kern van uw rol als hypothecair planner naar voren. Dit houdt de klant geboeid en helpt hem te bepalen of uw dienstverlening bij zijn behoeften past.
3. Handgebaren Gebruik handgebaren om uw boodschap kracht bij te zetten. Krachtige en open gebaren versterken uw woorden, maar let op dat u niet te veel 70 beweegt of friemelt, want dat kan onzeker overkomen.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR 4. Lichaamshouding Sta rechtop met uw schouders naar achteren om zelfvertrouwen uit te stralen. Zit rechtop en leun iets naar voren om betrokkenheid en bereidheid uit te drukken.
5. Stemgebruik Spreek niet te luid en varieer in volume en intonatie. Een zachtere stem trekt aandacht voor belangrijke punten, terwijl een krachtigere stem dynamiek toevoegt. Let op uw spreeksnelheid: een hoger tempo wordt als energiek ervaren, terwijl een te langzaam tempo onzeker of ongeïnteresseerd kan overkomen. Articuleer duidelijk en gebruik intonatie om betekenis en emotie in uw boodschap te leggen.
6. Structuur in uw verhaal Geef vooraf aan wat de bedoeling van het gesprek is en hoeveel tijd het in beslag zal nemen. Dit zorgt voor duidelijkheid en biedt u de kans om uw verhaal op een gestructureerde manier te vertellen.
7. Interactie stimuleren Moedig de klant aan om tussendoor vragen te stellen of opmerkingen te maken. Dit vergroot de betrokkenheid en zorgt ervoor dat de klant actiever luistert.
8. Informatie doseren Onderzoek wijst uit dat mensen slechts drie zaken tegelijk kunnen onthouden. Houd hier rekening mee bij het overbrengen van informatie en focus op de belangrijkste punten.
9. De kracht van stilte We zijn geneigd stiltes snel op te vullen, terwijl deze juist waardevol kunnen zijn. Een korte pauze geeft de klant de tijd om uw verhaal te verwerken en vragen te formuleren. Stiltes van vier seconden of langer kunnen ongemakkelijk aanvoelen, maar kunnen ook een krachtig instrument zijn om de aandacht vast te houden.
3.2.1.4 Presenteren hypothecair planningsadvies
Na het presenteren van uzelf als hypothecair planner is het van belang om uw advies effectief over te brengen aan de klant. Dit advies wordt doorgaans vastgelegd in een adviesrapport, waarvan we de samenstelling elders in deze module bespreken. Veel adviseurs sturen het rapport voorafgaand aan de afspraak naar de klant, zodat deze het kan doornemen en eventuele vragen 71 kan voorbereiden.
Tijdens de bespreking is het belangrijk om een evenwicht te vinden tussen het letterlijk doornemen van het adviesrapport en het uitsluitend bespreken van de essentie. Een effectieve manier om dit te doen, is door de hoofdlijnen in een presentatievorm te bespreken, bijvoorbeeld met PowerPoint, Prezi, een flip-over of een andere visuele ondersteuning. Het adviesrapport kan daarbij als naslagwerk dienen voor verdere details.
Wanneer de bespreking op uw kantoor plaatsvindt, heeft u controle over de omgeving. Zorg vooraf voor een goed ingerichte spreekruimte, met aandacht voor versnaperingen, de wijze waarop u de presentatie toont (bijvoorbeeld met een beamer, iPad/tablet of computer), geprinte en gebonden versies van het adviesrapport voor iedere aanwezige en een agenda voor de bespreking. Voordat u met de presentatie begint, is het verstandig om de klant te vragen of er wijzigingen zijn in zijn persoonlijke of financiële situatie die invloed kunnen hebben op het advies.
Algemene tips voor de presentatie van het advies zijn: • geef aan het begin van de bijeenkomst duidelijk aan hoe lang deze zal duren. Een duur van anderhalf tot twee uur is gangbaar. • begin met een korte samenvatting van het advies om direct de nieuwsgierigheid van de klant te bevredigen en bespreek daarna puntsgewijs de onderdelen van uw advies. • let erop dat de klant uw uitleg begrijpt. Vraag tussendoor of uw verhaal helder is en pas uw taalgebruik zo nodig aan. • wees transparant over welke wensen van de klant wel en niet haalbaar zijn. • bepaal samen met de klant hoe het verdere proces eruitziet, zoals de aanvraag van de hypothecaire lening, de afspraak bij de notaris en eventuele verzekeringsaanvragen.
Door een duidelijke structuur en een klantgerichte aanpak vergroot u de effectiviteit van uw adviesgesprek en helpt u de klant met het maken van een weloverwogen keuze.
3.2.1.5 Verschillende gedragsvoorkeursstijlen
Elke klant heeft een eigen gedragsvoorkeursstijl, net als iedere adviseur. Het is essentieel om u bewust te zijn van uw eigen communicatiestijl en omgangsvormen, zodat u zich professioneel kunt aanpassen aan de stijl van de klant. Een introverte klant heeft meer spreekruimte nodig en zal baat hebben bij open vragen en doorvragen om hem tot spreken te stimuleren. Een extraverte klant daarentegen kan de leiding in het gesprek snel overnemen, waardoor 72 het soms nodig is hem af te remmen. Gesloten vragen of keuzevragen kunnen helpen om het gesprek gestructureerd te houden.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR Een dominant/zakelijk type weet vaak goed wat hij wil, is doelgericht en hecht weinig waarde aan informele gesprekken. Dit type wil snel tot de kern komen en verwacht concrete antwoorden over mogelijkheden, kosten en vervolgstappen.
Een sociaal type waardeert een persoonlijke benadering en voelt zich prettig bij een ontspannen gesprek met een kop koffie. Dit helpt om vertrouwen op te bouwen en informatie gemakkelijker te verkrijgen. Het risico is echter dat het gesprek te lang uitloopt, waardoor efficiënt zakendoen in het gedrang kan komen.
Het actieve, ondernemende type is enthousiast en vol ideeën, maar vaak ongestructureerd. Dit type heeft behoefte aan begeleiding bij het stellen van concrete doelen en het maken van een haalbare financiële planning. De adviseur helpt de klant door risico’s in kaart te brengen en structuur te bieden in zijn plannen.
Een consciëntieus of principieel type is analytisch en houdt niet van veranderingen of financiële verrassingen. Deze klant verwacht gedetailleerde informatie en wil polisvoorwaarden en berekeningen nauwkeurig bestuderen voordat hij een beslissing neemt.
Als professioneel adviseur is het belangrijk om flexibel in uw communicatie te zijn en uw aanpak af te stemmen op de behoeften van de klant. Dit vereist inzicht in uw eigen gedragsstijl en bewustwording van de typen klanten met wie u mogelijk minder gemakkelijk schakelt.
Soms kan er een duidelijke mismatch zijn tussen uw stijl en die van de klant. In dat geval kan het verstandig zijn om de klant over te dragen aan een collega met een communicatiestijl die beter aansluit bij zijn behoeften. Door bewust met gedragsvoorkeuren om te gaan, zorgt u ervoor dat de klant de beste dienstverlening ontvangt en het adviestraject soepel verloopt.
3.2.1.6 Doorverwijzen naar andere professionals
Geen enkele adviseur heeft alle kennis in huis om iedere klantvraag zelfstandig te beantwoorden. Wanneer een vraag buiten uw deskundigheid valt, is het belangrijk om op tijd door te verwijzen naar een collega of een andere professional, zoals een estate planner, notaris of accountant.
Daarnaast is het essentieel om te weten binnen welke grenzen u als adviseur mag opereren op basis van uw Wft-diploma(’s). Een hypotheekadviseur zonder het Wft-diploma Inkomen mag bijvoorbeeld geen advies geven over een integrale arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wel mag hij het inkomens- 73
risico bij arbeidsongeschiktheid bespreken. Zodra de klant dit risico wil afdekken zonder gebruik te maken van een woonlastenbeschermer, moet hij worden doorverwezen naar een collega met het juiste diploma.
Hetzelfde geldt voor pensioenvoorzieningen. Hoewel u de inkomensstromen bij ouderdom en overlijden kunt bespreken in het kader van hypothecaire planning, mag u geen advies geven over het verbeteren van een pensioenvoorziening zonder het Wft-diploma Pensioen. In beide gevallen mag u de klant wel informeren over de mogelijkheden en de risico’s, zodat hij beter begrijpt waarom specialistisch advies nodig is.
Een effectieve doorverwijzing vereist ook goede communicatie met de specialist naar wie u verwijst. Door de context en achtergrond van de klantvraag te delen, helpt u de specialist de klant beter van dienst te zijn.
Wanneer u een klant doorverwijst, blijft het belangrijk om de regie over het dossier te behouden. Dit geldt vooral als u informatie van een andere adviseur nodig heeft om uw eigen advies te vervolledigen. In sommige gevallen raadpleegt u een specialist en verwerkt u de verkregen informatie zelf in het advies voor uw klant. Het belang van een sterk netwerk
Om goed te kunnen doorverwijzen, is een netwerk van specialisten onmisbaar. Denk hierbij aan fiscalisten, estate planners, echtscheidingsplanners, beleggingsadviseurs, notarissen, advocaten en accountants. Netwerken is een tweerichtingsproces: wanneer u bijvoorbeeld een advocaat raadpleegt over een echtscheidingskwestie, kan deze op zijn beurt bij u aankloppen voor advies over de afwikkeling van een KEW.
Een goed netwerk is gebaseerd op vertrouwen, aangezien u uw klanten mogelijk doorverwijst naar externe professionals. Het is daarom belangrijk om uw netwerk actief te onderhouden en duidelijk te formuleren wat u wilt bereiken. Dit helpt u om snel te bepalen of een nieuwe connectie waardevol is.
Goede netwerkmomenten en platforms zijn: • congressen, workshops en seminars • borrels en recepties • verjaardagen • opleidingen, trainingen en cursussen • online netwerken via LinkedIn, Facebook, Instagram en Twitter • vak- of regionale netwerken en professionele organisaties.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR Een adviseur moet klantvragen correct en efficiënt afhandelen, zodat de klant tevreden is met het antwoord en de informatie juist is. Klantvragen kunnen via diverse kanalen binnenkomen, zoals telefoon, post, e-mail, webformulieren, WhatsApp of tijdens een face-to-facegesprek. Als de adviseur de vraag niet direct kan beantwoorden, spreekt hij af om er later op terug te komen of verwijst hij de klant door naar een deskundige collega. In geen geval geeft hij een antwoord waarover hij onzeker is.
Voorbeeld Youri werkt als hypotheekadviseur. Hij is ook in het bezit van het Wft-diploma Adviseur Schadeverzekering particulier. Mevrouw Vos belt op. Zij heeft van Youri een offerte ontvangen voor een rechtsbijstandsverzekering. Ze vraagt Youri wanneer de verzekering dekking geeft.
Wat u wilt vermijden Youri denkt dat mevrouw Vos bedoelt bij welke gebeurtenissen de verzekering dekking geeft. Hij geeft een opsomming van de situaties waarin mevrouw Vos recht heeft op een uitkering op grond van de rechtsbijstandsverzekering. Mevrouw Vos reageert enigszins geïrriteerd. Dit was niet wat zij bedoelde. Zij vervolgt: ‘Ik wil weten vanaf welk moment na het afsluiten van de rechtsbijstandsverzekering er dekking is.’
Youri is onzeker over het antwoord op deze vraag. Echter, hij heeft een vermoeden dat er een wachttijd is van twee maanden. Hij vertelt dit dan ook aan mevrouw Vos. Mevrouw Vos krijgt een na tweeënhalve maand een geschil dat gedekt is door de verzekering. De wachttijd blijkt drie maanden te zijn.
Hoe u het wel wilt aanpakken Youri begrijpt in eerste instantie niet goed wat mevrouw Vos bedoelt. Hij vraag dan ook: ‘Wat bedoelt u precies met wanneer de verzekering dekking geeft?’ Mevrouw Vos vervolgt: ‘Stel dat ik de verzekering vandaag afsluit en ik krijg morgen een geschil. Is dit dan verzekerd?’ Youri herhaalt: ‘Dus u wilt weten of de verzekering uw schade dekt van een geschil dat morgen ontstaat als u vandaag de verzekering afsluit?’ Mevrouw Vos bevestigt dat ze dit bedoelt. Youri weet niet precies hoe dit zit. Hij vermoedt dat de zogeheten wachttijd twee maanden is. Hij zegt dan ook: ‘Volgens mij is er pas dekking twee maanden na het afsluiten van de verzekering. Ik vraag het voor de zekerheid na. Kan ik u daar vanmiddag over terugbellen of mailen?’. Youri zoekt het op in de polisvoorwaarden. Hij ziet dat de wachttijd drie maanden is. Hij belt mevrouw Vos terug en vertelt haar dat de wachttijd drie maanden is.
Bij het schriftelijk beantwoorden van klantvragen kan de adviseur de volgende stappen volgen: • inventariseer welke mogelijke oplossingen er zijn. • kies de meest passende oplossing, indien mogelijk of noodzakelijk. • gebruik een standaardbrief of -mail als basis. • pas de standaardtekst aan op de specifieke vraag van de klant. • laat de brief of mail controleren door een collega op spelling en inhoud. • verstuur de brief of mail.
Bij complexere vragen kan het soms beter zijn om mondeling contact op te nemen met de klant. In dat geval volgt u de stappen die zijn beschreven voor de mondelinge afhandeling van klantvragen. Wanneer u schriftelijke communicatie gebruikt, zorg dan voor een duidelijke en professionele schrijfstijl en vermijd taalfouten.
Voorbeeld John werkt als hypotheekadviseur. Hij ontvangt een e-mailbericht van Angela Visser. John heeft Angela enkele jaren geleden een krediet verstrekt. In haar e-mailbericht vraagt zij of het mogelijk is het krediet te verhogen met € 40.000 om te kunnen verbouwen. John schrijft de volgende mail terug:
Beste mevrouw Visser,
Naar aanleiding van uw onderstaande mail, stuur ik u deze mail waarmee ik wil aangeven dat het eigenlijk het beste is als er een afspraak gemaakt wordt om de gegevens in kaart te brengen ten behoeve van een kredietverstrekking. Wij proberen zo spoedig mogelijk een afspraak maken en hopen dat het verstrekken van een krediet mogelijk is. Kunt u alvast wat gegevens doormailen zodat ik ernaar kan kijken?
Met vriendelijke groet,
John de Groot
Zo kan het ook:
Beste mevrouw Visser,
Graag maak ik een afspraak om uw kredietwens te bespreken. Tijdens dit gesprek zal ik gegevens van u nodig hebben. Met deze gegevens kan ik u goed van dienst zijn en advies geven. De gegevens die wij nodig hebben, staan in het bijgaande Word document op een rij. Wilt u deze informatie alvast aan mij mailen?
Zullen we een afspraak maken op 25 april om 14 uur of anders op 17 april om
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR 16 uur?
Met vriendelijke groet,
John de Groot
3.2.2 Klachten afhandelen
Bij het afhandelen van klachten is er een verschil tussen het mondeling en schriftelijk afhandelen van klachten
Hoe een klant zijn klacht mondeling uit, kan nogal verschillen. De ene klant is heel erg boos, scheldt en eist een schadeclaim. De andere klant geeft rustig aan dat hij teleurgesteld is.
Bij het mondeling afhandelen van klachten is het belangrijk dat de adviseur kalm, beleefd en vriendelijk blijft en niet in de verdediging gaat. Een klacht is geen aanval, dus u hoeft zich niet te verdedigen. Het is een kans om in contact met de klant zaken te verbeteren of om een nadere toelichting te geven.
1. Klacht aannemen De adviseur luistert aandachtig zonder de klant te onderbreken en stelt indien nodig aanvullende vragen. Actief luisteren (knikken, bevestigende geluiden) en begrip tonen helpt de klant zich gehoord te voelen en vermindert vaak de boosheid.
2. Klacht samenvatten Na het verhaal van de klant vat de adviseur de klacht kort samen en stelt zo nodig aanvullende vragen. Hij legt uit hoe de klachtenprocedure verloopt.
3. Bevestiging vragen De adviseur vraagt of de samenvatting klopt. Door goed door te vragen, achterhaalt hij de kern van de klacht en de verwachtingen van de klant. Als de oplossing eenvoudig is, kan hij direct handelen.
4. Positieve feedback geven De adviseur waardeert het dat de klant de klacht meldt en benadrukt dat dit helpt om verbeteringen door te voeren. Indien de fout bij de organisatie ligt, biedt hij excuses aan.
5. A. Doorverwijzen (indien nodig) Kan de adviseur de klacht niet zelf oplossen, dan verwijst hij de klant door en informeert de verantwoordelijke collega. Hij blijft de afhandeling volgen. B. K lacht isoleren Als de adviseur de klacht zelf afhandelt, richt hij zich op de kern en vermijdt bijzaken.
6. Oplossing zoeken Samen met de klant zoekt de adviseur naar een acceptabele oplossing. Indien passend vraagt hij naar de voorkeur van de klant.
7. Acceptatie controleren De adviseur checkt of de klant tevreden is met de voorgestelde oplossing. Zo niet, dan zoeken ze samen verder. Bij een akkoord maken ze duidelijke afspraken en sluit de adviseur het gesprek positief af.
8. Klacht afhandelen De adviseur zorgt ervoor dat de klacht conform de gemaakte afspraken wordt afgehandeld.
Sommige klanten reageren boos of emotioneel, soms zelfs agressief. In zulke gevallen is het niet effectief om direct met de klachtbehandeling te beginnen. Boze klanten zijn vaak niet voor rede vatbaar, en goedbedoelde pogingen tot oplossing kunnen averechts werken.
1. Geef ruimte voor emotie Laat de klant eerst zijn frustratie uiten en kalmeren voordat u de klacht inhoudelijk behandelt. Vermijd discussie en blijf zelf rustig en professioneel.
2. Voorkom escalatie – reageer niet boos of geïrriteerd. spreek rustig en neem een open, niet-confronterende houding aan (bijvoorbeeld niet direct tegenover de klant staan of zitten). probeer in te schatten of de boosheid gericht is op u, de organisatie of een algemene frustratie.
3. Creëer een rustige omgeving Indien mogelijk, bied aan om apart te gaan zitten met de klant. Dit voorkomt dat anderen meeluisteren en zorgt voor een meer gecontroleerde gespreksomgeving.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR 4. Toon begrip en stuur het gesprek in goede banen Neem de klant en zijn klacht serieus. Erken zijn gevoelens en ervaren onrecht, zonder direct een oplossing aan te dragen. Maak duidelijk dat een rustig gesprek in zijn voordeel werkt en dat u bereid bent om samen naar een oplossing te zoeken.
Naast mondelinge klachten ontvangt een adviseur ook wel eens schriftelijke klachten. De afhandeling begint met het zorgvuldig doorlezen van de klacht. Vervolgens bepaalt de adviseur of hij de klacht zelf kan behandelen of dat deze beter door een collega of externe partij kan worden afgehandeld. Indien hij de klacht doorstuurt, volgt hij later op of deze correct is afgehandeld.
Indien de adviseur de klacht zelf behandelt, hanteert hij de volgende stappen: • bepalen van het kernprobleem: wat is het grootste pijnpunt van de klant? • verzamelen van relevante informatie: controleren van dossiers en beleid. • formuleren van een duidelijk en professioneel antwoord. • opmaken van de brief, zorgvuldig en klantgericht. • versturen en vastleggen: documenteren voor dossiervorming.
Bij complexe klachten is het raadzaam om eerst telefonisch contact op te nemen met de klant. Schriftelijke communicatie kan soms verkeerd worden geïnterpreteerd, wat verdere misverstanden kan voorkomen.
Soms vindt een adviseur een klacht onterecht, terwijl de klant dit anders ziet. Bijvoorbeeld een financiële tegenvaller door een polis zonder dekking, een lagere schade-uitkering dan verwacht of post die verkeerd wordt bezorgd, buiten de invloed van de adviseur. Ook in deze gevallen blijft het belangrijk om de klacht serieus te nemen en begrip te tonen. De adviseur volgt dezelfde stappen als bij mondelinge klachten, met als doel de klant goed te informeren en zijn verwachtingen te managen. Soms is er geen directe oplossing mogelijk, maar door duidelijke uitleg kan de klant toch met een gevoel van begrip en rechtvaardigheid worden geholpen.
Voorbeeld Jacqueline Beskers is sinds 3 januari 2018 gescheiden van Paul Grootjans. Zij heeft via tussenpersoon Finanzola een KEW lopen op naam van J. GrootjansBeskers. U zult begrijpen dat Jacqueline dit graag zo spoedig mogelijk wil laten wijzigen in J. Beskers. Zij wil niet langer dan nodig geconfronteerd worden met de naam van haar ex-man.
Jacqueline heeft daarom op 4 januari een briefje gestuurd naar haar tussenpersoon met het verzoek om de tenaamstelling van haar lijfrenteverzekering
conform haar wens te wijzigen. Inmiddels is het 1 maart geworden en Jacqueline heeft nog steeds geen polisaanhangsel met de juiste tenaamstelling ontvangen.
In de tussenliggende periode heeft ze een aantal keren gebeld met haar tussenpersoon en die belooft telkens dat hij erachteraan zal gaan. Jacqueline heeft niets meer van hem gehoord.
Jacqueline stapt op een dag woedend het kantoor van Finanzola binnen. Hypotheekadviseur Ingrid staat de luid mopperende mevrouw Beskers te woord en pakt het als volgt op een correcte manier aan: a. zij vangt de emoties van Jacqueline op door haar eerst uit te laten razen. b. zij bespreekt globaal de interne klachtenprocedure. c. zij luistert aandachtig, stelt open vragen, vraagt door en vat samen.
Bij het afhandelen van klachten willen we het liefst zo snel mogelijk naar de oplossing toe. In dit geval zou dat kunnen zijn zo snel mogelijk de verzekeraar bellen en vragen waar het gewijzigde polisaanhangsel blijft. Het is in eerste instantie belangrijk dat we de klant haar emoties laten ventileren, zodat zij kalmeert. Zolang de klant zeer emotioneel is, zal zij niet horen wat de adviseur zegt. Het is dan ineffectief om te starten met de behandeling van de inhoud van de klacht of de oplossing daarvan. Pas als de klant gekalmeerd is, bespreekt de adviseur kort de klachtenprocedure van haar instelling om daarmee de verwachtingen af te stemmen. Daarna begint de adviseur met het stellen van open vragen en het doorvragen daarop. De adviseur luistert aandachtig en geeft de klant het gevoel dat zij echt geïnteresseerd is. Ook vat de adviseur de antwoorden van de klant samen om af te stemmen of klant en adviseur elkaar goed hebben begrepen.
3.2.3 Slechtnieuwsgesprek
Soms moet een adviseur een klant teleurstellen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer: • de klant het gewenste krediet niet krijgt. • een schadeclaim niet wordt vergoed. • beleggingen onvoldoende rendement hebben opgeleverd.
Een slechtnieuwsgesprek kan emotioneel beladen zijn. Daarom is het essentieel om het gesprek professioneel en zakelijk te voeren, zonder het menselijke aspect uit het oog te verliezen. Duidelijkheid, empathie en een rustige benadering helpen de klant om het nieuws te verwerken en eventuele vervolgstappen te bespreken.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR Een klant maakt vaak de volgende fasen door bij het ontvangen van het slechte nieuws: ontkenning – onderhandeling – acceptatie – afhandeling - berusting.
3.2.3.1 Aanpak slechtnieuwsgesprek
Een adviseur helpt de klant zo goed mogelijk door de verschillende fasen van een slechtnieuwsgesprek heen. Het is mogelijk dat een klant in fase 4 (afhandeling) zit, maar later toch terugvalt naar een eerdere fase. Daarom is het belangrijk dat de adviseur direct en helder communiceert en het slechte nieuws zonder omwegen brengt.
Een effectieve aanpak bij het overbrengen van slecht nieuws bestaat uit de volgende stappen: • korte introductie: bereid de klant voor op wat komen gaat. • het slechte nieuws brengen: wees direct en draai er niet omheen. • emoties opvangen: geef de klant ruimte om te reageren. • argumenten geven en toelichten: leg uit waarom deze beslissing is genomen. • emoties opnieuw opvangen: toon begrip en blijf geduldig. • oplossingen aandragen, hulp bieden of doorverwijzen: kijk of er alternatieven zijn of verwijs de klant door naar de juiste persoon of instantie.
Door deze aanpak te volgen, blijft het gesprek gestructureerd en voorkomt de adviseur onnodige verwarring of extra frustratie bij de klant.
Voorbeeld Hafid is hypotheekadviseur. Hij moet de heer Jacobs gaan vertellen dat hij, nu hij arbeidsongeschikt is, geen recht heeft op een uitkering uit zijn woonlastenverzekering. De arbeidsongeschiktheid van de heer Jacobs komt voort uit een bestaande ziekte. Dit is destijds niet meeverzekerd. De heer Jacobs heeft hiervoor bewust gekozen. De verzekeringspremie was anders erg hoog geworden.
Hafid brengt het slechte nieuws als volgt: ‘Het spijt me dat ik het moet zeggen, u krijgt geen uitkering uit de verzekering.’
De heer Jacobs reageert: ‘Waarom dit ook nog? Waarom overkomt mij dit? Ik heb nu als ondernemer helemaal geen inkomen.’
Een verkeerde reactie van Hafid zal zijn: ‘Ik heb u er bij het afsluiten van de verzekering op gewezen dat dit niet meeverzekerd was. U vond de premie zelf te hoog worden.’
Er kan nu onenigheid ontstaan tussen de klant en Hafid. Dit maakt de situatie alleen nog maar ongemakkelijker. Hafid reageert met deze reactie inhoudelijk op een emotie. Dat is ongewenst.
Een goede reactie van Hafid zal zijn: ‘Ik merk dat u had verwacht dat er wel recht was op een uitkering.’ Hierop zal de heer Jacobs reageren: ‘Ja, natuurlijk had ik dat verwacht. Ik heb toch altijd premie betaald!’
Hafid kan nu reageren: ‘Ik begrijp dat het lastig is nu u arbeidsongeschikt bent en geen inkomsten meer heeft om ook nog te horen dat u geen recht heeft op een uitkering.’ Hafid vat nu het gevoel van de heer Jacobs samen. De heer Jacobs krijgt het gevoel dat Hafid hem begrijpt en met hem meeleeft. Vervolgens kan Hafid argumenten geven wat de reden is dat de verzekering geen uitkering geeft. De heer Jacobs zal dan misschien nog niet helemaal berusten in de situatie. Hafid vangt dan de emoties weer op door mee te leven. Tot slot kan hij bijvoorbeeld doorverwijzen naar de gemeente voor een bijstandsuitkering.
3.2.4 Weerstand
Weerstand is niet altijd direct zichtbaar. Wanneer een klant boos reageert of duidelijk ‘nee’ zegt, is dit eenvoudig te herkennen. Echter, weerstand kan zich ook op subtielere manieren uiten en daardoor onopgemerkt blijven.
Voorbeelden van weerstand: • de klant vraagt na het eerste gesprek om meer informatie voordat hij een beslissing neemt. • een onderhoudsgesprek over een beleggingspolis wordt uitgesteld vanwege tijdgebrek. • de klant geeft aan dat het voorgestelde advies al eens eerder is overwogen. • de klant erkent dat het advies klopt, maar stelt dat het in de praktijk anders werkt. • de klant zegt zich nergens zorgen over te maken. • het gebruik van de woorden ‘ja, maar…’, wat vaak wijst op twijfel of bezwaren.
Weerstand is een natuurlijke reactie, vaak voortkomend uit een achterliggende zorg of angst. De beste manier om hiermee om te gaan, is: 1. weerstand erkennen: neem de gevoelens van de klant serieus. 2. de klant laten uitspreken: geef ruimte om bezwaren en negatieve gevoe82 lens te uiten.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR 3. doorvragen: achterhaal de echte oorzaak van de weerstand. 4. samenvatten: vat tussendoor de bezwaren samen om te laten zien dat u goed luistert en niets mist. 5. oplossingsgericht werken: stel vragen zoals: ‘Wat is nodig om aan uw bezwaren tegemoet te komen?’ en/of ‘Wat is nodig om weer op één lijn te komen?’. Door in gesprek te blijven en begrip te tonen, helpt de adviseur de klant door de weerstand heen, zodat samen naar een passende oplossing kan worden gezocht.
3.2.5 Feedback geven en ontvangen
Feedback is een boodschap over het gedrag of de prestaties van een ander en is essentieel in de samenwerking met mensen. Het is een tweerichtingsproces: wie feedback geeft, kan ook een reactie terug verwachten. Feedback kan zowel positief als negatief zijn.
Positieve feedback (een top) wordt vaak als een compliment ervaren en werkt motiverend. Negatieve feedback (een tip) kan soms als een aanval worden gezien, maar is juist bedoeld om te helpen verbeteren en misverstanden te voorkomen.
Negatieve feedback biedt iemand de kans om te groeien. Het is geen aanval, maar een waardevolle tip over hoe bepaald gedrag wordt ervaren. Omdat het bedoeld is om te helpen, is verdediging niet nodig.
Voor een adviseur is het waardevol om tijdens het adviesproces én bij de afronding om feedback te vragen. Dit helpt om te controleren of de werkwijze aansluit bij de klant.
Als de klant de aanpak prettig vindt, kan de adviseur op dezelfde manier doorgaan. Als de klant de aanpak onprettig vindt, kan de adviseur samen kijken naar een betere werkwijze of uitleggen waarom bepaalde stappen nodig zijn.
Voorbeeld Klant: ‘Wat heeft u veel informatie nodig alleen maar voor hypotheekadvies!’ Adviseur: ‘Ik begrijp uw opmerking. Deze informatie is essentieel om u een passend advies te geven. We zijn al een heel eind en zullen nog ongeveer een kwartier hiermee bezig zijn.’
Door feedback te gebruiken, blijft het adviesproces afgestemd op de behoeften van de klant en ontstaat er een open en effectieve samenwerking.
3.2.5.1 Stappen bij feedback geven
1. beschrijf het waargenomen gedrag; 2. benoem concreet wat u heeft gezien, gehoord of gelezen. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie dat je vaak tijdens vergaderingen anderen onderbreekt.’. 3. geef aan wat dit met u doet; 4. vertel hoe het gedrag op u overkomt of welk effect het heeft. Bijvoorbeeld: ‘Dat maakt het voor mij lastig om mijn punt af te maken.’; 5. vraag om de reactie van de ander; 6. betrek de ander door te vragen naar hun perspectief. Bijvoorbeeld: ‘Hoe ervaar jij dat? Wat vind jij hiervan?’. 7. maak afspraken over een mogelijke verandering; 8. bespreek samen hoe het anders kan en kom tot een concrete afspraak. Bijvoorbeeld: ‘Kunnen we afspreken dat we elkaar laten uitspreken voordat we reageren?’.
3.2.5.2 Stappen bij feedback ontvangen
1. geef aan wat de feedback met u doet; 2. Laat zien dat u de feedback hoort en erkent. Bijvoorbeeld met: ‘Ik schrik hiervan” of “Dit had ik niet verwacht.’; 3. zie de feedback niet als een persoonlijke aanval; 4. onthoud dat feedback bedoeld is om te helpen en niet om te kwetsen; 5. schiet niet meteen in de verdediging; 6. luister eerst goed en probeer de boodschap objectief te begrijpen voordat u reageert; 7. toon waardering voor de feedback; 8. laat zien dat u openstaat voor verbetering door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Fijn dat je dit aangeeft.’. 9. beoordeel de feedback en geef aan wat u ermee kunt; 10. overweeg of de feedback waardevol is en hoe u deze kunt toepassen. Geef aan wat u ermee doet; 11. bedank de gever van de feedback; 12. sluit af met een bedankje: ‘Dank je wel voor je feedback, ik ga ermee aan de slag.’.
Ook als adviseur kunt u deze methode gebruiken om uw klant op een constructieve manier feedback te geven. U kunt hem bijvoorbeeld complimenteren op het tijdig aanleveren van documenten of de juridische volledigheid van zijn testament. Aan de andere kant kunt u ook feedback geven als de klant informatie onvolledig heeft aangeleverd, ondanks een duidelijke instructielijst. Door dit op een respectvolle manier te benoemen, voorkomt u irritatie en helpt u de klant inzien waarom volledige documentatie essen84 tieel is.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR
3.2.6 Reflectie
Reflecteren is een essentiële competentie. Reflecteren betekent terugkijken op eigen ervaringen om ervan te leren. Het is als een spiegel die u voorhoudt om stil te staan bij uw manier van werken, de keuzes die u maakt, de vaardigheden die u inzet en uw beleving daarbij.
Bij reflectie staat u zelf centraal. U onderzoekt uw manier van handelen, uw reacties in bepaalde situaties en de emoties die daarmee gepaard gaan. Vaak reageren we vanuit een eerste impuls, gestuurd door emoties. Bijvoorbeeld: u bent zelf gescheiden en betaalt een aanzienlijke partneralimentatie. Tijdens een klantgesprek blijkt dat de klant bewust afziet van ‘officieel’ samenwonen om de maximale alimentatie te behouden. Wat doet dit met u? Hoe beïnvloedt dit uw reactie? Daarnaast kunnen vooringenomen standpunten of onbewuste overtuigingen uw werk beïnvloeden. U kunt er bijvoorbeeld ten onrechte van uitgaan dat een klant volledig op de hoogte is van de juridische gevolgen van ongehuwd samenwonen en dit daarom niet expliciet benoemen.
Door te reflecteren vergroot u uw zelfkennis, wordt u zich bewust van emoties die een rol spelen en krijgt u inzicht in hoe u hiermee omgaat. Dit doet u door een concrete situatie te kiezen en daarop terug te kijken: wat gebeurde er precies en hoe reageerde u? Plan hiervoor regelmatig tijd in uw agenda, bijvoorbeeld wekelijks. Gebruik open vragen en stel uw oordeel uit; onderzoek eerst wat er is gebeurd zonder direct een waardeoordeel te vellen.
Reflecteer gestructureerd, bijvoorbeeld met een vragenlijst, en analyseer ook positieve situaties. Gebruik feedback van anderen als extra perspectief.
Voor een hypothecair planner is regelmatige reflectie cruciaal. U wordt gezien als de expert op het gebied van hypothecaire geldleningen. Door systematisch te reflecteren en feedback van klanten te benutten, krijgt u inzicht in hoe u overkomt en waar verdere ontwikkeling mogelijk is. Dit helpt u om uw klanten steeds beter te adviseren en optimaal te begeleiden.
3.2.7 Bijblijven
Voor een financieel adviseur is het essentieel om de ontwikkelingen binnen het vakgebied nauwgezet te volgen. Alleen zo kunt u klanten voorzien van correct en passend advies.
Wet- en regelgeving en de voorwaarden van financiële producten veranderen regelmatig. Klanten vertrouwen op uw expertise en mogen verwachten dat u proactief handelt wanneer ontwikkelingen invloed kunnen hebben op hun 85 financiële doelstellingen.
Er zijn verschillende manieren om uw vakkennis up-to-date te houden: • permanente educatie: volgen van verplichte en aanvullende scholing. • masterclasses: verdiepende sessies over actuele thema’s. • betrouwbare websites: regelmatig raadplegen van vakgerichte informatiebronnen. • naslagwerken: zoals wettenbundels, besluitenbundels, fiscaal memo’s en kleine gidsen. • intervisiegroepen: uitwisselen van ervaringen en inzichten met collega’s. • vaktechnisch overleg: discussies en analyses binnen uw vakgebied. • nieuwsbrieven: van accountants, fiscalisten en notarissen. • inspirerende vakgenoten: leren van deskundigen en ervaringen van collega’s.
Niet elke bron is even betrouwbaar. Het is belangrijk om kritisch te beoordelen welke autoriteit een bron heeft en of de informatie juist en actueel is. Vraag uzelf af: • wie heeft deze informatie verstrekt; • op basis waarvan wordt dit beweerd; • is de informatie onderbouwd met feiten en actuele wetgeving?
Door voortdurend op de hoogte te blijven en kritisch te kijken naar de betrouwbaarheid van informatie, waarborgt u de kwaliteit van uw advies en blijft u een waardevolle gesprekspartner voor uw klanten?
3.3 ETHIEK
Ethiek is de wetenschappelijke of systematische studie van de moraal. Het draait om kritisch nadenken over wat moreel juist is om te doen. Hoewel ethiek en moraal vaak door elkaar worden gebruikt, is ethiek de studie van moraal.
Volgens Van Dale betekent ethiek: het geheel van morele principes. Moraal wordt gedefinieerd als: 1. de leer van plichten en deugden (zedenleer); 2. een zedenles of de strekking van een verhaal; 3. beginselen of principes, zoals een dubbele moraal hanteren; 4. in de sportcontext: zelfvertrouwen of moreel.
In november 2021 startte Jelle van Baardewijk, lector bedrijfsethiek aan de Hogeschool Rotterdam, het onderzoek Hypotheekadvies met moraal. Dit onderzoek richt zich op de morele dilemma’s waarmee hypotheekadvi-
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR seurs te maken krijgen. Een samenvatting van dit onderzoek is te vinden in bijlage 9.
Van Baardewijk schetst dat de huidige verhitte woningmarkt hypotheekadviseurs voor uitdagende keuzes stelt. Klanten willen vaak het maximale lenen, terwijl dit niet altijd in hun belang is.
Hij identificeert drie belangrijke ethische dilemma’s: 1. volg ik de financieringsregels of mijn gezond verstand; – handel ik strikt binnen de wet- en regelgeving, zelfs als dit nadelig is voor de klant; – of handel ik in het belang van de klant, ook als dit buiten de regels valt; 2. adviseer ik de maximaal mogelijke hypotheeksom of een lager bedrag; 3. hoe kan ik klanten overtuigen dat een maximale lening onverstandig kan zijn; 4. hoe weeg ik dit af tegen het feit dat een lagere lening hun kansen op een woning verkleint? 5. moet de klant zijn woning verduurzamen of heeft hij een keuze? – duurzaamheid is een keuze, mits de klant hiervoor financiële ruimte heeft. – hoe ver mag een hypotheekadviseur gaan in creatieve financieringsoplossingen voor verduurzaming?
Deze vraagstukken tonen aan dat hypotheekadviseurs niet alleen financiële experts zijn, maar ook ethische afwegingen moeten maken om hun klanten verantwoord te begeleiden.
3.4 INTEGRITEIT
Integriteit is een persoonlijke eigenschap die inhoudt dat iemand eerlijk en oprecht handelt. Een integer persoon houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving en zorgt ervoor dat zijn handelen en communicatie overeenkomen met zijn gedachten, gevoelens en intenties. In de praktijk betekent dit dat een financieel dienstverlener geen ‘dubbele agenda’ heeft en transparant en betrouwbaar is.
Volgens Van Dale betekent integriteit onschendbaarheid, eerlijkheid en onkreukbaarheid.
Hoewel integriteit primair een persoonlijke eigenschap is, wordt deze ook bewaakt en afgedwongen door de overheid en brancheorganisaties. Dit wordt nader toegelicht in het volgende schema: 87
Overheid • wet- en andere regelgeving (afdwingen integriteit) Brancheorganisaties • regels rondom gedrag en opleiding (afdwingen integriteit)
Financieel dienstverlener • organisatie waar de adviseur werkt • vertaalt regels overheid en andere organisaties in middelen • integer gedrag
Adviseur • Procedurebeschrijving • Incidentenregeling • gebruikt middelen financieel dienstverlener • Collegiaal overleg • karakter van adviseur speelt een rol • Voorbeeldgedrag • Vertrouwenspersoon • Klokkenluidersregeling
3.4.1 Integere bedrijfsvoering
Een financieel dienstverlener kan verschillende middelen inzetten om een integere bedrijfsvoering te waarborgen: • Procesbeschrijvingen: dienstverleners hanteren regels, procedures en processen voor klantinteracties. Het is de verantwoordelijkheid van de adviseur om deze correct toe te passen. • Incidentenregeling: een incident is een gedraging of gebeurtenis die een ernstig risico vormt voor de integere bedrijfsvoering. De incidentenregeling beschrijft hoe hiermee wordt omgegaan. Financieel dienstverleners zijn verplicht een incidentenadministratie bij te houden, inclusief corrigerende maatregelen. De AFM moet deze administratie kunnen inzien. • collegiaal overleg: regelmatige besprekingen met collega’s over integer handelen helpen om de regels onder de aandacht te houden en incidenten te bespreken. • voorbeeldgedrag: de directie en beleidsbepalers moeten het juiste voorbeeld geven. Hun houding en handelen beïnvloeden de integriteitscultuur binnen de organisatie. • vertrouwenspersoon: medewerkers kunnen bij een vertrouwenspersoon terecht voor advies over integer handelen. • klokkenluidersregeling: deze regeling biedt medewerkers de mogelijkheid om niet-integer gedrag anoniem te melden, vaak via de vertrouwenspersoon. Vooral grotere ondernemingen hanteren een klokkenluider sregeling.
Door deze middelen effectief in te zetten, kan een financieel dienstverlener integriteit binnen de organisatie versterken en naleving van wet- en regelgeving borgen.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR 3.4.1.1 Handelen vanuit klantbelang
Een financieel adviseur moet altijd handelen in het belang van de klant. Dit betekent dat de adviseur: • alleen producten aanbiedt met voldoende toegevoegde waarde; • een product moet aansluiten bij de financiële situatie en behoeften van de klant. • ook afraadt om een product af te sluiten of overstappen adviseert • als een product niet geschikt is, moet de adviseur dit duidelijk aangeven en eventueel een beter passend alternatief voorstellen.
Deze verantwoordelijkheid geldt niet alleen bij bemiddeling in financiële producten, maar ook bij advies zonder directe productafname. Integer handelen betekent dat het klantbelang altijd de leidraad is.
3.4.1.2 Verschil klant centraal en klantbelang centraal
Er is een verschil tussen de klant centraal stellen en het klantbelang centraal stellen. Het overzicht hierna geeft dit verschil weer.
doet wat de cliënt wil Adviseur Klant centraal
doet wat de cliënt nodig heeft Adviseur Klantbelang centraal
Een adviseur die de klant centraal stelt, geeft de klant wat hij wil. Dit is echter niet altijd in het belang van de klant. Een adviseur die het klantbelang centraal stelt, geeft de klant wat hij nodig heeft, zowel nu als in de toekomst.
Naast het klantbelang speelt ook het bedrijfsbelang een rol. Soms stellen adviseurs het bedrijfsbelang boven het klantbelang, maar de Autoriteit Financiële Markten (AFM) benadrukt dat dit onwenselijk is. Het uitgangspunt bij elk klantcontact moet zijn dat het klantbelang vooropstaat. Dit betekent dat de adviseur: • oprechte interesse toont in de klant en diens situatie; • op een eerlijke manier handelt, zonder verborgen agenda’s; • bijdraagt aan het herstel en behoud van vertrouwen in de financiële sector.
De AFM heeft zich de afgelopen jaren sterk ingezet voor het klantbelang en ontwikkelde het ‘Klantbelang Dashboard’. Dit instrument meet in hoeverre banken en verzekeraars het klantbelang daadwerkelijk centraal stellen in hun dienstverlening. 89
Door het klantbelang leidend te maken in advisering en besluitvorming, draagt een financieel dienstverlener bij aan een transparante en duurzame financiële sector.
Voorbeeld Joop wil de woning van zijn dromen kopen. Hij informeert bij hypotheekadviseur Pieter, die werkt bij de Hypotheekbank, naar een geschikte hypothecaire geldlening om de droomwoning mee te financieren. Pieter berekent wat Joop kan lenen volgens de hiervoor opgestelde regelgeving. Pieter komt tot de conclusie dat Joop gezien de hoogte van zijn inkomen minder kan financieren dan hij nodig heeft voor de aankoop. Joop is op korte termijn vermoedelijk heel tevreden als hij de gewenste lening krijgt. Maar op langere termijn is de kans groot dat Joop zijn lasten die horen bij de lening niet kan betalen. Mocht Pieter de lening verstrekken aan Joop dan staat hij wel centraal, en zijn belang niet. Verstrekt Pieter de geldlening niet, dan stelt hij het klantbelang centraal. Het is namelijk in het belang van Joop zelf dat hij de lening niet krijgt. Hij kan hierdoor immers op langere termijn in de financiële problemen komen.
3.4.2 Dilemma’s in de adviespraktijk
Integer handelen en het belang van de klant vooropstellen lijken vanzelfsprekend. Toch kunnen adviseurs in de praktijk te maken krijgen met situaties waarin ethische keuzes gemaakt moeten worden. Hoe zou úhandelen als professional?
• Contante betaling van de adviesnota Een klant wil de adviesnota contant betalen. Gaat u hiermee akkoord? Hoe weegt u dit af tegen mogelijke risico’s, zoals witwaspraktijken en transparantie? • Onjuiste of twijfelachtige informatie tijdens de inventarisatie U vermoedt dat de klant niet volledig eerlijk is over zijn financiële situatie, bijvoorbeeld door een studieschuld te verzwijgen of een uitzonderlijke omzet op te geven. Hoe reageert u? Hoe ver reikt uw verantwoordelijkheid om dit te controleren? • Verbinden van klanten aan alternatieve financiers De vraag naar alternatieve financiers neemt toe. Werkt u actief mee aan het koppelen van klanten aan financiers uit uw netwerk? In hoeverre waarborgt u de betrouwbaarheid van deze partijen? • Onvolledig of geflatteerd eigenwoningverleden De klant presenteert een rooskleuriger beeld van zijn eigenwoningverleden dan de realiteit. Wat doet u als adviseur? U bent verplicht informatie in te winnen en uw advies hierop te baseren, handelend als een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR Het Kifid heeft bepaald dat: • wijzigingen in de (fiscale) inkomenssituatie geen onderdeel zijn van hypotheekadvies; • hypotheekadvies geen fiscaal advies is; • de adviseur moet handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur; • een verwijzing naar adviessoftware-uitkomsten ontoereikend is.
Verduurzaming binnen de hypothecaire planning: wie betaalt? Bij verduurzaming binnen hypothecair advies heeft u drie keuzes: • Leadvergoeding: wettelijk toegestaan, maar ethisch gezien de vraag: vertegenwoordigt u dan nog volledig het klantbelang? Is er transparantie in de keten? • onbetaald onderdeel van het hypotheekadvies: u neemt verduurzaming mee zonder extra kosten voor de klant. • betaald onderdeel van het hypotheekadvies: u vraagt een vergoeding voor verduurzamingsadvies als toegevoegde waarde binnen het totale adviestraject.
Bij elke situatie is het cruciaal om af te wegen of uw handelen zowel juridisch correct als ethisch verantwoord is. Integer advies draagt niet alleen bij aan het vertrouwen van uw klanten, maar ook aan het duurzaam herstel van vertrouwen in de financiële sector.
3.4.3 Fraude
Financieel dienstverleners kunnen constant in aanraking komen met fraude. Het is dus belangrijk fraude te herkennen en te bestrijden. Een goede fraudebehandeling hoort bij integer handelen en het winnen van vertrouwen van klanten. Fraude is een algemeen begrip. Het begrip ‘fraude’ is niet beschreven in een wet. Het is een verzamelbegrip van gedragingen die strafbaar zijn.
In de volgende afbeelding komen de belangrijkste aspecten van fraude in het algemeen aan bod.
Fraude
Definitie • Zelf financieel beter van iets willen worden • In strijd met wet - en/of regelgeving handelen • Misdrijf • strafbaar
Voorbeelden • Valsheid in geschrifte • andere informatie geven dan de werkelijke informatie • Oplichting • misleiden (aannemen valse naam, valse hoedanigheid, opgeven van verzinselen) • Verduistering • vorm van diefstal (daders geen anonieme derde) • Gebruik van voorwetenschap • het (ver)kopen van effecten met meer informatie over de onderliggende waarde dan de informatie die algemeen beschikbaar is • Witwassen van geld • proces waarbij de fraudeur doet alsof het geld uit een legale bron afkomstig is. Dit is niet het geval. Het geld is illegaal verkregen (drugshandel, bankovervallen of terroristische activiteiten).
Fraude herkennen Financieel dienstverleners stellen zogeheten ‘fraude-indicatoren’ op. Fraude-indicatoren zijn signalen waaraan fraude te herkennen is.
Voorbeeld Een verzekeraar heeft een waslijst met fraude-indicatoren opgesteld. Hieronder volgen enkele van deze indicatoren: • verzekerde heeft bij tussenpersoon/maatschappij kort voor de schadedatum geïnformeerd naar omvang van de dekking • verzekerde heeft geen vast woonadres • verzekerde is veel verhuisd • verzekerde wil contant geld hebben • verzekerde levert gebrekkige medewerking bij reconstructie • er zijn geen of slecht gespecificeerde aankoopbewijzen • het schadebeeld komt niet overeen met de gegeven toedracht • er is een verschil in verklaringen tegenover politie, expert en derden.
3.4.3.1 Hoe te handelen bij fraude
Een adviseur binnen de financiële dienstverlening moet alert zijn op fraude. Hoe de adviseur bij (vermoedelijke) fraude moet handelen, is afhankelijk van de situatie en procedures die hierover zijn opgesteld. In veel gevallen zal de adviseur bij fraude contact zoeken met de verantwoordelijke voor veiligheidszaken (bij kleine financieel dienstverleners) of de afdeling veiligheidszaken (bij grote financieel dienstverleners). De verantwoordelijke persoon/
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR afdeling veiligheidszaken waarborgt de veiligheid en integriteit van de financieel dienstverlener.
In overleg met de adviseur kan de persoon/afdeling veiligheidszaken de volgende acties ondernemen: • melding in de incidentenadministratie • fraude melden op een interne waarschuwingslijst • fraude melden op een externe waarschuwingslijst • aangifte doen bij de politie • uitkering niet (volledig) verstrekken • stopzetten dienstverlening.
3.5 ADVIESVAARDIGHEDEN
Onderstaande figuur geeft aan uit welke fasen een adviestraject conform de Wft moet bestaan.
Inventariseren Analyseren Adviseren Nazorg geven
Kennismaking Beheer Oplossing
Beeldvorming Actueel houden
De Wft schrijft voor dat het financieel advies passend moet zijn. Dit wil zeggen dat het advies moet aansluiten bij de situatie en wensen van de klant, nu en in de toekomst. Een advies kan alleen aansluiten bij de wensen en situatie van de klant als de adviseur deze situatie en wensen kent. Als de adviseur de situatie en de wensen van de klant in beeld heeft gebracht, moet hij vervolgens deze situatie en wensen analyseren en de oplossingen hierbij bedenken. Uiteindelijk komt hij tot een oplossing en dus tot een advies. De adviseur moet ervoor zorgen dat hij het advies beheert en dat het actueel blijft.
De wettelijke regels rondom het adviestraject, zoals deze zijn vastgelegd in de Wft, hebben we uitgebreid behandeld in hoofdstuk 1 van deze module. In dit hoofdstuk komen de persoonlijke adviesvaardigheden van de adviseur aan bod.
3.5.1 Communicatie met klant
Adviesvaardigheden en het vormgeven van een professionele relatie met de klant vindt grotendeels plaats in het persoonlijke gesprek. De communicatie in een gesprek bestaat uit meer dan alleen woorden. Maar liefst 70% van de totale communicatie bestaat uit non-verbale signalen die de gesprekspartners aan elkaar geven.
3.5.1.1 Non-verbale communicatie
Non-verbale communicatie wordt ook wel ‘lichaamstaal’ genoemd. Daarnaast communiceren wij ook met bepaalde uiterlijke zaken zoals kleding, sieraden, geuren, make-up of de keuze van bijvoorbeeld een auto. Voorbeelden van non-verbale communicatie zijn: • gezichtsuitdrukking • oogcontact • handgebaren • lichaamshouding • zuchten et cetera.
Vaak zijn we ons onbewust van de non-verbale signalen die we zelf afgeven of die we ontvangen van de ander. We hebben de neiging om te focussen op de woorden en zinnen die worden gesproken.
Gezien de grote hoeveelheid informatie die non-verbaal wordt gecommuniceerd, kunt u zich voorstellen dat dit grote invloed heeft op de sfeer tijdens het gesprek en op de vertrouwensrelatie die u met de klant probeert op te bouwen. Uit de non-verbale reactie van de klant kunt u bijvoorbeeld opmaken of de klant u echt begrijpt, of hij werkelijk enthousiast is over uw advies, of tevreden is over de wijze waarop u een klacht van hem aanneemt. Een goede adviseur gaat daarom bewust om met non-verbale communicatie, maar ook met zijn uiterlijke presentatie.
3.5.1.2 Verbale communicatie
Verbale communicatie heeft te maken met de woorden die u kiest en uw stemgebruik. Het is belangrijk dat u uw woordkeuze aanpast aan de status en het begripsniveau van de klant. Vermijd daarbij zoveel mogelijk het gebruik van vaktermen (jargon).
De Wft verlangt van u dat u een advies geeft dat passend is bij het klantprofiel. Om de benodigde informatie te kunnen inventariseren, zult u moeten beschikking over goede verbale communicatieve vaardigheden. Uw advies 94 moet u vervolgens ook op begrijpelijke wijze kunnen communiceren met de
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR klant. Een goede verbale communicatie is dus essentieel voor de financieel adviseur.
Let bij uw verbale communicatie op de volgende factoren: • spreektempo • volume • articulatie (duidelijk spreken) • intonatie (toonhoogte) • non-woorden en aarzeltaal (woorden en geluiden die niets met de boodschap te maken hebben).
Voorbeeld Geert werkt sinds kort als assurantieadviseur bij een bank. Hij voert met de heer De Vries een inventarisatiegesprek. De heer De Vries stelt Geert een vraag over zijn rechtsbijstandsverzekering. Geert is onzeker over zijn antwoord en gaat hierdoor snel praten. De heer De Vries krijgt nu de indruk dat Geert zich niet op zijn gemak voelt en onzeker is. Hierdoor verliest hij het vertrouwen in Geert. Geert moet van goede huize komen om het vertrouwen terug te winnen. Hij had beter op het antwoord van de vraag terug kunnen komen in een volgend gesprek. Dan zou Geert het antwoord op de vraag van de heer De Vries hebben kunnen uitzoeken. Hij zou dan zeker zijn geweest van zijn antwoord.
3.5.1.3 Luisteren
Een mens heeft twee oren en één mond, en toch zijn we beter in praten dan in stil zijn en luisteren. Het sleutelwoord voor de adviseur bij het voeren van een klantgesprek is ‘luisteren’. Een adviseur moet een advies maken dat passend is voor de klant. Dat kan alleen als hij alle gegevens die nodig zijn voor het uitbrengen van dit advies op een rij heeft. Hoe vaak stelt u een vraag en nog één en nog één en heeft u eigenlijk het antwoord al gegeven aan uw klant en kan deze u napraten? Luisteren begint met stoppen met spreken en de ander laten (uit)spreken. Onder luisteren verstaan we ook het kijken naar de lichaamshouding van de klant en de overige non-verbale signalen die hij afgeeft.
Wat betreft luisteren is het verder belangrijk dat de adviseur: • de klant tijd geeft om te spreken; • onbevooroordeeld is, geen aannames doet of te snel zelf conclusies trekt; • vooruitdenkt, terwijl hij naar de klant luistert; • zich focust op het klantgesprek van dat moment; • de juiste lichaamshouding aanneemt; • regelmatig oogcontact heeft met de klant.
3.5.1.4 Stellen juiste vragen op juiste moment
De adviseur heeft de leiding over het gesprek. Voordat hij aan het adviestraject begint, moet hij goed weten welke gegevens hij van de klant nodig heeft. Door het stellen van de juiste vragen neemt de adviseur de leiding over het gesprek en zorgt hij ervoor dat hij de benodigde informatie krijgt van de klant. De kwaliteit van een vraag bepaalt de kwaliteit van een antwoord.
De vaardige adviseur gebruikt regelmatig de volgende soorten vragen: • Open vraag: een open vraag begint met een vragend voornaamwoord, zoals wie, waar en wanneer. Een open vraag geeft de klant de mogelijkheid om een antwoord te formuleren zoals hij dat wil. Een voorbeeld van een open vraag is: ‘Hoeveel risico wilt u lopen met uw belegging?’ • Gesloten vraag: een gesloten vraag begint met de persoonsvorm van een werkwoord. Het antwoord op deze vraag is in principe ‘ja’ of ‘nee’. Een voorbeeld van een gesloten vraag is: ‘Zal ik de zaken die voortvloeien uit het advies voor u afhandelen?’. • Doorvraag: de doorvraag gaat door op het antwoord dat de klant gaf op een eerder door de adviseur gestelde vraag. De doorvraag werkt stimulerend en brengt vaak meer en diepere informatie naar boven. Een voorbeeld van een doorvraag is: ‘Hoe bedoelt u dat precies?’ • Reflectieve vraag: een reflectieve vraag is bedoeld om de klant over een eigen situatie na te laten denken. Een voorbeeld van een reflectieve vraag is: ‘Hoe kijkt u zelf tegen de situatie van werkloosheid aan?’ • Hypothesevraag: een hypothesevraag heeft een vooronderstelling in zich. De vraag is bedoeld om de fantasie aan het werk te zetten of om een denkproces bij de ander op gang te brengen. Een voorbeeld: ‘Stel dat u nu al met pensioen bent, hoe ziet uw dag er dan uit?’ • Keuzevraag: bij een keuzevraag heeft de klant de mogelijkheid uit een aantal keuzes die de adviseur hem geeft. Bijvoorbeeld: ‘Wenst u een betaling per maand, per kwartaal of per jaar?’. • Controlevraag: de adviseur stelt een controlevraag om erachter te komen of hij de klant begrijpt. Een voorbeeld van een controlevraag is: ‘Formuleer ik uw mening goed als ik zeg dat...?’.
Waaromvraag Een vraag die begint met ‘waarom’ is een open vraag. In principe zal dat veel informatie opleveren. Echter, de waaromvraag wordt vaak negatief ervaren. Degene die de vraagt gesteld krijgt, voelt zich aangevallen, ter verantwoording geroepen of voelt zich gedwongen tot nadenken en daardoor geconfronteerd. ‘Waarom houdt u geen geld over aan het eind van de maand?’ of ‘Waarom heeft u een doorlopend krediet afgesloten?’. De kans op een verdedigende en gesloten reactie is groot. Dat is uiteraard onwenselijk.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR Daarom vermijden wij het liefst de waaromvraag en vervangen hem door: • Wat is de reden dat …? • Hoe komt het dat …? • Wat maakt dat …?
Suggestieve vraag Wanneer de adviseur een suggestieve vraag stelt, geeft hij met deze vraag al een naar zijn mening juist antwoord op de vraag zelf, meestal omdat hij zelf een oordeel heeft.
Voorbeelden van suggestieve vragen zijn: • U bent het toch wel met mij eens dat een langere rentevastperiode beter is voor u; • Vindt u ook niet dat u beter kunt gaan sparen in plaats van beleggen; • U dacht waarschijnlijk dat de waarde van uw woning zou gaan stijgen?
Een positieve manier om een suggestieve vraag te gebruiken is bijvoorbeeld aan het eind van een inventarisatiegesprek: ‘Zullen we het dan op deze manier samen afspreken?’.
Voorbeeld Marjo en Tom hebben een afspraak met hypothecair planner Marijke. Zij wensen hun financiële zaken weer eens door te nemen. Het is al twee jaar geleden dat zij haar hebben gesproken en er is ondertussen het nodige veranderd in hun situatie.
Marjo heeft een nieuwe baan als HR-manager bij een multinational in het westen van het land. Ondanks dat zij erg blij is met haar nieuwe baan, betekent deze stap dat zij nu dagelijks moet reizen tussen haar woonplaats Eindhoven en Amsterdam. Dit is erg vermoeiend voor Marjo. Ook Tom vindt het onprettig dat zij elkaar daardoor doordeweeks nauwelijks meer zien. Marjo en Tom willen volgend jaar trouwen. Ook hebben zij een kinderwens. Zij overwegen om binnenkort naar de Randstad te gaan verhuizen.
Marijke stelt diverse vragen aan Marjo en Tom. Op die manier wil zij achter de benodigde informatie voor het klantprofiel komen. Zij wil nu verder ingaan op de wensen en doelen en de risicobereidheid van Marjo en Tom.
Marjo is een extraverte persoonlijkheid die graag aan het woord is. Tom is een rustiger type die graag op de achtergrond blijft. Marjo is Hbo-geschoold terwijl Tom bouwvakker is. Hij is erg handig. Het stel vult elkaar in de dagelijkse praktijk prima aan. Marjo regelt de geldzaken en Tom heeft hun hele woning vakkundig verbouwd. Marjo bewondert Tom om de handigheid die zij niet bezit. En Tom vindt financiële zaken maar lastig. Hij laat dat graag aan Marjo en de hypothecair planner over. 97
Op welke mogelijke valkuilen moet Marijke nu bedacht zijn bij de advisering aan dit stel? Marijke moet ten eerste extra alert zijn op het verschil in kennis en ervaring met betrekking tot financiële producten. Tom heeft daar weinig interesse in en Marjo regelt het allemaal. Ten tweede let zij extra op inzicht-, interesse- en begripsverschillen tussen Tom en Marjo. Zij hebben een verschillend opleidingsniveau dus waakt zij ervoor dat zij het beiden begrijpen. Tot slot let zij extra op het verschil in risicobereidheid tussen beiden.
Marijke zal zichzelf er continu van moeten overtuigen dat beide klanten haar goed begrijpen. Zij moet haar informatievoorziening naar beiden individueel afstemmen.
Doordat Tom een stiller type is, die bovendien geen interesse in de financiële zaken heeft, is het risico groot dat het gesprek alleen tussen Marjo en Marijke gaat. De kans is groot dat dit resulteert in een passend advies voor uitsluitend Marjo en dat Tom daarin onvoldoende aan bod komt.
3.5.1.5 Samenvatten: ‘heb ik goed begrepen dat …?’
Met een samenvatting gaat de adviseur na of hij de klant goed heeft begrepen. Soms interpreteert de adviseur dingen anders dan dat de klant bedoelt. Door regelmatig een samenvatting te geven, voorkomt hij dat het advies uiteindelijk niet (geheel) voldoet aan de wensen van de klant. Aan het einde van elke samenvatting vraagt de adviseur een terugkoppeling van de klant.
Door tijdens het gesprek regelmatig samen te vatten, laat de adviseur aan de klant merken dat hij hem nog steeds geïnteresseerd volgt. Dit kan de adviseur ook non-verbaal doen door bijvoorbeeld bevestigend te knikken of te hummen.
3.5.2 Communicatieve vaardigheden tijdens het adviestraject
3.5.2.1 Oriëntatie- en inventarisatiefase
In de oriëntatiefase heeft de adviseur nog geen volledig beeld van de klant of diens vraag. Daarom start hij met een globale inventarisatie en stelt hij vooral open vragen om de benodigde gegevens te verzamelen. Dit helpt hem te bepalen of en op welke manier hij de klant kan ondersteunen. In deze fase mag de adviseur het gesprek kosteloos aanbieden. Ook bespreekt hij zijn dienstenwijzer en de relevante vergelijkingskaart. Besluit de klant op basis hiervan om zaken met hem te doen, dan is het verstandig om de gemaakte afspraken over de dienstverlening en de beloning schriftelijk vast te leggen
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR in een klantovereenkomst, die door beide partijen wordt ondertekend en bewaard in het klantdossier.
Voor beleggingsdiensten binnen het nationaal regime is een klantovereenkomst wettelijk verplicht, maar bij andere financiële adviezen zoals hypotheken of pensioenen is dit niet noodzakelijk. Toch wordt het aangeraden om bij complexe adviezen een klantovereenkomst op te stellen om onduidelijkheid over de dienstverlening te voorkomen. Voor eenvoudige producten, zoals een spaarrekening, is dit niet nodig.
In de oriëntatiefase draait het om het afstemmen van verwachtingen tussen de klant en de adviseur. Om ervoor te zorgen dat beide partijen elkaar goed begrijpen, is het belangrijk dat de adviseur regelmatig samenvat. Dit helpt om deelonderwerpen af te ronden en het gesprek soepel te laten verlopen.
Vanaf de inventarisatiefase begint het betaalde deel van het adviestraject. In de praktijk is er vaak geen strikte scheiding tussen de fasen, maar het is van belang dat de adviseur weet uit welke stappen het traject bestaat en welke vaardigheden per fase vereist zijn. Tijdens de inventarisatiefase verzamelt de adviseur de benodigde informatie om tot een passend advies te komen. Het stellen van open vragen en het doorvragen op antwoorden is essentieel om een volledig beeld van de klant te krijgen. Goed luisteren is hierbij cruciaal, zodat de juiste vervolgvraag gesteld kan worden. Andere vraagtechnieken kunnen indien nodig worden ingezet. Een praktisch hulpmiddel in deze fase is een inventarisatie- of intakeformulier. Een goede voorbereiding op het gesprek is essentieel; de adviseur bekijkt vooraf welke informatie nodig is, wat al beschikbaar is en welke gegevens nog ontbreken. Zo kan hij efficiënt te werk gaan en zorgen voor een compleet en gedegen advies.
3.5.2.2 Structuur inventarisatiegesprek
Een gestructureerd inventarisatiegesprek kent de volgende stappen: • Stap 1. Ontvangst klant • Stap 2. Voorstellen • Stap 3. Doelstelling gesprek vaststellen • Stap 4. Werkwijze uitleggen • Stap 5. Start met deelonderwerpen • Stap 6. Procedure laatste deelonderwerp • Stap 7. Afsluiten
Een ervaren adviseur zal bovengenoemde stappen herkennen in zijn dagelijkse adviespraktijk. Ook de onervaren adviseur zal zich hier iets bij kunnen
voorstellen. Daarom beperken wij ons tot het noemen van een aantal aandachtspunten bij het inventarisatiegesprek.
Stap 3 Doelstelling gesprek vaststellen Het is belangrijk dat de adviseur in de inventarisatiefase duidelijk aan de klant uitlegt wat het doel van het gesprek is. Hij vertelt welke onderwerpen voor deze afspraak op de agenda staan en wat de vervolgstappen zijn in het verdere adviestraject. Ook moeten in deze fase de dienstenwijzer en het DVD met de klant zijn besproken en een eventuele klantovereenkomst zijn opgemaakt. Waarschijnlijk heeft de adviseur dat al gedaan tijdens het kennismakings- en oriëntatiegesprek. En anders moet hij dat alsnog doen aan het begin van dit gesprek, voordat hij begint met de gedetailleerde inventarisatie ten behoeve van het advies.
Elk advies kent een aantal deelonderwerpen. Welke deelonderwerpen dit zijn, is afhankelijk van het advies waar het uiteindelijk om draait.
3.5.2.3 Klantprofiel
Na het vaststellen van de algemene gegevens richt de adviseur zich op de essentiële onderdelen voor het opstellen van een klantprofiel: de financiële positie, de doelstellingen, de kennis en ervaring en de risicobereidheid. Bij de financiële positie wordt zowel de huidige als de toekomstige situatie in kaart gebracht, zodat het advies ook passend blijft bij belangrijke levensgebeurtenissen, zoals pensionering, het overlijden van een partner, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Binnen hypothecaire planning wordt daarnaast het risico van een relatiebreuk meegenomen in de risicoanalyse. Om een compleet klantprofiel op te stellen, heeft de adviseur uitgebreide informatie van de klant nodig, zodat hij een goed onderbouwd en toekomstbestendig advies kan geven.
Wensen, doelen en risicobereidheid Al eerder in het gesprek heeft de klant de reden van het gesprek aangegeven. De adviseur inventariseert nu verder de doelstellingen en wensen van de klant. Ook stelt de adviseur vragen over de kennis en ervaring met het financiële product. Een ander belangrijk deelonderwerp is het inventariseren van risico’s. Risico is de kans op gevaar of verlies. De adviseur moet altijd nagaan hoe hoog de risicobereidheid van de klant is.
De risicobereidheid wil zeggen: het risico dat de klant wil en kan lopen. Bij het bepalen van de risicobereidheid spelen een rol: • risicoacceptatiegraad (risk appetite). De risicoacceptatiegraad geeft aan in hoeverre een klant een risico wil accepteren en heeft te maken met de 100 emotie of het gevoel van de klant bij het lopen van risico. Dit noemen we ook wel ‘risicoperceptie’, ‘risicobeleving’ of ‘psychologisch risico’.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR • risicotolerantie (risk tolerance). De risicotolerantie geeft aan in hoeverre een klant een risico financieel gezien kan accepteren. Dit wordt ook wel ‘financieel risico’ genoemd. De risicotolerantie wordt door de adviseur bepaald op basis van de gegevens in het klantprofiel.
Onderstaande tabel geeft weer wat de risicobereidheid van een klant bij een bepaalde risicoacceptatiegraad en een bepaalde risicotolerantie is.
Risicotolerantie laag Risicotolerantie hoog Risicoacceptatiegraad laag Risicobereidheid = laag Risicobereidheid = laag Risicoacceptatiegraad hoog Risicobereidheid = laag Risicobereidheid = hoog
Het komt er dus op neer dat er alleen een hoge risicobereidheid is als zowel de risicoacceptatiegraad als de risicotolerantie hoog zijn. Anders gezegd: de klant kan alleen veel risico nemen als hij dit graag wil en het financieel ook kan.
De adviseur brengt de risico’s in beeld die er zijn of die er tijdens de looptijd van het advies mogelijk komen. Hierbij is er verschil tussen: • bestaande risico’s nu en in de toekomst: – netto besteedbaar inkomen nu – inkomensdaling na pensionering – inkomensterugval na overlijden van één van beide partners – inkomensterugval bij arbeidsongeschiktheid of werkloosheid – klantspecifieke risico’s (overige financiële verplichtingen die de klant heeft. Bijvoorbeeld toekomstplannen voor kinderen op 18-jarige leeftijd of toekomstige zorgkosten). • risico’s die ontstaan door het afsluiten van het financieel product: – betaalbaarheid van het geadviseerde product – extra risico’s die het financiële product veroorzaakt in de situaties pensionering, overlijden, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid – klantspecifieke risico’s (bijkomende risico’s zoals bij hypotheken de ouderdom en de onderhoudsstaat van de aangekochte woning. Heeft de klant te zijner tijd voldoende financiële ruimte om ook het hoognodige onderhoud te doen?).
Stap 6 Deelonderwerpen Als de adviseur alle informatie heeft verzameld, dan geeft hij dit aan. De adviseur vertelt de klant dat hij vervolgens een advies gaat opstellen en dat hij een afspraak wil maken voor het adviesgesprek. Als het nodig is, geeft de adviseur nog aanvullende informatie over zijn beloningswijze en vraagt hij de klant hierover om een akkoord.
3.5.2.4 Analysefase
De adviseur stelt met de verzamelde gegevens een klantprofiel op. Vanuit het klantprofiel en de wensen van de klant analyseert de adviseur de gegevens en komt uiteindelijk tot een advies.
De analyse bestaat vaak uit: • berekeningen: de adviseur kan hierbij gebruikmaken van computerprogramma’s, zoals bepaalde offerteprogramma’s die berekenen wat de uiteindelijke prijs is voor een bepaald financieel product. Ook zijn er reken- of financiële planningsprogramma’s die losstaan van een product. • uitschrijven van mogelijkheden: de adviseur bedenkt de verschillende mogelijkheden die er zijn en werkt deze mogelijkheden schriftelijk uit. • Passende oplossing: de adviseur kiest uit de verschillende mogelijkheden de meest passende oplossing. Deze oplossing sluit het beste aan bij de wensen en de financiële situatie van de klant, ofwel de geïnventariseerde gegevens uit het klantprofiel. De adviseur motiveert zijn keuze schriftelijk en onderbouwt dit ook met cijfermatige overzichten.
3.5.2.5 Adviesfase
Na de analyse weet de adviseur wat hij gaat adviseren. De meeste adviseurs werken dit uit in een schriftelijk adviesrapport. Naast de inhoud op hoofdlijnen zijn er twee aspecten die zorgen voor een goed geschreven advies voor de klant: • duidelijke structuur en schrijfstijl van het adviesrapport • goede presentatie van het adviesrapport.
De kracht van een goed adviesrapport is vooral gelegen in het feit dat de klant sneller bereid is uw advies op te volgen. Het is hem immers aan de hand van uw heldere analyse van alle gegevens die hij u heeft verstrekt en duidelijke uitleg klip en klaar wat hij moet doen om zijn doel te bereiken. Daarnaast is het rapport een mooi naslagwerk voor uw klant, uzelf en uw collega’s.
De meeste adviseurs vinden dat zij (te) veel tijd besteden aan het vervaardigen van het adviesrapport. Meestal is dat gelegen in het ontbreken van een proces om efficiënt te schrijven.
Dat proces herhaalt zich overigens voortdurend volgens een bepaalde cyclus en ziet er als volgt uit: • Stap 1. plan van aanpak maken (15 procent van uw tijd) • Stap 2. inventariseren van de relevante informatie (60 procent van uw tijd) • Stap 3. structureren van de inhoud (waar zet ik wat neer, vijf procent van 102 uw tijd)
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR • Stap 4. formuleren van de tekst (het daadwerkelijk samenstellen van de tekst, 15 procent van uw tijd) • Stap 5. reviseren van de tekst (nakijken van de tekst, vijf procent van uw tijd).
3.5.2.6 Tips bij het schrijven van een adviesrapport
Wat betreft de inhoud van het adviesrapport is het goed om op het volgende te letten: • vermeld in de inleiding de reden waarom het adviesrapport is opgesteld. Zorg dat de inleiding en het slot wat betreft inhoud goed op elkaar aansluiten. Als de klant inzicht wil in de consequenties van het tussentijds aflossen op zijn eigenwoningschuld hoeft u hem daarover dus geen advies te geven. Als de klant advies wil, staat dat immers als wens vermeld in het rapport. • geef duidelijk aan wat de mate van belangrijkheid van zijn verschillende wensen voor de klant is (prioriteren). Soms kan slechts een aantal wensen verwezenlijkt worden en zal de klant moeten kiezen welke. U helpt hem bij het prioriteren van zijn wensen. Maak ook duidelijk wat ervoor nodig is om de wensen te verwezenlijken. • geef in een samenvatting aan of de wensen haalbaar zijn, licht dit toe en adviseer op welke manier de wensen gerealiseerd kunnen worden. • met een overzicht van de advies- en aandachtspunten die gekoppeld zijn aan de wensen van de klant maakt u een en ander concreet. • een actiepuntenlijst tot slot met data vermeld waarop de actie moet zijn afgerond zet de klant in beweging.
Over de opbouw van het adviesrapport merken wij het volgende op: • het is belangrijk om de structuur te bepalen aan de hand waarvan u elk (type) adviesrapport opbouwt. Het zal u tijd besparen en de kans dat u zaken vergeet, wordt op deze manier kleiner. Het is immers belangrijk dat de centrale vraag van de klant beantwoord wordt. • zorg ervoor dat u de informatie die bij elkaar hoort ook daadwerkelijk op dezelfde plaats in het rapport opneemt. Het maakt het verhaal makkelijker te volgen en u voorkomt dubbele vermelding van informatie. • neem alleen maar relevante informatie op in het adviesrapport. Dat u alle gegevens heeft ingevoerd in een geavanceerd softwarepakket waarmee u verschillende berekeningen heeft gemaakt, is irrelevant voor de klant. • leid hoofdstukken van het rapport in en gebruik zowel kernzinnen als signaalwoorden. Hoofdstukken bestaan uit alinea’s. Een goede alinea bestaat uit een kernzin en uit een uitwerking van de kernzin in de overige zinnen. Kernzinnen bevatten de belangrijkste informatie, de kern van wat u de klant wilt zeggen in die alinea. Het beste kunt u de kernzin als eerste, tweede of laatste zin opnemen. Lezers kijken namelijk bij voor- 103
keur op die plaatsen om een snel overzicht te krijgen van de inhoud. Met signaalwoorden geeft u aan welk verband er tussen de verschillende alinea’s en/of zinnen is. Veelvuldig gebruik van signaalwoorden is aan te raden omdat zij de lezer helpen, structuur geven aan de tekst en zorgen voor samenhang tussen alinea’s. Voorbeelden van signaalwoorden zijn: eerst, vervolgens, hier, waarin, daarentegen, tenzij, daarnaast, ten eerste, concluderend, overigens, afgezien van, daarom, daardoor et cetera. De opbouw van een goede alinea bestaat uit een inleiding, kern en slot. Er wordt wel eens gezegd dat een goede schrijver schrijft per alinea en dat alinea’s de bouwstenen zijn van een tekst. • titels en kopjes zijn informatief, passend, zakelijk, niet te lang (drie àvier woorden) en niet vragend.
Qua formulering valt het ons allemaal wel eens op: • spel-, grammatica-, interpunctie- en stijlfouten. Wees er alert op! Kent u de regels rondom het verbindingsstreepje (lijfrente-uitkering of lijfrente-uitkering?) of de tussen-s (heffingvrij vermogen of heffingsvrij vermogen)? Wanneer is het ‘tenminste’ en wanneer ‘ten minste’? Het gaat te ver om erop in te gaan, voor de praktijk is het aan te raden daar eens wat tijd aan te besteden. • zorg ervoor dat u duidelijk, gepast en aantrekkelijk schrijft. Duidelijk schrijven doet u door helder te formuleren. Of zinnen als: ‘De sinds 2013 verlaagde en jaarlijks terugkerende en van de inkomstenbelasting aftrekbare lijfrentepremie ...’ te voorkomen. Het gaat in deze zin om de lijfrentepremie en doordat er allerlei informatie over de lijfrentepremie achter elkaar wordt gezet, zal de klant de draad kwijtraken. ‘Gepast’ houdt in dat de tekst aansluit bij uw klant qua taalgebruik, leeftijd of opleidingsniveau. Gepast houdt ook in dat uw woordkeuze aansluit bij de voorkeursstijl van de klant. Wees alert op spreektaal. In een persoonlijke quote van de klant is dat prima, in uw eigen tekst niet. Aantrekkelijk schrijft u, als u korte zinnen en langere zinnen met elkaar afwisselt en als u actief in plaats van lijdend schrijft (‘U besteedt per maand € 500 aan uw hobby’ in plaats van ‘Aan uw hobby wordt door u per maand € 500 besteed’). Het is ook aantrekkelijker om werkwoorden te gebruiken in plaats van zelfstandige naamwoorden, dus liever ‘In 2022 stijgt uw salaris met € 100 in de maand’ dan ‘In 2022 zult u een salarisstijging krijgen’. Net als u houdt een klant van voorbeelden. Deze maken uw teksten ook aantrekkelijker. Tot slot schrijft u naar de klant toe, dus ‘Volgende week ontvangt u ...’ in plaats van ‘Volgende week stuur ik u...’. • als u met ‘je’ en ‘jullie’ bent begonnen, houd dat dan aan gedurende het gehele rapport en switch niet naar ‘u’. • uiteraard is het belangrijk om vaktechnische termen te vermijden. Weinig klanten weten wat de ‘bijleenregeling’ is of een ‘periodiek verre104 kenbeding’.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR Tot slot is het van belang om een vaste vormgeving te kiezen: • met één lettertype en één keuze voor de lettergrootte. • het gebruik van grafieken en afbeeldingen helpt de lezer die visueel is ingesteld. Tabellen zijn er voor de cijfermatige klant. Uiteraard alleen als het opnemen in het rapport toegevoegde waarde heeft. Grafieken waarin niets gebeurt, nemen onnodig ruimte in beslag.
Wanneer uw adviesrapport klaar is, doet u er goed aan om het even weg te leggen en het na een aantal uren of dagen opnieuw te lezen en dan pas naar de klant te versturen. Meestal haalt u er nog wel wat onvolkomenheden uit. Het meest ideaal is het natuurlijk om een ander het rapport te laten lezen en feedback te vragen.
3.5.2.7 Adviesgesprek
Na het opstellen van het adviesrapport volgt het adviesgesprek met de klant. De structuur van het adviesgesprek kent globaal de volgende stappen: 1. ontvangst klant 2. terugkoppeling inventarisatiegesprek 3. uitleggen werkwijze 4. starten uitleg deelonderwerpen 5. uitleg en motivering advies 6. prijs financieel product 7. akkoord klant op advies 8. bespreken vervolgtraject en verdere afwikkeling 9. afsluiten gesprek en eventueel maken vervolgafspraak.
Als de adviseur het hele rapport heeft besproken, geeft hij aan welke adviezen de klant wenst op te volgen en tegen welke prijs. Soms zal de adviseur het rapport moeten aanpassen. Dan volgt er nog een derde gesprek. De adviseur plant dan in overleg met de klant nog een vervolgafspraak.
3.5.2.8 Nazorg
Na het adviesgesprek zet de adviseur de afspraken in gang. Mocht er sprake zijn van bemiddeling in financiële producten, dan zorgt de adviseur voor aanvraagformulieren en eventueel aanvullende informatie die nodig is voor de aanbieders van de producten. De adviseur controleert of de producten op een juiste wijze zijn afgenomen. Ook legt de adviseur de afspraken, het klantprofiel, de analyse en het advies vast in een klantdossier. Bij sommige adviezen zorgt de adviseur er ook voor dat afspraken met derden worden gemaakt. Zo moet er bij een hypotheekadvies bijvoorbeeld een afspraak met een notaris worden gemaakt. Dit alles valt onder de zorgplicht van de adviseur. 105
De adviseur is dus verantwoordelijk voor de juiste afwikkeling van het advies en de aanvraag van de financiële producten die daaruit voortvloeien. Daarnaast heeft de adviseur bij het invullen van de aanvraagformulieren voor financiële producten ook nog een andere zorgplicht. Hij moet de kandidaatverzekerde duidelijk wijzen op het zogenoemde mededelingsartikel en wat de gevolgen voor de klant kunnen zijn als hij de gegevens op het aanvraagformulier onvolledig of (gedeeltelijk) onjuist invult. De klant loopt in dat geval het risico dat de verzekeraar geen of een onvolledige uitkering zal doen.
De adviseur moet de klant dus uitdrukkelijk wijzen op het volledig en eerlijk invullen van het aanvraagformulier. De klant blijft zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de gegevens die hij invult op het aanvraagformulier.
3.5.2.9 Toekomstige nazorg
Het klantbelang moet centraal staan bij de advisering. Die zorg houdt niet op bij het eenmaal uitgebrachte advies en de eventuele opvolging van afspraken hierover. De adviseur moet de klant blijven voorzien van informatie als dit nodig is. Het kan gebeuren dat een in eerste instantie passend hypothecair advies niet meer passend blijkt te zijn. Dit kan het geval zijn door: • wijzigingen in de persoonlijke situatie van de klant • wetswijzigingen • bepaalde productontwikkelingen.
Het is daarom belangrijk dat de adviseur na verloop van tijd contact opneemt met de klant. Hij bekijkt dan samen met de klant of het advies nog up-to-date is en informeert de klant hierover. Als dat is afgesproken of gewenst kan er actie worden ondernomen.
3.5.2.10 Afwijken van het advies
Zoals vaker genoemd moet een financieel advies, conform de Wft, passend zijn op basis van het klant(risico)profiel. In de dagelijkse adviespraktijk gebeurt het regelmatig dat de klant het gegeven advies naast zich neerlegt of gedeeltelijk opvolgt. Wat moet de adviseur dan doen om te voorkomen dat hij achteraf aansprakelijk wordt gesteld voor eventuele schade die de klant daardoor lijdt?
Het is in ieder geval uit den boze dat de adviseur zijn advies aanpast aan het financiële product dat de klant wenst af te nemen. Of nog erger, als de adviseur het klantprofiel zo aanpast dat het door de klant gewenste product ineens passend zou worden.
PROFESSIONEEL GEDRAG, ETHIEK, INTEGRITEIT EN ADVIESVAARDIGHEDEN ADVISEUR De adviseur moet op een voor de klant begrijpelijke wijze mondeling uitleggen wat de risico’s voor hem zijn van het niet (volledig) volgen van zijn advies en wat dit in de specifieke situatie van de klant betekent. De adviseur maakt dat met woorden en cijfermatige onderbouwing inzichtelijk voor de klant.
Als de klant bij zijn voornemen blijft, moet de adviseur wat hiervoor met de klant is besproken, schriftelijk vastleggen en hem dit document laten ondertekenen. De klant verklaart daarmee dat de risico’s aan hem bekend zijn en dat hij deze accepteert. De adviseur bewaart de ondertekende brief daarna bij de onderbouwing op papier in het betreffende klantdossier. De wettelijke bewaartermijn conform de Wft bedraagt vijf jaar. Het behoeft geen betoog dat het verstandiger is om het klantdossier, inclusief deze brief, langer te bewaren.
3.5.2.11 Adviseur blijft altijd verantwoordelijk voor eigen advies
Als de adviseur bovenstaande procedure volgt, is de kans groot dat hij niet aansprakelijk is voor een eventuele schade die uit het adviesproces voortvloeit. Hij kan in dat geval ook gerust in het door de klant gewenste product bemiddelen.
Echter, de adviseur blijft altijd verantwoordelijk voor zijn eigen advies. In het geval de adviseur in het geheel niet achter de wens van de klant kan staan, moet hij de dienstverlening staken en evenmin bemiddelen.
BIJLAGEN
Bij deze module horen aanvullende bijlagen die digitaal beschikbaar zijn.
Scan de QR-code hieronder met je smartphone of tablet om direct toegang te krijgen.
Scan de QR-code en bekijk de bijlagen!
Mocht de QR-code niet werken of wil je de bijlagen op je computer bekijken, ga dan naar: https://www.hypothecairplanner.nl/redirect/syllabi
DEEL 9 — CONSUMPTIEF BESTEEDBAAR INKOMEN
BESTEEDBAAR INKOMEN
INLEIDING
Deze module is onderdeel van de opleiding tot Erkend Hypothecair Planner.
Budgetteren is essentieel voor het bepalen van het Consumptief Besteedbaar Inkomen (CBI) en omvat meer dan alleen de omzetting van bruto- naar netto-inkomen. Hoewel dit een belangrijk onderdeel is, gaat budgetteren verder. Een groot deel van de Nederlandse huishoudens werkt niet met een vast budget en wordt daardoor regelmatig geconfronteerd met onvoorziene uitgaven, zowel groot als klein. Kleine uitgaven kunnen immers snel optellen tot een aanzienlijk bedrag.
Een hypothecair planner biedt grote toegevoegde waarde bij het budgetteren zonder als budgetcoach op te treden. Hij houdt rekening met het volledige inkomsten- en uitgavenpatroon van de klant, inclusief toekomstige veranderingen door life events. Ook incidentele, onverwachte uitgaven zoals groot onderhoud aan de woning worden meegenomen, evenals wijzigingen in het uitgavenpatroon, bijvoorbeeld door gezinsuitbreiding.
Budgetteren is een persoonlijke exercitie waarin alle relevante factoren worden meegenomen om te bepalen of het CBI toereikend is. Het beschikbare CBI moet minimaal gelijk zijn aan het benodigde CBI, dat op basis van een budget wordt vastgesteld. Iedereen heeft een eigen budget, gebaseerd op persoonlijke keuzes en prioriteiten. Alleen de klant kan zijn budget bepalen. Hypothecair advies gaat niet alleen over het berekenen van maandlasten, maar ook over de vraag of deze lasten betaalbaar zijn binnen het vastgestelde CBI.
Afhankelijk van de levensfase van de klant verandert het budget, evenals het beschikbare en benodigde CBI. In deze module worden de volgende life events onderscheiden: • ouder worden • arbeidsongeschiktheid • overlijden • werkloosheid • groei of achteruitgang van een onderneming.
Daarnaast komen specifieke situaties aan bod, zoals het CBI bij verhuur van de eigen woning, overlijden en erfbelasting, en het overlijden van een alimentatieplichtige ex-partner.
Verder maken we onderscheid tussen werknemers en ondernemers, aangezien er op het gebied van inkomstenbelasting en sociale zekerheid aanzienlijke verschillen tussen deze groepen bestaan.
Het CBI na een relatiebreuk valt buiten de scope van deze module. Dit onderwerp vereist specialistische kennis op het niveau van een financieel planner met expertise in relatiebreuken en gaat verder dan de onderhavige opleiding.
Wij wensen u veel succes en plezier bij het bestuderen van deze module!
NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender.
INLEIDING
Breitner 1 SK-A-4925
4. BUDGETTEREN IN HYPOTHECAIR PLANNINGSTRAJECT
Bij het krijgen van een (integraal) hypothecair planningsadvies doorloopt de klant met de hypothecair planner een aantal stappen. De AFM onderscheidt de stappen kennismaking, beeldvorming, oplossing en doorlopende nazorg.
4.1 BEELDVORMINGSFASE
In de beeldvormingsfase brengt de hypothecair planner de wensen, doelstellingen, risicobereidheid en de huidige en toekomstige inkomens- en vermogenspositie van de klant in kaart. Deze inventarisatie vormt de basis van het advies, aangezien het zowel het startpunt (de huidige situatie) als het eindpunt (het doel) bepaalt.
Op basis hiervan en met inachtneming van de risicobereidheid kan de hypothecair planner de route uitstippelen en waar nodig gerichte aanbevelingen doen.
4.1.1 Financiële positie
4.1.2 Risicobereidheid
4.1.3 Wensen en doelstellingen
Op basis van de onderliggende documentatie, zoals inkomensgegevens, ondernemingsgegevens, pensioengegevens, vermogensoverzichten, huishoudsamenstelling en lopende voorzieningen, maakt de hypothecair planner eerst een ‘foto’ van de huidige en toekomstige inkomens- en vermogenspositie.
Met behulp van rekensoftware stelt hij vervolgens een budget op, waarmee de klant inzicht krijgt in zijn huidige en toekomstige CBI op basis van de bestaande voorzieningen.
Een efficiente en minder arbeidsintensieve methode voor de analyse bij de gewenste aankoop van een woning is een financieringsopzet op basis van de minimale dekkings- en/of aflossingseisen, al dan niet met NHG.
Tijdens het gesprek inventariseert de hypothecair planner de wensen en doelstellingen van de klant. Deze kunnen varieren van de aankoop van een woning tot eerder stoppen met werken. Vaak heeft een klant meerde-
BUDGETTEREN IN HYPOTHECAIR PLANNINGSTRAJECT Ouder worden Arbeids-onges- Werkloosheid Overlijden chiktheid Overheid AOW WAO, WIA, IOAW, TW WW, PW, TW Anw Werkgever Ouderdomspensioen Arbeidsongeschikt PAWW Anw-hiaat Nettopensioen heidspensioen Invaliditeitspensioen WIA-hiaat WIA-aanvulling WIA-Excedent Privé Periodieke uitkering uitkering/opname uit uitkering/opname uit nabestaandenuit (netto)lijfrente Woonlasten-AOV, uit Woonlasten-WW lijfrente, erfrente Kapitaal/vermogen integrale AOV-lijfrente en/of kapitaal/ en/of kapitaal/ en/of kapitaal/ vermogen vermogen vermogen
re wensen en doelen. De hypothecair planner verwerkt deze in het budget, zodat er een helder financieel overzicht ontstaat.
4.1.3.1 Inschatten haalbaarheid
De haalbaarheid van de wensen en doelen van de klant wordt duidelijk op basis van zijn inkomen en/of bestaande voorzieningen. Zo wordt bij de wens om een nieuwe woning te kopen inzichtelijk welke budgettaire impact deze aankoop heeft. Het budget toont het CBI na de aankoop. Hierbij spelen twee vragen een rol: vindt de klant dit acceptabel (klant centraal) en acht de adviseur dit verantwoord (klantbelang centraal)? Veel klanten vinden het lastig om te bepalen of hun CBI toereikend is.
Uiteindelijk kan alleen de klant zelf vaststellen of zijn CBI voldoende is. Dit vereist bewustzijn van de eigen inkomsten, uitgaven en mogelijke toekomstige veranderingen, zoals minder of meer werken of een bijdrage in de studiekosten van kinderen. De hypothecair planner helpt de klant om inzicht te krijgen in deze voorzienbare veranderingen. Een budgetteringsformulier (Bijlage 1) kan hierbij als hulpmiddel dienen, vooral om de klant bewust te maken van zijn uitgavenpatroon. Dit inzicht helpt ook bij het herkennen van besparingsmogelijkheden. Daarnaast kan een klant op basis van bankafschriften van het afgelopen jaar een goed beeld krijgen van zijn uitgaven.
Met rekensoftware kan nauwkeurig worden berekend welk CBI de klant ter beschikking zal hebben na bijvoorbeeld de betaling van nieuwe woonlasten of andere financiële keuzes. De hypothecair planner toont welk bedrag overblijft na aftrek van (minimale) woonlasten, rekening houdend met fiscale voordelen en heffingskortingen. Afwijkingen tussen het ‘daadwerkelijke’ CBI en het ‘gewenste inkomensniveau’ worden weergegeven als tekort of over- 119
schot. Alleen de klant kan beoordelen of een tekort als problematisch wordt ervaren, afhankelijk van zijn uitgavenpatroon en eventuele besparingsmogelijkheden.
Figuur 1.
Figuur 2.
Figuur 3.
Figuur 1 laat zien dat de klant na het betalen van belastingen en vaste lasten geld overhoudt. De vraag is of dit bedrag voldoende is. In deze staafdiagram staat ‘resterend budget’ gelijk aan het CBI. Alleen wanneer het gewenste resterende budget (CBI) bekend is, kan worden beoordeeld of dit daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Figuur 2 toont de verhouding tussen inkomen (groen) en uitgaven (rood) van dezelfde klant. Hoe vollediger de gegevens zijn ingevoerd, hoe nauwkeuriger
BUDGETTEREN IN HYPOTHECAIR PLANNINGSTRAJECT de uitkomst. De grijze lijn (balans) geeft de ontwikkeling van het resterende budget (CBI) uit Figuur 1 in de loop der jaren weer.
Figuur 3 visualiseert of en wanneer het gewenste resterende budget (CBI) van € 30.000 netto per jaar wordt behaald. Dit geeft zowel de klant als de hypothecair planner in één oogopslag inzicht in de financiële situatie. Op basis hiervan kan de klant zijn doelen bijstellen of zijn wensen prioriteren.
4.1.3.2 Prioriteren
Een klant kan meerdere wensen hebben. De hypothecair planner biedt inzicht in de impact van deze wensen op de financiële situatie door verschillende scenario’s te analyseren. Zo wordt duidelijk of de gecombineerde wensen haalbaar zijn. Bijvoorbeeld: de aankoop van een nieuwe woning in combinatie met het bekostigen van de studie van de kinderen kan leiden tot een tekort in het CBI.
Op basis van deze inzichten helpt de hypothecair planner de klant bij het stellen van prioriteiten en het vinden van oplossingen. Welke wens heeft voorrang?
Tijdens dit proces houdt de planner rekening met mogelijke oplossingen die in de oplossingsfase worden besproken. Een tekort in het CBI kan bijvoorbeeld worden aangevuld met inkomen uit vermogen of door besparingen op bepaalde uitgaven. De klant bepaalt zelf welke maatregelen voor hem acceptabel zijn.
In de beeldvormingsfase kan de planner al inzicht geven in de haalbaarheid van de wensen. Indien bepaalde wensen duidelijk onrealistisch zijn, is het de taak van de hypothecair planner om dit tijdig aan te geven. Dit voorkomt teleurstellingen in het verdere traject.
Breitner 2 SK-A-3580
5. CBI, NBI EN BUDGET
In de voorgaande paragrafen is het CBI al besproken. Bij budgetteren wordt ook de term Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) gebruikt, maar deze begrippen zijn niet officieel gedefinieerd en kunnen verschillend worden geïnterpreteerd. Om misverstanden te voorkomen, hanteren wij de volgende definities:
NBI: het bedrag dat overblijft na aftrek van de verschuldigde belasting over het bruto-inkomen. CBI: het inkomen dat een klant overhoudt na aftrek van belastingen en vaste lasten, en vrij kan besteden (zoals aan eten, drinken en ontspanning).
Het verschil tussen CBI en NBI zit in de vaste lasten: CBI is het NBI minus de bruto vaste lasten.
Bij het berekenen van het CBI houdt de hypothecair planner rekening met: • uitgaven die als last gelden maar niet fiscaal aftrekbaar zijn (bijvoorbeeld levensverzekeringspremies). • kostenposten die een fiscale heffing veroorzaken zonder daadwerkelijk inkomen te zijn (zoals het eigenwoningforfait). • uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn (zoals lijfrente-inleg), waarbij een deel later wordt terugontvangen via de Belastingdienst. Dit betekent dat er per saldo minder uit kas gaat dan op het eerste gezicht lijkt.
Een correcte berekening van het CBI vereist gedegen fiscale kennis, evenals inzicht in de geldende wet- en regelgeving, vooral bij de verschillende life events van een hypothecaire planningsklant.
5.1 NBI HUURDER
Om het verschil tussen NBI en CBI te verduidelijken, bespreken we hier een paar voorbeelden waarbij het NBI het uitgangspunt is.
In alle gevallen vormt het bruto-inkomen het uitgangspunt. Om vervolgens tot een NBI te komen van iemand die huurt, kan volstaan worden met het toepassen van de belastingheffing op dit bruto-inkomen. Het CBI van de huurder is vervolgens het NBI, verminderd met de huur.
Voorbeeld Tim de Huurder Tim (alleenstaand, 37 jaar) heeft een bruto jaarsalaris van € 46.500. Tim heeft verder € 30.000 op een internetspaarrekening bij Klarna (rentevergoeding 2,53 procent) en € 30.000 op een beleggingsrekening (rendement 4,80 procent).
Tim geeft jaarlijks € 15.000 uit aan eten, drinken vrolijk zijn. Het NBI van Tim berekenen we door eerst de belastingheffing in box 1 te berekenen. Deze is € 16.789. Tim heeft recht op een algemene heffingskorting van € 1.916 en een arbeidskorting van € 5.376. De totale heffingskorting bedraagt voor Tim dus € 7.292.
In box 3 betaalt Tim € 31 vermogensrendementsheffing.
Het NBI van Tim is in totaal: Totaal inkomen: € 46.500 + € 2.199 (rendement) = € 48.699. Te betalen inkomstenbelasting: € 16.789 (box 1) + € 31 (box 3) -/- € 7.292 (heffingskortingen) = € 9.528. Het NBI van Tim is dan € 48.699 -/- € 9.528 = € 39.171.
Tim betaalt € 1.000 huur per maand. Het NBI van Tim in 2025 is € 39.171 -/- € 12.000 = € 27.171. Het CBI van Tim is vervolgens € 27.171 -/- € 15.000 = € 12.171.
Voor een huurder is dus vrij eenvoudig na te gaan hoeveel zijn CBI is, op het moment dat het NBI eenmaal berekend is.
5.2 NBI EIGENWONINGBEZITTER
CBI, NBI EN BUDGET Voor iemand met een koopwoning is dat een ander verhaal. Dat heeft te maken met de fiscale behandeling van de eigenwoningschuld. Om tot het NBI te komen, moet rekening gehouden worden met aftrekbaarheid van eigenwoningrente en bijtelling van het eigenwoningforfait, nog voordat de hypotheeklasten daadwerkelijk zijn betaald. Het CBI is dan het NBI verminderd met de bruto hypotheeklasten. Immers, er is al rekening gehouden met de fiscale gevolgen van de eigenwoningschuld.
Wij lichten dat toe aan de hand van een voorbeeld.
Voorbeeld Tom de Eigenwoningeigenaar Tom is de tweelingbroer van Tim uit het vorige voorbeeld. Tom verdient precies evenveel en hij heeft hetzelfde vermogen in box 3 plus bijbehorende rendementen. Ook Tom geeft jaarlijks € 15.000 uit aan eten, drinken vrolijk zijn.
Tom heeft een eigen woning met een WOZ-waarde van € 250.000. Hierop rust € 250.000 aflossingsvrije eigenwoningschuld. De rente is 4,80 procent. Dit komt neer op € 12.000 aan te betalen eigenwoningrente.
Bij de berekening van het NBI van Tom moet de belastingdruk worden berekend, rekening houdend met zijn eigen woning. Het belastbaar inkomen in box 1 is het inkomen uit arbeid + het positieve inkomen eigen woning (eigenwoningforfait) -/- aftrekbare rente eigenwoningschuld. Dat is € 46.500 + (0,35% x € 250.000) -/- € 12.000 = € 35.375.
De te betalen inkomstenbelasting hierover bedraagt € 12.671. Voor Tom bedraagt de algemene heffingskorting € 2.621 en de arbeidskorting € 5.376. Totaal is dat € 7.997.
De belastingheffing in box 3 is ook € 31 en het inkomen in box 3 is ook € 2.199.
Het NBI van Tom is in totaal: Totaal inkomen: € 46.500 + € 2.199 = € 48.699. Te betalen inkomstenbelasting: € 12.671 (box 1) + € 31 (box 3) -/- € 7.997 (heffingskortingen) = € 4.705.
NBI is € 48.699 -/- € 4.705 = € 43.994 in 2025.
Het NBI van Tom is € 43.994 -/- € 12.000 = € 31.994. Het CBI van Tom is € 31.994 -/- € 15.000 = € 16.994.
Tom heeft in 2025 € 4.823 meer te besteden dan Tim, hoewel de brutowoonlast hetzelfde is.
Hier valt op af te dingen dat Tom als woningbezitter ook onroerendezaakbelasting (OZB) moet betalen en rioolheffing voor eigenaren. Dit zijn twee kostenposten die Tim niet hoeft te betalen als huurder (dat wil zeggen: die zijn verdisconteerd in zijn huur).
Tot slot moet Tom zijn eigen woning wel onderhouden. Afhankelijk van de staat van onderhoud en het bouwjaar van de woning, wordt hiervoor meestal een bedrag tussen de één en twee procent van de waarde van de woning per jaar gerekend.
In beide gevallen (Tim en Tom) is onduidelijk wat het budget is. Mogelijk hebben zij beiden elke maand veel geld over, omdat ze relatief zuinig leven. Of wellicht hebben ze een tekort op maandbasis, omdat ze een dure hobby hebben.
Het feit dat zij € 60.000 aan besteedbaar vermogen hebben, betekent niet dat zij dit gespaard hebben. Mogelijk is het een erfenis of schenking geweest, of hebben zij het vermogen op een andere manier vergaard.
Bij budgetteren is het van belang altijd onbevooroordeeld en individueel te beschouwen hoe het uitgavenpatroon is van de klant. Zorgt u zelf in elk geval altijd dat u in uw regio op de hoogte bent van de gemeentelijke woonlasten voor woningeigenaren. Zoals in het voorbeeld genoemd, kunnen die zeer sterk verschillen per gemeente.
Er kan bovendien een verschil in interpretatie zijn tussen u als hypothecair planner en de klant over wat het CBI is en wat het tekort of overschot is van de consument. Dat is ook afhankelijk van het uitgangspunt van het adviesgesprek.
Enerzijds kunnen dat de woonlasten zijn, anderzijds juist de overige uitgaven. Het is van belang deze twee begrippen bijeen te brengen, zodat de adviseur de klant kan coachen. Uiteraard is het prioriteren hieraan voorafgegaan.
Als de ‘overige uitgaven’ voor de klant buiten discussie staan, dan ligt vast hoe hoog de maximale woonlasten kunnen zijn op grond van het CBI. Wil iemand heel graag een bepaalde woning aanschaffen en financieren, terwijl er op basis van het huidige uitgavenpatroon een tekort is, dan kan de adviseur samen met de klant bezien in hoeverre de overige uitgaven beter kunnen worden gemanaged.
CBI, NBI EN BUDGET Dit is het eindresultaat. Dat is het uiteindelijke budgetteren: het helpen het CBI in overeenstemming te brengen met de mogelijkheden en wensen. Uiteraard is dat een momentopname. Terugkomend op de twee voorbeelden, kan het zijn dat de huur van Tim sterkt stijgt de komende jaren. Als voor Tom de rentevastperiode vervalt, loopt hij de kans, dat hij een hogere/lagere rente moet gaan betalen.
Breitner 4 SK-A-3579
6. CBI EN LIFE EVENTS
6.1 INLEIDING
In dit hoofdstuk analyseren we diverse life events aan de hand van een vaste klantsituatie. We berekenen en bespreken de bijbehorende CBI’s, waarbij de belangrijkste aandachtspunten per situatie zichtbaar worden. Denk hierbij aan de premies voor de zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of aan de verschillende heffingskortingen, die afhankelijk van het life event kunnen variëren. Ook wordt het effect van de zogenoemde ‘tariefmaatregel’, die sinds 2014 van kracht is, inzichtelijk gemaakt.
Deze aanpak geeft een beter beeld van mogelijke ontwikkelingen in het CBI van de klant. Dit is essentieel om inzicht te bieden in de inkomensrisico’s die gepaard gaan met het aangaan van een eigenwoningschuld. Is de hypotheek nog betaalbaar als een life event zich voordoet? En zo niet, hoe beïnvloedt dit de beslissing van de klant om een woning te kopen en financieren?
Niet alle life events doen zich bij iedere klant voor. Daarnaast kan een klant een ander perspectief hebben op de risico’s die in kaart worden gebracht. Toch blijft het van belang deze berekeningen te maken. Pas wanneer de klant inzicht heeft in de concrete financiële en vermogensconsequenties van mogelijke life events, kan hij weloverwogen beslissingen nemen.
Na het bestuderen van deze module kunt u: • het CBI van een woningbezitter en zijn gezin berekenen. • beoordelen of de financieringslast nu en in de toekomst verantwoord is. • de klant inzicht geven in de gevolgen van bepaalde financiële beslissingen op zijn CBI. 129
• de impact van toekomstige situaties zoals overlijden, arbeidsongeschiktheid en ouder worden aantonen. • met een IB-ondernemer of dga in gesprek gaan over de risico’s van omzetdaling en sterke groei voor het CBI.
6.2 HUIDIG CBI ALS VERTREKPUNT
6.2.1 Casus 1
Situatie van Léon den Eilander en Hanneke Lam
Huwelijk en testament Léon den Eilander (geboren op 1 november 1964) en Hanneke Lam (geboren op 1 december 1963) zijn sinds 2007 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen (AGvG). Zij hebben geen testament.
Inkomen en pensioen Hanneke werkt sinds eind jaren ’70 bij het stofferingsbedrijf van haar moeder en vervult sinds 1988 de functie van marketingmanager. Haar brutojaarsalaris bedraagt € 120.000.
Via haar werkgever neemt zij deel aan een pensioenregeling waarvoor de werkgever de premie betaalt. Haar te bereiken ouderdomspensioen vanaf haar 68ste bedraagt € 65.000 bruto per jaar, met een partnerpensioen van 70 procent hiervan. Daarnaast stort Hanneke jaarlijks € 1.500 in een lijfrenteverzekering, die op 1 januari 2025 een waarde had van € 80.000. Zij is van plan dit vol te houden tot haar AOW-leeftijd. Volgens een prognose ontvangt zij vanaf die leeftijd gedurende 20 jaar een bruto lijfrente-uitkering van € 10.000 per jaar. De verzekering bevat ook een nabestaandenlijfrente, die na haar overlijden een levenslange bruto-uitkering van € 4.000 per jaar biedt.
Léon werkt sinds 12 jaar als leidinggevende jobcoach bij een re-integratiebureau en heeft een brutojaarinkomen van € 60.000. Hij neemt deel aan een middelloonpensioenregeling bij zijn werkgever, die de premie betaalt. De jaarlijkse pensioenopbouw bedraagt 1,25 procent van het pensioengevend salaris, verminderd met een AOW-franchise van € 18.475. De pensioenopbouw loopt door tot zijn 68ste, met een partnerpensioen van 70 procent van het te bereiken ouderdomspensioen.
Sinds 2017 stort Léon jaarlijks € 2.000 op een lijfrentespaarrekening en wil dit volhouden tot zijn AOW-leeftijd. Volgens een prognose ontvangt hij
CBI EN LIFE EVENTS vanaf die leeftijd gedurende 20 jaar een bruto lijfrente-uitkering van € 5.000 per jaar.
Woningbezit en hypothecaire geldlening Léon en Hanneke wonen in hun eerste eigen woning in Neede. Léon kocht de woning op 1 januari 2003 voor € 350.000 kosten koper en financierde deze met een hypothecaire geldlening van € 370.000. • Huidige WOZ-waarde en marktwaarde: € 500.000 • Hypotheekrente: 6 procent (30 jaar vast) • Aflossing: via een KEW, afgesloten bij de hypotheek. De maandelijkse premie bedraagt € 500, en het garantiekapitaal op einddatum is € 370.000. • Overlijdensdekking: € 370.000 per persoon.
Panden en beleggingen De afgelopen twee jaar heeft Hanneke twee panden gekocht met privégeld: één in Ruurlo en één in Lochem. Dankzij haar kennis van de lokale markt en haar contacten via het stofferingsbedrijf kon ze gunstige aankopen doen. • Huurcontracten: vijf jaar • Totale huurinkomsten: € 70.000 per jaar • Totale kosten (inclusief hypotheeklasten): € 25.000 per jaar • Vastgoedwaarde (WOZ-waarde = taxatiewaarde): € 1.350.000 • Hypothecaire financiering: € 500.000 (rente vijf procent, nog vijf jaar vast)
Zakelijke auto Sinds 2025 rijdt Hanneke in een nachtblauwe Audi A5 van de zaak, met een cataloguswaarde van €60.000. De auto heeft een CO₂-uitstoot hoger dan 0 gram per kilometer, waardoor bijtelling van toepassing is. Hanneke hecht veel waarde aan haar auto, zowel zakelijk als privé.
Gewenst CBI en fiscale optimalisatie Léon en Hanneke streven in 2025 naar een gezamenlijk CBI van € 100.000.
Bij het opstellen van een fiscaal optimaal CBI houden we rekening met: 1. de fiscale verdeling van de eigenwoningregeling. 2. wijziging algemene heffingskorting (vanaf 2025): Niet alleen het inkomen uit werk en woning (box 1) telt mee, maar ook box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (vermogen). Dit beïnvloedt de belastingdruk en de netto-inkomenspositie van Léon en Hanneke.
Met deze gegevens stellen we een fiscaal optimaal CBI op voor Hanneke en Léon, waarbij belastingvoordelen en risico’s in verschillende scenario’s worden geoptimaliseerd. 131
2025 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 Loon 60.000 120.000 180.000 Auto van de zaak 13.200 Eigenwoningrente -/- 22.200 -/- 22.200 Eigenwoningforfait 1.750 Inkomensvoorziening -/- 2.000 -/- 1.500 -/- 3.500 Belastbaar inkomen box 37.550 131.700 Totale IB/PVV -/- 68.769 Box 3 -/- 20.713 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven panden Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW -/- 6.000 Heffingskortingen Algemene Léon 2.489 Arbeidskorting Léon 4.497 Gezamenlijk beschikbaar CBI 110.803 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk overschot CBI 10.803
Toelichting op CBI-berekening
Partnerschap Léon en Hanneke zijn vóór 2018 gehuwd in AGvG en kwalificeren hiermee als fiscaal partners1. Het fiscaal partnerschap heeft als voordeel dat zij elkaar vrijelijk gemeenschappelijke inkomensbestanddelen kunnen toerekenen.
Auto van de zaak Hanneke (artikel 3.20 Wet IB 2001) In 2025 vallen alleen auto’s zonder CO2-uitstoot volledig in het 17 procent tarief. Het verlaagde percentage van volledig 17 procent geldt voor auto’s op waterstof en voor auto’s die volledig worden aangedreven door geïntegreerde zonnecellen. De zonnecellen moeten een vermogen hebben van ten minste één kilowattpiek en de accu mag geen lood bevatten. Voor andere nul emissie auto’s geldt de 17 procent slechts tot en met een cataloguswaarde van € 30.000. Voor het deel daarboven geldt de bijtelling van 22 procent.
132 1 A rt. 5a AWR
CBI EN LIFE EVENTS De autotochtjes in het weekend geven bovendien aan dat er meer dan 500 kilometer privéwordt gereden met de auto. De bijtelling van de auto voor de zaak voor Hanneke is dan 22 procent x € 60.000 = € 13.200.
Eigenwoningregeling Let op! Vanaf 2023 geldt dat de eigenwoningrente beter in aanmerking kan worden genomen bij degene met het laagste marginale tarief voor de inkomstenbelasting. De eigenwoningrente wordt immers met ingang van 2023 altijd tegen het basistarief verrekend (in 2025: 37,48 procent) en het eigenwoningforfait tegen het marginale tarief.
De hypothecaire geldlening is een eigenwoningschuld (EWS) en daarom is de betaalde rente aftrekbaar in box 1: 6% x € 370.000 = € 22.200. Zij kunnen de eigenwoningrente in 2025 maximaal aftrekken tegen 37,48 procent2. Het eigenwoningforfait (ewff) is 0,35% x € 500.000 = € 1.7503. Het ewff is belast tegen het marginale tarief van 49,50 procent4. De correctie IB/PVV is nihil als de volledige eigenwoningregeling bij Léon wordt opgevoerd.
Te betalen IB/PVV5 Totaal te betalen IB/PVV door Léon is € 13.450 en door Hanneke is € 55.319. Totaal te betalen gezamenlijke IB/PVV in box 1 bedraagt € 68.769.
Box 36 In 2025 geldt de forfaitaire spaarvariant in box 3. Léon en Hanneke zijn fiscaal partners en houden daarom ieder rekening met het heffingsvrije vermogen van € 57.6847 en de schuldendrempel van € 3.8008.
Heffingskortingen9 Algemene heffingskorting Léon10 is € 2.489 en zijn arbeidskorting is11 € 4.497.
2 A rt. 2.10 lid 2 Wet IB 2001. 3 A rt. 3.112 Wet IB 2001. 4 A rt. 2.10 lid 2 Wet IB 2001. 5 A rt. 2.10 Wet IB 2001. 6 Hoofdstuk 5 Wet IB 2001. 7 A rt. 5.5 Wet IB 2001. 8 A rt. 5.3 lid 3 sub f Wet IB 2001. 9 Hoofdstuk 8 Wet IB 2001. 10 A rt. 8.10 Wet IB 2001. 11 A rt. 8.11 Wet IB 2001. 133
Berekening Box 3 jaar 2025 Banktegoeden 0 Groene banktegoeden 0 Overige bezittingen 1.350.000 Buitenlands onroerend goed 0 Groene beleggingen 0 Schulden excl buitenlands onroerend goed -500.000 Schulden buitenlands onroerend goed 0 Doelmatigheidsdrempel p.p. 3.800 Partner Ja Heffingsvrijvermogen p.p. 57.684 Box 3 heffing percentage 36,00%
Uitwerking
Bezittingen 1.350.000 af: vrijstelling groene beleggingen 0 af: vrijstelling groene bankrekeningen 0 . . 1.350.000 Schulden -500.000 Doelmatigheidsdrempel 7.600 -492.400 Netto vermogen 857.600 Heffingsvrij vermogen 115.368 Heffinsgrondslag 742.232
Rendement banktegoeden 1,44% Pas definitief in 2026 Rendement overige bezittingen 5,88% Rendement schulden 2,62% Pas definitief in 2026
Berekend rendement banktegoeden 0 Berekend rendement overige bezttingen 79.380 Berekend rendement binnenlandse schulden -12.901 Berekend rendement buitenlandse schulden 0 Totaal rendement 66.479
Berekend rendementspercentage 7,75%
Voordeel uit Sparen en beleggen (fictief) 57.536
Totaal Box 3 inkomen partners € 57.536 Totale belasting Box 3vóór aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing 36,00% € 20.713 Aftrek ter voorkoming van dubbele heffing Buitenlands (fictief) inkomen 0 Buitenlandse (fictieve) rente op schuld 0 € - Per saldo verschuldid € 20.713
Het verzamelinkomen van Hanneke is meer dan € 76.817 en daarom heeft zijn geen algemene heffingskorting. Hannekes arbeidsinkomen (inclusief bijtelling auto van de zaak) is € 133.200 en daarmee te hoog voor de arbeidskorting.
Gezamenlijk beschikbaar CBI Het gezamenlijk beschikbaar CBI van Léon en Hanneke is € 110.803. Zij hebben dus een overschot van € 10.803. De vraag is waar dit geld blijft. Vermoedelijk geven zij meer uit dan zij zelf in de gaten hebben. Het is daarom aan te raden om hen een budgetteringsformulier te laten opstellen. Uit dit formulier blijkt waar zij hun geld aan uitgeven.
6.3 OUDER WORDEN
CBI EN LIFE EVENTS
6.3.1 Casus 2
Léon den Eilander is geboren op 1 november 1964 en Hanneke Lam op 1 december 1963. Voor beiden geldt een AOW-leeftijd van 67 jaar en drie maanden (www.svb.nl). Wij gaan voor het CBI uit van het jaar 2033. Dan hebben zij immers beiden voor het eerst een heel jaar AOW.
Voor de berekening van het gezamenlijk CBI van Léon en Hanneke bij ouder worden gaan wij er voor het gemak van uit dat hun inkomen en vermogen in box 3 onveranderd zijn gebleven in de afgelopen jaren.
2033 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 AOW 13.856 13.856 27.712 Ouderdomspensioen 14.513 65.000 79.513 Lijfrente-uitkering 4.700 9.900 14.600 Zvw Léon -/- 1.739 Zvw Hanneke -/- 3.990 Eigenwoningforfait 1.750 Wet Hillen (uitgefaseerd) -/- 875 Belastbaar inkomen box 1 33.9444 88.756 Totale IB/PVV -/- 33.264 Box 3 20.713 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW 0 Eigen risico Zvw Léon -/- 385 Eigen risico Zvw Hanneke -/- 385 Heffingskortingen Algemene Léon 1.360 Ouderenkorting Léon 2.035 Gezamenlijk beschikbaar CBI 109.744 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk overschot 9.744
Toelichting CBI-berekening
Ouderdomspensioen Het ouderdomspensioen van Léon gaat volgens de regeling in op 68-jarige leeftijd. Léon is op dit moment 59 jaar oud. Hij zal in totaal 27 jaar pensioen kunnen opbouwen. De berekening is als volgt: 27 jaar x (€ 60.000 - € 17.000) x 1,25% = € 14.513. Het ouderdomspensioen van Hanneke is gegeven.
Wij laten hier de mogelijkheden van flexibilisering van pensioenuitkeringen buiten beschouwing. Ook laten wij buiten beschouwing de mogelijkheid van doorbeleggen nápensionering.
Let op! De invloeden op het CBI van de wijzigingen conform de Wet toekomst pensioenen zijn nog onzeker.
Lijfrente-uitkeringen Wij nemen aan dat de lijfrente-uitkeringen van zowel Léon als Hanneke ingaan op het moment dat zij 68 jaar zijn. De uitkeringen zijn gegeven.
Wij laten hier de mogelijkheid van doorbeleggen met lijfrentekapitaal ná ingang van de uitkeringen buiten beschouwing.
Zvw Léon en Hanneke ontvangen uitkeringen. Over deze uitkeringen is het lage percentage Zvw van toepassing: 5,26 procent. Voor Léon is de bijdrage 5,26% x € 33.069 = € 1.739. Voor Hanneke geldt het maximum: 5,26% x € 75.864 = € 3.990.
Eigenwoningforfait Het eigenwoningforfait is 0,35 procent van de WOZ-waarde, dus € 1.750. Dit houden wij ook aan voor 2033.
Als gevolg van het zogenoemd ‘uitfaseren aftrek wegens geringe eigen woningschuld’ wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld in 30 jaar afgeschaft.
De uitfasering is in 2019 ingegaan. Elk jaar daarna wordt het kortingspercentage verlaagd met 3 1/3 procentpunt zodat er met ingang van 2048 geen korting meer geldt. Voor Léon en Hanneke geldt dus in 2033 een korting van (15 jaar x 3,33% =) 49,95% x € 1.750 = € 87512.
136 12 A rt. 3.123a lid 2 Wet IB 2001.
Eigenwoningregeling
CBI EN LIFE EVENTS De eigenwoningschuld is ingegaan in 2003 en liep - net als de KEW - 30 jaar. Dat betekent dat de lasten hiervoor doorlopen tot 1 januari 2033. In 2033 is dus de KEW tot uitkering gekomen en de EWS afgelost.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV door Léon is € 6.083. Totaal te betalen IB/PVV door Hanneke is € 27.181. Totaal te betalen gezamenlijke IB/PVV box 1 bedraagt € 33.264.
Box 3 De berekening in box 3 is ongewijzigd.
Heffingskortingen Wij houden de formules van de heffingskortingen van 2025 aan voor 2033.
Algemene heffingskorting Léon is € 1.360 en de ouderenkorting is € 2.035. Het verzamelinkomen van Hanneke is meer dan € 76.817 en daarom heeft zij geen algemene heffingskorting. De ouderenkorting krijgt Hanneke evenmin vanwege haar te hoge verzamelinkomen.
Eigen risico zorgverzekering De kans dat Léon en Hanneke op deze leeftijd hun eigen risico voor ziektekosten (2025: € 385 p.p.13) benutten is reëel en daarom nemen wij deze op als uitgave voor beiden.
Gezamenlijk beschikbaar CBI Het gezamenlijk beschikbaar CBI van Léon en Hanneke is in 2033 € 109.744. Zij hebben een overschot van € 9.744.
Een aandachtspunt hierbij is de ontwikkeling van het zorgstelsel in Nederland en in hoeverre zij hun zorg in de toekomst willen regelen. Hoe zien zij dat? Als zij thuis verzorgd willen worden is een bedrag van € 52.000 per persoon (niet-geïndexeerd) voor 24/7 zorg per jaar denkbaar. De vraag is dan ook nog of zij kosten moeten maken voor de aanpassing van de woning, waarin zij op dat moment wonen. Het is daarom belangrijk dit met hen goed door te nemen.
13 A rt. 19 Zvw. 137
6.4 KINDEREN
Een belangrijke gebeurtenis in het leven van veel hypothecaire planningsklanten is het krijgen van kinderen. Kinderen krijgen betekent zowel in emotioneel als in financieel opzicht een grote verandering in een mensenleven. Daarom is het verstandig om serieus stil te staan bij de kinderwens van een klant. Naast de vraag of er een kinderwens is, spelen onder andere de volgende vragen: • wanneer speelt dit zich vermoedelijk af; • hoeveel kinderen willen klanten graag; • hoe kijkt men aan tegen blijven werken; • hoe schat men de financiële impact van het krijgen van kinderen in?
Het krijgen van kinderen zelf kost geld en als één van beide ouders besluit minder te gaan werken komt er ook nog eens minder geld binnen.
Als de klant het kind naar de kinderopvang laat gaan dan is er wellicht de mogelijkheid van kinderopvangtoeslag. De kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De hoogte van de kinderopvangtoeslag hangt af van de hoogte van het inkomen, het aantal kinderen en de eigen inkomsten. Via www.wijzeringeldzaken.nl kan de klant een proefberekening maken. De Belastingdienst berekent en keert de kinderopvangtoeslag uit. Vanaf 2019 kan de klant in sommige gevallen de kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan de kinderopvang laten uitbetalen.
Wanneer er concrete plannen zijn, is het goed om de klant te wijzen op de regels voor zwangerschapsverlof, bevallingsverlof en ouderschapsverlof en de financiële gevolgen daarvan.
Op de lange termijn kan het krijgen van kinderen van invloed zijn op de pensioenopbouw. Veel gezinnen kiezen er immers voor om minder tijd aan werken te besteden en meer aan de kinderen. Dat betekent een teruggang in inkomen en in pensioenopbouw als men aan een pensioenregeling deelneemt. Daarnaast is de spaarcapaciteit door de kosten die kinderen met zich meebrengen lager.
6.4.1 Kosten van kinderen
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) beslaat rond de 26 procent van het totale gezinsinkomen de uitgaven voor twee kinderen. Het gezinsinkomen bestaat naast het bruto- en netto-inkomen uit de kinderbijslag en toeslagen. Welke klant is zich daarvan bewust?
CBI EN LIFE EVENTS Afhankelijk van de fase waarin de klant zich bevindt, moeten er extra kosten gemaakt worden. We onderscheiden de volgende fasen: • in blijde verwachting. De grootste kosten die gepaard gaan met het krijgen van een kind hebben betrekking op minder inkomen vanwege minder werken, meer boodschappen, hoger water- en energieverbruik en kosten van kinderopvang. • basisschool. • middelbare school. De meest gangbare kosten in deze fase zijn kosten van schoolspullen en schoolactiviteiten. En ook een mobiele telefoon en soms vervoerskosten. • vervolgopleiding of studie. Behalve collegegeld, moet uw klant rekening houden met kosten voor levensonderhoud en verzekeringen. En als het kind op kamers gaat met huur. Via www.financieelstudieplan.nl kunnen studenten hun eigen financiële studieplan maken en daarmee inzichtelijk maken wat een studie betekent voor huidige en toekomstige uitgaven en een vergelijk maken met de situatie van andere studenten.
De overheid betaalt mee aan de kosten voor opvoeding en verzorging van kinderen van 0 tot 18 jaar. Dit is de kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), die wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Hoe hoog de kinderbijslag is, hangt af van de leeftijd van het kind. De kinderbijslag neemt toe zodra het kind zes jaar wordt en 12 jaar wordt. De SVB betaalt de kinderbijslag per kwartaal achteraf. Het eerste bedrag dat de SVB betaalt, hoort bij het kwartaal náde geboortedatum van het kind. De kinderbijslag begint dus in januari, april, juli of oktober.
Vanaf januari 2025 gelden de volgende kwartaalbedragen kinderbijslag: leeftijd 0 t/m 5 jaar € 286,45, 6 t/m 11 jaar € 347,83 en 12 t/m 17 jaar € 409,21.
Tegenover de ontvangen kinderbijslag staan kosten die de ouders maken voor het kind. U kunt er daarom voor kiezen om de kinderbijslag in de CBI-berekening achterwege te laten en alleen het bedrag dat de ouders mogelijk tekort komen aan de kinderbijslag op te nemen als uitgaven voor kinderen. Als u de kinderbijslag wel meeneemt als extra inkomen, dan voert u ook de kosten voor de kinderen op.
Voor een opleiding aan het mbo, hbo of de universiteit kan het kind studiefinanciering aanvragen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). De studiefinanciering bestaat uit: basisbeurs, aanvullende beurs, studentenreisproduct, rentedragende lening en collegegeldkrediet (alleen voor hbo en universiteit). Ouders overwegen soms ook om hun kind in het kader van hun opvoeding zelf bij te laten dragen aan hun vervolgopleiding in de vorm van bijvoorbeeld 139
een bijbaantje. Het is interessant om met uw klant dit gesprek aan te gaan. Het bepaalt immers diens CBI.
Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft veel informatie voor ouders met kinderen in allerlei soorten en maten. Verwijs uw klant ernaar en laat hem huiswerk doen. Hij zal direct inzichtelijk hebben hoe zijn uitgavenpatroon in de toekomst zal veranderen. Een belangrijk inzicht in de context van een hypothecair planningsadvies.
6.5 ARBEIDSONGESCHIKT
Wij bekijken nu de invloed op het gezamenlijke CBI van de situatie waarin Hanneke in 2025 volledig arbeidsongeschikt is. Wij splitsen de periode van arbeidsongeschikt zijn op in kortdurende arbeidsongeschiktheid (eerste 104 weken van ziekte) en langdurige arbeidsongeschiktheid (langer dan 104 weken ziek).
In de adviespraktijk van de hypothecair planner is het doorrekenen van het inkomensrisico van arbeidsongeschikt worden (of beter: het gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn) een belangrijk punt. Er zijn vele varianten van inkomensteruggang bij arbeidsongeschiktheid mogelijk. Hiervoor verwijzen wij naar de module ‘Toekomstvoorzieningen’.
De meest ideale situatie is wellicht dat u samen met uw klant filosofeert over welk scenario hem mogelijk overkomt. Echter, de meeste klanten hebben moeite met het zich inbeelden van een dergelijke situatie. ‘Dat gebeurt bij een ander, en niet bij mij.’ of ‘Ik kan altijd nog wel wat doen.’.
Het is van groot belang dat zowel klanten als hypothecair planners een grotere bewustwording van het risico van arbeidsongeschiktheid bereiken. Volgens onderstaande infographic blijkt immers dat de kans op AO bij een 30-jarige persoon gedurende de looptijd van de hypotheek (30 jaar) negen procent is ten opzichte van vier procent bij overlijden van dezelfde persoon in dezelfde periode. En over overlijden is men wel bereid te spreken?
De AFM schrijft geen specifiek scenario voor (minder dan 35 procent arbeidsongeschikt en geen uitkering, meer dan 80 procent arbeidsongeschikt en duurzaam, 50 procent arbeidsongeschikt en voldoen aan de restverdiencapaciteit enzovoort). Het is de bedoeling dat u één scenario kiest en aan de hand daarvan de betaalbaarheid van de hypotheeklasten voor de klant berekent. Vervolgens adviseert u de klant aan de hand van die inkomensteruggang, zijn risicotolerantie en risicoperceptie.
CBI EN LIFE EVENTS
6.5.1 Casus 3: Kortdurende arbeidsongeschiktheid loondoorbetaling
Hanneke is op 1 januari 2025 betrokken geraakt bij een ernstig auto-ongeval. In een kop-staartbotsing wordt zij van achteren aangereden. Het gevolg is een psychische klap en een forse whiplash. Hanneke is volledig uitgeschakeld. Zij kan zelfs geen auto meer rijden. De fijne autotochtjes in het weekend waar zij zo van genoot, zijn voorlopig verleden tijd. Zij heeft haar auto van de zaak dan ook ingeleverd.
In haar arbeidsovereenkomst staat vermeld dat de werkgever bij ziekte 104 weken loon zal doorbetalen conform de wettelijke regeling van de Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte (Wulbz). Hanneke heeft in privégeen aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Léon en Hanneke hebben een gewenst gezamenlijk CBI van € 100.000. Wat zijn de gevolgen van Hannekes ongeluk voor het gezamenlijke CBI in 2025?
2025 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 Loon 60.000 53.105 113.105 Eigenwoningrente -/- 22.200 -/- 22.200 Eigenwoningforfait 1.750 Inkomensvoorziening -/- 2.000 -/- 1.500 -/- 3.500 Belastbaar inkomen box 1 37.550 51.605 Totale IB/PVV -/- 32.153 Box 3 -/- 20.713 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW -/- 6.000 Eigen risico Zvw Hanneke -/- 385 Heffingskortingen Algemene Léon 2.489 Arbeidskorting Léon 4.497 Arbeidskorting Hanneke 4.946 Gezamenlijk beschikbaar CBI 85.086 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk tekort CBI 14.914
Toelichting op CBI-berekening
Loondoorbetaling Hanneke Hanneke is werknemer en heeft als gevolg van haar ziek zijn recht op loondoorbetaling14. De eerste 104 weken van ziekte volgt haar werkgever de Wulbz. Hierdoor ontvangt zij in het eerste jaar 70 procent van het laatstverdiende loon. Echter, haar laatstverdiende loon is gemaximeerd op het maximale sociale verzekeringsloon.
Hanneke ontvangt daarom 70% x 261 x € 290,67 (maximum dagloon per januari 2025) = € 53.105 loon. Dit geldt ook voor het tweede jaar van ziek zijn.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Léon is € 13.450. Totaal te betalen IB/PVV van Hanneke is € 18.703. Totaal te betalen gezamenlijke IB/PVV box 1 bedraagt € 32.153.
Box 3 Ongewijzigd.
Eigenrisico ziektekosten Hanneke Wij nemen aan dat Hanneke vanwege haar ziekte haar eigen risico voor ziektekosten ad € 385 per jaar volledig benut. En hoe zou dat met Léon zijn?
Heffingskortingen Algemene heffingskorting van Léon is € 2.489 en zijn arbeidskorting is € 4.497. De algemene heffingskorting van Hanneke is nihil omdat haar verzamelinkomen te hoog is. Har arbeidskorting bedraagt € 4.646.
Léon en Hanneke hebben bij kortdurende arbeidsongeschiktheid van Hanneke een tekort van € 14.914. Hun gewenste CBI is immers € 100.000. Zij zullen hun vermogen moeten aanspreken of besparen op hun uitgaven.
Bovendien beschikt Hanneke niet meer over de auto van de zaak. De vraag is hoe zij zich zullen vervoeren en wat hiervoor de kosten zijn.
Daarnaast is het uiteraard de vraag of Hanneke vanwege haar ziek zijn nog meer kosten maakt. Denkt u aan medicijnen en hulpmiddelen die niet vergoed worden.
En ten slotte: is Léon in staat om door te blijven werken of is hij thuis nodig voor Hanneke?
14 A rt. 7:629 BW.
CBI EN LIFE EVENTS
6.5.2 Casus 4: Langdurige arbeidsongeschiktheid LGU
Na 104 weken is Hanneke nog steeds arbeidsongeschikt. Het gaat gelukkig iets beter met haar, waardoor zij weer wat werkzaamheden kan verrichten bij het stofferingsbedrijf. Zij verdient hiermee bruto per jaar € 25.000. Zij is gekeurd door de UWV-keuringsarts, die haar beperkingen heeft vastgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van UWV bepaald dat Hanneke voor 60 procent arbeidsongeschikt is.
Hoe ziet het gezamenlijk CBI van Léon en Hanneke er in 2027 uit?
2027 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 Loon 60.000 25.000 85.000 WIA-uitkering (LGU) 42.543 42.543 Eigenwoningrente -/- 22.200 -/- 22.200 Eigenwoningforfait 1.750 Inkomensvoorziening -/- 2.000 -/- 1.500 -/- 3.500 Belastbaar inkomen box 1 37.550 66.043 Totale IB/PVV -/- 37.565 Box 3 -/- 20.713 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW -/- 6.000 Eigen risico Zvw Hanneke -/- 385 Heffingskortingen Algemene Léon 2.489 Arbeidskorting Léon 4.497 Arbeidskorting Hanneke 4.833 Gezamenlijk beschikbaar CBI 93.999 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk tekort CBI 6.001
Toelichting op CBI-berekening
LGU-uitkering Hanneke Hanneke is 60 procent arbeidsongeschikt bevonden (en dus 40 procent arbeidsgeschikt) en voldoet aan de wekeneis (26 uit 36 weken) waardoor zij recht heeft op een uitkering op grond van de Regeling werkhervatting gedeeltelijke arbeidsgeschikten (WGA) van de Wet werk en inkomensvoor- 143
ziening naar arbeidsvermogen (WIA). Gedurende de eerste fase heeft Hanneke recht op een loongerelateerde uitkering (LGU). In 2027 ontvangt zij voor het eerst deze WIA-uitkering.
Hanneke verdient zelf € 25.000 met haar dienstverband. Dit inkomen wordt gekort op de LGU. Echter, omdat Hanneke meer verdient dan het maximale sociale verzekeringsloon wordt de zogenoemde ‘factor f’ toegepast. Factor f berekenen wij als volgt: € 75.865/€ 120.000 = 0,6322.
De berekening van de LGU is dan15 als volgt: • eerste twee maanden: 2 x {(75% x (€ 75.865 -/- (0,6322 x € 25.000)/12} = € 7.508. • vanaf de derde maand: 10 x {(70% x (€ 75.865 -/- (0,6322 x € 25.000))/12} = € 35.035. • Totale LGU is € 42.543.
Te betalen IB/PVV Te betalen IB/PVV is voor Léon € 13.450. Te betalen IB/PVV is voor Hanneke € 24.114. Totaal is dat € 37.565.
Box 3 Ongewijzigd.
Heffingskortingen Algemene heffingskorting van Léon is € 2.489 en de arbeidskorting € 4.497. Algemene heffingskorting Hanneke is nihil omdat haar verzamelinkomen te hoog is. De arbeidskorting van Hanneke is € 4.833.
Léon en Hanneke hebben tijdens de LGU-periode van Hanneke een gezamenlijk tekort op hun CBI van € 6.001. De vraag is of dit tekort klopt. Wellicht is het hoger, omdat sommige ziektekosten van Hanneke niet worden vergoed en zij deze uit eigen middelen moet betalen. Zij moeten hun vermogen aanspreken om het tekort aan te vullen. Een andere optie is besparen op hun uitgaven.
Ten slotte: welk effect heeft deze situatie op de pensioenopbouw door Hanneke? Is premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid meeverzekerd?
15 A rt. 61 WIA.
CBI EN LIFE EVENTS
6.5.3 Casus 5: Langdurige arbeidsongeschiktheid WGA-LAU
Náde LGU-uitkering ontvangt Hanneke een WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU) onder voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheidssituatie en het inkomen uit dienstbetrekking van Hanneke onveranderd zijn. Zij komt voor deze uitkering in aanmerking doordat zij € 25.000 zelf verdient en dit is meer dan 50 procent van haar restverdiencapaciteit die door het UWV is vastgesteld. Zij is immers 60 procent arbeidsongeschikt. Dat betekent dat haar restverdiencapaciteit 40 procent is. In cijfers is dat 40 procent x € 120.000 = € 48.000. De helft hiervan is € 24.000.
Verdient zij minder dan € 24.000 dan ontvangt zij een WGA-vervolguitkering (VVU). Deze bedraagt 42 procent van het brutominimumloon omdat zij 60 procent arbeidsongeschikt is16.
De LAU eindigt zodra Hanneke niet meer aan de voorwaarden voldoet: 1. haar arbeidsongeschiktheidspercentage wordt lager dan 35 procent waardoor zij het recht op een WIA-uitkering verliest. 2. haar arbeidsongeschiktheidspercentage wordt door een verslechtering van haar gezondheidssituatie 80 procent of hoger en haar arbeidsongeschiktheid wordt als duurzaam bestempeld. Zij ontvangt dan een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). 3. zij benut minder dan de helft van haar restverdiencapaciteit, zij overlijdt of bereikt de AOW-leeftijd).
De formule voor de LAU luidt: 70% x (€ 75.865 -/- (0,6322 x € 48.000) = € 31.864.
€ 48.000 is de daadwerkelijk door UWV vastgestelde restverdiencapaciteit van Hanneke en daarmee wordt de LAU berekend. Hanneke verdient ‘maar’ € 25.000. Het CBI zal dus verder verlagen als gevolg hiervan.
16 A rt. 61 lid 6 en art. 62 WIA. 145
6.6 OVERLIJDEN
6.6.1 Casus 6
Wij nemen op basis van de uitgangspunten in casus 1 de ontwikkeling van het CBI onder de loep in de situatie dat Hanneke overlijdt en Léon achterlaat.
Wat is het CBI in 2026 van Léon náhet overlijden van Hanneke op 1 januari 2025?
Wij gaan ervan uit, dat Léon in staat is om door te blijven werken náhet overlijden van Hanneke. (Dat kan in het echt wel eens anders uitpakken en is voor de adviseur belangrijk om goed uit te vragen.)
Léon heeft aan erfbelasting afgerond € 115.000 betaald (de berekening hiervan laten wij hier buiten beschouwing), waardoor het vermogen in box 3 met dit bedrag is afgenomen. De huurinkomsten bedragen € 65.000. De daadwerkelijke berekening van erfbelasting behandelen wij in de module ‘Recht’.
Léons gewenste CBI is € 80.000.
Toelichting op CBI-berekening
Nabestaandenpensioen Het verzekerde nabestaandenpensioen is 70% x € 65.000 = € 45.500 bruto per jaar. Léon ontvangt deze uitkering levenslang.
Nabestaandenlijfrente De nabestaandenlijfrente-uitkering bedraagt € 4.000 bruto per jaar. Ook deze uitkering geniet Léon levenslang.
Zvw Léon Léon en Hanneke ontvangen uitkeringen. Over deze uitkeringen is het lage percentage Zvw van toepassing: 5,26 procent. Voor Léon is de bijdrage 5,26% x € 33.069 = € 1.739. Voor Hanneke geldt het maximum: 5,26% x € 75.864 = € 3.990. Het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw is € 75.864. Over € 60.000 heeft de werkgever van Léon al de bijdrage voldaan. Léon is de bijdrage verschuldigd over € 75.864 -/- € 60.000 = 5,26% x € 15.864 = € 834 vanwege het nabestaandenpensioen en de nabestaandenlijfrente. Wij nemen het eigen risico zorgverzekering van € 385 op als extra uitgave van 146 Léon. Het is immers nog maar de vraag hoe hij het overlijden van Hanneke zal verwerken. Misschien heeft hij medische hup nodig.
2025 Fiscaal Léon Kas
CBI EN LIFE EVENTS Box 1 Loon 60.000 60.000 Nabestaandenpensioen 45.500 45.500 Nabestaandenlijfrente 4.000 4.000 Inkomensafhankelijk bijdrage Zvw -/- 834 Eigenwoningforfait 1.750 Wet Hillen -/- 1.284 Inkomensvoorziening -/- 1.500 -/-1.500 Belastbaar inkomen box 1 109.966 Totale IB/PVV -/- 43.819 Box 3 -/- 19.787 Huurinkomsten 65.000 Uitgaven verhuurd vastgoed -/- 25.000 Eigen risico Zvw Léon -/- 385 Heffingskortingen Arbeidskorting Léon 4.497 Beschikbaar CBI 87.672 Gewenst CBI 80.000 Overschot CBI 7.672
Uitfaseren Wet Hillen Door de KEW wordt de overlijdensuitkering van € 370.000 in mindering gebracht op de eigenwoningschuld. Hierdoor vallen de maandlasten weg.
Als gevolg van het zogenoemde ‘uitfaseren aftrek wegens geringe eigen woningschuld’ wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld in 30 jaar afgeschaft. De uitfasering is in 2019 ingegaan. Elk jaar daarna wordt het kortingspercentage verlaagd met 3 1/3 procentpunt zodat er met ingang van 2048 geen korting meer geldt. Voor Léon geldt dus in 2026 een korting van (8 jaar x 3,33%) x € 1.750 = € 466. De extra aftrekpost Wet Hillen is dan € 1.750 -/- € 466 = € 1.284.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Léon over € 109.966 is € 43.819.
Box 3 Banktegoeden 0 Groene banktegoeden 0 Overige bezittingen 1.235.000 Buitenlands onroerend goed 0 Groene beleggingen 0 Schulden excl buitenlands onroerend goed -500.000 Schulden buitenlands onroerend goed 0 Doelmatigheidsdrempel p.p. 3.800 Partner Nee Heffingsvrijvermogen p.p. 57.684 Box 3 heffing percentage 36,00%
Uitwerking
Bezittingen 1.235.000 af: vrijstelling groene beleggingen 0 af: vrijstelling groene bankrekeningen 0 . . 1.235.000 Schulden -500.000 Doelmatigheidsdrempel 3.800 -496.200 Netto vermogen 738.800 Heffingsvrij vermogen 57.684 Heffinsgrondslag 681.116
Rendement banktegoeden 1,44% Pas definitief in 2026 Rendement overige bezittingen 5,88% Rendement schulden 2,62% Pas definitief in 2026
Berekend rendement banktegoeden 0 Berekend rendement overige bezttingen 72.618 Berekend rendement binnenlandse schulden -13.000 Berekend rendement buitenlandse schulden 0 Totaal rendement 59.618
Berekend rendementspercentage 8,07%
Voordeel uit Sparen en beleggen (fictief) 54.963
Totaal Box 3 inkomen partners € 54.963 Totale belasting Box 3vóór aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing 36,00% € 19.787 Aftrek ter voorkoming van dubbele heffing Buitenlands (fictief) inkomen 0 Buitenlandse (fictieve) rente op schuld 0 € - Per saldo verschuldid € 19.787
Heffingskortingen Het verzamelinkomen van Léon is te hoog voor de algemene heffingskorting. De arbeidskorting is € 4.497.
Léon heeft náhet overlijden van Hanneke € 7.672 overschot aan CBI. Rationeel gezien lijkt dat voor Léon alleen ruim voldoende. Of dat echt zo is, kan alleen Léon aangeven nadat het hem inzichtelijk is gemaakt.
Daarnaast is het de vraag of Léon kan blijven werken zoals hij gewend is of dat hij door het overlijden van Hanneke (tijdelijk) niet meer in staat is om te werken. Wellicht wil hij minder gaan werken. Hoe ziet Léon dat? Wat zou dit betekenen voor zijn CBI?
CBI EN LIFE EVENTS
6.6.2 Casus 6a Overlijden van alimentatieplichtige ex
Stella en haar ex Leroy zijn vijf jaar geleden gescheiden. Zij hebben samen twee kinderen en co-ouderschap (50/50) afgesproken. Beide kinderen, Patty (8) en Sander (6), staan bij Stella ingeschreven. Leroy woont inmiddels weer samen met een nieuwe partner, Sjef. Ook Sjef heeft twee kinderen en co-ouderschap (60/40). Leroy en Sjef hebben beiden een betaalde baan en de woning hebben zij samen in hun bezit.
Stella ontvangt op grond van het echtscheidingsconvenant € 25.000 per jaar aan partneralimentatie gedurende 12 jaar. Stella en Leroy hebben pensioen verevend. Hierdoor heeft zij recht op een ouderdomspensioen van € 10.000 bruto per jaar én op een bijzonder nabestaandenpensioen van € 15.000 bruto per jaar bij overlijden van Leroy. Stella heeft nooit pensioen opgebouwd dus er was ten tijde van de echtscheiding niets te verevenen.
Naast partneralimentatie ontvangt Stella in totaal € 10.000 per jaar aan kinderalimentatie totdat de kinderen 18 jaar zijn.
Stella werkt sinds haar echtscheiding parttime en heeft een bruto jaarinkomen uit loondienst van € 20.000. Zij woont in een huurwoning en betaalt hiervoor in totaal € 900 per maand. Zij heeft een gewenst CBI van € 30.000.
Leroy en Stef gaan binnenkort trouwen in een beperkte gemeenschap van goederen. Leroy heeft een testament laten opstellen waarin hij de wettelijke verdeling van toepassing maakt. Daarnaast heeft hij de twee kinderen van Stef aangewezen als zijn erfgenamen.
In de pensioenregeling van Leroy is voorzien in een wezenpensioen van € 500 per jaar totdat het kind 18 jaar oud is.
Stella maakt zich zorgen om haar financiële positie. Wat gebeurt er met de alimentatie als Leroy overlijdt?
Wat is het huidige CBI van Stella?
En stel nu dat Leroy overlijdt op 1 januari 2026, welke gevolgen heeft dit dan voor het CBI van Stella?
2025 Fiscaal Stella Kas Box 1 Loon 20.000 20.000 Partneralimentatie 25.000 25.000 Inkomensafhankelijk bijdrage Zvw -/- 1.315 Belastbaar inkomen box 1 45.000 Totale IB/PVV -/- 16.227 Overige inkomsten Kinderalimentatie 10.000 Kinderbijslag 2.782 Overige uitgaven Huur -/- 10.800 Heffingskortingen Algemene 2.016 Arbeidskorting 3.332 Inkomensafhankelijke combinatiekorting 1.586 CBI 36.374 Gewenst CBI -/- 30.000 Overschot CBI 6.374
Toelichting op CBI-berekening
Bijdrage Zvw partneralimentatie Sinds 2018 is de persoon die partneralimentatie ontvangt ook Zvw bijdrage over dit bedrag verschuldigd. 5,26% x € 25.000 = € 1.315.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV door Stella is € 16.227.
Heffingskortingen Algemene heffingskorting: € 2.016. Arbeidskorting: € 3.332. Inkomensafhankelijke combinatiekorting: € 1.586.
CBI EN LIFE EVENTS Het CBI van Stella náoverlijden van Leroy op 1 januari 2026 rekenen wij als volgt uit:
2025 Fiscaal Stella Kas Box 1 Loon 20.000 20.000 Bnp 15.000 15.000 Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw Bnp -/- 789 Anw-nabestaandenuitkering 16.275 16.275 Belastbaar inkomen box 1 51.275 Totale IB/PVV -/- 18.579 Overige inkomsten Wezenpensioen 1.000 Kinderbijslag 2.782 Overige uitgaven Huur -/- 10.800 Heffingskortingen Algemene 1.619 Arbeidskorting 3.332 Inkomensafhankelijke combinatiekorting 1.586 CBI 31.426 Gewenst CBI -/- 30.000 Overschot CBI 1.426
Toelichting op CBI-berekening Loon We gaan ervan uit dat Stella op dezelfde manier blijft werken náhet overlijden van Leroy. Dat is uiteraard nog wel de vraag. Nu Leroy is weggevallen is Stella immers alleen ouder voor de twee kinderen. Goed om dit met Stella te bespreken: hoe ziet zij dit?
Partner- en kinderalimentatie => Anw-nabestaandenuitkering Leroy was verzekerd voor de Anw17. Stella viel ten tijde van de echtscheiding onder het begrip ‘nabestaande’ van artikel 1 sub d Anw18. Zij verzorgde immers minimaal één kind jonger dan 18 jaar. Zij had dus recht op een Anw-nabestaandenuitkering.
17 A rt. 13 Anw. 18 A rt. 4 Anw. 151
Door het overlijden van Leroy vervalt de betaling aan Stella van de partneren kinderalimentatie.
Het bedrag van de Anw-nabestaandenuitkering is gelijk aan het bedrag van de partneralimentatie19. Echter, maximaal de maximale Anw-nabestaandenuitkering. Overig inkomen wordt hierop nog in mindering gebracht.
De Anw-nabestaandenuitkering is vanaf 1 januari 2025 € 20.608 bruto per jaar. Stella mist dus in elk geval € 25.000 -/- € 20.608 = € 4.392 aan bruto jaarinkomen.
Daarnaast krijgt zij een korting op de Anw-uitkering, omdat zij zelf inkomen genereert. Een deel van het loon van Stella is vrijgesteld van korting op de Anw-uitkering, namelijk 50 procent x bruto minimumloon + een derde van wat zij meer verdient dan dat bedrag. De rest van haar loon wordt gekort op de Anw-uitkering. We stellen het bruto minimumloon in 2025 op € 27.000.
Vrijgesteld van haar loon is dan € 13.500 + € 2.167 (= 1/3 x (€ 20.000 -/- € 13.500)) = € 15.667. Van haar loon wordt dus € 20.000 -/- € 15.667 = € 4.333 gekort. Dan is de Anw-nabestaandenuitkering € 20.608 -/- € 4.333 = € 16.275.
Bijzonder nabestaandenpensioen (Bnp) Als gevolg van het overlijden van Leroy heeft Stella recht op het Bnp dat zij conform de pensioenverevening hebben verevend. Zij ontvangt levenslang € 15.000 bruto per jaar.
Wezenpensioen Beide kinderen ontvangen jaarlijks € 500 netto wezenpensioen totdat zij 18 jaar zijn. Het wezenpensioen is belast bij hen met inkomstenbelasting. Deze is nihil. Slechts bepaalde - in de wet limitatief opgesomde - inkomsten van minderjarige kinderen worden toegerekend aan de ouder die het gezag heeft. De wezenpensioenuitkering valt niet onder deze limitatief opgesomde inkomsten.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Stella € 18.579.
Heffingskortingen Algemene heffingskorting: € 1.619. Arbeidskorting: € 3.332. Inkomensafhankelijke combinatiekorting: € 1.586.
152 19 A rt. 17 lid 4 Anw.
CBI EN LIFE EVENTS Stella heeft náhet overlijden van Leroy een overschot van € 1.426. Gelukkig geen tekort, maar: veel vet op de botten is het niet. De vraag is wat nu handig is. Een overlijdensrisicoverzekering op het leven van Leroy sluiten? Een erfrente? Aannemen dat Stella meer gaat werken? Of minder uitgeven?
In de praktijk zien wij vaak dat mensen die uit elkaar gaan onvoldoende rekening houden met het wegvallen van alimentatie na het overlijden van de alimentatieplichtige.
6.7 ONTSLAG
Er zijn meerdere manieren waarop een klant zonder werk kan komen te zitten. Zo kan hij zelf ontslag nemen of als gevolg van eigen handelen op staande voet ontslagen worden. In beide genoemde gevallen bestaat geen recht op een WW-uitkering.
Een andere manier waarop een klant zonder werk kan komen te zitten is ontslagen worden bijvoorbeeld vanwege een reorganisatie, ziekte en arbeidsongeschiktheid, disfunctioneren of een verstoorde arbeidsrelatie.
Wanneer een tijdelijke arbeidsovereenkomst afloopt en niet verlengd wordt, raakt de betrokkene ook werkloos. Over het algemeen bestaat in deze genoemde situaties wel recht op een WW-uitkering als de ontslagen werknemer aan de voorwaarden voldoet.
Wij gaan in dit hoofdstuk uit van de situatie waarin recht is op een WW-uitkering.
6.7.1 Casus 7a: Jaar van ontslag
We gaan weer terug naar de uitgangspunten van casus 1: Léon en Hanneke.
Wij nemen de ontwikkeling van het CBI onder de loep in de situatie dat Léon onvrijwillig werkloos wordt, omdat hij op 1 januari 2025 ontslagen is. Als gevolg van dat ontslag ontvangt Léon een ontslagvergoeding van € 80.000.
Wat is het gezamenlijk CBI in 2025?
2025 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 Loon 120.000 120.000 Ontslagvergoeding 80.000 80.000 WW-uitkering 42.500 42.500 Auto van de zaak 13.200 Eigenwoningrente -/- 22.200 -/- 22.200 Verhoging IB/PVV wegens aftrek -/- 2.668 eigenwoningrente Eigenwoningforfait 1.750 Inkomensvoorziening -/- 2.000 -/- 1.500 -/- 3.500 Belastbaar inkomen box 1 100.050 131.700 Totale IB/PVV -/- 94.972 Box 3 -/- 20.713 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW -/- 6.000 Eigen risico Zvw Léon -/- 385 Gezamenlijk beschikbaar CBI 137.062 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk overschot CBI 37.062
Toelichting op CBI-berekening
Ontslagvergoeding De ontslagvergoeding die Léon ontvangt, is sinds de wijziging van 1 januari 2015 volledig en progressief belast in box 1. Dit inkomen telt niet mee voor het berekenen van de arbeidskorting.
WW-uitkering Léon Léon is werknemer en komt in aanmerking voor een WW-uitkering als hij aan de weken- (26 uit 36) en jareneis (4 uit 5) voldoet, onvrijwillig werkloos is, voldoende arbeidsuren verliest, beschikbaar is voor arbeid en zich op tijd meldt als werkzoekende bij het UWV.
CBI EN LIFE EVENTS De hoogte van de WW-uitkering bedraagt: • tijdens de eerste twee maanden 2 x {(75% x € 60.000)/12} = € 7.500. • vanaf de derde maand 10 x {(70% x € 60.000)/12} = € 35.000. • totale WW-uitkering in 2025 € 42.500.
Zorgverzekeringswet eigen bijdrage Vanwege de mogelijk stressvolle situatie bij ontslag nemen wij voor Léon een eigen risico op van € 385.
Eigenwoningregeling De hypothecaire geldlening is een eigenwoningschuld en daarom is de betaalde rente aftrekbaar in box 1: 6% x € 370.000 = € 22.200.
Zij kunnen de eigenwoningrente in 2025 aftrekken tegen 37,48 procent. De verhoging IB/PVV wegens aftrek eigenwoningrente in 2025 bedraagt daarom 12,02% x € 22.200 = € 2.668.
Het ewff is 0,35% x € 500.000 = € 1.750 en belast tegen 49,50%.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Léon is € 39.652. Totaal te betalen IB/PVV van Hanneke is € 55.319. Gezamenlijke IB/PVV in box 1 is dan € 94.971.
Box 3 Ongewijzigd.
Heffingskortingen Zowel Hanneke als Léon hebben geen recht op een heffingskorting.
Léon en Hanneke hebben in 2025 bij het ontslag van Léon een overschot van € 37.062. Wat gaan zij met dit bedrag doen? Zij kunnen ervoor kiezen het overschot apart te zetten voor financieel mindere tijden. Wellicht is het een optie om opnieuw naar hun uitgavenpatroon te kijken en dit te verlagen. Hiermee reserveren zij geld voor het geval de werkloosheid van Léon langer duurt dan gedacht. Wellicht is een jaarruimteberekening interessant om zo een deel van het geld apart te zetten voor later. Léons ouderdomspensioenopbouw stopt immers.
Belastingmiddeling behoort sinds 2023 niet meer tot de mogelijkheden.
6.7.2 Casus 7b: Jaar ná ontslag
Het jaar 2025 is qua CBI een ‘leuk’ jaar. Hoe is het CBI in 2026, als Léon alleen de WW-uitkering ontvangt en nog geen betaald werk heeft?
Wij gaan ervan uit dat Léon van zijn ontslagvergoeding € 25.000 ‘groen’ heeft belegd en dat hij hiermee een rendement van € 500 behaalt.
Daarnaast heeft hij zijn lijfrenteverzekering premievrij gemaakt.
2025 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 Loon 120.000 120.000 WW-uitkering 42.000 42.000 Auto van de zaak 13.200 Eigenwoningrente -/- 22.200 -/- 22.200 Eigenwoningforfait 1.750 Inkomensvoorziening 0 -/- 1.500 -/- 1.500 Belastbaar inkomen box 1 21.550 131.700 Totale IB/PVV -/- 63.038 Box 3 -/- 20.713 Opbrengst groene belegging Léon 500 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW -/- 6.000 Eigen risico Zvw Léon -/- 385 Heffingskortingen Algemene Léon 3.068 Heffingskorting groene beleggingen Léon 25 Gezamenlijk besteedbaar CBI 96.757 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk overschot CBI 3.243
Toelichting op CBI-berekening
WW-uitkering Léon 156 De hoogte van de WW-uitkering bedraagt in 2026: 70% x € 60.000 = € 42.000.
Zorgverzekeringswet eigen risico
CBI EN LIFE EVENTS Het eigen risico van € 385 voor Léon houden wij ook hier aan.
Eigenwoningregeling Vanaf 2023 geldt dat de eigenwoningrente beter in aanmerking kan worden genomen bij degene met het laagste marginale tarief voor de inkomstenbelasting. De eigenwoningrente wordt immers met ingang van 2023 altijd tegen het basistarief verrekend (2025: 37,48 procent) en het eigenwoningforfait tegen het marginale tarief. Door de eigenwoningregeling 100 procent bij Léon op te voeren hebben zij geen ‘last’ van de tariefsmaatregel.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Léon is € 7.719. Hanneke is € 55.319 verschuldigd. Gezamenlijke IB/PVV in box 1 is dan € 63.038.
Box 3 Banktegoeden 0 Groene banktegoeden 25.000 Overige bezittingen 1.350.000 Buitenlands onroerend goed 0 Groene beleggingen 0 Schulden excl buitenlands onroerend goed -500.000 Schulden buitenlands onroerend goed 0 Doelmatigheidsdrempel p.p. 3.800 Partner Ja Heffingsvrijvermogen p.p. 57.684 Box 3 heffing percentage 36,00%
Uitwerking
Bezittingen 1.375.000 af: vrijstelling groene beleggingen 0 af: vrijstelling groene bankrekeningen -25.000 maximum 52.624 1.350.000 Schulden -500.000 Doelmatigheidsdrempel 7.600 -492.400 Netto vermogen 857.600 Heffingsvrij vermogen 115.368 Heffinsgrondslag 742.232
Rendement banktegoeden 1,44% Pas definitief in 2026 Rendement overige bezittingen 5,88% Rendement schulden 2,62% Pas definitief in 2026
Berekend rendement banktegoeden 0 Berekend rendement overige bezttingen 79.380 Berekend rendement binnenlandse schulden -12.901 Berekend rendement buitenlandse schulden 0 Totaal rendement 66.479
Berekend rendementspercentage 7,75%
Voordeel uit Sparen en beleggen (fictief) 57.536
Totaal Box 3 inkomen partners € 57.536 Totale belasting Box 3vóór aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing 36,00% € 20.713 Aftrek ter voorkoming van dubbele heffing Buitenlands (fictief) inkomen 0 Buitenlandse (fictieve) rente op schuld 0
Per saldo verschuldid € € - 20.713
Heffingskortingen Alleen Léon heeft recht op een heffingskorting: de algemene. Deze bedraagt € 3.068. En een heffingskorting voor groene beleggingen van € 25.
Léon en Hanneke hebben in 20254 bij werkloosheid van Léon een gezamenlijk tekort van € 3.243. Het is belangrijk om met hen te bespreken hoe zij de toekomst zien. Welke gevolgen heeft het voor de betaalbaarheid van hun leven als Léon langer werkloos blijft en geen werk vindt?
6.7.3 Casus 7c: Ná WW zonder werk
Stel nu, dat Léon na de periode waarin hij een WW-uitkering ontvangt nog steeds geen werk heeft, hoe ziet het gezamenlijk CBI er dan uit?
Wij gaan ervan uit dat Léon nog steeds € 25.000 van zijn ontslagvergoeding op een groene rekening heeft staan en dat het rendement ongewijzigd € 500 per jaar is.
2027 Fiscaal Léon Fiscaal Hanneke Kas samen Box 1 Loon 120.000 120.000 Auto van de zaak 13.200 Eigenwoningrente -/- 22.200 -/- 22.200 Eigenwoningforfait 1.750 Inkomensvoorziening -/- 1.500 -/- 1.500 Belastbaar inkomen box 1 -/- 20.450 131.700 Totale IB/PVV -/- 53.319 Box 3 -/- 20.713 Opbrengst groene belegging Léon 500 Huurinkomsten Hanneke 70.000 Uitgaven Hanneke -/- 25.000 Overige vaste lasten Premie KEW -/- 6.000 Eigen risico Zvw Léon -/- 385 Eigen risico Zvw Hanneke -/- 385 Heffingskortingen Heffingskorting groene beleggingen Léon 25 Gezamenlijk besteedbaar CBI 59.023 158 Gezamenlijk gewenst CBI 100.000 Gezamenlijk tekort CBI 40.977
Toelichting op CBI-berekening
CBI EN LIFE EVENTS Einde WW-uitkering Léon In 2027 heeft Léon geen recht meer op een WW-uitkering.
Zorgverzekeringswet Wij voeren nu ook het eigen risico van Hanneke op, omdat wij ons kunnen voorstellen dat ook zij last krijgt van stress.
IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Hanneke over € 110.900 bedraagt: (36,97% x € 75.518=) € 27.919 + (49,50% x (€ 110.900 -/- € 75.518)) = € 45.433.
Box 3 Gelijk aan casus 7b.
Heffingskortingen Alleen Léon heeft recht op een algemene heffingskorting van € 3.068 en een heffingskorting voor groene beleggingen van € 25.
Léon en Hanneke hebben in 2027 bij werkloosheid van Léon zonder uitkering en zonder werk een gezamenlijk tekort op hun CBI van € 40.977.
Zij hebben een vrij besteedbaar belegd vermogen van € 25.000. Dit is onvoldoende om hun CBI in 2027 aan te vullen tot € 100.000. Wat nu?
6.8 ZZP-ER, IB-ONDERNEMER, DGA EN CBI
Het bepalen van het CBI van een ZZP-er, IB-ondernemer of een directeur-grootaandeelhouder (dga) verloopt net even anders dan bij een werknemer. Dat heeft onder andere te maken met inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en sociale zekerheid. Bovendien kan de risicoperceptie van een ondernemer anders zijn dan van een werknemer. Denkt u hierbij aan de ondernemer die zijn onderneming als pensioenvoorziening ziet en niet wil aannemen dat zijn onderneming onverkoopbaar zou kunnen zijn waardoor hij geen of lager pensioen heeft dan nodig.
Voor de leesbaarheid van dit onderwerp beschouwen wij de ZZP-er als IB-ondernemer. Een zelfstandige zonder personeel kan immers ook iemand zijn die zijn onderneming drijft in de bv-vorm.
Uiteraard maakt het voor het risico voor de ondernemer met betrekking tot groei of achtergang van de onderneming wel verschil of er sprake is van perso- 159 neel. Daarover elders in deze module meer.
6.8.1 Casus 8: IB-ondernemer
Frits den Noorlander (54) heeft sinds vijf jaar een geregistreerd partnerschap met voorwaarden met Gerdi den Noorlander-Baks (53). Zij hebben ieder een testament, waarin zij elkaar als enig erfgenaam hebben benoemd. Daarnaast hebben zij over en weer een algehele notariële volmacht aan elkaar afgegeven voor het geval één van hen door bijvoorbeeld een ongeval niet meer in staat is tot juridische handelingen.
Frits heeft in 1995 het stofferingsbedrijf van zijn ouders overgenomen. Het betreft een eenmanszaak. De verwachte winst in 2025 is € 100.000. Frits neemt € 75.000 op voor privé-uitgaven. Begin 2025 heeft Frits zakelijk een andere auto gekocht. De investering bedroeg € 40.000 en de jaarlijkse kosten voor verzekering, belasting, onderhoud enzovoort bedragen € 6.000 per jaar. Frits en Gerdi gebruiken de auto ook privé.
Gerdi werkt sinds vijf jaar bij een bewindvoerderskantoor als budgetcoach en bewindvoerder. Haar bruto jaarsalaris is € 50.000. Zij neemt deel aan een premievrije pensioenregeling via haar werkgever. Daarnaast legt Gerdi elk jaar € 1.250 in op een lijfrentespaarrekening als een extra appeltje voor de dorst voor haar oude dag.
De woning is volledig eigendom van Frits. Hij heeft de woning in 2003 gekocht voor € 400.000. De WOZ-waarde is dit jaar vastgesteld op € 350.000, gelijk aan een recent getaxeerde vrije verkoopwaarde. Voor de aankoop heeft Frits een aflossingsvrije hypotheek afgesloten van € 200.000. De rente is 4,5 procent per jaar.
Toen Frits vijf jaar geleden met Gerdi een relatie kreeg en zij bij hem introk hebben zij kruislings een overlijdensrisicoverzekering afgesloten. Bij overlijden van ieder van hen keert deze € 150.000 uit. De totale maandpremie bedraagt € 150.
Bij het overnemen van de onderneming heeft Frits in privéeen arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. De verzekerde uitkering bij arbeidsongeschiktheid bedraagt € 65.000 bruto per jaar en indexeert jaarlijks. De maandpremie bedraagt € 175.
Frits heeft ook nog een aandelenportefeuille met een waarde op 1 januari van € 150.000. De dividenden die deze portefeuille opleveren worden herbelegd.
CBI EN LIFE EVENTS Frits en Gerdi willen in 2025 een CBI van € 50.000. Hoe verhoudt het gewenst CBI zich tot het werkelijk CBI?
Toelichting op CBI-berekening
Partnerschap Frits en Gerdi zijn geregistreerd partners en daarom kwalificeren zij op grond van de AWR als fiscaal partner. Het fiscaal partnerschap heeft als voordeel dat zij elkaar vrijelijk gemeenschappelijke inkomensbestanddelen kunnen toerekenen. Omdat het belastbaar inkomen exclusief voordeel eigen woning van beide partners in de hoogste belastingschijf valt, is hier geen tariefvoordeel mee te behalen. Ook kan dan een heffingsgrondslag van box 3 vrij worden verdeeld.
2025 Fiscaal Frits Fiscaal Gerdi Kas samen Box 1 Loon 50.000 50.000 Belastbare winst 90.392 Privéonttrekking onderneming Frits 75.000 Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw Frits -/- 3.990 Eigenwoningrente -/- 9.000 -/- 9.000 Verhoging IB/PVV wegens overige -/- 1.877 aftrekposten Frits Eigenwoningforfait 1.225 Inkomensvoorziening -/- 2.100 -/- 1.250 -/- 3.350 Belastbaar inkomen box 1 80.517 48.750 Totale IB/PVV -/- 48.546 Box 3 -/- 733 Overige vaste lasten Premie ORV’s -/- 1.800 Heffingskortingen Arbeidskorting Frits 1.503 Algemene Gerdi 272 Arbeidskorting Gerdi 5.148 Beschikbaar CBI 64.626 Gewenst CBI -/- 50.000 Overschot CBI 14.626
Belastbare winst Frits: Winst € 100.000 Autokostenforfait* € 6.000 + Winst uit onderneming € 106.000 Zelfstandigenaftrek** € 2.470 - Winst na ondernemersaftrek € 103.530 MKB-winstvrijstelling*** € 13.148 - Belastbare winst € 90.392
* Het autokostenforfait bedraagt de laagste van de twee bedragen: 22% x € 40.000 = € 8.800 of de daadwerkelijke kosten van € 6.00020. ** Zelfstandigen mogen sinds 1 januari 2012 een vast bedrag van de winst aftrekken. In 2025 is dit verder verlaagd naar € 2.47021. *** De MKB-winstvrijstelling is in 2025 verlaagd en bedraagt 12,70 procent van de winst uit onderneming minus de ondernemersaftrek 22.
Urencriterium: Zelfstandigenaftrek Om recht te hebben op de zelfstandigenaftrek moet Frits aan het urencriterium van artikel 3.6 Wet IB 2001 voldoen (voor de MKB-winstvrijstelling is dit niet het geval). Hiertoe moet hij ten minste 1.225 uur voor zijn onderneming werkzaam zijn en grotendeels (meer dan 50 procent) werkzaam zijn in zijn onderneming of in één van de vijf voorafgaande jaren geen ondernemer zijn geweest. Frits voldoet aan de criteria en daarmee aan het urencriterium.
Zorgverzekeringswet Frits is ondernemer. Voor hem geldt geen verplichte Zvw-vergoeding door de werkgever waardoor het lage tarief geldt van 5,26 procent. Het maximumbijdrageloon voor 2025 is € 75.865. Dus voor Frits is het maximaal € 3.99023.
Wij gaan ervan uit dat de gezondheidstoestand van beiden goed is en nemen het bedrag daarom niet op als vaste lasten in de CBI-berekening. Als het om klanten gaat die wel verwachten zorgkosten te maken, is het aan te raden het eigen risico op te nemen in de CBI.
Eigenwoningregeling Vanaf 2023 geldt dat de eigenwoningrente beter in aanmerking kan worden genomen bij degene met het laagste marginale tarief voor de inkomstenbelasting. De eigenwoningrente wordt immers met ingang van 2023 altijd tegen
20 A rt. 3.20 Wet IB 2001. 21 A rt. 3.76 Wet IB 2001. 22 A rt. 3.79a Wet IB 2001. 162 23 A rtt. 5.2 en 5.4 lid 2 Regeling zorgverzekering.
CBI EN LIFE EVENTS het basistarief verrekend (37,48 procent) en het eigenwoningforfait tegen het marginale tarief.
De eigenwoningregeling wordt opgevoerd bij Gerdi, waardoor er geen correctiepost IB/PVV is. De hypothecaire geldlening is een eigenwoningschuld en daarom is de betaalde rente aftrekbaar in box 1: 4,5% x € 200.000 = € 9.000. Zij kunnen de eigenwoningrente in 2025 aftrekken tegen 37,48 procent. Het eigenwoningforfait is 0,35% x € 350.000 = € 1.225 en is ook belast tegen 37,38 procent.
Tariefmaatregel overige aftrekposten Sinds 1 januari 2020 volgen bepaalde extra aftrekposten het versnelde afbouwschema van de hypotheekrenteaftrek. In 2025 is het aftrektarief gelijk aan het basistarief van 37,48 procent.
Deze tariefmaatregel is alleen van toepassing op belastingplichtigen die zonder de ‘grondslagverminderende posten’ een belastbaar inkomen zouden hebben in de hoogste schijf. Deze posten zijn: • ondernemersaftrek • MKB-winstvrijstelling • terbeschikkingstellingsvrijstelling • aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning, bedoeld in artikel • 3.120 Wet IB 2001 • persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1. Dat zijn op dit moment (2024): – uitgaven onderhoudsverplichtingen – uitgaven specifieke zorgkosten – weekeinduitgaven gehandicapten – aftrekbare giften – het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren en – op grond van – overgangsrecht – verliezen op beleggingen in durfkapitaal.
Voor Frits gaat het om de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. De extra aftrekposten die vallen onder de tariefsmaatregel zijn € 2.470 + € 13.148 = € 15.618. Dit bedrag wordt volledig afgetrokken tegen 49,50% terwijl 37,48 procent is toegestaan. Daarom is de correctie voor Frits 12,02% x € 15.618 = € 1.877.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Frits is € 33.827. Totaal te betalen IB/PVV van Gerdi is € 14.719. Totaal te betalen gezamenlijke IB/PVV box 1 bedraagt € 48.546.
Box 3 Banktegoeden 0 Groene banktegoeden 0 Overige bezittingen 150.000 Buitenlands onroerend goed 0 Groene beleggingen 0 Schulden excl buitenlands onroerend goed 0 Schulden buitenlands onroerend goed 0 Doelmatigheidsdrempel p.p. 3.800 Partner Ja Heffingsvrijvermogen p.p. 57.684 Box 3 heffing percentage 36,00%
Uitwerking
Bezittingen 150.000 af: vrijstelling groene beleggingen 0 af: vrijstelling groene bankrekeningen 0 . . 150.000 Schulden 0 Doelmatigheidsdrempel 7.600
Netto vermogen 150.000 Heffingsvrij vermogen 115.368 Heffinsgrondslag 34.632
Rendement banktegoeden 1,44% Pas definitief in 2026 Rendement overige bezittingen 5,88% Rendement schulden 2,62% Pas definitief in 2026
Berekend rendement banktegoeden 0 Berekend rendement overige bezttingen 8.820 Berekend rendement binnenlandse schulden 0 Berekend rendement buitenlandse schulden 0 Totaal rendement 8.820
Berekend rendementspercentage 5,88%
Voordeel uit Sparen en beleggen (fictief) 2.036
Totaal Box 3 inkomen partners € 2.036 Totale belasting Box 3vóór aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing 36,00% € 733 Aftrek ter voorkoming van dubbele heffing Buitenlands (fictief) inkomen 0 Buitenlandse (fictieve) rente op schuld 0 € - Per saldo verschuldid € 733
Heffingskortingen Frits heeft recht op een arbeidskorting van € 1.502. Gerdi heeft recht op een algemene heffingskorting van € 2.272 en een arbeidskorting van € 5.148.
Frits en Gerdi verwezenlijken hun wens van een CBI van € 50.000 in 2025. Het verschil kunnen zij reserveren voor financieel minder rooskleurige jaren of andere doelen.
CBI EN LIFE EVENTS
6.8.2 Casus 9: Directeur-grootaandeelhouder
De heer Karel Spons is geboren op 1 januari 1958 (65) en is directeur enig aandeelhouder van Spons Sport bv. Zijn salaris bedraagt in 2025 net zoals in de jaren daarvoor € 150.000. Hij rijdt een auto van de zaak (een rode MINI 1.6 Cooper uit 2013 S Roadster met een cataloguswaarde van € 37.000). In privéheeft hij ook nog een Audi A8 3.0 TDI Automaat Quattro Pro Line + Full options met een waarde van € 50.000 (oorspronkelijke cataloguswaarde € 65.000).
De aandelen van de bv hebben een waarde van € 6.000.000. Karel heeft deze aandelen eerder gekocht voor € 20.000.
Karel is in 2013 gescheiden en heeft nu een relatie met Lot. Zij is 45 jaar en woont in een appartement in Zaandam.
Karel is in het bezit van een sporthal. Deze verhuurt hij aan zijn bv voor € 30.000 per jaar. Karel heeft deze sporthal gekocht op 1 januari 2002 voor € 175.000. Hij schrijft er jaarlijks € 3.000 op af. De WOZ-waarde is in 2025 € 290.000. De vrije verkoopwaarde is € 295.000. Karel heeft voor de aankoop een geldlening afgesloten van € 125.000 bij XYZ-Bank en betaalt jaarlijks € 6.000 rente. Overige kosten zoals onderhoud, verzekeringen enzovoort bedragen € 7.000.
Karel woont in een watervilla in Naarden. De WOZ-waarde van de woning is € 700.000 en de vrije verkoopwaarde is € 800.000. Op de woning rust een aflossingsvrije eigenwoningschuld van € 325.000 die hij heeft afgesloten bij zijn eigen bv. Hij betaalt hiervoor drie procent rente per jaar.
De rekening-courantschuld van Karel bij zijn bv is € 90.000 op 1 januari 2025. In 2025 betaalt hij € 3.500 rente hiervoor aan zijn bv.
In 2023 heeft Karel € 30.000 ingelegd op een lijfrentebeleggingsrecht. Hij heeft de afgelopen jaren alle ruimte benut op dit gebied. Karel heeft nooit pensioenrechten opgebouwd. In 2025 zal hij € 20.000 inleggen.
Karel bezit een vakantiewoning op Texel. De vrije verkoopwaarde hiervan is € 225.000 en de WOZ-waarde € 225.000, inclusief de grond waarop de woning staat. Karel bezit de grond niet. Hij heeft deze in erfpacht gekregen en betaalt hiervoor per jaar € 3.500 erfpachtcanon. De woning is voor eigen gebruik.
Karel betaalt in 2025 € 45.000 partneralimentatie aan zijn ex.
Op 1 januari heeft hij ook nog de volgende bezittingen: Betaalrekening € 3.000 Groenobligaties € 50.000 met een jaarlijkse couponrente van € 2.700 Obligaties € 150.000 met een jaarlijkse couponrente van € 2.500 Aandelen € 225.000 met een jaarlijks dividend van € 4.500.
Karel heeft voor 2025 een gewenst CBI van € 30.000. Hoe ziet het CBI van deze dga eruit in 2025?
2025 Fiscaal Kas Box 1 Loon 150.000 150.000 Inkomensafhankelijk bijdrage Zvw -/- 3.990 Huur uit tbs sporthal 17.000 Resultaat uit overige werkzaamheid sporthal 14.960 Eigenwoningrente -/- 9.750 -/- 9.750 Verhoging IB/PVV wegens aftrek eigenwoningrente -/- 1.172 Verhoging IB/PVV wegens overige aftrekposten -/- 5.655 Eigenwoningforfait 2.450 Inkomensvoorziening -/- 20.000 -/- 20.000 Partneralimentatie -/- 45.000 -/- 45.000 Belastbaar inkomen box 1 92.660 Totale IB/PVV -/- 35.994 Box 3 -/- 11.081 Couponrente obligaties 2.500 Rendement groenbeleggingen 2.700 Dividend Aandelen 4.500 Rente te betalen RC-bv -/- 3.500 Erfpacht vakantiewoning -/- 3.500 Heffingskortingen Groen 26 Beschikbaar CBI 37.084 Gewenst CBI 30.000 Overschot CBI 7.084
Toelichting op CBI-berekening
CBI EN LIFE EVENTS Zorgverzekeringswet Karel is ondernemer en als enig aandeelhouder onverzekerd voor de werknemersverzekeringen. Dat betekent dat hij een aanslag ontvangt voor de betaling van de premie voor de zorgverzekering op grond van de Zvw. Voor hem geldt geen verplichte Zvw-vergoeding door de werkgever waardoor het lage tarief geldt: 5,26 procent x € 75.865 = € 3.99024.
Wij gaan ervan uit dat de gezondheidstoestand van Karel goed is en laten daarom het bedrag van het eigen risico achterwege als vaste last in de CBI-berekening.
Auto van de zaak Omdat Karel in privéeen Audi rijdt en nergens uit blijkt dat hij met de Mini meer dan 500 km privérijdt, is er geen bijtelling auto van de zaak voor de Mini. Eigenwoningregeling De hypothecaire geldlening is een eigenwoningschuld en daarom is de betaalde rente aftrekbaar in box 1: 3,0% x € 325.000 = € 9.750. Karel trekt de eigenwoningrente in 2025 af tegen het basistarief van 37,48 procent. De verhoging IB/PVV wegens aftrek eigenwoningrente in 2025 bedraagt daarom 49,50% -/- 37,48% = 12,02% x € 9.750 = € 1.172.
Het eigenwoningforfait is in 2025 0,35% x € 700.000 = € 2.450 en belast tegen 49,50 procent.
Resultaat uit overige werkzaamheid sporthal Huur € 30.000 Afschrijving* € 0 Rente € 6.000 - Kosten € 7.000 - € 17.000 Tbs-vrijstelling € 2.040 - (= 12% x € 17.00025) R.u.o.w. € 14.960
* Karel heeft de sporthal gekocht voor € 175.000. De bodemwaarde is 100 procent van de WOZ-waarde26. Dit is € 290.000. Er kan dus in 2025 niet worden afgeschreven.
24 A rtt. 5.2 lid 1 en 5.4 lid 2 Regeling Zorgverzekering. 25 A rt. 3.99b Wet IB 2001. 26 A rt. 3.30a Wet IB 2001. 167
Partneralimentatie De door Karel betaalde partneralimentatie is als persoonsgebonden aftrekpost fiscaal aftrekbaar in box 1. In 2025 is dit bedrag voor Karel aftrekbaar tegen 37,48 procent. Zie hierna voor de correctie op grond van de tariefmaatregel.
Tariefmaatregel overige aftrekposten27 In 2025 is het aftrektarief voor al deze ‘grondslagverminderende posten’ tegen het basistarief van 37,48 procent.
Deze tariefsmaatregel is alleen van toepassing op belastingplichtigen die zonder de ‘grondslagverminderende posten’ een belastbaar inkomen zouden hebben in de hoogste schijf (≥ € 76.817). Deze posten zijn: • ondernemersaftrek • MKB-winstvrijstelling • terbeschikkingstellingsvrijstelling • aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning, bedoeld in artikel 3.120 Wet IB 2001 • persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1. Dat zijn op dit moment (2025): – uitgaven onderhoudsverplichtingen – uitgaven specifieke zorgkosten – weekeinduitgaven gehandicapten – aftrekbare giften – het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren en - op grond van – overgangsrecht– verliezen op beleggingen in durfkapitaal.
Voor Karel gaat het dus naast de hypotheekrenteaftrek (die hiervoor aan bod kwam) om de terbeschikkingstellingsvrijstelling en de partneralimentatie. In bedragen: € 2.040 + € 45.000 = € 47.040. 49,50% -/- 37,48% = 12,02%. 12,02% x € 47.040 = € 5.655 als correctiepost.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Karel is € 35.994.
168 27 A rt. 2.10 Wet IB 2001.
Box 3
CBI EN LIFE EVENTS Banktegoeden 3.000 Groene banktegoeden 0 Overige bezittingen 600.000 Buitenlands onroerend goed 0 Groene beleggingen 50.000 Schulden excl buitenlands onroerend goed -90.000 Schulden buitenlands onroerend goed 0 Doelmatigheidsdrempel p.p. 3.800 Partner Nee Heffingsvrijvermogen p.p. 57.684 Box 3 heffing percentage 36,00%
Uitwerking
Bezittingen 653.000 af: vrijstelling groene beleggingen -26.312 af: vrijstelling groene bankrekeningen 0 maximum 26.312 626.688 Schulden -90.000 Doelmatigheidsdrempel 3.800 -86.200 Netto vermogen 540.488 Heffingsvrij vermogen 57.684 Heffinsgrondslag 482.804
Rendement banktegoeden 1,44% Pas definitief in 2026 Rendement overige bezittingen 5,88% Rendement schulden 2,62% Pas definitief in 2026
Berekend rendement banktegoeden 43 Berekend rendement overige bezttingen 36.673 Berekend rendement binnenlandse schulden -2.258 Berekend rendement buitenlandse schulden 0 Totaal rendement 34.458
Berekend rendementspercentage 6,38%
Voordeel uit Sparen en beleggen (fictief) 30.780
Totaal Box 3 inkomen partners € 30.780 Totale belasting Box 3vóór aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing 36,00% € 11.081 Aftrek ter voorkoming van dubbele heffing Buitenlands (fictief) inkomen 0 Buitenlandse (fictieve) rente op schuld 0 € - Per saldo verschuldid € 11.081
Heffingskortingen Karels inkomen is zowel voor de algemene als voor de arbeidskorting te hoog.
Heffingskorting groene belegging is € 2628.
Karel heeft in 2025 een overschot van € 7.085. Zijn gewenste CBI is hiermee haalbaar. Zodra zijn partneralimentatieplicht stopt, groeit het CBI-overschot. Wat is Karel daarmee van plan?
28 A rt. 8.19 Wet IB 2001.
Breitner 4 SK-A-3560
7. ONTWIKKELINGEN BINNEN DE ONDERNEMING
U kunt zich voorstellen dat het voor het verstrekken van een hypothecaire geldlening goed is om inzicht te krijgen in de financiële risico’s die de ondernemer met zijn onderneming loopt. Stel, er doet zich een calamiteit voor waardoor de inkomensstroom in de onderneming achteruitgaat, hoe beïnvloedt dit de continuïteit van de onderneming en het CBI van de ondernemer?
Naast de in deze module eerder behandelde ‘gewone’ risico’s zoals ouder worden, arbeidsongeschikt raken en overlijden kan de ondernemer te maken krijgen met een omzetdaling als gevolg van een calamiteit.
Voorbeelden van calamiteiten zijn: • een naaste heeft wegens ziekte behoefte aan zorg; • zwangerschap van de vrouwelijke ondernemer; • brand waardoor het pand of de machines zijn beschadigd of teniet zijn gegaan; • verminderde export, zoals in 2020 bij de uitbraak van het Corona virus in China; • slechte weersomstandigheden of ziekte onder de levende have of gewassen (agrarische sector); • wegversperring vanwege het aanleggen van een riool of aanpassing van de infrastructuur (detailhandel); • afhankelijkheid van één of twee klanten en één klant valt weg; • afhankelijkheid van personeel met specifieke kennis of binding met de klanten en dat personeel neemt ontslag; • ziekte van een personeelslid (kleinere bedrijven).
Een ondernemer onderneemt met een reden. Over het algemeen is een ondernemer iemand die bereid is risico’s te nemen. Hierdoor komt het dat een ondernemer er niet altijd aan wil dat hij risico loopt als gevolg van genoemde calamiteiten of op een andere manier. Het is belangrijk om het gesprek met de ondernemer aan te gaan om deze risico’s in kaart te brengen in relatie tot de betaalbaarheid van de hypotheeklasten.
7.1 INVLOED OMZETDALING OP NETTOWINST
Bij een daling van de omzet, daalt de inkoop. Immers, er worden minder grondstoffen of halffabricaten ingekocht. Mogelijk nemen de energielasten af door de verlaagde productie.
De kosten die samenhangen met de omzet noemen we variabele kosten. Deze kosten zijn afhankelijk van de hoogte van de omzet (verkoop). Aan de andere kant zijn de vaste kosten dan de kosten die niet (op korte termijn) wijzigen bij een verandering in omzet. Denkt u hierbij aan maandelijkse huur, personeelslasten van werknemers met een contract voor onbepaalde tijd, het wagenpark, de afschrijvingen, verzekeringen en belastingen, de financieringslasten et cetera.
7.1.1 Casus 10: Risico’s omzetdaling
In 2008 zette ook in Nederland de zogenoemde ‘kredietcrisis’ in. Nederland is een exportland met een open economie. De kredietcrisis in andere delen van de wereld had daardoor grote gevolgen voor de Nederlandse economie. Er was minder vraag naar producten en daardoor meer werkloosheid. In de jaren voorafgaand aan de kredietcrisis draaide de economie op volle toeren. Zowel voor werknemers als ondernemer een positieve tijd.
Eerder hebben wij gezien wat er met het CBI gebeurt als een werknemer een inkomensdaling ervaart door werkloosheid. Dan kan een ontslag financieel gezien al een behoorlijke aderlating betekenen ondanks het feit dat Nederland voor werknemers een sociaal verzekeringsvangnet kent. Voor een IB-ondernemer is dat anders. Die moet het bij een omzetdaling hebben van reserves in de onderneming, het inkomen van zijn partner, zijn vermogen en bezuinigingen et cetera.
Gemeenten kunnen zelfstandigen met financiële problemen bijstand geven. Verschillende groepen zelfstandigen kunnen een uitkering krijgen vanuit het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). De vorm van de financiële ondersteuning en de voorwaarden verschillen per situatie.
ONTWIKKELINGEN BINNEN DE ONDERNEMING De volgende groepen zelfstandigen kunnen in aanmerking komen voor financiële ondersteuning op basis van het Bbz: • startende ondernemers die vanuit de bijstand of de WW een bedrijf starten; • gevestigde zelfstandigen in tijdelijke financiële problemen of zelfstandigen die hun bedrijf willen beëindigen; • oudere zelfstandigen (ouder dan 55 jaar) met een niet-levensvatbaar bedrijf.
De Bbz-uitkering is een aanvulling op het totale inkomen (waaronder een uitkering) van de ondernemer en zijn partner tot het geldende bijstandsniveau.
Leefsituatie Leeftijd Hoogte bijstandsuitkering Gehuwd of samenwonend 21 jaar tot AOW-leeftijd 100% minimumloon (samen) Alleenstaand 21 jaar tot AOW-leeftijd 70% minimumloon Alleenstaande ouder 21 jaar tot AOW-leeftijd 70% minimumloon + extra kindgebonden budget (alleenstaande ouderkop) Jongeren 18 tot 21 jaar Uitkering afgeleid van kinderbijslag
Casus 10 (zie Casus 8) Frits heeft in 1995 het stofferingsbedrijf van zijn ouders overgenomen. Het betreft een eenmanszaak. In 2025 is Frits een grote klant kwijtgeraakt. De man is onverwacht aan een ernstige ziekte overleden en zijn onderneming is gestopt. Door deze calamiteit voorziet Frits dat de winst voor 2025 halveert van € 100.000 vorig jaar naar € 50.000. Frits is bereid een lagere privéonttrekking te doen aan de onderneming. Hij neemt dan ook € 35.000 op in plaats van € 75.000.
De woning is volledig eigendom van Frits. De WOZ-waarde is dit jaar vastgesteld op € 500.000, gelijk aan een recent getaxeerde vrije verkoopwaarde. Voor de aankoop heeft Frits een aflossingsvrije hypotheek afgesloten van € 200.000. De rente is 4,50 procent per jaar.
Hoe ontwikkelt het gezamenlijk CBI in 2025 van Frits en Gerdi zich nu de winst is gedaald door de omzetdaling?
2025 Fiscaal Frits Fiscaal Gerdi Kas samen Box 1 Loon 50.000 50.000 Belastbare winst 46.732 Privéonttrekking onderneming Frits 35.000 Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw Frits -/- 2.458 Eigenwoningrente -/- 9.000 -/- 9.000 Eigenwoningforfait 1.225 Inkomensvoorziening -/- 2.100 -/- 1.250 -/- 3.350 Belastbaar inkomen box 1 36.857 48.750 Totale IB/PVV -/- 31.023 Box 3 -/- 733 Overige vaste lasten Premies ORV’s -/- 1.800 Heffingskortingen Algemene Frits 2.370 Arbeidskorting Frits 4.757 Algemene Gerdi 1.779 Arbeidskorting Gerdi 5.148 Gezamenlijk beschikbaar CBI 50.690 Gezamenlijk gewenst CBI 50.000 Gezamenlijk overschot CBI 690
Toelichting op CBI-berekening
Belastbare winst Frits: Winst € 50.000 Autokostenforfait* € 6.000 + Winst uit onderneming € 56.000 Zelfstandigenaftrek** € 2.470 - Winst na ondernemersaftrek € 53.530 MKB-winstvrijstelling*** € 6.798 - Belastbare winst € 46.732
Het autokostenforfait bedraagt de laagste van de twee bedragen: 22% x € 40.000 = € 8.800 of de daadwerkelijke kosten van € 6.00029.
29 A rt. 3.20 Wet IB 2001.
ONTWIKKELINGEN BINNEN DE ONDERNEMING ** Zelfstandigen mogen sinds 1 januari 2012 een vast bedrag van de winst aftrekken. Vanaf 2020 wordt dit bedrag stapsgewijs verlaagd. In 2025 is het € 2.470. *** De MKB-winstvrijstelling bedraagt in 2025 12,70 procent van de winst uit onderneming minus de ondernemersaftrek: 12,70% x € 52.250 = € 6.79830.
Zorgverzekeringswet Frits is ondernemer. Voor hem geldt geen verplichte Zvw-vergoeding door de werkgever waardoor het lage tarief geldt: 5,26 procent x € 46.732 = € 2.458. Wij gaan ervan uit dat de gezondheidstoestand van beiden goed is en laten het bedrag daarom achterwege als vaste lasten in de CBI-berekening. Als het om klanten gaat die wel verwachten zorgkosten te maken, is het aan te raden het eigen risico op te nemen in de CBI.
Eigenwoningregeling Het maximale tarief waartegen de eigenwoningrente kan worden afgetrokken is 37,48 procent. Geen correctie IB/PVV. Het eigenwoningforfait van € 1.225 is ook belast tegen 37,48 procent.
Te betalen IB/PVV Totaal te betalen IB/PVV van Frits is € 13.390 en voor Gerdi € 17.633.
Box 3 Ongewijzigd.
Heffingskortingen Algemene heffingskorting Frits: € 2.370. Arbeidskorting Frits: € 4.757. Algemene heffingskorting Gerdi: € 1.779. Arbeidskorting Gerdi: € 5.148.
Het gezamenlijk CBI van Frits en Gerdi bedraagt € 50.690. In casus 8 hadden zij een gezamenlijk CBI van € 64.626. Dit is een daling van € 13.936. Of Frits en Gerdi deze daling van het CBI kunnen opvangen is afhankelijk van het budget dat zij nodig hebben om rond te komen. Wellicht kunnen zij op bepaalde zaken besparen. Als dat onmogelijk is, zullen zij onttrekkingen moeten doen aan hun vermogen.
30 A rt. 3.79a Wet IB 2001. 175
7.1.2 Casus 11: Risico’s van sterke groei
‘Risico is de afwijking van het op voorhand verwachte resultaat’, een bekende definitie van een belangrijke term in de financiële advisering. Meestal wordt er bij risico alleen aan een negatieve afwijking gedacht en uiteraard is dat begrijpelijk. Eerder behandelden wij tegenvallende resultaten van een onderneming in de vorm van een omzetdaling. We zijn nu toe aan positieve resultaten in de vorm van groei van de onderneming. Een voorzichtige conclusie is dat groei niet altijd zonder pijn kan. Aan de hand van een concreet voorbeeld bekijken wij de mogelijke gevolgen van groei van een onderneming.
7.1.2.1 Voorbeeld groei onderneming
Bert Bakker drijft een handelsonderneming en laat de volgende cijfers zien. Uit de cijfers blijkt dat de onderneming vanaf 2013 tot en met 2015 groei heeft doorgemaakt. De verwachting is dat dit in 2015 ook door zal gaan. De vraag is of Bert onverdeeld gelukkig kan zijn met deze ontwikkeling.
Als gevolg van de groei nemen de voorraden, het debiteuren- en crediteurensaldo toe. Vanwege de groei van de onderneming moet geïnvesteerd worden in inventaris. Voor de aankoop van de inventaris sluit Bert een lening af waarop hij aflost. Het bedrijf van Bert is winstgevend, waardoor het vermogen stijgt.
Als gevolg van bovenstaande stijgt het eigen vermogen. Echter, niet in de mate waarin de activa stijgen door de investeringen. Hierdoor zorgt de groei van de onderneming ervoor dat de kortlopende schulden oplopen. De solvabiliteit loopt terug en de current ratio ook. Deze ontwikkelingen geven aan dat het bedrijf kwetsbaarder wordt voor tegenslagen ondanks de groei.
ONTWIKKELINGEN BINNEN DE ONDERNEMING Balansen ultimo bedragen x 1000 2015 2014 2013 2015 2014 2013 Activa Passiva
Vaste Activa Eigen vermogen 240 220 200 Pand 300 325 350
Inventaris 175 150 125 Langlopende schulden Hypotheek o/g 250 275 300
Vlottende activa Lening inventaris 100 75 50 Voorraden 300 200 100
Debiteuren 225 150 75 Kortlopende schulden
Liquiditeiten Crediteuren 370 260 150 Bank 25 50 75 Belastingen 75 55 35 Kas 10 10 10
Balanstotaal 1035 885 735 Balanstotaal 1035 885 735
solvabiliteit 2012 0,272 current ratio 2012 2,40
solvabiliteit 2013 0,249 current ratio 2013 1,30
solvabiliteit 2014 0,232 current ratio 2014 1,258
7.1.2.2 Voorbeeld groei ZZP-er
Carlijn werkt als coach en is ZZP-er. Door haar goede planning en organisatie kan zij in 2015 in totaal 1.800 uur aan haar klanten. In 2014 heeft zij 1.600 uur gedeclareerd. Haar uurtarief is € 50 exclusief 21 procent btw. Hierna vindt u de winst-en-verliesrekening van de onderneming van Carlijn.
Winst-en-verliesrekening 2015 2014
Omzet 120.000 100.000 Inkopen 15.000 12.500 Brutomarge 105.000 87.500 af: kosten Personeel 0 0 Huisvesting 7.000 6.000 Vervoermiddelen 15.000 12.500 Verkoopkosten 7.500 5.000 Algemene kosten 10.000 7.500 Kosten rente en leningen 17.500 22.500 Nettowinst 48.000 34.000
De zaken gaan goed en Carlijn is enthousiast. Zij ziet het helemaal zitten. Zij heeft een appartement in Oudewater op het oog en wil weten hoe groot de hypotheeksom is die zij maximaal kan krijgen. Omdat Carlijn steeds meer opdrachten krijgt, overweegt zij om een dame aan te nemen. Haar redenatie hierbij is dat hierdoor meer uren gedraaid kunnen worden waardoor de winst stijgt. Dat komt ook de financieringsaanvraag voor het appartement ten goede. De kosten voor het aannemen van deze dame zijn € 45.000. Zij heeft een auto nodig waardoor de kosten nog eens € 15.000 extra zijn. Tot slot zullen ook de reclame (verkoop)kosten toenemen met € 2.500. De inkoopprijs daalt waarschijnlijk omdat zij meer zal inkopen.
ONTWIKKELINGEN BINNEN DE ONDERNEMING De accountant heeft een prognose gemaakt:
Winst-en-verliesrekening Prognose personeel 2015 2014
Omzet 220.000 120.000 100.000 Inkopen 25.000 15.000 12.500 Brutomarge 195.000 105.000 87.500 af: kosten Personeel 45.000 0 0 Huisvesting 8.000 7.000 6.000 Vervoermiddelen 30.000 15.000 12.500 Verkoopkosten 10.000 7.500 5.000 Algemene kosten 12.500 10.000 7.500 Kosten rente en leningen 25.000 17.500 22.500 Nettowinst 64.500 48.000 34.000
Als gevolg van het aannemen van de dame in kwestie stijgt de omzet met € 100.000. De winst stijgt met € 16.500. Daar staat tegenover dat de risico’s zijn toegenomen: • het debiteurenrisico is groter geworden. • bij ziekte van de nieuwe collega valt de opbrengst tijdelijk of voor langere duur weg. • Carlijn moet meer tijd besteden aan de organisatie, offertes uitbrengen, administratie, inkoop et cetera en zal hierdoor minder declarabele uren hebben. De accountant begroot dat op vier uur per week en dat houdt in dat zij een marge inlevert van 4 x 50 = 200 uren x € 50 = € 10.000 op jaarbasis.
Wanneer een ondernemer of ZZP-er groeiplannen heeft, is een aantal scenario’s denkbaar waarbij het voordeel van winststijging wegvalt tegen de risico’s.
Landschap in de omgeving van Den Haag, Willem Roelofs (I), ca. 1870 - ca. 1875
8. ONVERWACHTE UITGAVEN
Volgens het Nibud heeft circa 40 procent van de Nederlandse huishoudens een te kleine financiële buffer, terwijl circa 90 procent aangeeft zich prettiger te voelen met buffer. Dit percentage heeft betrekking op zowel huishoudens met als zonder een koopwoning.
Een financiële buffer is belangrijk om onverwachte uitgaven zoals het vervangen van een kapotte wasmachine, een onverwacht dure reparatie van de auto of een hoge telefoonrekening op te kunnen vangen. Een lening afsluiten wordt zo overbodig. Veel leningen ontstaan dan ook daadwerkelijk door een samenloop van calamiteiten en geen reservemiddelen hebben. Als er geen financiële buffer is, zal deze onverwachte uitgave op het budget drukken of misschien zelfs helemaal niet gedaan kunnen worden met alle gevolgen van dien. Daarnaast is een financiële buffer een uitkomst op het moment dat het inkomen achteruit gaat door bijvoorbeeld ziekte of ontslag.
Hoe hoog de financiële buffer moet zijn, is afhankelijk van de persoonlijke financiële situatie van de klant. Hierbij spelen de volgende punten een rol: • leeftijd • alleen of samen • kinderen • netto gezinsinkomen • dagwaarde auto • koop- of huurwoning • huidige spaargeld.
Op deze manier loopt een buffer al snel in de duizenden euro’s. Anderen geven aan dat een minimale ‘basisbuffer’ van € 1.000 al iets is. Vervolgens is het zaak deze buffer snel uit te breiden. 181
Uiteraard is dat afhankelijk van de inkomens- en vermogenspositie van de klant.
Tips om een buffer op te bouwen zijn: • laat uw klant een budget opstellen waarbij hij zijn inkomsten en uitgaven in kaart brengt. Als er ruimte is om te sparen, wordt nu duidelijk hoeveel. Door middel van een periodieke overboeking naar een spaarrekening wordt het maandelijkse spaarbedrag een onderdeel van de vaste uitgaven. Als er geen ruimte is, is dat meteen een aanleiding om te onderzoeken waarop bespaard kan worden. • door de klant een spaarplan op te laten stellen kan hij uitrekenen hoelang hij moet sparen om het gewenste bedrag bij elkaar te sparen. Ingrediënten van dit spaarplan zijn: doelbedrag, inleg, rentevergoeding, inkomstenbelasting en inflatie (voor de langere termijn).
Tot slot moet een buffer ook onderhouden worden. Zodra uit de buffer is opgenomen, moet weer worden aangevuld. Hoe moet worden aangevuld gebeurt weer aan de hand van een spaarplan dat de klant opstelt.
ONVERWACHTE UITGAVEN
Winterlandschap met schaatsers, Hendrick Avercamp, ca. 1608
9. BESPAREN
Als een klant het huis van zijn dromen heeft gevonden en van zijn Erkend Hypothecair Planner te horen krijgt dat deze hem adviseert naar een goedkoper huis op zoek te gaan omdat de planner het financieel onverantwoord vindt, dan is dat vaak een tegenvaller voor de klant. Helemaal als de planner hem uitlegt dat het door zijn uitgavenpatroon komt dat het kopen van de woning ontraden wordt. De klant reist bijvoorbeeld graag en besteedt daar meer dan gemiddeld geld aan. Bovendien heeft hij aangegeven dat hij dat wil blijven doen nadat hij de woning heeft gekocht. Of in de situatie dat de klant meer dan gemiddeld geld uitgeeft aan zorgkosten vanwege een beperking.
Wellicht kan de hypothecair planner de klant aanzetten om te besparen op het budget dat hij uitgeeft. Dit kan door bijvoorbeeld de klant in kaart te laten brengen waarop hij zou kunnen besparen. Hoeveel klanten weten dat zij onnodig geld uitgeven aan telefoon- of energiekosten en hebben er nog nooit iets aan gedaan? Waarschijnlijk omdat zij tot dat moment geen doel hadden. De tweede stap die de planner de klant dan laat zetten is daadwerkelijk een keuze maken waarop hij gaat besparen. Hij zet bijvoorbeeld de vijf zaken die hij heeft vastgesteld in volgorde van oplopende belangrijkheid voor hem. Ten derde laat de hypothecair planner hem zijn besparing SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden) maken. Met andere woorden: de klant maakt zijn doel concreet door hem te laten bepalen hoeveel hij bespaart, hoe hij dat precies doet en wanneer het gelukt is.
Een kasboek (papieren of digitaal) is onontbeerlijk bij het managen van een financiële huishouding.
Het resultaat zal zijn dat de klant ruimte heeft gecreëerd in zijn budget om de lasten die gepaard gaan met het kopen en financieren van zijn droomhuis te kunnen dragen. Hiermee is de hypothecaire planning nóg meer op maat gemaakt! 185
BIJLAGE
Bij deze module hoort een aanvullende bijlage die digitaal beschikbaar is.
Scan de QR-code hieronder met je smartphone of tablet om direct toegang te krijgen.
Scan de QR-code en bekijk de bijlage!
Mocht de QR-code niet werken of wil je de bijlage op je computer bekijken, ga dan naar: https://www.hypothecairplanner.nl/redirect/syllabi (op deze site ook te vinden via de bijlagenpagina).
DEEL 10 — GEZIN
INLEIDING
Voor u ligt de module ‘Gezin’. Deze module is een onderdeel van de opleiding tot Erkend Hypothecair Planner en is bedoeld om u praktische handvatten te geven voor de advisering rond het thema hypothecaire geldlening en gezin.
De hypothecair planner krijgt in de dagelijkse praktijk met klanten te maken die onderdeel zijn van een gezin. Dat gezin kan allerlei vormen en samenstellingen hebben en is aan veranderingen onderhevig. Veranderingen zijn soms gepland, soms ongepland, soms fijn en soms naar. Denkt u bijvoorbeeld aan samenwonen, gezinsuitbreiding of einde van het gezin door relatiebreuk of overlijden.
Voor een gezin is de eigen woning een belangrijke plek. De hypothecair planner is van grote toegevoegde waarde wanneer hij bij het construeren van het best passende advies met de klant stilstaat bij mogelijke veranderingen die op stapel staan of zorgen die de klant heeft. Woont een klant nu nog alleen, koopt hij alleen en zijn er al wel plannen om in de toekomst te gaan samenwonen in de woning? Verhuist een echtpaar naar een grotere eigen woning omdat zij graag hun gezin willen uitbreiden met een kind? Het zijn allemaal situaties waarin de competenties van de hypothecair planner verder gaan dan het samenstellen van een passende hypotheekconstructie. Soms zal het nodig zijn om de klant door te verwijzen naar een specialist omdat het onderwerp de kennis en kunde van een hypothecair planner te boven gaat. Hoe dan ook blijft u de regisseur van het spel.
In de module ‘Consumptief Besteedbaar Inkomen’ hebben wij diverse scenario’s die in deze module de revue passeren doorgerekend. In de module ‘Gezin’ hopen wij u te inspireren om het gesprek over de gerelateerde onderwerpen bij een hypothecaire planning aan te gaan met uw klant.
Wij wensen u veel plezier bij het bestuderen van deze module!
NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender. 191
10. VORMEN
10.1 ALLEENSTAAND
Een alleenstaande vormt een eenpersoonshuishouden. Tot eenpersoonshuishoudens worden ook personen gerekend die met anderen op eenzelfde adres wonen maar een eigen huishouding voeren.
Alleenstaanden worden in alle burgerlijke staten aangetroffen; zo kunnen gehuwden na het stuklopen van hun relatie (in afwachting van een scheiding) alleen wonen.
Uit cijfers van het CBS blijkt dat ongeveer 19 procent van de inwoners van Nederland alleen woont. Tot 2047 is de verwachting dat daar nog een flink aantal bij komt. Dan leeft volgens het CBS bijna één op de vier volwassenen alleen.
Een alleenstaande hoeft natuurlijk niet ook single te zijn. Volgens het CBS blijkt dat ruim 20 procent van de volwassen alleenstaanden een partner heeft. Zij hebben een latrelatie, living apart together, ieder een eigen huishouden dus. Jongeren blijken vaker een latrelatie te hebben dan ouderen. Meestal willen zij later met deze partner gaan samenwonen of trouwen.
Met deze informatie in het achterhoofd is het goed om hierop als hypothecair planner tijdens het planningsproces goed door te vragen zodra een alleenstaande hypotheekklant zich aandient.
Wij gaan in deze paragraaf uit van de single alleenstaande. Er is verschil tussen als alleenstaande een eigen woning kopen en financieren of als stel. 193
We zetten een aantal verschillen op een rij: • de alleenstaande heeft één inkomen waarop de maximale hypotheeksom is gebaseerd. Hierdoor kan hij een minder dure woning kopen dan wanneer er twee inkomens zijn. Vooral voor de alleenstaande starter is het een uitdaging om een leuke woning te vinden vanwege de hoge prijzen. • de alleenstaande is extra kwetsbaar bij arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Er is immers maar één inkomen waarop alles draait. Hierdoor is het nog belangrijker om de CBI-berekeningen die horen bij de inkomensrisico’s in kaart te brengen en goed door te spreken met de klant. • bij overlijden zal de alleenstaande moeten bepalen wat er met zijn nalatenschap moet gebeuren. Wie zijn de erfgenamen? De ouders, broers en zussen? Wat vindt hij ervan dat zij mogelijk een schuld van hem erven en dat alle lasten op hen overgaan bij aanvaarding van de nalatenschap? De erfgenamen kunnen de woning verkopen. En wat als dat langer duurt dan verwacht of wat als er nog een restschuld overblijft? • tot slot heeft de alleenstaande geen partner waarmee hij lastige keuzes rond de hypotheekconstructie kan bespreken. De hypothecair planner is dan vaak de belangrijkste sparringpartner.
10.2 ONGEHUWD SAMENWONEN
Bij ongehuwd samenwonen denken wij meestal aan twee jonge mensen die samengaan en voor het eerst een eigen woning kopen. Uiteraard wonen ook ouderen ongehuwd samen. Vaak zelfs na een eerdere relatie. In dat geval spelen weer andere zaken een rol zoals het vormen van een samengesteld gezin en ieder de eigen hypotheekgeschiedenis.
10.2.1 Persoonlijke financiële stijlen
Uit onderzoek blijkt dat geldkwesties voor stellen een nog grotere bron voor ruzie is dan seks. De uitspraak ‘opposites attract’ blijkt ook hier van toepassing. Zo gebeurt het dat mensen met verschillende persoonlijke financiële stijlen met elkaar samenleven. Een zuinige persoon met iemand die zijn geld graag laat rollen, een toekomstplanner met iemand die volgens het motto ‘pluk de dag’ leeft, iemand die niet slaapt van een roodstand met iemand die daar niet van wakker ligt en andere exotische combinaties. Vaak hebben de beide partners elkaars manier van met geld omgaan geaccepteerd.
Voor de hypothecair planner is het van doorslaggevend belang om zijn klanten te kennen én te begrijpen. Alleen dan kan hij een hypothecaire planning maken die werkelijk bij de persoonlijkheid van de klant aansluit, ook in de toekomst. Het leren kennen en begrijpen van de klant kan een tijdrovend proces zijn met 194 alle nadelen die erbij horen.
VORMEN Door uit te gaan van enkele types mensen of klanten kan de hypothecair planner veel tijd winnen en tegelijk de kwaliteit van het advies versterken. Bovendien is de klant zich vaak onbewust van zijn sterktes en valkuilen op financieel gebied. Is hij dat wel dan zal hij beter begrijpen om welke reden een advies gegeven wordt en meer commitment tonen om het uit te voeren. Kortom, het werkt twee kanten op. De situatie wordt zeer concreet gemaakt voor zowel de klant als de hypothecair planner en dat maakt optimale communicatie en advisering mogelijk. Een goede manier om dat te doen is gebruik te maken van de beproefde en wereldwijd gebruikte methode DISC van de psycholoog W. Marston.
Klanttypering met DISC Klanten zijn er in veel soorten en maten. Bij nauwkeurige observatie blijkt dat iedereen uniek is. Van een afstand bekeken wordt duidelijk dat er in grote lijnen vier manieren zijn waarop iemand de wereld kan ervaren. En dat is meteen bepalend voor iemands gedrag.
Deze hoofdstijlen en hun financiële voorkeuren zijn:
Objectief - Taken - Resultaten - Kritisch - Formeel Consciëntieuze stijl Dominante stijl
Kwaliteit Doelen Resultaat Activiteit
Bedenken Uitdaging Details Beslissen Structuur Assertief Introvert Analyse Vrijheid Extravert Kennisfeiten Richting Specialist Logica Leiding Generalist Precies Controle Afwachtend Informatie Initiatief Routine Praten Tempo lager Tempo hoger Waardering Overtuigen Samen Positief Behoudend Risico nemen Vrede Erkenning Loyaal Ideeën Uitvoeren Enthousiast
Stabiliteit Interactie Veiligheid Invloed
Stabiele stijl Interactieve stijl Mensen - Relaties - Gevoel - Vertrouwen - Informeel
Natuurlijk en (aan)geleerd gedrag Een hypothecair plan heeft als doel mensen verder helpen hun doelen en wensen te realiseren. Nog veel belangrijker is het dat het advies passend is als de klant onder stress komt te staan door tegenslagen zoals ziekte, overlijden van naasten, werkloosheid, faillissement en economische crises. Juist dán moet het hypothecair plan zijn waarde aantonen en een vangnet zijn waarop kan worden teruggevallen. Als een hypothecair planner met de klant in gesprek is, zal deze hem op zijn gemak stellen en zal de klant behoudens uitzonderingen niet direct stress ervaren en daardoor geleerd gedrag laten zien. Zodra er sprake is van stress keert hij terug naar zijn natuurlijk gedrag. Dit gedrag is aangeboren en verandert niet. Hieruit volgt dat de enige juiste basis voor hypothecair advies als vorm van financieel advies het natuurlijk gedrag is. Om tijdens het gesprek het natuurlijk gedrag helder te krijgen, is het nodig dat u goed observeert, open vragen stelt, luistert, samenvat en reflecteert. Hiervoor verwijzen wij u naar ‘Omgaan met klanten’.
Persoonlijke financiële stijlen en het advies Het alleen herkennen van de persoonlijke financiële stijl van de klant is onvoldoende. Zoals u kunt zien is de betekenis van geld voor ieder van de stijlen verschillend en dat heeft grote gevolgen voor het advies van de hypothecair planner. Zo zal een klant met een stabiele stijl de neiging hebben van nature (te) veel te verzekeren en een klant met een dominante stijl (te) weinig.
Een ander voorbeeld is dat een consciëntieuze klant alleen weloverwogen risico’s zal nemen en een assertieve klant de neiging heeft op gevoel risico’s aan te gaan. Wat het beste advies is, hangt af van de omstandigheden en de financiële positie van de klant.
Een assertieve klant zal bijvoorbeeld niet zo makkelijk een pensioen bij elkaar sparen, omdat hij voornamelijk met het heden bezig is. Bij een groot vermogen zal dat geen probleem zijn, maar in de meeste gevallen is het zeker verstandig om minimaal een basisinkomen zeker te stellen en dan ook nog via een geblokkeerde rekening zodat de klant niets tussentijds kan opnemen. Dit zal de klant helpen zijn doel te realiseren. Zowel in het mondelinge als het schriftelijke advies zal de hypothecair planner steeds het verband moeten leggen tussen de stijl van de klant en het gegeven hypotheekadvies en/of geselecteerde product. Als de adviseur dit doet, dan is zijn toegevoegde waarde al in de inventarisatiefase voor de klant overduidelijk.
VORMEN
10.2.2 Juridisch en fiscaal
Ongehuwd samenwonen en dan samen een huis kopen, vergt de nodige aandacht op het juridische vlak. Als ongehuwd samenwonende ben je immers vanuit juridisch oogpunt nauwelijks iets van je liefdespartner. Om de zaken juridisch gezien goed te regelen zijn een (notarieel) samenlevingscontract en testamenten nodig.
Voorbeeld ongehuwd samenwonend kopen Mirthe (27) en Jasmijn (29) wonen ongehuwd samen in een huurwoning en kopen samen hun eerste eigen woning voor € 300.000 v.o.n. Zij kopen ieder de helft van de woning. Zij zijn dan ieder voor 50 procent eigenaar van de woning en schuldenaar van de eigenwoningschuld. Als zij verder niets regelen en één van beiden overlijdt, geldt het wettelijk erfrecht en zijn ieders ouders, broers en zussen (voor zover die er zijn) erfgenaam van de helft van de woning en de helft van de schuld die erop rust. Dat betekent dat de ander de erfgenamen zal moeten uitkopen of de woning verkopen waardoor de nalatenschap vrijkomt.
Om deze situatie te voorkomen kunnen Mirthe en Jasmijn: • trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan. Dan zijn zij immers wettelijk erfgenaam van elkaar. • een samenlevingscontract sluiten waarin zij afspraken met elkaar maken. Een samenlevingscontract sluiten kan onderhands. Echter, het is verstandig om het bij notariële akte te doen omdat dit soms voor pensioenregelingen en in ieder geval de Successiewet vereist is. Voor de Successiewet moet een wederzijds verzorgingsplicht zijn opgenomen. Ongehuwd samenwonenden hebben recht op de hoge partnervrijstelling als ze onder het partnerbegrip van de Successiewet vallen. Dit is onder meer het geval als zij ten minste zes maanden samenwonen en een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgplicht hebben. Met een notarieel samenlevingscontract (zonder wederzijdse zorgplicht) zijn Mirthe en Jasmijn ook fiscaal partners en kan dit tot een belastingvoordeel leiden. • ieder een testament bij de notaris opstellen waarin zij elkaar als (enig) erfgenaam benoemen.
Verblijvingsbeding cruciaal Naast de verdeling van de goederen, de kosten van de huishouding en het toekennen van een partnerpensioen is een zogenoemd ‘verblijvingsbeding’ een belangrijke bepaling in het samenlevingscontract. Het verblijvingsbeding houdt in dat de eigendom van de gemeenschappelijke goederen (om niet/baat) bij overlijden overgaat naar de langstlevende. Zie hiervoor ook de syllabi ‘Recht’ en ‘Estate Planning’.
Voorbeeld Mirthe en Jasmijn hebben de woning samen aangekocht en een samenlevingscontract met verblijvingsbeding gesloten bij de notaris. Naast de gezamenlijke woning heeft Mirthe € 30.000 spaargeld. Als Mirthe komt te overlijden wordt Jasmijn volledig eigenaar van de woning en verantwoordelijk voor de hele schuld. Mirthe heeft geen testament gesloten en daardoor gaat haar spaargeld van € 30.000 naar haar wettelijke erfgenamen. Het verblijvingsbeding geldt immers alleen voor goederen die gemeenschappelijk bezit zijn.
Stel dat Jasmijn bij de aankoop van de woning meer geld inbrengt dan 50 procent van de verwervingskosten. De eigendomsverhouding is dan naar rato van de inbreng. De totale schuld zal hierdoor lager zijn. Jasmijn zal het geld dat zij heeft ingebracht bij een onverhoopt verbreken van de relatie terug willen hebben. Mirthe en Jasmijn kunnen dan een bepaling opnemen in hun samenlevingscontract waarin staat dat Jasmijn ter grootte van het bedrag dat zij heeft ingebracht voor de aankoop van de woning een vordering heeft op Mirthe. De vordering is opeisbaar zodra de woning wordt verkocht of bij beëindiging van het samenlevingscontract.
Tot slot hebben twee mensen die ongehuwd gaan samenwonen en een gezamenlijke huishouding opzetten waarschijnlijk verschillende voorzieningen dubbel afgesloten (inboedel-, aansprakelijkheids-, reisverzekering enzovoort). Een goede inventarisatie van alle lopende voorzieningen is van belang om overlap en dubbele kosten te voorkomen.
De kans dat twee ongehuwd samenwonenden eerder een relatie hebben gehad is reëel in een tijd waar één op de twee relaties strandt. Het is belangrijk om de juridische situatie goed inzichtelijk te hebben en te regelen.
Voorbeeld Hans (55) en Sunny (46) zijn ieder eerder gehuwd geweest met een ander en inmiddels een aantal jaren gescheiden als zij een relatie met elkaar krijgen. Hans heeft uit zijn eerdere huwelijk twee kinderen en Sunny drie. Alle kinderen zijn volwassen. Hans heeft zelfs al een kleindochter. Sunny heeft na drie jaar relatie Hans in 2024 ten huwelijk gevraagd en hij heeft haar aanzoek geaccepteerd. Op de valreep van 2024 zijn zij in het huwelijksbootje gestapt. Hans heeft op dat moment net zijn eigen woning verkocht met een winst van € 100.000 en trekt bij Sunny in. Ook zij heeft een eigen woning.
€ 30.000 van de verkoopwinst van Hans gebruiken zij voor de aanpassing van de woning van Sunny. Ze regelen verder niets omdat zij binnenkort toch gaan trouwen. Ze maken plannen voor de bruiloft. Zij gaan huwen onder huwelijkse voorwaarden, koude uitsluiting, en ieder een testament opstellen. Daarnaast 198 zijn zij van plan elkaar algehele notariële volmacht te verlenen.
Als één van beiden overlijdt zolang zij niets geregeld hebben, is er een probleem.
VORMEN Hans en Sunny hebben geen samenlevingscontract en evenmin een testament. Dat betekent dat hun nalatenschap voor de kinderen is. Als Sunny overlijdt, is Hans zijn € 30.000 van de verbouwing kwijt en zal hij uit de woning moeten vertrekken. Het is dus aan te raden zo snel als mogelijk testamenten op te stellen om de langstlevende te beschermen conform hun wens.
10.3 HUWELIJK OF GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Anno 2025 wordt het huwelijk nog steeds als meer romantisch gezien dan het geregistreerd partnerschap. Mensen die het officieel maken van hun relatie meer als een zakelijke aangelegenheid zien, kiezen dan ook vaker voor het geregistreerd partnerschap. De gevolgen van een geregistreerd partnerschap zijn nagenoeg gelijk aan die van het huwelijk.
Wij noemen hierna de verschillen: • een geregistreerd partnerschap kan buiten de rechter om eindigen onder de voorwaarden dat beide partners het eens zijn en er geen minderjarige kinderen zijn. Een huwelijk moet altijd via de rechter ontbonden worden. • scheiding van tafel en bed is alleen mogelijk bij gehuwden. • bij een huwelijk is het ‘jawoord’ verplicht in tegenstelling tot bij het geregistreerd partnerschap.
Een kind geboren staande huwelijk tussen man en vrouw, heeft automatisch beide echtgenoten als ouder. Ook als iemand anders de biologische vader is. Er ontstaat van rechtswege een familierechtelijke band waardoor het kind erft van beide ouders. De familierechtelijke band zorgt er ook voor dat beide ouders het gezag hebben over hun kind. Vanaf 1 april 2014 geldt dit ook bij een geregistreerd partnerschap en een huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen twee vrouwen onder voorwaarde dat het geregistreerd partnerschap of huwelijk bestond op het moment van de geboorte van het kind.
Als de keuze tussen huwelijk en geregistreerd partnerschap gemaakt is, blijft de keuze tussen beperkte gemeenschap van goederen en huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden over.
Vaker dan men vermoedt, is het verstandig om huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden op te stellen. Bijvoorbeeld in de volgende situaties: • financiële ongelijkheid tussen de partners; • één van de partners heeft schulden; • de partners willen financieel onafhankelijk blijven; 199
• één van de partners heeft een onderneming en loopt daardoor zakelijke risico’s; • er is familievermogen dat beschermd moet worden; • de rechten van kinderen uit een eerder huwelijk moeten beschermd worden.
Daar waar wij hierna spreken van ‘huwelijk’, bedoelen wij ook geregistreerd partnerschap. Eventuele verschillen geven wij aan.
10.3.1 Gemeenschap van goederen of geregistreerd partnerschap zonder partnerschapsvoorwaarden
G partnerschap zonder partnerschapsvoorwaarden
Bij trouwen zonder het opstellen van huwelijkse voorwaarden vloeiden de vermogens van twee individuen tót 1 januari 2018 samen tot één gemeenschappelijk vermogen, waartoe ieder voor de helft gerechtigd was.
Voor huwelijken vanaf 1 januari 2018 zonder voorwaarden geldt bij trouwen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Het gemeenschappelijke vermogen vóór het huwelijk vloeit in de beperkte gemeenschap van goederen en privévermogens van vóór het huwelijk blijven behoren tot het privévermogen. Het vermogen dat ten tijde van het huwelijk wordt opgebouwd is gemeenschappelijk. Het gemeenschappelijk vermogen bestaat uit de bezittingen en de schulden.
Wij onderscheiden de situatie waarin gehuwden samen een woning kopen en de situatie waarbij de één intrekt bij de ander. Wij zoemen in deze paragraaf in op de laatste situatie.
In de situatie dat één partner al een eigen woning met een eigenwoningschuld bezit en degene met wie hij gaat trouwen in beperkte gemeenschap van goederen trekt bij hem in, worden in tegenstelling tot bij de algehele gemeenschap alle bezittingen en schulden niet meer gemeenschappelijk. Als echtelieden willen dat de woning en de eigenwoningschuld gemeenschappelijk worden, zullen zij huwelijkse voorwaarden moeten maken en daarin afspreken dat er sprake is van algehele gemeenschap van goederen. Dan geldt volgend voorbeeld.
Voorbeeld Eddy (49) en Selma (45) trouwden in 2018 onder huwelijkse voorwaarden met de bepaling dat er sprake is van algehele gemeenschap van goederen. Het is voor beiden hun eerste huwelijk.
Eddy heeft sinds 2001 een eigen woning van € 300.000 en een eigenwoning-
VORMEN schuld van € 275.000. Selma heeft sinds zij de ouderlijke woning heeft verlaten altijd gehuurd gewoond. Hun vermogens smelten door het huwelijk samen en Selma is vanaf de huwelijksdatum gerechtigd tot de helft van de woning en ook verantwoordelijk voor de eigenwoningschuld.
In 2028 komt de klad erin. Eddy en Selma gaan uit elkaar. Op dat moment heeft Eddy in totaal 27 jaar hypotheekrenteaftrek genoten. De woning is inmiddels € 325.000 waard geworden. Selma heeft recht op de helft van de overwaarde (€ 25.000).
Eddy koopt Selma uit en blijft in de woning wonen. Selma vindt een geschikt koopappartement en heeft een gesprek met haar hypothecair planner. Zij is bereid € 25.000 te gebruiken voor de aankoop en het restant wil zij financieren. Waar zij niet op heeft gerekend is het feit dat zij nog maar drie jaar hypotheekrenteaftrek kan genieten. Het aantal jaren hypotheekrenteaftrek dat Eddy in totaal heeft genoten blijkt die van haar ook te hebben opgeslokt doordat zij hebben gekozen voor een algehele gemeenschap van goederen.
10.3.2 Huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden
Met huwelijkse voorwaarden wordt goed gekeken naar hoe het vermogen (bezittingen en schulden) van vóór het huwelijk en dat wat staande huwelijk wordt opgebouwd moet worden verdeeld over de twee gehuwden bij een eventuele relatiebreuk of overlijden. Het gaat onder andere om: • afspraken over hoeveel vermogen er per partner in de woning is geïnvesteerd. • onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen. • overlijden in een situatie van een groot verschil in inkomen en vermogen. • eventuele pensioenverevening bij een relatiebreuk.
Er zijn verschillende vormen van huwelijkse voorwaarden zoals u in de module ‘Estate Planning’ kunt lezen. In het kader van de eigen woning wordt vaak gekozen voor een vorm van beperkte gemeenschap de ‘gemeenschap van echtelijke woning’. De echtgenoten spreken dan met elkaar af dat hun gemeenschappelijk bewoonde woning altijd gemeenschappelijk zal zijn. Tegelijkertijd maken zij dan afspraken over de eigenwoningschuld.
In het geval echtgenoten kiezen voor koude uitsluiting als huwelijkse voorwaarden kopen zij toch meestal samen een eigen woning met als gevolg dat ieder voor de helft gerechtigd is tot de woning en verantwoordelijk is voor de schuld.
Breitner beursRP-T-1948-654(R)
11. KINDEREN
In de module ‘CBI’ hebben wij uitvoerig beschreven welke kosten gemoeid zijn bij het krijgen en hebben van kinderen en hoe deze kosten het CBI beïnvloeden. In onderhavig hoofdstuk belichten wij hoe een gezin zich kan ontwikkelen met betrekking tot kinderen. Onze inspiratie hiervoor vonden wij in het boek De gouden rugzak, Handboek voor vermogende families van Raimund Kamp, Marijke Kuijpers en Ad Kil uit 2013.
11.1 VORMING VAN EEN GEZIN
Fase Ouders Kinderen Gehuwd paar Carrière maken, gezinsuitbreiding plannen Geboorte Eerste kind(eren), werk aanpassen, fijne plek maken Voor basisschool Kleuterleeftijd, balans Socialiseren vinden tussen werk en privé Basis- en Schoolresultaten, Leerfase en zelf middelbare school vriendjes en contact leggen vriendinnetjes, contact tussen ouders Tussen pubertijd en Balans tussen Opleiden, volwassenheid verantwoording en zelfverantwoording, zelfstandigheid, ontwikkelen identiteit volgende carrièrestap
Fase Ouders Kinderen Uitwonende Laten gaan en Studie- en/ jongvolwassenen helpen kinderen, top of beroepskeuze, carrière bereikt zelfverantwoording, verder ontwikkelde zelfstandigheid in wonen en relaties opbouwen, start maatschappelijke loopbaan Middelbare leeftijd Midlifecrisis en/ Maatschappelijke of huwelijkscrisis carrière, beslechten, contacten huwelijk, plannen aanhalen, eindfase gezinsuitbreiding of loopbaan, opa en oma eerste kind(eren) Bejaard Zelfstandigheid, pensioenKleuterleeftijd, balans vinden tussen werk en privé
De gezinscyclus van de westerse cultuur zoals in deze paragraaf schematisch is weergegeven is ontleend aan het Handboek voor ontwikkelingspsychologie van L. Verhofstadt-Denéve uit 1995. Het laat zien dat een gezin zich gaandeweg vormt en aan veranderingen onderhevig is. In elke omschreven fase kan een andere behoefte zijn aan wonen, financieren, verzekeren, manier van leven et cetera.
Op enig moment ontstaat binnen het gezin dat de hypothecair planner als klant heeft een nieuw gezin en herhaalt de cyclus zich.
11.2 KINDEREN EN FISCALE TOESLAGEN
Bij gezinsuitbreiding kunnen er verschillende fiscale toeslagen en belastingvoordelen zijn die invloed kunnen hebben op de hypothecaire planning. Deze toeslagen en voordelen kunnen helpen om de financiële situatie van het gezin te verbeteren, wat invloed kan hebben op de betaalbaarheid van een hypothecaire geldlening en het bepalen van de hypotheeklasten.
Hierna een overzicht van belangrijke fiscale toeslagen en belastingvoordelen die relevant kunnen zijn bij gezinsuitbreiding:
1. Kindgebonden Budget (KGB): dit is een inkomensafhankelijke toeslag die ouders met kinderen onder de 18 jaar ondersteunt. In 2025 wordt het KGB verhoogd met maximaal € 75 per maand naar maximaal € 2.511 per jaar. Voor kinderen van 12 tot 16 jaar is er een extra verhoging van maxi204 maal € 703 per jaar. Voor kinderen van 16 jaar en ouder is de verhoging
KINDEREN maximaal € 936 per jaar. Alleenstaande ouders ontvangen daarnaast een extra toeslag van € 3.389 per jaar, de zogenoemde ‘alleenstaande ouderkop’. – De voorwaarden voor het KGB zijn: – de ouder ontvangt de kinderbijslag voor het kind; – het (gezamenlijke) inkomen is niet te hoog – het vermogen is niet te hoog: op 1 januari 2025 maximaal € 141.896. In het geval van toeslagpartner is dat € 179.429.
2. Kinderopvangtoeslag: deze toeslag helpt ouders met de kosten van kinderopvang. De hoogte van de toeslag hangt af van het inkomen, het aantal kinderen en de soort opvang.
De voorwaarden voor kinderopvangtoeslag zijn: – ouder(s) werken of volgen een opleiding, een inburgeringscursus of een traject naar werk; – opvang is geregistreerd: de gemeente checkt of de opvang goed en veilig is. Goedgekeurde opvang staat geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en heeft een LRK-nummer. Zonder dit nummer kan men geen toeslag aanvragen; – kind en ouder(s) wonen op hetzelfde adres en staan op dit adres ingeschreven; – deel van de opvangkosten betaalt men zelf.
In 2025 zijn de maximale uurprijzen per soort kinderopvang als volgt: – dagopvang: € 10,71 per uur – buitenschoolse opvang: € 9,52 per uur – gastouderopvang: € 8,10 per uur.
De overheid vergoedt maximaal 230 uur per kind per maand.
3. Kinderbijslag: De kinderbijslag is een tegemoetkoming voor ouders met kinderen onder de 18 jaar. In 2025 zijn de bedragen per kwartaal als volgt: – 0 t/m 5 jaar: € 286,45 – 6 t/m 11 jaar: € 347,83 – 12 t/m 17 jaar: € 409,21.
4. Huurtoeslag: als de ouder(s) huurtoeslag ontvang(t)(en) en het kind inwoont, telt het inkomen van het kind mee voor de huurtoeslag. Als het kind jonger is dan 23 jaar, geldt een vrijstelling van € 6.042 in 2025. Als het kind ouder is, dan telt het hele inkomen mee voor de huurtoeslag. – Voorwaarden voor huurtoeslag zijn: – huur is gemaximeerd (2025: € 900,07); 205
– huur van een zelfstandige woonruimte; – er is een huurovereenkomst; – inkomens van toeslagpartner en medebewoners is gemaximeerd; – vermogen en dat van toeslagpartner en medebewoners is gemaximeerd (2025: € 37.395 en met toeslagpartner € 74.790); – woonachtig in Nederland. – alle bewoners ingeschreven op hetzelfde woonadres; – medebewoner of toeslagpartner is niet de eigenaar van de woning. – alle bewoners hebben de Nederlandse nationaliteit of zijn legaal in Nederland. – 18 jaar of ouder. – huur wordt betaald aantoonbaar met bankafschriften.
Een belangrijke wijziging per 1 januari 2025 is dat vanaf 1 januari 2025 een kind niet meer meetelt als toeslagpartner voor de toeslagen. De hoogte van de toeslagen is afhankelijk van de persoonlijke situatie, zoals inkomen, vermogen en gezinssamenstelling. Het is daarom verstandig om de situatie jaarlijks te controleren en waar nodig aan te passen.
KINDEREN
George Breitner - Gust of wind - Google Art Project
12. EINDE RELATIE RISICO’S
12.1 EEN RELATIE BETEKENT ADMINISTRATIE
Relatiebreuk is in het algemeen een groot life event voor een hypotheekklant. In de module ‘Estate planning’ belichten wij de fiscaal juridische kant van relatiebreuk afhankelijk van de juridische vorm van de relatie.
Het begeleiden van een stel dat uit elkaar gaat, is een vak op zich. Onder andere is diepgaande kennis nodig van juridische, fiscale en financiële zaken. Daarnaast moet een adviseur kunnen omgaan met de emoties die bij een relatiebreuk horen en kunnen bemiddelen als er sprake is van een conflictsituatie. Het is belangrijk als hypothecair planner over mediërende kwaliteiten te beschikken. Daarmee bedoelen wij dat de hypothecair planner oog heeft voor tegengestelde belangen en mogelijk ongelijkwaardige posities met betrekking tot bijvoorbeeld de vermogenspositie. Ook bedoelen wij hiermee dat u als hypothecair planner geen olie op het vuur gooit door ‘handigheidjes’ voor één van de partijen te reserveren en dat u fair blijft naar beide partijen.
Voor de hypothecair planner is het op enig moment wellicht tijd om een echtscheidingsspecialist erbij te betrekken als hij zelf de kennis en kunde onvoldoende in huis heeft.
Een gezamenlijke eigen woning is vaak één van de belangrijkste onderdelen in een boedelscheiding. Wordt de woning verkocht en de opbrengst of schuld verdeeld of blijft één van de partners in de woning wonen? Wat is de maximale hypotheeksom die de overnemende partner kan dragen waarbij rekening gehouden is met de uitkoop van de ander?
In het hypothecair planningsproces is een belangrijk deelonderwerp ‘wat als de relatie strandt?’. Vaak blijkt pas bij het beëindigen van een relatie dat 209
er geen goede afspraken tussen de partners gemaakt zijn. Met alle gevolgen van dien.
De juridische vorm die partners hun relatie hebben gegeven (huwelijk, geregistreerd partnerschap (beide al dan niet met voorwaarden, ongehuwd samenwonen (al dan niet met (notariële) samenlevingsovereenkomst), latrelatie et cetera) speelt ook een grote rol hierbij. Immers, het bepaalt de mogelijkheden om afspraken te maken voor tijdens en nábeëindigen van de relatie.
Een relatie kan zowel beëindigen door relatiebreuk als door overlijden.
Het is daarom belangrijk om in het adviesproces voldoende tijd te besteden aan dit deelonderwerp.
Als kapstok voor dit gespreksonderdeel onderscheiden wij vier grote risico’s bij einde relatie: 1. kinderen 2. vermogensverdeling 3. pensioenverdeling 4. overlijden nárelatiebreuk.
Wij werken deze in de komende paragrafen verder uit. Veel van de onderliggende theorie vindt u in andere modules, zoals ‘Recht’ en ‘Estate Planning’.
12.2 KINDEREN
In het geval partners samen minderjarige kinderen hebben en hun relatie eindigt, dan moeten zij een zorgregeling afspreken. Ouders hebben náde (echt)scheiding allebei het recht om de kinderen te blijven zien. In de wet staat ook dat kinderen het recht hebben om met beide ouders een goede band te onderhouden. Het is van groot belang dat beide ouders het contact tussen de kinderen met de andere ouder bevorderen. Hiervoor is de zorgregeling/omgangsregeling bedoeld.
Tijdens het scheidingsproces bepalen partners samen op welke momenten de kinderen bij welke ouder zijn. Dit noemen we de ‘verzorgende ouder’. Je moet ook met elkaar bespreken wanneer de kinderen contact hebben met de andere (niet-verzorgende) ouder. Deze afspraken leg je vast in de zorgregeling/ omgangsregeling.
Daarnaast schrijft de wet voor dat een kind ook recht heeft op omgang met andere personen met wie hij een nauwe persoonlijke betrekking heeft. Denk 210 bijvoorbeeld aan grootouders, pleegouders, stiefouders en ex-partner(s). Voor
EINDE RELATIE RISICO’S jullie kinderen vallen door de scheiding al veel zekerheden weg, het geeft hun rust en duidelijkheid als er in het traject ook aandacht aan het contact met deze andere personen wordt besteed.
12.3 VERMOGENSVERDELING
12.3.1 Verkoop woning
Als beide partners eigenaar van de woning zijn, delen zij de opbrengst of het verlies naar rato van de eigendomsverhouding. Hetzelfde geldt voor de eigenwoningschuld.
Voorbeeld Scully en Martijn zijn getrouwd onder huwelijkse voorwaarden en gaan op 1 juli 2023 uit elkaar. Zij hebben op dat moment 10 jaar samen een eigen woning met een waarde van € 600.000 en een eigenwoningschuld van € 400.000. De hypothecaire geldlening is volledig aflossingsvrij. Scully is voor 60 procent eigenaar van de woning en Martijn voor de overige 40 procent. De echtscheiding verloopt rustig. Zij willen beiden van de woning af om zonder elkaar opnieuw te beginnen.
Als gevolg van de eigendomsverhouding heeft Scully recht op (€ 600.000 -/- € 400.000) x 60% = € 120.000 van de verkoopwinst en Martijn (€ 600.000 -/- 400.000) x 40% = € 80.000. Scully realiseert een eigenwoningreserve van € 120.000 en Martijn van € 80.000. De eigenwoningschuld waar Scully fiscaal verantwoordelijk voor was, bedraagt 60% x € 400.000 = € 240.000. Voor Martijn is dat 40% x € 400.000 = € 160.000.
Als de woning verkocht wordt met een restschuld, dan delen Scully en Martijn ook naar rato van hun eigendomsverhouding in de restschuld. Als beiden in de woning willen blijven gaat het meestal zo dat degene die het meest bereid is te betalen voor de woning ‘wint’ en de ander uitkoopt.
12.3.2 Uitkopen
Wanneer één van beiden in de woning wil blijven wonen, zal hij/zij de ander moeten uitkopen. Dit kan door de eigenwoningschuld te verhogen of door eigen middelen te gebruiken.
De geldverstrekker beoordeelt of de eigenwoningschuld verantwoord is op het inkomen van degene die uitkoopt. Hierbij wordt uiteraard rekening gehouden met partneralimentatie. De partneralimentatie die verschuldigd is, verlaagt het toetsinkomen. De partneralimentatie die ontvangen wordt, telt 211 onder voorwaarden mee als toetsinkomen.
12.3.3 Ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid
Als één van beide partners wil blijven wonen in de woning, moet hij de ander uitkopen. Dat kan met middelen die al aanwezig zijn en vaker gaat dat door middel van een hypothecaire financiering. De vraag is daarbij of de uitkopende partner op inkomen de financiering kan krijgen, die nodig is voor de uitkoop. Als dat zo is, dan krijgt de vertrekkende ex ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (OHA) van de geldverstrekker. In de praktijk zijn er - vaak schrijnende - gevallen bekend waarin dit niet lukt en exen jarenlang aan elkaar verbonden blijven. De geldverstrekker beoordeelt deze situatie vaak als een nieuwe hypothecaire geldlening: • er wordt opnieuw gekeken naar het inkomen van degene die in de woning blijft wonen en de waarde van die woning. • er wordt ook gekeken of degene die blijft wonen alle lasten alleen kan dragen. Hierbij houdt de geldverstrekker rekening met gewijzigde hypotheeknormen.
Het is van groot belang dat partijen in hun echtscheidingsconvenant duidelijk vastleggen wat de gevolgen zijn in het geval het niet lukt om de hypothecaire geldlening op één naam te krijgen.
Hierna vindt u enkele voorbeelden van uitspraken inzake OHA.
Situatie 1 In een echtscheidingsconvenant van 20 maart 2007 hebben partijen afgesproken de vertrokken ex te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en de woning aan de achterblijvende partij (man) te leveren. Partijen spraken af dat, als dit niet zou lukken, de woning zo snel mogelijk verkocht zou worden. De man is tot op heden in de woning blijven wonen en heeft de bijbehorende lasten betaald.
Vaststaat dat het de man tot op heden, ongeveer 11 jaar later (redactie: 2018), niet is gelukt de woning en bijbehorende financiering op zijn naam te krijgen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
Van de gestelde pogingen die de man daartoe naar eigen zeggen heeft ondernomen zijn geen onderliggende stukken overlegd, ook niet na de in hoger beroep gehouden comparitie. Namens de vrouw is bij journaalbericht van 19 mei 2017 laten weten dat partijen samen bij de bank zijn geweest maar volgens de vrouw is ook daar geen concreet zicht gekomen op overname door de man en ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
Ter zitting is hieraan toegevoegd dat de man niet de benodigde inkomensgegevens 212 mee had genomen. Namens de man is bij journaalbericht van 6 augustus 2017 een
overeenkomst aangekondigd (met de bank). Bij journaalbericht van 29 septem-
EINDE RELATIE RISICO’S ber 2017 is vervolgens namens de man medegedeeld dat de overeenkomst niet kon worden ondertekend omdat de bank een punt maakt van het inkomen van de man. Namens de vrouw is daarop definitief het vertrouwen in een onderlinge oplossing opgezegd.
De vrouw heeft haar stelling dat de man onvoldoende meewerkt ook met andere voorbeelden geïllustreerd, zoals dat de makelaar door ‘afwezigheid’ van de man alleen een geveltaxatie heeft kunnen uitvoeren op 17 oktober 2015. Dat het vertrouwen bij de vrouw in medewerking van de man ter zake de woning is geschaad vindt het hof in het licht van het vorenstaande begrijpelijk.
Gebleken is verder dat de man op de Filipijnen gehuwd is en dat het nog niet gelukt is zijn echtgenote naar Nederland te laten overkomen. Het risico van leegstand van de woning in Nederland is daarom naar het oordeel van het hof ook niet geheel uit te sluiten mede nu de man in het verleden wel plannen heeft gehad zich op de Filipijnen te vestigen.
De vrouw heeft er voorts op gewezen dat het voortbestaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid haar belemmert bij het kopen / financieren van een andere woning.
Eerder heeft de rechtbank beslist dat: ... bepaalt dat deze beschikking in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en de wilsverklaring van [verzoeker] voor het in verkoop geven van de woning bij een door [verweerster] aan te wijzen makelaar; ... bepaalt dat de woning onderhands dient te worden verkocht tegen een koopsom gelegen boven de getaxeerde executiewaarde, blijkend uit een taxatierapport dat niet ouder mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf datum ondertekening van de koopovereenkomst; ... bepaalt dat deze beschikking in de plaats komt van de voor de aanvaarding van een eventueel bod en voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en wilsverklaring en handtekening van [verzoeker] bij een door [verweerster] aan te wijzen notaris; ... bepaalt dat [verzoeker] gehouden is om de woning ten tijde van de levering door [verweerster] aan een derde ontruimd te hebben en te houden;
Het Hof heeft deze uitspraak bevestigd en daaraan toegevoegd: ... machtigt de vrouw om de gemeenschappelijke woning van partijen gelegen aan het adres plaatselijk bekend als de [a-straat 1] te [A] te laten bezichtigen door belangstellenden / taxateurs, makelaars, (bouw)deskundigen onder de verplichting van afgifte der sleutels van de man, welke machtiging de vrouw door de deurwaarder ten uitvoer kan doen leggen, zo nodig met behulp van de sterke arm; Bron: Rechtspraak.nl 213
Situatie 21 A en B zijn op 17 december 1999 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Op 13 december 2006 is de echtscheiding tussen A en B uitgesproken. Op 8 maart 2007 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. A heeft op 15 oktober 1996 de eigendom verkregen van een woning. Hierna zijn A en B samen in deze woning gaan wonen. De woning is verbouwd en de geldlening hiervoor is op beider naam verstrekt. Zowel A als B is hoofdelijk verbonden voor de schuld aan de bankinstelling. A heeft als zekerheid het recht van hypotheek op zijn woning aan de bankinstelling verstrekt.
Op 1 juli 2016 doet B via haar advocaat het verzoek aan A om haar van de hoofdelijkheid te laten ontslaan. Zij wil dat hij de hypotheek overneemt en de bankinstelling verzoekt haar de ontslaan it de hoofdelijke aansprakelijkheid.
Op 22 juni 2017 krijgt A van de bankinstelling te horen dat het ontslag van de hoofdelijkheid van B niet kan. Het verzoek is afgewezen.
B verzoekt nu om: • A te veroordelen de woning te verkopen aan een derde en hieraan volledig zijn medewerking te verlenen en met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening af te lossen. Daarbij wordt B uit de hoofdelijkheid ontslagen. • A te veroordelen tot herfinanciering van de lopende hypothecaire geldlening, zodat B uit de hoofdelijkheid ontslagen kan worden.
De rechtbank oordeelt: A heeft wel degelijk een poging gedaan tot herfinancieren en hij voelt er niets voor om zijn woning te verkopen. B heeft zich bewust verbonden aan de schuld. Als zij ervan af wil, moet zij bij de bankinstelling zijn. Dat B ‘constant druk van de financiering voelt’ en een ‘uitzichtloze situatie’ ervaart en ‘in haar financiële mogelijkheden is beperkt’ is voor de rechtbank onvoldoende om over te gaan tot in redelijkheid en billijkheid oordelen dat A moet verkopen of herfinancieren. B wordt door de rechter in het ongelijk gesteld.
Situatie 32 A en B waren sinds 2002 met elkaar gaan samenwonen in de woning van B. A en B zijn samen een hypothecaire geldlening aangegaan. In 2014 zijn zij gescheiden. A wil OHA van de schuld, waarvoor hij ook niet draagplichtig was. Het lukt B niet om de schuld alleen op haar naam te herfinancieren. Zij wil niet meewerken aan de oplossing van verkoop van haar woning en aflossen van de schuld om zo de man te ontslaan. De rechtbank stelde de vrouw in het gelijk.
1 CL:NL:RBROT:2018:4470. E 214 2 Rechtbank Gelderland 3 augustus 2016, ECL:NL:RBGEL:2016:4938.
Situatie 43
EINDE RELATIE RISICO’S In de onderhavige zaak had de man in 2006 meegetekend voor de schuld van de vrouw. De vrouw was eigenaar van de woning. In 2009 zijn partijen uit elkaar gegaan. In 2016 vraagt de man om OHA. Hij wil dat zij desnoods de woning verkoopt. De vrouw weigert. Haar belang om te kunnen blijven wonen gaat volgens haar boven het belang dat de man verder kan met zijn leven. De rechtbank geeft de man gelijk. De vrouw moet haar woning verkopen.
In voorgaande voorbeelden hebben wij te maken met twee verschillende relaties: 1. klanten en bankinstelling en 2. klanten onderling. In de praktijk gebeurt het vaak dat twee partners samen een schuld aangaan en vervolgens blijkt dat er andere verwachtingen zijn bij relatiebreuk. Als er dan ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid (OHA) gewenst is en klanten hebben onderling hierover niets afgesproken, dan zal ieder van hen zelf bij de geldverstrekker moeten aankloppen met het verzoek van zijn of haar eigen OHA. De geldverstrekker zal vervolgens volgens de geldende regels hierin een beslissing nemen.
Als hypothecair planner is het dan ook van belang om dit vooraf met klanten te bespreken. Leg uit wat het betekent om wel mee te tekenen voor de schuld en geen eigendom van de woning te krijgen. Laat partijen ook hun bedoelingen en verwachtingen hieromtrent goed vastleggen.
12.4 OVERLIJDEN, EEN PRAKTIJKVOORBEELD
Onderstaand voorbeeld komt uit de praktijk van een hypothecair planner. Uiteraard zijn sommige ingrediënten iets aangepast om de privacy van de betrokkenen te waarborgen.
Voorbeeld Johanna (51) en Thijs (51) zijn van elkaar gescheiden na een huwelijk van 20 jaar. Zij hebben samen twee zoons: Jens van 18 en Jelle van 16. Bij de scheiding hebben Johanna en Thijs de boedel verdeeld en het pensioen verevend. Johanna is in de woning blijven wonen en heeft een eigenwoningschuld van € 520.000. De rente bedraagt 4,55 procent en staat vast tot maart 2020. De waarde van de woning is € 825.000 (gelijk aan de WOZ-waarde). Zij heeft een inkomen van € 140.000 bruto per jaar. Johanna heeft € 40.000 spaargeld. Zij neemt deel aan dezelfde pensioenregeling als vóór de echtscheiding. Haar verwachte pensioeninkomen is levenslang € 64.500 bruto per jaar.
3 Rechtbank Overijssel 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4004. 215
Thijs heeft een appartement van € 300.000 (gelijk aan de WOZ-waarde) met een hypothecaire geldlening van € 237.000. Hiervan kwalificeert € 91.000 als eigenwoningschuld en € 146.000 als schuld in box 3. De rente bedraagt 4,1 procent en staat nog vijf jaar vast. Thijs heeft een doorlopend krediet waarvan hij € 10.000 heeft opgenomen. Het brutojaarinkomen van Thijs is € 103.000. Hij neemt deel aan de pensioenregeling van zijn huidige werkgever. Zijn verwachte pensioeninkomen is levenslang € 42.500 bruto per jaar.
Jens heeft zijn school afgemaakt en doet nu even niets. Hij weet niet zo goed wat hij moet doen. Hij heeft een vriendinnetje. De relatie tussen het vriendinnetje en Jens is - zacht uitgedrukt - niet zo goed. Jelle zit nog op school. Dat gaat moeizaam. Hij moet alle zeilen bijzetten om zijn diploma te halen. Hij probeert een tijdelijk baantje te vinden.
Johanna is ongeneeslijk ziek. Zij heeft naar verwachting nog maar een jaar te leven. Eerder had zij de ziekte al overwonnen en nu is hij keihard teruggekomen. Zij, de zoons en hun vader Thijs hebben er al uitgebreid over gesproken en ze weten wat zij het liefste willen. Zij willen dat Thijs ná het overlijden van Johanna in de woning van Johanna gaat wonen om voor de zoons te zorgen totdat zij 25 respectievelijk 23 jaar oud zijn.
Als Johanna nu overlijdt, gaat haar nalatenschap naar haar zoons. Zij worden eigenaar van de woning en verantwoordelijk voor de schuld. Ook gaat het spaargeld naar hen. Zij delen de nalatenschap van in totaal € 345.000 en zijn ongeveer € 45.000 erfbelasting verschuldigd. Jelle ontvangt een wezenpensioen van € 8.300 bruto per jaar totdat hij 18 jaar is of totdat hij 27 jaar is onder voorwaarde dat hij een opleiding volgt. Jens ontvangt geen wezenpensioen of ook hij moet op het moment van overlijden van Johanna een opleiding volgen. De schuld wordt voor Jens en Jelle eigenwoningschuld door erfopvolging. Daardoor mogen zij de hypotheekrente aftrekken. Hiervoor is wel nodig dat zij de schuld ten minste annuïtair in maximaal 360 maanden aflossen. Zij verwerven immers ná 1 januari 2013 en hadden op 31 december geen eigenwoningschuld die onder het overgangsrecht valt. En daar gaat het fout. De geldverstrekker zal de beide jongens niet als hoofdelijk schuldenaar kunnen aanmerken, waardoor de woning en de hypothecaire geldlening niet op naam van Jens en Jelle worden gezet. De geldverstrekker zal - zolang aan de verplichtingen voldaan wordt - vermoedelijk geen actie ondernemen. Echter, op enig moment zal de geldverstrekker gaan onderzoeken wie de ‘erven van’ zijn en vanuit zorgplicht aandringen op verkoop van de woning. Voor Thijs is het geen optie om de lasten op zich te nemen na het overlijden van Johanna. Evenmin kan Thijs de woning kopen van Johanna. Hij heeft een te laag inkomen. De woning nu al verkopen is echt het laatste wat zij willen.
Na het overwegen van verschillende opties hebben Johanna en Thijs besloten
EINDE RELATIE RISICO’S om op 1 februari 2020 opnieuw met elkaar in het huwelijk te treden. Op grond van het BW4 herleven alle gevolgen van hun eerdere huwelijk alsof zij nooit gescheiden zijn geweest. Zij zijn dus weer getrouwd in gemeenschap van goederen. Zij zouden direct na de voltrekking van het huwelijk huwelijkse voorwaarden kunnen opstellen, zij lopen dan het risico van schenkbelasting omdat er met vermogensbestanddelen geschoven wordt. Dat is onwenselijk.
Door hun huwelijk zijn Thijs en Johanna ieder voor de helft tot elkaars vermogen gerechtigd. Dat schiet het doel voorbij omdat Johanna haar nalatenschap voor haar zoons bedoeld heeft. Bij testament is daarom bepaald dat 90 procent van de nalatenschap naar de zoons gaat en 10 procent naar Thijs. Ook is bij testament bepaald dat Thijs de erfdelen van de zoons zal uitbetalen als Jens 25 jaar is en Jelle 23 jaar. Dat houdt in dat Thijs op die momenten over het benodigde geld uit de verkoop van de woning moet beschikken. Vanwege het risico dat het er niet is, is opgenomen dat Thijs hiervan uitstel mag vragen. Dit risico is ook de reden dat Thijs 10 procent erft. Johanna wilde Thijs namelijk eigenlijk onterven. In haar testament heeft Johanna een uitsluitingsclausule opgenomen, twee executeurs en vier bewindvoerders voor Jens en Jelle totdat zij 25 jaar zijn aangewezen. Haar spaargeld van € 40.000 is deels voor haar uitvaart en deels voor activiteiten die zij het komende jaar wil ondernemen met haar zoons.
Een pensioenjurist die als deskundige was geraadpleegd bevestigde dat hertrouwen met elkaar de eerder pensioenverevening als gevolg van de echtscheiding ongedaan maakt. Hetzelfde geldt voor de verdeling van het bijzonder partnerpensioen. De rechten op het partnerpensioen herleven dus volledig door hertrouwen. Hierdoor kan Thijs een partnerpensioen van € 25.000 bruto per jaar tegemoet zien na het overlijden van Johanna. Hiermee kan hij onder andere de lasten van de eigenwoningschuld van € 520.000 voldoen.
Thijs heeft zijn woning te koop gezet. De hypotheekrente mag hij aftrekken tot ultimo het kalenderjaar vermeerderd met drie jaar. Het eigenwoningforfait is onbelast. Als hij de woning verkoopt, realiseert hij een eigenwoningreserve van € 300.000 -/- € 91.000 = € 209.000. Hij kan maar (€ 300.000 -/- € 237.000 =) € 63.000 daadwerkelijk aflossen en daarom verhuist € 146.000 van de schuld op het gezamenlijke pand naar box 3. Dat zorgt ervoor dat de maandlasten van de hypothecaire geldlening op de gezamenlijke woning hoger worden. Thijs overweegt zijn woning te verhuren. Uiteraard heeft hij daarvoor toestemming van de geldverstrekker nodig. Op het moment dat de woning permanent verhuurd wordt, is het geen hoofdverblijf meer en is de rente niet meer aftrek-
4 A rt. 1:166 BW. 217
baar. Thijs realiseert dan direct zijn eigenwoningreserve van € 209.000, de rente is niet meer aftrekbaar, de huur is onbelast. Een andere optie is de woning verhuren met een vergunning op grond van de Leegstandwet. De woning moet dan te koop staan. De huur die Thijs mag vragen wordt bepaald aan de hand van het zogenoemde ‘opgelegde puntensysteem’. De huur is in box 3 onbelast. De rente niet meer aftrekbaar. De woning en de eigenwoningschuld verhuist dan tijdelijk naar box 3. Het eigenwoningforfait is niet meer in box 1 belast. De periode waarover Thijs de woning terug mag verhuizen naar box 1 omdat de verhuur gestopt is, loopt ook tot ultimo het kalenderjaar vermeerderd met drie jaar. Na deze datum verhuist alles naar box 3, realiseert Thijs zijn eigenwoningreserve van € 209.000 en is een deel van de hypothecaire geldlening op het gezamenlijke pand niet meer aftrekbaar.
Het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor Johanna bij de echtscheiding had de zaak financieel iets minder gespannen gemaakt. De zoons hadden dan met de uitkering de eigenwoningschuld kunnen aflossen waardoor de zaak financieel minder nijpend zou zijn geweest. Overigens heeft Thijs van zijn hypothecair planner het advies gekregen om de zoons een overlijdensrisicoverzekering op zijn leven af te laten sluiten en ook een testament op te stellen. Zowel voor het geval hij na Johanna komt te overlijden als wanneer hij eerder dan Johanna overlijdt. Thijs is een gepassioneerd motorrijder...
De hypothecair planner heeft tijdens het planningstraject in bovengenoemde situatie een estate planner, notaris en pensioenjurist als specialisten ingeschakeld.
EINDE RELATIE RISICO’S
Knotwilligen aan de waterkant te Loosdrecht, Willem Roelofs (I), Gaston Bernheim, 1889
13. MEDIËRENDE ROL HYPOTHECAIR PLANNER BIJ RELATIEBREUK
Een hypothecair planner kan een belangrijke mediërende rol spelen bij een relatiebreuk, vooral wanneer het gaat om de financiële aspecten van de scheiding en het beheer van het gezamenlijke huis,
We bespreken enkele onderwerpen waarmee de hypothecair planner kan helpen: 1. Waardebepaling van de woning Bij een relatiebreuk is het essentieel om te weten wat de waarde van de woning is en wat de resterende hypothecaire geldlening is. De hypothecair planner kan helpen door een taxatie te regelen en de financiële impact van de verkoop of het behoud van het huis door één van de partners in kaart te brengen.
2. Bepalen van de verdeling van de woning In veel gevallen wordt de gezamenlijke woning een belangrijk punt van discussie. De hypothecair planner kan helpen bij het bepalen van welke partner de woning kan behouden, door te kijken naar de haalbaarheid van de hypotheeklasten voor de betreffende partner, evenals de belastingimplicaties van de woningverdeling.
3. Herstructureren van de hypothecaire geldlening Wanneer één partner het huis wil behouden, kan het nodig zijn de hypothecaire geldlening over te zetten op naam van die partner. De hypothecair planner kan onderzoeken of dit financieel mogelijk is en welke veranderingen dit met zich meebrengt, zoals rente, looptijd of maandlasten.
4. Informatie over belastinggevolgen Bij een scheiding kunnen er belastingimplicaties zijn met betrekking tot de woning en lijfrentevoorzieningen. De hypothecair planner kan uitleggen wat de gevolgen zijn van een verkoop of overdracht en kan advies geven over hoe belastingverplichtingen het beste kunnen worden geminimaliseerd.
5. Verwijzing naar andere professionals In sommige gevallen is de hulp van een mediator, advocaat of notaris ook noodzakelijk. De hypothecair planner kan de klant doorverwijzen naar deze professionals om te zorgen voor een allesomvattende oplossing en om conflicten te verminderen.
6. Risicoanalyse en herziening van verzekeringen Het is cruciaal dat beide partners zich bewust zijn van het risico dat één van hen kan overlijden tijdens het scheidingsproces. De hypothecair planner kan adviseren om bestaande levensverzekeringen of overlijdensrisicoverzekeringen te herzien of opnieuw in te stellen. Idem geldt voor eventuele schadeverzekeringen, zoals opstal-, inboedel, reis- en aansprakelijkheidsverzekering.
7. Informatie over het erven van de woning en hypotheek Als één partner komt te overlijden tijdens de echtscheiding, moet duidelijk zijn wie er erft en wie verantwoordelijk is voor de hypotheekbetalingen. De hypothecair planner kan samen met een notaris zorgen voor duidelijkheid over de erfgenamen en ervoor zorgen dat de financiële afwikkeling van de woning goed wordt geregeld. Dit kan inhouden dat de woning wordt verkocht om de hypotheekschuld af te lossen, of dat de achterblijvende partner de woning behoudt. Er moet dan ook besproken worden of het de achterblijvende partner mogelijk is om de hypotheek voort te zetten zonder de overleden partner.
8. Juridische stappen in geval van overlijden In geval van overlijden tijdens een scheiding kan het juridische proces extra complex worden. De hypothecair planner kan de klant in contact brengen met een mediator of familierechtadvocaat om ervoor te zorgen dat de erfgenamen, de verdeling van het vermogen en de hypotheekverplichtingen op een eerlijke en juridische wijze worden behandeld.
9. Echtscheidingsclausule in het testament Een echtscheidingsclausule in een testament kan ervoor zorgen dat, in het geval van een scheiding, de ex niet automatisch als erfgenaam 222 wordt beschouwd. Dit is essentieel als de scheiding nog niet is afgerond wanneer één van de partners komt te overlijden.
MEDIËRENDE ROL HYPOTHECAIR PLANNER BIJ RELATIEBREUK 10. Herziening van het testament náde scheiding Een hypothecair planner kan helpen de klant bewust te maken van de noodzaak om het testament aan te passen nádiens scheiding. Dit is belangrijk omdat het testament de verdeling van vermogen regelt, en bij een scheiding kunnen de wensen van de exen aanzienlijk verschillen van de oorspronkelijke testamentaire bepalingen.
11. Testament bij gezamenlijk vermogen en woning Als de woning in gezamenlijk bezit is en een van de partners overlijdt voordat de scheiding is afgerond, kan het testament helpen te bepalen wat er met de woning gebeurt. In een testament kan bijvoorbeeld staan wie de woning mag behouden of hoe het vermogen wordt verdeeld. De hypothecair planner kan helpen de implicaties van een gezamenlijke hypotheek in combinatie met het testament te begrijpen en te adviseren over het nemen van maatregelen, zoals het opstellen van een testament dat de verkoop van de woning regelt bij overlijden, of het benoemen van specifieke erfgenamen.
12. Doorverwijzen naar een notaris of juridisch adviseur Hoewel de hypothecair planner geen juridisch advies kan geven over het opstellen van een testament, kan hij de klant wel doorverwijzen naar een notaris of familierechtadvocaat die het testament kan opstellen of aanpassen. Dit is belangrijk omdat het opstellen van een testament met een echtscheidingsclausule vaak specifieke juridische kennis vereist.
13. Juridische gevolgen van de echtscheidingsclausule De hypothecair planner kan de klant ook helpen begrijpen welke juridische gevolgen het opnemen van een echtscheidingsclausule in het testament heeft voor de erfgenamen en de verdeling van de gezamenlijke bezittingen, zoals de woning. Dit zorgt ervoor dat de klant goed geïnformeerd is over de financiële en juridische gevolgen van het testament en de scheiding.
Het is belangrijk voor de hypothecair planner om neutraal en objectief te blijven in deze situatie en om alleen financieel advies te geven dat in het belang is van zowel de klant als de ex, zodat er een eerlijke oplossing wordt gevonden.
14. TEN SLOTTE
In deze module hebben wij de hypotheekklant geplaatst in de context van een gezin. De passendheid van een hypothecaire planning is immers ook afhankelijk van hoe het aansluit bij de (veranderende) gezinssituatie van de klant. Door dit goed in kaart te brengen, kunt u het hypothecaire plan dat u maakt voor uw klant nog beter later aansluiten op de persoonlijke situatie. Immers, niet alleen de wet- en regelgeving zijn van belang bij een passend hypotheekadvies, ook de persoonlijke situatie en wensen van de klant spelen een zeer belangrijke rol.
In deze module hebben wij praktische uitwerkingen besproken van de theorie uit de syllabi ‘Recht’ en ‘Estate Planning’ waardoor u in de praktijk nóg beter in staat zult zijn om in dit verband zaken te signaleren bij uw klant en het gesprek hierover aan te gaan.
DEEL 11 — VERMOGEN ONTVANGEN EN OVERDRAGEN
EN OVERDRAGEN
INLEIDING
Voor u ligt de module ‘Vermogen ontvangen en overdragen’. Deze module is een onderdeel van de opleiding tot Erkend Hypothecair Planner en is bedoeld om u praktische handvatten te geven in het werken met klanten waar vermogen ontvangen en overdragen een rol speelt. Beide kan gebeuren door een schenking en/of een erfenis.
In de module ‘Recht’ behandelen wij de in deze context geldende wet- en regelgeving. De fiscale wet- en regelgeving vindt u uitgebreid in de module ‘Estate planning’. Ook hier vindt u voorbeelden en uitwerkingen en daarom raden wij u aan om deze modules in combinatie met elkaar te bestuderen.
Wij wensen u veel plezier bij het bestuderen van deze module!
NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender.
Breitner DamrakSK-A-2879-2
15. VERMOGEN ONTVANGEN
Vermogen ontvangen kan met een schenking of een erfenis. Er zijn verschillende partijen waarvan iemand vermogen kan ontvangen. Wij focussen in dit hoofdstuk op het vermogen dat ouders aan hun kinderen overdragen.
Wij belichten zowel de positieve zijde van vermogen ontvangen, als ook de negatieve zijde. Denkt u bij het laatste aan een schenking die een kind van een ouder ontvangt in een vorm waar hij in feite niets mee kan. Dat is bijvoorbeeld het geval als het kind al een fiscaal optimale hypothecaire geldlening heeft en een schenking van de ouders ontvangt die alleen is vrijgesteld van schenkbelasting als het geld besteed wordt aan de eigen woning. Of de situatie waarin het kind meer behoefte heeft aan liquide middelen in plaats van een extra aflossing op de eigenwoningschuld. Dat is een lastige situatie omdat een kind uiteraard blij is met de financiële steun van zijn ouders.
Het is van belang bij een schenking zowel de financiële situatie van de schenker als die van de ontvanger in kaart te brengen voor een zo optimaal mogelijke schenking.
15.1 SUDDEN MONEY
‘Sudden Money’ is een term van Susan Bradley. Bradley is een financial planner in de Verenigde Staten. Zij heeft in 2000 een methode ontwikkeld voor klanten die door onder andere overlijden van hun partner, pensionering, echtscheiding, verkoop van de onderneming, overlijden van de ouders, erfenis of een meevaller een transitie moeten maken met betrekking tot hun financiële situatie. 231
Bradley wijst erop dat een dergelijke transitie niet alleen over de cijfers gaat en dat het voornamelijk over het menselijk aspect gaat. De fysieke, psychische en sociale gevolgen van de verandering. In Nederland kennen wij de voorbeelden van mensen die een grote geldprijs winnen in een loterij. Deze mensen moeten soms letterlijk leren omgaan met de vele euro’s die zij gewonnen hebben.
Ook bij een schenking of een erfenis kan deze verwarring ontstaan. Het is goed om hier bij stil te staan en goed door te vragen op de plannen en voornemens die door de klant geuit worden. Wat is precies de reden dat hij wil aflossen op zijn eigenwoningschuld? Wat is echt het achterliggende doel van de aankoop van deze woning? In het algemeen is het verstandig om het geld de eerste tijd liquide te houden. Van daaruit kan een klant rustig zijn plannen verder in kaart brengen.
15.2 SCHENKING
15.2.1 Schenking woning door ouders
Schenken van de eigen woning door ouders aan kinderen is meestal ongunstig. Wij bespreken dit aan de hand van een voorbeeld.
Voorbeeld Betje (88) en Klaas (85) hebben een eigen woning met een WOZ-waarde van € 350.000. De eigenwoningschuld hebben zij afgelost toen zij met pensioen gingen. Zij genieten al enige jaren van hun pensioen. Zij hebben € 150.000 spaargeld op een spaarrekening staan. Hiervan genieten zij door samen mooie reizen te maken en van het leven te genieten. Zij zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en hebben geen testament opgesteld.
Betje en Klaas willen hun woning aan hun enige ongehuwde zoon Flip (41) schenken, omdat zij vermoeden dat dit een besparing oplevert van erfbelasting.
Flip moet 2% x € 350.000 = € 7.000 overdrachtsbelasting betalen. Flip is vervolgens ook € 53.237 schenkbelasting verschuldigd.
Flip heeft in dit geval eerder overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover hij schenkbelasting moet betalen. Deze overdrachtsbelasting wordt verrekend met de schenkbelasting voor zover er sprake is van samenloop. Hierdoor betaalt hij minder schenkbelasting. De schenkbelasting bedraagt dan € 46.237. Totaal heeft Flip dan aan belasting betaald € 53.237.
Stel nu dat Betje en Klaas besluiten de woning niet te schenken en Klaas
VERMOGEN ONTVANGEN overlijdt na vijf jaar. Inmiddels is het spaargeld geslonken tot € 50.000. Klaas nalatenschap bestaat uit de helft van het gezamenlijk vermogen en bedraagt € 200.000 (€ 350.000 + € 50.000 = € 400.000/2).
Zowel Betje als de zoon erven van Klaas. Zij erven ieder de helft van € 100.000. Betje heeft de hoge partnervrijstelling van € 804.698 en is geen erfbelasting verschuldigd. Flip betaalt € 7.451 erfbelasting.
Flip ontvangt bij het overlijden van zijn vader nog geen geld of een deel van de woning. Hij heeft een vordering op zijn moeder Betje van € 100.000 -/- € 7.451 = € 92.549. De vordering groeit jaarlijks aan met zes procent samengestelde rente als de langstlevende dit samen met de overige erfgenamen hebben afgesproken. Hebben zij niets afgesproken dan is de rente nominaal voor zover de wettelijke interest hoger is dan zes procent. Bij een wettelijke rente van zes procent zou dat nul procent zijn.
Moeder Betje overlijdt na 10 jaar. Zij heeft het spaargeld goed besteed en daar is niets meer van over. De vordering van Flip op moeder is inmiddels ongeveer € 164.000. De woning heeft nog steeds een waarde van € 350.000.
De nalatenschap van Betje bedraagt dan € 350.000 -/- € 164.000 = € 186.000. Flip betaalt hierover € 16.681 erfbelasting.
Flip betaalt € 53.237 -/- (€ 7.451 + € 16.681) = € 29.105 minder aan erfbelasting/ overdrachts-belasting.
15.2.2 Aankoop tegen lagere prijs
Het lijkt aantrekkelijk om een woning van ouders tegen een zacht prijsje te kopen. Echter, de Belastingdienst ziet dit in bepaalde gevallen als schenking waarover schenkbelasting verschuldigd is.
In deze context spelen de volgende waarden van een woning een rol: taxatiewaarde, biedprijs, waarde soortgelijke woningen en de WOZ-waarde. Van deze waarden is de WOZ-waarde het uitgangspunt van de Belastingdienst bij het bepalen of een woning voor een ‘lagere waarde’ is verkocht. In het algemeen zal een verkoopbedrag dat lager is dan de WOZ-waarde door de Belastingdienst als een schenking worden aangemerkt.
Voorbeeld Andrea (45) is al enige tijd op zoek naar een geschikte woning. Zij is pas gescheiden en is nu toe aan een andere eigen woning. Haar ouders wonen in een comfortabel appartement en willen permanent naar hun vakantiewoning in Spanje verhuizen. Zij willen Andrea graag helpen. Andrea heeft dan ook het aanbod gekregen om het appartement te kopen voor € 175.000. De waarde van het appartement bedraagt € 300.000 en de WOZ-waarde is € 275.000.
Andrea wil graag op het aanbod ingaan. Ze heeft van haar hypothecair planner al vernomen dat de benodigde hypotheeksom voor haar haalbaar is.
De Belastingdienst ziet het als volgt. Als Andrea het appartement koopt voor € 175.000 dan ziet de Belastingdienst € 100.000 (€ 275.000 -/- € 175.000) als schenking waarover Andrea schenkbelasting moet betalen. Dat betekent dat Andrea naast de overdrachtsbelasting van € 6.000 in beginsel ook schenkbelasting verschuldigd is van € 9.328. Voor zover er sprake is van samenloop van overdrachtsbelasting en schenkbelasting wordt deze verrekend met de schenkbelasting. In dit geval wordt de schenkbelasting volledig verlaagd met het bedrag van de overdrachtsbelasting.
In het geval Andrea jonger dan 40 jaar was geweest (of een partner had jonger dan 40), zou de verhoogde vrijstelling van € 32.195 (2025) gelden. Er was dan geen schenkbelasting verschuldigd geweest.
Als Andrea een nieuwe partner heeft en de aankoop van het appartement van haar ouders is aan de orde, is de vraag of zij beiden zullen kopen of Andrea alleen. Als beiden kopen, ‘verlaat’ mogelijk een deel van de woning de familie bij relatiebreuk. De vraag is of dat wenselijk is.
15.2.3 Schending legitieme portie
Bij een schenking van ouders aan kinderen zoals wij in deze module eerder bespraken, kan de situatie zich voordoen dat door de schenking aan het ene kind de erfenis van het andere kind zodanig verlaagt dat de legitieme portie van dit kind geschonden wordt.
De legitieme portie van een kind is het gedeelte van de nalatenschap van een ouder waarop het kind altijd recht heeft. De legitieme portie bestaat uit de helft van wat het kind eigenlijk volgens de wettelijke verdeling zou erven. Bij het berekenen ervan wordt rekening gehouden met wat de ouders bij leven ook aan wie hebben geschonken. Het kind besluit zelf of het een beroep wil doen op de legitieme portie.
VERMOGEN ONTVANGEN Bij een overlijden of opmaken van een testament op of ná1 januari 2003 is de legitieme de helft van het kindsdeel.
Wij schetsen de gevolgen van schending van de legitieme portie aan de hand van een voorbeeld.
Voorbeeld Bart heeft tijdens zijn leven € 150.000 aan geld geschonken aan zijn kinderen Steph en Bryan. Zijn dochter Mary is rijk getrouwd en had geen behoefte aan de financiële steun van haar vader. Bart overlijdt op 1 februari 2025 en laat € 90.000 na.
Mary heeft in elk geval recht op haar legitieme portie van 1/2 x 1/3 x (€ 90.000 + € 150.000) = € 40.000. Haar erfdeel bedraagt 1/3 x € 90.000 = € 30.000. Zij komt dus € 10.000 tekort.
Wat zij tekortkomt, moet zij, als Mary een beroep doet op haar legitieme, ontvangen van haar broers. In de praktijk zal zij € 40.000 van € 90.000 ontvangen waarmee het probleem is opgelost. Mary kan ook beslissen haar legitieme niet op te eisen omdat haar broers het geld nu eenmaal beter kunnen gebruiken. Beide broers erven dan € 45.000 ieder.
15.2.4 Inbreng schenking in nalatenschap
Inbreng van een schenking is onder het huidige erfrecht alleen aan de orde als de ouder die de schenking heeft gedaan dit heeft bepaald. Hij kan dit bij de schenking óf in zijn testament vastleggen.
Door de verplichting van inbreng van een schenking wordt deze schenking verrekend met het erfdeel. Zo wordt de schenking een voorschot op het erfdeel van het begunstigde kind, dat ook erfgenaam is.
Als de ouder niet wil dat de schenking wordt ingebracht, moet hij dat bij de schenking melden. Het beste is het om de inbrengverplichting schriftelijk vast te leggen. Achteraf kan het ook nog bij testament. Op deze manier kan de ouder bij testament ook de eerder opgelegde inbrengverplichting ongedaan worden. Andersom is niet mogelijk.
Voorbeeld Tineke heeft twee kinderen, Sanne en Sjoerd, en zij heeft Sjoerd in 2014 geholpen met de aankoop van zijn eigen woning door de tijdelijk verhoogde schenkingsvrijstelling van € 100.000 te benutten en hem het bedrag te schenken. Zij legt de schenking schriftelijk vast en bepaalt hierbij dat Sjoerd het bedrag moet inbrengen in de nalatenschap. Zo wordt bij het overlijden van Tineke het erfdeel van Sjoerd verrekend met de schenking van € 100.000.
Schenkingen van vóór 1 januari 2003 werden standaard in mindering gebracht op het erfdeel tenzij de ouder anders had bepaald. Kinderen die onder oud recht een schenking hebben ontvangen, zijn in dat geval nog steeds verplicht tot inbreng, tenzij de ouder bij testament iets anders heeft bepaald.
15.3 ERFENIS
Het kan voorkomen dat een nalatenschap een negatief saldo heeft.
Voorbeeld Het overlijden van Marijke’s moeder was volkomen onverwacht. Zij had een nauwe band met haar moeder en regelde haar financiën al jaren. Marijke was enig erfgenaam en in de nalatenschap bevond zich de eigen woning van haar moeder en € 10.000 aan spaargeld. De WOZ-waarde van de woning bedroeg € 190.000 en de eigenwoningschuld was € 170.000. De verschuldigde rente hiervoor was 4,5 procent per jaar. De nettomaandlast bedroeg € 370 en deze liep door. Zolang het spaargeld nog niet op was, kon Marijke de maandlasten hieruit voldoen. Echter, dan was nog geen rekening gehouden met de overige lasten, zoals de gemeentelijke belastingen, de verzekeringspremies, onderhoud enzovoort. Het leek er sterk op dat Marijke bij aanvaarding van de nalatenschap met een negatieve opbrengst achter zou blijven.
Marijke uit het voorbeeld had tot drie maanden náhet overlijden de tijd om een keuze te maken tussen zuiver aanvaarden, verwerpen en beneficiair aanvaarden. Tijdens deze bedenktijd kon zij niet beginnen met opruimen van de woning of rekeningen van haar moeder betalen, omdat deze actie een zuivere aanvaarding zou kunnen inhouden met alle gevolgen van dien. Alleen als iemand zeker is van een nalatenschap kan hij deze zuiver aanvaarden. Als hij twijfelt, is het altijd aan te raden om beneficiair te aanvaarden. De erfgenaam aanvaardt dan onder voorrecht van boedelbeschrijving en is niet in privéaansprakelijk voor de schulden van de overledene.
VERMOGEN ONTVANGEN Met ingang van 1 september 2016 is de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden ingevoerd. De nieuwe wet heeft als doel erfgenamen een betere bescherming te bieden tegen schulden van de erflater. Dit betekent in de praktijk een beperking van zuivere aanvaarding bij gedragingen van erfgenamen. Het meenemen van spullen met emotionele waarde, zoals een fotoboek, zorgt er dus niet voor dat de erfgenaam zuiver aanvaardt. Bij spullen die wel een economische waarde kunnen hebben - hoe gering ook - is nog steeds voorzichtigheid geboden. Daarnaast kan een erfgenaam die de nalatenschap zuiver aanvaard heeft en geconfronteerd wordt met een onverwachte schuld, alsnog beneficiair aanvaarden. Voorwaarde is dat hij van deze schuld niet op de hoogte was of kon zijn. De erfgenaam moet het verzoek tot beneficiaire aanvaarding, binnen drie maanden náhet ontdekken van de schuld, indienen bij de kantonrechter.
Bij het optimaal regelen van een nalatenschap spelen veel zaken een rol. Bij voorkeur regelt de klant dit in zijn testament.
15.3.1 Erven van partner
Over het algemeen hebben gehuwden of geregistreerd partners elkaar niet onterfd en zijn zij op grond van de wettelijke verdeling of op grond van een testament elkaars erfgenaam.
De nalatenschap kan bestaan uit (een deel van) de eigen woning en vermogen. Ook kan voorzien zijn in een nabestaandenpensioen of -lijfrente die imputeren op de vrijstelling voor de erfbelasting van de langstlevende. De langstlevende is dan erfbelasting verschuldigd over het bedrag boven de vrijstelling. Dit tarief loopt op van 10 naar 20 procent.
Vooral in de situatie dat huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden zijn opgesteld loopt de langstlevende het risico van erfbelasting. Een finaal verrekenbeding bij overlijden kan dan uitkomst bieden. Met het finaal verrekenbeding spreken partners immers met elkaar af dat de verrekening van het vermogen bij overlijden zal plaatsvinden alsof zij in gemeenschap van goederen waren getrouwd. Hierdoor vererft ‘maar’ de helft van de waarde van het vermogen en is minder erfbelasting verschuldigd.
Voorbeeld Nancy (39) en Gerard (41) hebben een geregistreerd partnerschap met partnerschapsvoorwaarden als Gerard onverwacht door een ongeluk overlijdt. De bezittingen en schulden van Nancy en Gerard zijn op het moment van overlijden als volgt opgebouwd:
Gerard is eigenaar van de woning van € 900.000 (= WOZ-waarde) en de schuld die erop rust van € 450.000. Daarnaast bezit Gerard uit een erfenis van zijn oudtante een effectenportefeuille van € 750.000. Samen met Nancy heeft hij een spaarrekening met een bedrag van € 200.000.
Vanuit Gerards pensioenregeling ontvangt Nancy levenslang een nabestaandenpensioen van € 50.000 bruto per jaar.
De nalatenschap van Gerard bedraagt: (€ 900.000 -/- € 450.000 =) € 450.000 + € 750.000 + (€ 200.000/2 =) € 100.000 = € 1.200.000. De vrijstelling voor de erfbelasting voor Nancy is € 804.698 (2025). Hierop brengen wij eerst het gekapitaliseerde nabestaandenpensioen in mindering: (14 x € 50.000) x 70%)/2 = € 245.000. Dan blijft een vrijstelling over van € 804.698 -/- € 245.000 = € 559.698.
Nancy is erfbelasting verschuldigd over € 1.200.000 -/- € 559.698 = € 649.844. Hierover betaalt zij € 15.419 +/+ € 99.129 = € 114.548 erfbelasting.
Als Nancy en Gerard in hun partnerschapsvoorwaarden een finaal verrekenbeding bij overlijden hadden opgenomen is de berekening als volgt: Het gemeenschappelijke vermogen bedraagt bij het overlijden van Gerard (€ 900.000 -/- € 450.000) + € 750.000 + € 200.000 = € 1.400.000. De nalatenschap van Gerard is hier de helft van (€ 700.000).
De pensioenimputatie blijft gelijk. Haar resterende vrijstelling is dus € 559.698. Zij moet over € 140.302 erfbelasting betalen. Dat is € 14.030. Door het finaal verrekenbeding besparen zij € 114.548 -/- € 14.030 = € 100.518 erfbelasting.
Let er wel op dat de besparing volledig de mist in gaat op het moment dat Nancy als eerste zou overlijden.
Een andere manier om erfbelasting te besparen is het partnerdeel van de eigen woning direct aan de kinderen te laten vererven. De rechten van de langstlevende partner blijven hierbij intact. Het kind heeft weliswaar een lagere vrijstelling en betaalt 20 procent erfbelasting over het meerdere, bij het overlijden van de langstlevende ouder betaalt het kind alleen erfbelasting over het deel van de langstlevende ouder.
VERMOGEN ONTVANGEN
15.3.2 Overlijdensrisicoverzekering
Een overlijdensrisicoverzekering biedt een goede oplossing om het onverwachte bedrag aan erfbelasting te kunnen betalen. Met de uitkering kan de langstlevende partner de erfbelasting (deels) betalen. Indirect is hiermee een financiële buffer gecreëerd. Als de verzekering kruislings gesloten kan worden omdat er gescheiden privévermogens zijn, verdient dit aanbeveling.
15.3.3 Ervan van ouders
In de situatie dat een woning geërfd wordt, is dat meestal door kinderen van ouders. Zij komen dan voor de keuze te staan of zij de woning zullen verkopen en de opbrengst samen delen of dat één van de kinderen de woning overneemt en de andere erfgenamen uitkoopt.
Zeker als de kinderen zelf al een eigen woning met een eigenwoningschuld hebben, kan de nalatenschap in de vorm van een woning en nog een schuld voor problemen zorgen. Beneficiair aanvaarden van de nalatenschap is dan wellicht aan te bevelen. Ten eerste moet onderzocht worden of op de woning nog een schuld rust, voor hoeveel, bij welke geldverstrekker en wat de geldverstrekker met de schuld wil. Ten tweede is het van belang om in kaart te brengen of er nog een uitkering uit een overlijdensrisicoverzekering te verwachten is waarmee (een deel van) de schuld kan worden afgelost.
Het is van belang dat kinderen met hun ouders over hun financiële situatie praten om vervelende situaties na overlijden te voorkomen.
15.3.3.1 Verkoop geërfde woning
In dit scenario moeten de kinderen er rekening mee houden dat de kosten van de woning en de schuld op hun bordje zijn komen te liggen door aanvaarding van de nalatenschap. De vraag is uiteraard of dit voor hen wel betaalbaar is. En als dit zo is, voor hoe lang. De woning staat mogelijk langere tijd te koop en wordt misschien zelfs met verlies verkocht. Bovendien zijn de kinderen erfbelasting verschuldigd.
Er geldt een uitstelregeling voor de erfbelasting die door de kinderen betaald moet worden. Onder voorwaarden wordt uitstel van betaling van erfbelasting verleend en wordt rente in rekening gebracht. Afhankelijk van de hoogte van de erfbelasting kan ook extra zekerheid tot betaling van de erfbelasting worden verlangd in de vorm van het verstrekken van hypothecaire zekerheid.
De voorwaarden voor uitstel van betaling zijn: • resterende deel van de nalatenschap is onvoldoende om de erfbelasting te betalen. • langstlevende die in de woning blijft wonen, heeft zelf onvoldoende eigen middelen om de erfbelasting te betalen.
Het uitstel wordt ingetrokken bij faillissement en schuldsanering. Het uitstel komt te vervallen bij verkoop van de woning of als de woning geen eigen woning meer is.
15.3.3.2 Uitkoop erfgenamen door kind
Soms wil één van de kinderen in de voormalige ouderlijke woning gaan wonen. De volgende stappen moeten dan worden gezet: • waarde van de woning moet worden vastgesteld. • kind dat overneemt moet de anderen hun erfdeel uit eigen middelen of door een hypothecaire geldlening af te sluiten uitbetalen. • erfbelasting moet worden betaald over het kindsdeel.
Onder voorwaarde dat een reële prijs voor de woning is betaald en alle erfgenamen meewerken, is er geen overdrachtsbelasting verschuldigd.
15.4 FAMILIEHYPOTHEEK
Anno 2024 zijn er aardig wat familiehypotheken/-leningen in omloop. Als hypothecair planner kunt u dus met deze constructie geconfronteerd worden.
Wij bespreken wat een familiehypotheek inhoudt. Wij noemen voor zowel geldlever als geldnemer de voor- en nadelen. Wij staan uiteraard stil bij de fiscaliteit van een dergelijke constructie.
Het afsluiten van een geldlening binnen de familie (ouders of anderen) heeft voordelen. Wel is het van groot belang om duidelijke afspraken te maken. Niet alleen vanwege de fiscaliteit rond de geldlening, ook tussen de familieleden onderling bij bijvoorbeeld overlijden of relatiebreuk.
De familielening kan zowel onderhands (blanco krediet) als via een notariële akte (recht van hypotheek). Een familiehypotheek is hetzelfde als een gewone hypotheek, alleen wordt (een deel van) het geld geleend bij een familielid in plaats van bij een financiële instelling. Het onderpand van de geldlening is de woning.
VERMOGEN ONTVANGEN 15.4.3.1 Voor- en nadelen familiehypotheek
• Geldnemer en geldgever bepalen onderling de voorwaarden van de geldlening zoals het te lenen bedrag, de rente, de looptijd, de manier van aflossen et cetera. Deze voorwaarden leggen zij al dan niet vast bij de notaris. Voordeel is dat de geldgever en geldnemer uit één familie komen en op een andere manier afspraken kunnen maken over de geldlening. • Spaargeld op een spaarrekening heeft een opvallend lage spaarrente. Voor een familielid kan het daarom erg aantrekkelijk zijn geld uit te lenen tegen een hoger rendement. Zonder er iets voor te hoeven doen, ontvangt hij op deze manier iedere maand meer rente. • Voor de geldlener heeft een familiehypotheek als voordeel dat er een hogere hypotheek afgesloten kan worden waardoor een duurdere woning haalbaar is. En de maandlasten zijn ook nog eens lager als er een scherp rentepercentage voor de familiehypotheek afgesproken wordt. • Daarnaast biedt een familiehypotheek fiscale voordelen. Een familiehypotheek wordt namelijk niet als een schenking gezien, omdat er een bepaald rentepercentage afgesproken wordt. Wanneer er bij het aankopen van een woning maar een bepaald bedrag belastingvrij geschonken mag worden, kan een familiehypotheek een aantrekkelijk alternatief zijn als een ouder een kind wil helpen met het kopen van een woning. • Bovendien is de rente van de familiehypotheek onder bepaalde voorwaarden fiscaal aftrekbaar voor de lener. Dat geldt als de afgesproken rente marktconform is, vergelijkbaar met een persoonlijke lening, als de lening in 30 jaar minimaal annuït air afgelost wordt en als alle afspraken rondom de familiehypotheek schriftelijk vastgelegd zijn. Een nadeel van een familiehypotheek is dat er weinig ondersteuning is bij het afsluiten en het beheren van de geldlening.
15.4.3.2 Familiehypotheek en Belastingdienst
Omdat bij de familiehypotheek een rente wordt afgesproken, wordt dit door de Belastingdienst niet als een schenking gezien. Dit kan fiscaal voordelig zijn wanneer maar een beperkt bedrag belastingvrij geschonken mag worden.
De rente bij een familiehypotheek is voor de geldlener, onder voorwaarden, fiscaal aftrekbaar. Voor de Belastingdienst moet de lening aan de volgende eisen voldoen: • afgesproken rentepercentage moet marktconform zijn. • geldlening moet in maximaal 360 maanden ten minste annuït air worden afgelost. • voorwaarden van de geldlening zijn schriftelijk vastgelegd.
Bij de familiehypotheek is het fiscaal voordelig om een zo hoog mogelijke rente af te spreken. Echter, hieraan zit vanuit fiscaal oogpunt een maximum aan. De afgesproken rente moet marktconform zijn. Een tweetal uitspraken van de rechtbank geven hierover meer duidelijk. De eerste uitspraak gaat over een geldlening zonder onderpand (overeenkomstig met een persoonlijke lening). De marktconforme rente bij deze familiehypotheek was acht procent.
In de tweede uitspraak gaat het om een annuïtaire geldlening met de woning als onderpand. De rechter vond bij deze leen-schenk-constructie een rente van vierenhalf procent rente marktconform. Dit is recent in een hoger beroep nog eens bevestigd.
Het is aan te raden voor een rentepercentage een fiscalist te raadplegen. Deze volgt vanuit zijn beroep de uitspraken en wet- en regelgeving. Hiermee voorkomt u dat uw klant een ‘verkeerd’ rente afspreekt.
Voorbeeld Isaac koopt in 2025 een eigen woning van € 200.000 en sluit hiervoor een hypothecaire geldlening af van € 150.000. De overige € 50.000 leent hij onderhands bij zijn moeder. De familiehypotheek komt als volgt tot stand.
Voor de geldlening van zijn moeder spreken zij drie procent rente af. Moeder ontvangt dus € 1.500 rente per jaar. Isaac betaalt de rente daadwerkelijk. Deze rente is voor Isaac volledig aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. We nemen aan dat Isaac € 500 terug ontvangt bij zijn belastingaangifte. Moeder schenkt daarná € 550 van de rente terug aan Isaac.
Met de leen-schenk-constructie van deze familiehypotheek worden de volgende voordelen behaald: De schenking van moeder wordt niet meegenomen in de maximale hypotheekberekening (LTI) van Isaac. In plaats van een nettorentelast van € 788, is Isaac € 338 goedkoper uit. Op de spaarrekening van moeder had de € 50.000 haar wellicht één procent rente is € 500 opgeleverd. Met de familiehypotheek is het rendement € 950 (€ 1.500 -/- € 550).
Daarnaast is er een aantal geldverstrekkers die een familiehypotheek ‘financieringslast neutraal’ behandelen. Wanneer de rente en aflossing van de onderhandse geldlening wordt terug geschonken, kan meer geleend worden dan de hypotheeknormen strikt voorschrijven.
Let op: dit is meteen een valkkuil van de familiehypotheek: de normen zijn er niet voor niets en overkreditering ligt op de loer.
VERMOGEN ONTVANGEN 15.4.3.3 Schenkingsvrijstelling
Vaak wordt de familiehypotheek gecombineerd met een schenking, die valt onder de schenkingsvrijstelling. In 2026 is de hoge schenking ten behoeve van de eigen woning maximaal € 33.129.
De hypotheekverstrekking aan een kind kan men ook combineren met een schenking in de vorm van een schuldigerkenning. Met een notariële akte schenkt de ouder het kind een bepaald bedrag. Het kind krijgt dit bedrag niet in handen, maar de ouder blijft dit schuldig. Over de schenking is wel schenkbelasting verschuldigd, voor zover dit boven de vrijstelling van € 6.713 is. Vervolgens betaalt de ouder jaarlijks aan het kind zes procent rente over de papieren schenking. Bij het kind valt de vordering als gevolg van de schuldigerkenning in box 3 van de inkomstenbelasting.
15.4.3.4 Overlijden geldnemer of geldgever
Stel, klanten (een echtpaar, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen) hebben een zoon en een dochter. Aan hun dochter (gehuwd) hebben zij een geldlening van € 150.000 verstrekt voor de aankoop van haar eerste woning. De geldlening is schriftelijk vastgelegd en gemeld bij de Belastingdienst. Elk jaar schenken de ouders het vrijgestelde bedrag waarmee de dochter (gedeeltelijk) haar rente- en aflosverplichtingen betaalt. Er zijn geen testamenten.
Wat zijn nu de gevolgen voor de geldlening als de ouders overlijden of als de dochter zelf overlijdt?
Geldnemers (ouders) overlijden Door de geldlening hebben de ouders een vordering op hun dochter en heeft de dochter een schuld aan haar ouders. Als vader eerste overlijdt dan wijzigt hier niets aan. In de nalatenschap van vader bevindt zich de helft van de vordering en dochter heeft voor de helft een schuld aan de nalatenschap; de andere helft van de schuld bevindt zich bij moeder. Door het overlijden van vader als schuldeiser wordt de geldlening niet opeens opeisbaar (tenzij dit uitdrukkelijk bij de leenovereenkomst is bepaald). Nu vader gehuwd was ten tijde van zijn overlijden is de wettelijke verdeling van toepassing: alle goederen worden aan moeder toegedeeld. De vordering op de dochter is dus op grond van de wettelijke verdeling geheel bij moeder terechtgekomen. In de praktijk merken dochter en moeder waarschijnlijk geen verandering van hun positie. Dochter blijft, net als voorheen, op haar schuld aflossen en de rente betalen aan haar moeder.
Als moeder vervolgens ook overlijdt dan vererft de vordering van moeder naar haar erfgenamen: de zoon en dochter. Een erfgenaam treedt in de rechten en plichten van de erflater en ook nu wordt de geldlening dus niet van rechtswege opeisbaar. Wat wél verandert, zijn de verhoudingen en de belangen tussen de schuldenaar en de schuldeiser. De dochter wordt in zekere zin in een afhankelijkheidspositie gebracht van haar broer. De vraag is of de dochter dit heeft voorzien en of dit zo is bedoeld.
Dochter kan besluiten (mits zij de middelen hiervoor heeft) om de schuld in zijn geheel af te lossen (eventueel met verrekening van haar erfdeel). Indien dit niet tot de mogelijkheden behoort of de dochter dit onwenselijk vindt (zij verliest hiermee immers de eigenwoningrenteaftrek), dan moet de dochter de helft van haar maandelijkse rente- en aflossingsverplichting aan haar broer voldoen. Voor de dochter voelt dit waarschijnlijk heel anders dan een betaling aan haar ouders. Ook ontbreekt de jaarlijkse schenking van haar ouders, waarmee zij de maandelijkse voldeed. Bovendien is het goed denkbaar dat de zoon helemaal niet zit te wachten op de maandelijkse geldstroom van zijn zus, maar had hij liever een som geld ineens gezien. Al met al zorgen dit soort constructies ervoor dat familieverhoudingen op scherp gezet kunnen worden.
In het geval de hoogte en de samenstelling van de nalatenschap zich hiervoor leent, kunnen broer en zus ook in onderling overleg bepalen dat de vordering aan de zus wordt toegedeeld en de broer de aanwezige liquiditeiten krijgt toegedeeld. Op deze manier verdwijnt de schuld van de dochter (de schuld en vordering zijn dan namelijk in één hand). Een dergelijke constructie is wel afhankelijk van de goede onderlinge verhoudingen. Ouders die daarop niet (willen) vertrouwen kunnen zelf de regie in handen houden door op tijd nadere afspraken met het kind te maken in de leenovereenkomst.
De ouders hadden ook in een testament kunnen bepalen dat de vordering die zij hebben op hun dochter aan haar wordt gelegateerd. Ook op deze manier verdwijnt de schuld van de dochter. De dochter en de zoon worden hierdoor niet in een blijvende afhankelijkheidsrelatie gedwongen. Nadeel is dan dat de eigenwoninglening van de dochter verdwijnt en daarmee de renteaftrek. Gezien de beperkingen rondom de aftrekbaarheid van eigenwoningrente, lijkt dit nadeel te overzien.
Geldnemer (dochter) overlijdt Het is daarnaast verstandig van te voren goed te bedenken wat er met de schuld moet gebeuren als het kind komt te overlijden. Door het overlijden van de dochter vererft de schuld naar haar erfgena(a)m(en), bijvoorbeeld haar partner. De ouders krijgen nu te maken met de partner van hun over244 leden dochter als schuldenaar. Het is de vraag of dit wenselijk is. Bovendien:
VERMOGEN ONTVANGEN is de partner wel in staat om de maandelijkse rente- en aflossingsschuld te betalen?
Het ondertekenen van een geldleningsovereenkomst is in de praktijk zo gedaan. Bedenk echter dat de verhoudingen als gevolg van een overlijden heel anders kunnen komen te liggen. Houd hier rekening mee bij het opstellen van de geldleningsovereenkomst en maak goede afspraken over wat er met de geldlening moet gebeuren bij overlijden van de geldgever of geldnemer. Zie hiervoor ter inspiratie bijlage 1.
Een andere mogelijkheid is om als ouder in het testament de vordering aan het kind te legateren zodat de schuld in feite verdwijnt.
15.4.3.5 Gevolgen echtscheiding
Hoofdelijk ontslag van één van de geldnemers hoeft niet het einde te betekenen van de hypothecaire geldlening, een oplossing kan bijvoorbeeld het uitkopen van één van de geldnemers zijn. In de praktijk betekent hoofdelijk ontslag vaak wel het einde van de familiehypotheek in het geval de geldgever familie is van de partner die ontslagen wordt van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de geldlening. In dat geval kan het verzoek tot beëindigen komen van de geldnemer die ontslagen wordt, of van de geldgever.
Bij een echtscheiding komt een financiële afwikkeling kijken. Vaak betekent een echtscheiding dat noodgedwongen de woning verkocht moet worden. Meestal is de aankoop van de woning op twee inkomens gefinancierd. Een familiehypotheek kan op meerdere manieren uitkomst bieden.
De overwaarde kan bij (echt)scheiding van partners bij de financiële instelling worden gefinancierd. Een optie, die soms onmogelijk is. Als de vertrekkende partner de overwaarde in een familiehypotheek uitleent aan de blijvende partner kan vaker het huis behouden blijven. De vertrekkende partner krijgt zijn/haar geld met rente waarmee dit een aantrekkelijke optie is voor alle partijen.
In veel gevallen is de overwaarde op de woning de spelbreker. Eén van de partners zou in theorie de geldlening alleen kunnen dragen, maar omdat de andere partner recht heeft op de helft van de overwaarde, wordt de financiering te hoog voor de partner die in het huis wil blijven wonen. In een dergelijk geval is het ook mogelijk dat de vertrekkende partner de overwaarde in de vorm van een familiehypotheek uitleent aan de blijvende partner. De financiële instelling moet hier wel mee instemmen.
Voorbeeld Luc en Caroline gaan scheiden. Hun woning kochten zij voor € 300.000. Inmiddels is de woning € 400.000 waard. Luc wil graag in de woning blijven wonen. Luc en Caroline laten een onderlinge hypothecaire geldlening opmaken. Hierin leent Caroline € 50.000 aan Luc. Luc vergoedt een ‘eerlijke’ rente aan Caroline en lost de geldlening in 30 jaar af. Zo krijgt Caroline haar geld alsnog, maar dan in de vorm van een maandelijkse rente- en aflossing. Het resultaat is dat Luc in de woning kan blijven wonen, en dat hun gezamenlijke financiën direct zijn afgewikkeld.
Wij zagen dat het verstrekken door ouders van een hypothecaire geldlening aan een kind financieel voordelig kan zijn. Maar wat is het gevolg in de situatie dat het kind gaat scheiden en de hypothecaire geldlening met de hoge rente aan het kind en aan zijn/haar partner gezamenlijk is verstrekt? Hof Den Bosch heeft op 3 november 2020 in een dergelijke zaak uitspraak gedaan.
Ouders hebben in 2011 € 110.000 aan hun zoon en schoondochter geleend voor de financiering van de eigen woning. Zij zijn een rente overeengekomen van acht procent per jaar. De helft van de rente wordt door de ouders maandelijks terug geschonken. De hoge rente is uitsluitend gekozen om een zo hoog mogelijke fiscale aftrek te realiseren.
De zoon en schoondochter zijn in 2008 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In 2016 gaan zij scheiden. Rechtbank Oost-Brabant heeft vastgesteld dat vaststaat dat zij overeen zijn gekomen, dat de zoon de woning sinds begin januari 2016 alleen bewoont en dat hij alle aan de woning verbonden hypotheek-/rentelasten volledig voor zijn rekening neemt voor de periode tot aan het moment dat de woning aan hem zal worden toebedeeld dan wel de woning zal worden verkocht. In 2020 wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde.
In de procedure voor Hof Den Bosch vorderen de ouders bij de ex-schoondochter de rente over de helft van de geldlening. De ouders stellen dat de zoon en de ex-schoondochter op grond van de overeenkomst van geldlening voor een gelijk deel aansprakelijk zijn voor de verschuldigde rente. Zij stellen over de maandelijkse schenking dat zij deze, met uitsluiting van de ex-schoondochter, hebben gedaan aan hun zoon. Zij verwijzen daarbij naar een schenkingsovereenkomst van 15 maart 2011 met hun zoon.
VERMOGEN ONTVANGEN Overwegingen en oordeel Hof Den Bosch
Hof Den Bosch volgt de ex-schoondochter niet in haar stelling dat de leningsovereenkomst zo moet worden uitgelegd, dat zij door de ouders niet kan worden aangesproken voor betaling van de overeengekomen 8% rente zonder dat zij daarbij het voordeel geniet van de fiscale aftrek en de schenking. De tekst van de geldleningsovereenkomst biedt volgens het hof geen aanknopingspunt voor deze uitleg. De ex-schoondochter heeft niet gesteld dat voorafgaand aan of bij het aangaan van de overeenkomst afspraken van die strekking zijn gemaakt met de ouders.
Uit het feit dat een bedrag ter hoogte van de helft van die rente telkens werd geschonken - ook als er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat dit niet alleen een schenking aan de zoon maar ook aan de ex-schoondochter betrof - en uit de mogelijkheid om de rente af te trekken voor de inkomstenbelasting heeft de ex-schoondochter redelijkerwijs niet mogen begrijpen dat zij als partij bij de geldleningsovereenkomst niet zou kunnen worden aangesproken tot betaling van de volledige rente.
Uit de hoogte van de overeengekomen rente van acht procent heeft zij dat evenmin mogen begrijpen. Dit percentage is hoger dan de rentetarieven die de banken destijds hanteerden voor leningen met een eerste recht van hypotheek, maar voor de lening van de ouders werden geen hypotheek of andere zekerheden gevestigd of verstrekt, terwijl er wel een hypotheek van een bank rustte op de woning. Het overeengekomen rentepercentage is daarom volgens het hof niet vergelijkbaar met de destijds gangbare rente voor een bancaire geldlening met een eerste recht van hypotheek.
Verder overweegt het hof dat uit de maandelijkse rentebetalingen door de zoon en ex-schoondochter volgt dat partijen de afspraken ook zo hadden begrepen dat de rentetermijnen volledig betaald moesten worden, zonder dat bijvoorbeeld de schenkingen daarop eerst in mindering zouden worden gebracht. De volledige rentetermijnen, zoals in de geldleningsovereenkomst overeengekomen, zijn immers steeds maandelijks betaald.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de ouders jegens de ex-schoondochter aanspraak maken op betaling van de rentetermijnen. Zij maken jegens de ex-schoondochter bovendien geen aanspraak op betaling van de volledige rentetermijnen maar op de helft.
Het feit dat de zoon gehouden is om deze rentetermijnen vanaf 1 januari 2016 te dragen, en dat de ouders dit weten, maakt de aanspraak van de ouders jegens de ex-schoondochter evenmin onaanvaardbaar. Integendeel, het betekent dat de gevolgen van deze aanspraak voor de ex-schoondochter in beginsel beperkt zijn, aangezien zij voor nagenoeg alle onbetaalde termijnen een aanspraak heeft op de zoon.
Ook het eventuele bestaan van een aanspraak van de ex-schoondochter jegens de ouders uit hoofde van schenking maakt de rentevordering niet onaanvaardbaar. De ex-schoondochter kan die aanspraak, indien die bestaat, immers ook geldend maken jegens de ouders, waarbij het hof constateert dat de ex-schoondochter in deze procedure geen beroep op verrekening heeft gedaan.
Het hof verwerpt ten slotte het verweer van de ex-schoondochter dat zij op grond van artikel 102 Boek 1 BW slechts aansprakelijk is voor het bedrag dat zij uit verdeling van de gemeenschap zal ontvangen. De lening van € 110.000 betreft een gemeenschapsschuld waarvoor de ex-schoondochter al voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap aansprakelijk was, zodat zij daarvoor op grond van artikel 102 eerste zin Boek 1 BW aansprakelijk blijft. Artikel 102 tweede zin Boek 1 BW is op deze schuld niet van toepassing.
Het hof oordeelt dat de ex-schoondochter door de ouders kan worden aangesproken voor de helft van de reeds vervallen maandelijkse rentetermijnen.
Ook een (echt)scheiding van de geldgever kan voor ‘gedoe’ zorgen rond de familiehypotheek. Het is goed denkbaar dat als gevolg van de echtscheiding het uitgeleende bedrag hard nodig is voor de geldgever(s) om zelf van te kunnen leven en rente en aflossing onvoldoende zijn.
Voor de geldgever(s) is het dan te hopen dat in de geldleningsovereenkomst goed is opgenomen wat eventuele opeisbaarheidsredenen zijn en dat (echt) scheiding of het geld zelf door onvoorziene omstandigheden nodig hebben er één van is. Partijen moeten dan ook bij het aangaan van een geldleningsovereenkomst rekening met toekomstige omstandigheden. De vastgelegde afspraken zijn leidend en kunnen immers niet op een later moment (eenzijdig) worden aangepast. Voor de geldnemer(s) is dit dus ook een onzekerheid. Want, wat als zij het geld niet kunnen terugbetalen op het moment dat de geldlening opgeëist wordt?
Kortom, het aangaan van een familiehypotheek is een zaak van hypothecaire planning van de geldnemer én de geldgever!
15.5 ZEVEN STAPPEN VAN ERFBELASTING BEREKENEN
VERMOGEN ONTVANGEN In het live-event ‘Overlijden’ doorloopt elke geldnemer een simulatie waarin die op papier komt te overlijden. Dit helpt om te beoordelen of de hypotheeklasten voor de langstlevende partner betaalbaar blijven. Hierbij is het cruciaal om niet alleen naar de hypotheeklasten zelf te kijken, maar ook naar bijkomende kosten, zoals erfbelasting en uitvaartkosten.
Daarom leert u in deze module hoe u de erfbelasting berekent aan de hand van een duidelijk zevenstappenplan. Elke stap is gebaseerd op de theoretische kennis die u in eerdere modules heeft opgedaan. Zo krijgt u niet alleen inzicht in het proces, maar kunt u deze kennis straks ook in de praktijk toepassen.
De termen ‘erfenis’ en ‘nalatenschap’ worden vaak door elkaar gebruikt, maar er is een subtiel verschil in betekenis, vooral in juridische context.
De term ‘erfenis’ verwijst naar het totaal aan bezittingen (zoals geld, huizen, bezittingen) en rechten die een overledene achterlaat voor de erfgenamen. Het gaat om de activa van de nalatenschap: alles wat er te verkrijgen valt voor de erfgenamen náhet overlijden.
‘Nalatenschap’ is een bredere juridische term die verwijst naar alles wat een overledene achterlaat voor de erfgenamen, dus zowel de bezittingen als de schulden. Het omvat zowel de activa (de erfenis) als de passiva (de schulden die de overledene had). Als we spreken van ‘nalatenschap’, gaat het dus om het totaal van de boedel, inclusief schulden en verplichtingen die met de erfenis verbonden kunnen zijn. Als iemand overlijdt en niet alleen bezittingen heeft, maar ook nog een hypotheek of andere schulden, dan wordt de nalatenschap (dus zowel de bezittingen als de schulden) verdeeld onder de erfgenamen.
Het berekenen van erfbelasting is een proces dat verschillende stappen omvat. In Nederland wordt erfbelasting geheven over de waarde van de erfenis die een persoon ontvangt náhet overlijden van een familielid of ander persoon. De belastingtarieven en vrijstellingen kunnen variëren afhankelijk van de relatie tussen de overledene en de erfgenaam.
De zeven stappen van erfbelastingberekening zijn: 1. bepalen huwelijksgoederenrecht 2. vermogensopstelling maken 3. bepalen nalatenschap 4. verdelen nalatenschap 5. legitieme portie controleren 6. bepalen belaste verkrijgingen 7. berekenen te betalen erfbelasting 249
Voorbeeld Nanine (53) en Alfons (55) zijn op 1 mei 2005 een geregistreerd partnerschap aangegaan zonder partnerschapsvoorwaarden. Beiden hebben kinderen uit eerdere relaties: • Nanine heeft een dochter, Angelique (15), uit haar eerste huwelijk. • Alfons heeft samen met zijn ex een geadopteerde dochter, Naomi (14). • samen hebben ze een zoon, Sjef (9).
Alle drie de kinderen wonen bij Nanine en Alfons op hetzelfde adres.
Nanine is eigenaar van de woning, die in 2025 een WOZ-waarde van € 700.000 heeft (in 2026: € 710.000). De woning is sinds 2011 belast met een eigenwoningschuld van € 300.000, tegen een rente van vijf procent, vastgezet tot 2026.
Nanine werkt sinds 2005 bij een accountantskantoor en verdient een bruto jaarsalaris van € 150.000. Via haar werkgever bouwt zij pensioen op, met een te bereiken ouderdomspensioen van € 90.000 op haar 68e verjaardag. Het nabestaandenpensioen bedraagt 70 procent van dit bedrag en wordt uitgekeerd op kapitaalbasis. Het wezenpensioen loopt door tot het 18e levensjaar van de kinderen.
Alfons heeft van zijn grootmoeder € 100.000 ontvangen onder een algehele uitsluitingsclausule. Dit bedrag heeft hij belegd en is inmiddels gegroeid naar € 110.000. Nanine sloot op 1 maart 2011 een kapitaalverzekering af met een looptijd van 25 jaar. • uitkering bij leven: € 300.000 (prognose). • uitkering bij overlijden: € 300.000. • huidige waarde van de polis: € 75.000.
Nanine en Alfons hebben een vordering van € 100.000 op de ouders van Alfons. Hun gezamenlijke spaargeld is € 50.000.
Wat is de verschuldigde erfbelasting als Nanine in 2025 overlijdt.
Uitwerking met de zeven stappen van erfbelastingberekening:
Stap 1: Bepalen van het huwelijksgoederenrecht Nanine en Alfons hebben een geregistreerd partnerschap in algehele gemeenschap van goederen (AGvG). Dit betekent dat zij volgens artikel 8 Boek 4 BW als partners worden aangemerkt en dat zij op basis van artikel 1a Successiewet (SW) ook voor de erfbelasting als partners gelden.
Stap 2: Vermogensopstelling maken
VERMOGEN ONTVANGEN • Nanine heeft geen privévermogen. • Alfons heeft € 100.000 ontvangen van zijn grootmoeder met een uitsluitingsclausule, waardoor dit als privévermogen van Alfons wordt beschouwd. • Op basis van de AGvG zijn de volgende bezittingen en schulden gezamenlijk eigendom: – woning: € 700.000 – eigenwoningschuld (EWS): € 300.000 – vordering op ouders Alfons: € 100.000
Bij de aangifte erfbelasting heeft Alfons de keuze welke WOZ-waarde hij wil gebruiken: • WOZ-waarde 2025 (waardepeildatum: 1 januari 2024) • WOZ-waarde 2026 (waardepeildatum: 1 januari 2025)
Volgens artikel 21 lid 5 SW mag hij de laagste WOZ-waarde hanteren, waardoor hij minder erfbelasting betaalt.
Gezamenlijke vermogensopstelling voor de Successiewet:
Nanine privé Gezamenlijk Alfons privé
Woning 700.000 Hypotheek 300.000 -/- Spaargeld 50.000 Effecten 110.000 Vordering 100.000 Totaal 0 550.000 110.000
Stap 3: Bepalen van de nalatenschap van Nanine De nalatenschap van Nanine wordt als volgt berekend: • Gezamenlijk vermogen: € 550.000 • Aandeel Nanine (50 procent): € 275.000
Stap 4: Verdeling van de nalatenschap Volgens artikel 27 Boek 4 BW is Naomi, de stiefdochter van Nanine, geen wettelijke erfgenaam. Als Nanine had gewild dat Naomi erfde, had zij dit in een testament moeten vastleggen. Omdat dit niet is gebeurd, geldt de wettelijke verdeling (artikel 10 Boek 4 BW). • Erfgenamen: Alfons, Angelique en Sjef • Verdeling: ieder erft 1/3 van de nalatenschap • Erfdeel per persoon: € 275.000 / 3 = € 91.667
Angelique en Sjef krijgen een niet-opeisbare, renteloze onderbedelingsvordering van € 91.667 op Alfons (artikel 13 lid 3 Boek 3 BW). Alfons lost deze schuld bij zijn overlijden af, zonder dat de kinderen hier erfbelasting over betalen.
De vordering van de kinderen op Alfons wordt opeisbaar in de volgende situaties: als Alfons • hertrouwt (artikel 19 Boek 4 BW). • overlijdt (artikel 20 Boek 4 BW). • in de wettelijke schuldsanering komt of failliet gaat (artikel 1 lid 5 Boek 4 BW).
De vordering wordt verlaagd met de erfbelasting die Alfons hierover voor de kinderen betaalt.
Stap 5: Controle van de legitieme portie Omdat Nanine geen schenkingen heeft gedaan, zijn de legitieme porties niet geschaad. De legitimaire massa wordt berekend als: • Saldo van de nalatenschap + • Giften die de overledene aan (onder andere) afstammelingen heeft gedaan (artikel 67 Boek 4 BW).
Een onterfd kind dat een beroep doet op de legitieme portie moet alle schenkingen aan broers/zussen inbrengen, ook als deze ouder zijn dan vijf jaar (uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 februari 2018).
Stap 6: Bepalen van de belaste verkrijgingen Nanine had een kapitaalverzekering van € 300.000. Omdat er geen premiesplitsing was, wordt 50 procent van dit bedrag aan Alfons toegerekend: € 150.000 (artikel 13 SW).
Alfons krijgt het vruchtgebruik over het erfdeel van Angelique en Sjef. Dit wordt berekend op basis van: • factor 12 (artikel 5 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956). • rentepercentage: zes procent (artikel 10 van hetzelfde besluit). • berekening: (6% x € 183.333) x 11 = € 120.999
De totale belaste verkrijging van Alfons is dan: • erfdeel: € 91.667 • kapitaalverzekering: € 150.000 • fictief vruchtgebruik: € 131.760 • totaal: € 373.427
De belaste verkrijging van Angelique en Sjef ieder is:
VERMOGEN ONTVANGEN • erfdeel: € 91.667 • af: Waarde vruchtgebruik Alfons: € 60.499 • belaste verkrijging per kind: € 31.168
Stap 7: Berekenen van de erfbelasting Angelique en Sjef: • vrijstelling per kind: € 25.490 (artikel 32 lid 1 ten 4e sub c SW). • belaste verkrijging: € 31.168 -/- € 25.490 = € 5.678 • tarief: 10 procent • erfbelasting per kind: € 11.135 Alfons kan dit bedrag in mindering brengen op de nominale vordering van de kinderen.
Alfons: • vrijstelling: € 804.698 (artikel 32 lid 1 ten 4e sub c SW). • imputatie nabestaandenpensioen: 70% x (11 x € 63.000) / 2 = € 242.550 (artikel 32 lid 2 SW). • restant vrijstelling: € 804.698 -/- € 242.550 = € 562.148
Omdat Alfons een belaste verkrijging van € 373.427 heeft, valt dit binnen zijn vrijstelling. Alfons is geen erfbelasting verschuldigd.
16. VERMOGEN OVERDRAGEN
16.1 SCHENKING
Iemand kan verschillende redenen hebben om (delen van) het vermogen bij leven al over te dragen: • eigen kind helpen een woning te kopen; • eigen kind helpen (een deel van) de eigenwoningschuld af te lossen; • vermogen in box 3 verlagen, waardoor minder vermogensrendementsheffing verschuldigd is; • verlagen van de nalatenschap waardoor erfbelasting uitgespaard wordt.
In de praktijk blijkt dat klanten vaak een fiscaal gedreven reden hebben om te schenken. Er zijn immers verschillende schenkvrijstellingen en bij leven alvast vermogen overdragen waarbij deze benut worden, levert meestal een besparing op de erfbelasting op.
Echter, de vraag is wat werkelijk de reden is om te schenken en wat de consequenties zijn als men meer schenkt dan fiscaal toegestaan. Het zal ongetwijfeld een goed gevoel geven om een kind te helpen met een schenking. En belasting betalen, daar zijn de meesten van onze klanten niet van gecharmeerd. Desondanks zijn bij het onderwerp schenken naast pluspunten ook aandachtspunten.
16.1.1 Aandachtspunten
• Welk doel had de schenker aanvankelijk met het geld en is dit doel náde schenking nog haalbaar? Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aanvulling op het pensioen of de toekomstige zorgkosten. Wat blijkt dus als de klant later het geld zelf nodig heeft?
• Hoe beïnvloedt de schenking de noodzakelijke financiële buffer voor onvoorziene (grote) uitgaven van de klant? • De schenking kan gaan om een groot bedrag. Hoe doet de klant dat bij meerdere kinderen? • Heeft het kind een bijstandsuitkering? Dan kan het zijn dat het bedrag van de uitkering na de schenking wordt aangepast. • Heeft het kind verhuisplannen? Door de schenking waarmee het kind (een deel van) de eigenwoningschuld aflost, kan immers een eigenwoningreserve ontstaan bij verkoop van de woning. • Hoe oud denkt de klant te worden? Stel dat hij ouder wordt dan voorzien en hij heeft zijn vermogen weggeschonken?
16.1.2 Schenkbelasting betalen
Als blijkt dat een klant het geld écht kan missen kan hij zelfs overwegen om meer te schenken dan de schenkingsvrijstelling. De ontvanger is dan schenkbelasting over het meerdere verschuldigd.
Als de schenker schenkt vrij van recht dan schenkt hij meer omdat hij de verschuldigde schenkbelasting ook schenkt. Op de website van de Belastingdienst vindt u hiervoor een handige rekenhulp: www.belastingdienst.nl/ rekenhulpen/schenkbelasting.
16.1.3 Aan kinderen
Ouders mogen in 2026 hun kind jaarlijks maximaal € 6.908 belastingvrij schenken. Dit bedrag geldt voor de ouders samen. Kinderen in de leeftijdscategorie van 18 tot 40 jaar mogen zij eenmalig € 33.129 belastingvrij schenken. Het bestedingsdoel is hierbij vrij. Wanneer het kind 41 jaar is en een partner heeft van 39 jaar dan geldt de schenkingsvrijstelling ook, onder de voorwaarde dat de partner niet eerder een beroep heeft gedaan op de verhoogde vrijstelling van een verkrijging van de schoonouders. Let op dat het geen fiscale partner betreft maar een partner conform de Successiewet.
16.1.4 Aan kleinkinderen
Grootouders mogen in 2025 per kleinkind € 2.690 belastingvrij schenken. En daar wordt in het algemeen veel gebruik van gemaakt. Uiteraard is het afhankelijk van de leeftijd van het kleinkind in welke vorm de schenking plaatsvindt. Wij houden het onderscheid tussen minderjarig- en meerderjarigheid aan. Ook bij schenkingen aan kleinkinderen is het aan te raden om een uitslui256 tingsclausule op te nemen.
VERMOGEN OVERDRAGEN 16.1.4.1 Minderjarig kleinkind
Sommige grootouders kiezen ervoor om een spaarrekening voor hun kleinkind te openen en daarop (periodiek) een bedrag te storten. Zij kunnen een spaarrekening openen met een zogenoemde ‘BEM’ (Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen) clausule. Een BEM-clausule houdt in dat het geld op de spaarrekening geblokkeerd is. De clausule zorgt er namelijk voor dat het kind tot zijn 18de verjaardag niet aan het geld kan komen. Dat geldt ook voor de ouders of verzorgers. De ouders of verzorgers kunnen alleen na goedkeuring door de rechter aan het geld komen.
16.1.4.2 Meerderjarig kleinkind
Zodra het kleinkind meerderjarig is en er geen vertrouwen is dat het op een gewenste wijze met het geld zal omgaan, is bewindvoering tot een hogere leeftijd mogelijk. De vader, moeder of verzorger bewaken op deze manier het gespaarde en geschonken geld totdat het kleinkind wel in staat is om er op een verantwoorde manier mee om te gaan.
16.1.5 Goed doel
In Nederland wordt per jaar ongeveer vier miljard euro geschonken aan goede doelen. Deels gebeurt dit via het bedrijfsleven, deels via belastingen en deels via particulieren. De schenking kan in de vorm van geld en goederen plaatsvinden. Een schenking is pas een schenking als er niets tegenover staat. Schenkingen aan goede doelen of instellingen geven meestal een belastingvoordeel.
Wij onderscheiden gewone en periodieke schenkingen. Een gewone schenking is alleen aftrekbaar indien gedaan aan een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) of aan een steunstichting Sociaal Belang Behartigende Instelling (SBBI). Een periodieke schenking gedaan aan een doel of instelling met de ANBI-status is ook aftrekbaar. Schenken aan een culturele ANBI levert extra voordeel op: de schenking mag in de belastingaangifte namelijk verhoogd worden met 25 procent en vervolgens worden afgetrokken.
Ondernemers kunnen kiezen of zij schenkingen aan goede doelen privédoen of vanuit hun bedrijf. Voor ondernemers met een bv kan het voordelig zijn om vanuit de bv te schenken. Voor ondernemers met een eenmanszaak, cv of vof gelden de regels van particuliere schenkingen. Schenkingen gedaan vanuit een bv zijn beperkt aftrekbaar: tot een maximum van 50 procent van de fiscale winst tot een maximum van € 100.000. Bedrijfskosten aan de andere 257
kant zijn volledig aftrekbaar. Daarom is sponsoring van een instelling of activiteit voordeliger voor de bv. Dit wordt namelijk als bedrijfskosten gezien.
Voorbeeld De heer Boskers is 75 jaar oud. Zijn vrouw is 10 jaar geleden overleden. Hij is vermogend en heeft meer dan voldoende pensioeninkomen. Hij heeft weinig meer te wensen. Hij vraagt zich af wat hij kan doen om zijn vermogen fiscaal vriendelijk over te dragen terwijl hij nog leeft. Zolang hij goed ter been was, heeft hij bij de harmonie gezeten. Hij was een fervent tubaspeler. De harmonie waar zijn hart ligt, is een culturele ANBI. Hierdoor kan hij jaarlijks € 5.000 schenken en deze schenking fiscaal met factor 1,25 verhogen. Dat betekent bij een belastingtarief van afgerond 49,50 procent dat de heer Boskers jaarlijks (€ 5.000 x 1,25 x 49,50%) € 3.094 terugontvangt.
16.1.6 Vermogen en verzorgingstehuis
Vanaf 1 januari 2013 is de eigen bijdrage voor het verblijf in een verpleeg- of verzorgingshuis aangepast. De hoogte van de eigen bijdrage is sindsdien voornamelijk van het spaargeld afhankelijk. Elk jaar telt acht procent van de grondslag sparen en beleggen van twee jaar terug mee als vermogensinkomensbijtelling.
Er zijn twee soorten eigen bijdragen: de lage en de hoge. De lage eigen bijdrage geldt voor het eerste halfjaar dat de klant in een instelling woont en als de partner nog thuis woont. Ook alleenstaanden die nog een eigen woning hebben die te koop staat, betalen de lage eigen bijdrage. Als de woning verhuurd wordt, valt de woning in box 3 en stijgt de eigen bijdrage. Als de woning verkocht is, duurt het nog twee jaar voordat de hoge eigen bijdrage verschuldigd is. Wie niet in aanmerking komt voor de lage eigen bijdrage, betaalt de hoge eigen bijdrage. Via de website van het CAK kan eenvoudig een berekening worden gemaakt over de hoogte van de eigen bijdrage.
16.1.6.1 Particuliere zorginstelling
Een alternatief voor sommigen is een particuliere zorginstelling. In dat geval heeft men niet te maken met de eigen bijdrage. Echter, de kosten van deze zorginstellingen zijn hoger en variëren tussen de € 3.000 en € 6.000 per maand. Als het een prioriteit is voor de klant is het zaak om dergelijke kosten op te nemen in het budget.
VERMOGEN OVERDRAGEN 16.1.6.2 Kindsdelen uitkeren
Bij een overlijden van één van de partners zonder testament geldt de wettelijke verdeling. De hele nalatenschap komt dan bij de langstlevende terecht en wordt tot diens vermogen gerekend. Het gevolg hiervan is dat de hoge eigen bijdrage verschuldigd is. Op dat moment kan de langstlevende ervoor kiezen om de kindsdelen uit te keren aan de kinderen. Hierdoor neemt het vermogen af en kan de hoge eigen bijdrage voorkomen worden. De overledene zou dit ook hebben kunnen opnemen in zijn testament. Hij neemt dan een clausule op waarin hij bepaalt dat bij opname in een verzorgingshuis van de langstlevende de kindsdelen opeisbaar worden.
16.1.6.3 Schenken op papier
Door te schenken op papier houdt de klant de beschikking over wat hij heeft geschonken en verkleint hij zijn box 3 vermogen waardoor mogelijk de hoge eigen bijdrage afneemt. Daarnaast verkleint de schenker zijn nalatenschap waardoor zijn erfgenamen minder erfbelasting verschuldigd zijn.
De Belastingdienst ziet een schenking op papier als een schuld. Daarom is de schenker rente verschuldigd aan de ontvanger. De Belastingdienst stelt dat de schenker jaarlijks minimaal zes procent rente verschuldigd is. Het voordeel van deze rente is dat de schenker hierdoor extra vermogen kan overdragen. Nadeel is dat bij lang leven er een behoorlijke rentelast kan ontstaan die misschien wel ondraagbaar wordt.
Over het op deze manier overgedragen vermogen betaalt niemand schenken/of erfbelasting. De ontvanger van de schenking op papier is schenkbelasting verschuldigd wanneer de schenking hoger is dan de schenkingsvrijstelling. De ontvanger van de schenking op papier moet de vordering ook opgeven als vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting.
16.1.7 Schenken voor studie kind
Vanaf september 2015 geldt het sociaal leenstelsel. Hierdoor is studeren (nog) kostbaarder geworden. Dat is een reden voor ouders om te overwegen hun kind een schenking te doen voor hun studie.
Een thuiswonende student heeft na invoering van het leenstelsel voor een vierjarige studie ongeveer € 40.000 nodig. Een uitwonende student daarentegen € 65.000. De verwachting is dat deze kosten in de toekomst alleen maar zullen oplopen. En dan hebben wij het nog niet gehad over een langere studieduur dan vier jaar.
In 2026 mogen ouders hun kind € 6.908 belastingvrij schenken. Bovendien mogen zij hun kind tussen de 18 en 40 jaar eenmalig een belastingvrij bedrag schenken van € 33.129. Voor deze schenkingsvrijstelling geldt geen specifiek doel.
Op het moment dat een kind een zogenoemde ‘dure’ studie volgt van minstens € 20.000 per jaar wordt de verhoogde vrijstelling verder verhoogd naar € 69.009. Hiervoor moet de schenking bij notariële akte worden gedaan waarin is opgenomen voor welke studie of opleiding de schenking is bedoeld en wat de beraamde kosten zijn. In de notariële akte moet ook een ontbindende voorwaarde zijn opgenomen waarin vermeld staat dat de schenking vervalt als de schenking niet binnen twee jaar na aanvang van de studie of opleiding is besteed. Met de schenking mag geen studieschuld worden afgelost die al bestond vóór de schenking.
Nu vanaf 2015 de persoonsgebonden aftrekpost voor kinderen tot 27 jaar is vervallen is vanaf 2015 de eerder beschreven schenking ook fiscaal interessant voor kinderen jonger dan 27 jaar.
VERMOGEN OVERDRAGEN
Plas bij Loosdrecht, Willem Roelofs (I), 1887
17. NALATEN
Om op een juiste wijze een hypothecaire planning te kunnen maken heeft u onder andere inzicht nodig in hoe de klant zijn zaken bij overlijden heeft geregeld. U brengt immers de financiële situatie bij overlijden in de context van de financieringsaanvraag in kaart.
Heeft de klant een testament of geldt de wettelijke verdeling? Uit de praktijk blijkt dat een deel van de klanten geen testament heeft opgesteld en een ander deel wel. Als u doorvraagt hoe dat testament er dan uitziet, moet de klant het antwoord vaak schuldig blijven.
De wettelijke verdeling geldt als er geen testament is opgesteld. De vraag is of de klant de wettelijke verdeling kent en of hij de consequenties van de wettelijke verdeling ook wenst. De kans is groot dat het antwoord hierop ontkennend is.
Met een testament bepaalt de klant zelf hoe hij wenst dat zijn nalatenschap vererft. Bovendien kan een goed ingericht testament besparing van erfbelasting opleveren.
17.1.1 Nalaten aan (stief)kinderen
Samengestelde gezinnen komen regelmatig voor in de adviespraktijk van de hypothecair planner. Een samengesteld gezin bestaat uit twee partners, die kinderen uit een vorige relatie hebben en samen een nieuw gezin vormen. Wanneer de partners van een samengesteld gezin met elkaar huwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, worden de kinderen stiefkinderen. Stiefouderschap ontstaat niet bij ongehuwd samenwonen.
Stiefkinderen erven niet rechtstreeks van hun stiefouder. Deze zal hen bij testament als erfgenaam moeten aanwijzen. Als dat is gebeurd gelden dezelfde vrijstellingen en tarieven als voor kinderen. Dit geldt ook voor stiefkleinkinderen. 263
Voorbeeld Olivier en Theresa zijn sinds 2014 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding. Theresa heeft een dochter uit een eerdere relatie, Willemijn van 12 jaar. Olivier heeft een testament opgesteld, waarin hij Willemijn samen met haar moeder als erfgenaam heeft benoemd. Theresa heeft geen testament opgesteld.
Olivier is kunstenaar en vermogend. Zijn vermogen heeft hij niet zelf vergaard. Hij is een telg van een vermogende familie en het vermogen is naar hem vererfd.
Theresa overlijdt in 2025. Vanwege het finaal verrekenbeding wordt voor het bepalen van de nalatenschap gedaan of zij en Olivier in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Omdat Theresa geen testament heeft opgesteld moet Olivier haar nalatenschap delen met Willemijn. Op deze manier raakt Olivier een deel van het familievermogen kwijt. De vraag is of dat wenselijk is. Deze onwenselijke situatie kan gerepareerd worden door Theresa een testament op te laten stellen. Een doorverwijzing naar de notaris is hier op zijn plaats.
17.1.2 Nalaten aan kleinkinderen
Om kleinkinderen met zekerheid iets na te laten, stelt een grootouder een testament op. Los van de zekerheid dat er iets bij het kleinkind terechtkomt, levert deze manier ook een besparing van erfbelasting op. Als de nalatenschap van de grootouder eerst naar de ouders van het kleinkind vererft en vervolgens na overlijden van de ouders naar het kleinkind is er immers meer erfbelasting verschuldigd dan wanneer het kleinkind rechtstreeks van de grootouder erft. Bij testament kan de grootouder het kleinkind een bedrag legateren. Dat kan een vast bedrag zijn en het kan ook het bedrag van de jaarlijkse vrijstelling zijn. Als de vrijstelling indexeert, indexeert het legaat aan het kleinkind mee. Uiteraard moet wel goed bekeken worden of de nalatenschap een dergelijke constructies kan dragen. Als er immers meer kleinkinderen worden geboren en voor allen geldt deze omschrijving, dan kan het erfdeel van de kinderen in gevaar komen.
Voorbeeld Didi is de gelukkige grootmoeder van Jelte van 10 jaar. Jelte is de zoon van haar enige dochter Veronie. Didi heeft een vermogen van € 500.000. Zij is bij de notaris om haar testament te herzien dat uit 2009 stamt. In dat testament heeft zij opgenomen dat Veronie haar enig erfgenaam is en dat zij € 50.000 legateert aan verschillende goede doelen. Zij gaat ervan uit dat Veronie iets van haar vermogen zal nalaten aan Jelte. De notaris geeft aan blij te zijn dat zij de afspraak hebben gemaakt. Vanaf 2010 geldt immers een hogere vrijstelling van erfbelasting voor kleinkinderen. Hij legt 264 uit dat een aanpassing van Didi’s testament een besparing van erfbelasting ople-
vert. Hij doelt dan op een legaat aan Jelte van € 25.490. Hij toont Didi de volgende
NALATEN berekeningen:
De erfbelasting die Veronie nu zou moeten betalen, bedraagt: Belaste verkrijging Veronie: (€ 400.000 -/- € 25.490) = € 374.510. De door Veronie te betalen erfbelasting is (2025) € 59.481.
Wanneer vervolgens Veronie overlijdt en € 400.000 aan Jelte nalaat, is hij eenzelfde bedrag aan erfbelasting verschuldigd. De totale erfbelasting is dan € 118.962.
Bij aanpassing van het testament van Didi waarbij Jelte een legaat ontvangt van € 25.490 wordt 20 procent over dit bedrag bespaard.
17.1.3 Goed doel
Wanneer een alleenstaande zonder testament overlijdt, is van de groepen erfgenamen die de wet kent groep 1 ‘leeg’. Zodra er in groep 2 iemand leeft, erft deze persoon de nalatenschap. Vaak is dit onbekend bij oudere mensen en is het ook ongewenst dat de nalatenschap bij deze persoon terechtkomt.
Voorbeeld De heer De Bok is 90 jaar. Het laatste jaar wordt hij slechter ter been en hij is al enkele malen lelijk gevallen. Zijn hondje Luna zorgt ervoor dat hij nog buiten komt. Ook al wordt dat steeds lastiger. De heer De Bok heeft van zijn ouders geleerd zuinig te leven en daardoor heeft hij tijdens zijn leven een bedrag van € 200.000 bij elkaar gespaard. Het bedrag groeit alleen maar aan omdat hij rond kan komen van zijn AOW.
Hij regelt nog steeds zelf zijn financiële zaken. Bij Omroep MAX heeft hij laatst op tv een item gezien over testamenten. Dat heeft hem nieuwsgierig gemaakt en hij heeft een afspraak bij de notaris gemaakt.
Na wat vragen te hebben gesteld concludeert de notaris dat bij overlijden van de heer De Bok zijn erfgenamen zijn twee zusters zijn. Hij heeft immers geen testament en zijn ouders zijn al lange tijd overleden. De zusters van de heer De Bok zijn ouder dan hij en hebben zijn geld echt niet nodig. Hij wil dan ook absoluut niet dat het naar zijn zusters gaat.
De notaris legt hem uit dat hij ook voor goede doelen kan kiezen en deze kan aanwijzen in een testament. Daar heeft de heer De Bok wel oren naar. Samen met de notaris loopt hij enige goede doelen langs en al snel heeft hij een keuze gemaakt. In elk geval het dierenasiel in zijn woonplaats ontvangt een mooi bedrag. De heer De Bok legt alles vast in een testament en leeft met een gerust hart verder. 265
18. TEN SLOTTE
De theorie rond het overdragen en ontvangen van vermogen is uitdagend. Als hypothecair planner bent u geen estate planner. Toch is het van belang dat u de theorie praktisch weet toe te passen tijdens het hypothecair planningsproces. Door de verschillende praktische voorbeelden in deze module heeft u handvatten om echt in gesprek te gaan met uw klant over dit onderwerp. U kunt de klant de consequenties van bepaalde constructies uitleggen en toetsen of dat is wat wenselijk is.
Voor een concreet advies kunt u doorverwijzen naar de estate planner, één van de specialisten in uw professionele netwerk. U kunt uw klant aanbieden de eventuele akte(s) mee te lezen om vast te stellen of geregeld wordt, want uw klant wenst.
BIJLAGEN
Bij deze module horen aanvullende bijlagen die digitaal beschikbaar zijn.
Scan de QR-code hieronder met je smartphone of tablet om direct toegang te krijgen.
Scan de QR-code en bekijk de bijlagen!
Mocht de QR-code niet werken of wil je de bijlagen op je computer bekijken, ga dan naar: https://www.hypothecairplanner.nl/redirect/syllabi
DEEL 12 — FINANCIERINGSAANVRAAG VAN DE ONDERNEMER
VAN DE ONDERNEMER
INLEIDING
Voor u ligt de module ‘Financieringsaanvraag van de ondernemer’. Deze module is een onderdeel van de opleiding tot Erkend Hypothecair Planner en is bedoeld om u praktische handvatten te geven in het werken met de cijfers van een onderneming ten behoeve van een financieringsaanvraag van de ondernemer.
In ‘IB-ondernemer en dga’ behandelen wij de in deze context geldende weten regelgeving. Wij behandelen daar onder andere de rechtsvormen van een onderneming en de fiscale aspecten. En ook onderwerpen zoals administratieve verplichtingen, vermogensetikettering, winstbepaling, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, loonbelasting, sociale zekerheid, oprichten van een bv, aansprakelijkheid en oudedagsvoorziening komen in de genoemde module aan bod. Daar waar het voor de leesbaarheid van toegevoegde waarde is, heeft deze module hiermee enige overlap.
Het begeleiden van een ondernemer bij zijn financieringsaanvraag voor de aankoop van een woning verloopt op een aantal punten anders dan bij een klant die in loondienst werkzaam is. Wij onderscheiden als ondernemer de ZZP-er, de IB-ondernemer en de directeur-grootaandeelhouder (dga).
Voor het beoordelen van een financieringsaanvraag van een ondernemer is het zaak om de cijfers van de onderneming te kunnen doorgronden. Hoe kan het inkomen van de ondernemer nu, straks en later bepaald worden zodat een passende hypothecaire planning kan worden gemaakt?
Onderwerpen als het berekenen van de fiscale winst in combinatie met de aangifte inkomstenbelasting van de ondernemer komen aan de orde in deze module. De berekeningsstappen van commerciële naar fiscale winst brengen wij in kaart. Dit laatste is belangrijk bij het bepalen van de oudedagsreser- 273
ve van de IB-ondernemer. Vanuit de fiscale winst is vervolgens de belastbare winst uit onderneming te bepalen door de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling toe te passen.
Welke risico’s anders dan de ‘gebruikelijke’ zoals ouder worden, arbeidsongeschikt worden en overlijden loopt de ondernemer met zijn onderneming? Denkt u hierbij aan de gevolgen van achteruitgang en ook groei van de onderneming.
Tot slot hebben wij enkele praktijkvoorbeelden uitgewerkt aan de hand waarvan het acceptatiebeleid van geldverstrekkers inzichtelijker wordt.
Wij wensen u veel plezier bij het bestuderen van deze module!
NB. NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender.
INLEIDING
Breitner 5 RP-T-1978-88
19. STUKKEN INTERPRETEREN
Bij de beoordeling van een financieringsaanvraag door een ondernemer spelen andere factoren een rol dan bij de beoordeling van een werknemer. De ondernemer genereert zijn inkomen immers met ondernemersactiviteiten en dat is een dynamische omgeving. Ondernemen gaat gepaard met andere risico’s dan werknemersrisico’s.
De basis voor een financieringsaanvraag van een werknemer is met name de arbeidsovereenkomst en het daarbij behorende bedongen inkomen en overige emolumenten. De basis voor een financieringsaanvraag van een ondernemer is met name inkomen uit de bedrijfsactiviteiten en het vermogen van het bedrijf in combinatie met de inkomens- en vermogenspositie in privé.
In het algemeen onderzoeken geldverstrekkers bij een financieringsaanvraag van een ondernemer de volgende punten: • resultaten laatste drie jaren; • vermogensontwikkeling laatste drie jaren; • branche waarin onderneming actief is; • sector waarbinnen ondernemingsactiviteiten plaatsvinden.
Een voorbeeld van de laatste twee punten is het verschil in behandeling van de financieringsaanvraag van een succesvol advocaat als zelfstandig beroepsbeoefenaar of de eigenaar van een bouwonderneming. Ook al zijn beiden met hun onderneming succesvol, de geldverstrekker kan de sector waarbinnen zij opereren zodanig beoordelen dat de aanvraag van de advocaat doorgaat en die van de bouwondernemer afgewezen wordt.
Uit een productkaart van een geldverstrekker: ‘Het inkomen van een zelfstandige wordt bepaald door het gemiddelde inkomen van de laatste drie jaar. Indien in het laatste jaar een dalende trend is waar te nemen zal hier in de beoordeling rekening mee worden gehouden. Indien de onderneming nog geen jaarrekeningen kan overleggen over de laatste drie kalenderjaren dient, naast de wel beschikbare jaarrekeningen, een door een accountant opgestelde prognose te worden overgelegd.’
‘Wanneer aangetoond kan worden dat er gedurende een langere periode sprake is van een stabiel inkomen en er binnen de branche geen sprake is van grote conjunctuurinvloeden kan van deze richtlijn worden afgeweken tot maximaal 102 procent van de marktwaarde waar van toepassing vermeerderd met overdrachtsbelasting.’
‘Als toetsinkomen van een directeur-grootaandeelhouder van een bv of nv geldt het gemiddelde uitgekeerde salaris van de laatste drie jaar. Overwinst wordt in beginsel niet meegenomen, maar kan op individuele basis worden besproken.’ ‘In het toetsinkomen van een directeur-grootaandeelhouder van een BV of NV kan boven op het gemiddeld uitgekeerde salaris van de laatste drie jaar de gemiddelde overwinst over de laatste drie kalenderjaren worden meegerekend tot een maximum van het salaris + de overwinst in het laatste kalenderjaar.’
Om de situatie en de ontwikkelingen van een bedrijf te kunnen beoordelen wordt gebruikgemaakt van de gegevens die een onderneming verplicht is samen te stellen. Wettelijk zijn bedrijven verplicht jaarlijks een balans en een winst-en-verliesrekening op te stellen. Samen met de toelichting op de stukken wordt dit de ‘financiële jaarrekening’ genoemd. Dit verslag wordt ook gebruikt bij het bepalen van de te betalen belastingen. Bij ZZP-ers en IB-ondernemers is dat de inkomstenbelasting en voor de bv is dat de vennootschapsbelasting.
19.1 DE JAARREKENING
Een jaarrekening is een overzicht van de financiële situatie van een onderneming aan het einde van een boekjaar. Het is een momentopname. Elke onderneming stelt een jaarrekening op. Een jaarrekening bestaat uit een balans, een winst-en-verliesrekening en een toelichting op beide. Daarnaast kunnen er een overzicht van niet in de balans opgenomen verplichtingen, een accountantsverklaring, een staat van de activa en fiscale overzichten zijn bijgesloten.
Wij onderscheiden twee soorten jaarrekeningen: de fiscale jaarrekening en 278 de bedrijfseconomische (commerciële) jaarrekening.
STUKKEN INTERPRETEREN
19.1.1 Fiscale jaarrekening
De fiscale jaarrekening moet aan fiscale normen voldoen en is bedoeld om de fiscale winst van de onderneming te berekenen. De uitkomst van de berekening is de basis voor de heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting. Een voorbeeld van een fiscale norm is op een juiste manier afschrijven. Als een ondernemer in de onderneming een pand koopt dan moet hij conform de fiscale regels afschrijven op dit pand. Een waardestijging van het pand heeft geen effect op de fiscale jaarrekening. De ondernemer schrijft jaarlijks een voorschreven percentage af van de aankoopwaarde van het pand.
19.1.2 Commerciële jaarrekening
De commerciële jaarrekening geeft een waarheidsgetrouwer beeld van de situatie van een onderneming. Er wordt geen rekening gehouden met fiscale normen, de werkelijke situatie wordt weergegeven. Het geeft een beeld van de vermogenssituatie van de onderneming en van de resultaten, vanuit bedrijfseconomisch oogpunt. De commerciële jaarrekening wordt vaak gebruikt bij (her)financiering of verkoop van de onderneming. Als wij kijken naar het voorbeeld van zojuist van de waardestijging van een aangekocht pand dan zal bij de commerciële jaarrekening door taxatie van het pand deze waardestijging wel zichtbaar worden. Onder andere om deze reden geeft een commerciële balans een preciezer beeld van de vermogenssituatie van de onderneming op de balansdatum.
19.1.3 Stille reserve
Het verschil tussen de fiscale en de commerciële jaarrekening noemen wij de ‘stille reserve’. Wij lichten dit toe aan de hand van enkele voorbeelden.
Voorbeeld Jan Jaap drijft sinds vijftien jaar een architectenbureau in de IB-sfeer. Bij de start van de onderneming heeft hij een bedrijfspand gekocht voor € 600.000. Het pand staat voor € 337.500 op de balans. In werkelijkheid is het pand inmiddels € 800.000 waard. De WOZ-waarde is € 700.000. De stille reserve is € 800.000 -/- € 337.500 = € 462.500.
Op het moment dat Jan Jaap de onderneming met het pand verkoopt, realiseert hij deze meerwaarde en is deze belast.
Naar een geldverstrekker kan een stille reserve een positieve rol spelen omdat de geldverstrekker weet dat er meer vermogen in de onderneming zit dan de fiscale balans laat zien. Het kan ook andersom: als het pand van Jan Jaap minder 279
waard is door bijvoorbeeld bodemvervuiling en hij een rechtszaak voert om de verkoper aansprakelijk te stellen, kan de geldverstrekker er niets mee. De onderneming van Jan Jaap loopt immers het risico dat hij met een onverkoopbaar pand komt te zitten, met verlies moet verkopen of kosten moet maken.
Voorbeeld
Balans (1 x 1000) Activa fiscaal comm. Passiva fiscaal comm. Vaste Activa Eigen vermogen 525 525 - Pand 650 1.000 - Reserve herwaarderingen 230 - Inventaris 250 150 - Totaal eigen vermogen 525 755
Vlottende activa Lang lopende schulden - Voorraden 155 125 - Hypotheek o/g 400 400 - Debiteuren 75 85 - Lening Inventaris 100 100
Liquide middelen Kort Lopende schulden - Bank 60 60 - Crediteuren 130 130 - Kas 10 10 - Belastingen 45 45
Balans totaal 1.200 1.430 Balans totaal 1.200 1.430
Het pand heeft een fiscale waarde van € 650.000. Het taxatierapport wijst uit dat het pand ultimo een miljoen euro waard is.
De inventaris heeft een fiscale waarde van € 250.000. Commercieel is de inventaris minder waard gebleken op basis van een taxatierapport. De oorzaak van het verschil in waarde is ontstaan doordat het (deels) ICT systemen zijn die door de ICT-afdeling verkeerd zijn ingekocht, het bleken al verouderde systemen te zijn op het moment van inkoop.
De voorraad bleek op basis van een taxatierapport minder waard te zijn dan de fiscale waarde. De oorzaak hiervan zijn prijsdalingen. De goederen in het magazijn zijn duurder ingekocht dan waarvoor zij verkocht kunnen worden.
Het debiteurensaldo, fiscaal gewaardeerd, bestaat uit een nominaal bedrag van € 95.000 minus een fiscale toegestane voorziening van € 20.000. Het debiteurensaldo is op de daadwerkelijke betalingen gecontroleerd en daarbij bleek dat de voorziening in werkelijkheid € 10.000 te hoog was.
Doordat het verschil in fiscale en commerciële waarden een momentopname is, is het verschil in vermogen niet gerealiseerd. De verschillen kunnen na verloop 280 van tijd weer anders zijn. Het verschil wordt dan als een (herwaarderings)reserve opgenomen.
STUKKEN INTERPRETEREN
19.1.4 Andere verschillen fiscale en commerciële jaarrekening
Hierna gaan wij nader in op een aantal veel voorkomende verschillen tussen de commerciële en de fiscale jaarrekening.
19.1.5 Fiscale afschrijvingen
Bij het bepalen van de winst houdt de ondernemer rekening met de aanschafkosten van de bedrijfsmiddelen: hij trekt de kosten af van de opbrengsten. Bedrijfsmiddelen zijn middelen waarmee de ondernemer zijn onderneming drijft. Voorbeelden zijn: gebouwen, machines, auto’s en inventaris.
Bedrijfsmiddelen gaan een aantal jaren mee, en daarom is het fiscaal niet toegestaan om alle kosten in één keer in het jaar van aanschaf af te trekken. In plaats daarvan moet erop worden afgeschreven. De aanschafkosten van het bedrijfsmiddel worden op deze manier verspreid over meerdere jaren.
Aan de hand van de aanschafkosten, de restwaarde en de vermoedelijke gebruiksduur wordt uitgerekend wat het bedrag aan afschrijving per jaar is.
De lineaire methode is de meest gebruikte methode om de afschrijving te berekenen. Een vast percentage van het verschil tussen de aanschafwaarde en de restwaarde wordt jaarlijks afgeschreven.
De formule voor deze methode luidt:
afschrijving per jaar = (aanschafkosten -/- restwaarde)/vermoedelijke gebruiksduur
Voorbeeld Bakker Gert-Jan koopt een mengmachine van € 30.000. Hij verwacht de machine 10 jaar te kunnen inzetten. De geschatte restwaarde is op dat moment € 5.000. De jaarlijkse fiscale afschrijving bedraagt (€ 30.000 -/- € 5.000)/10 = € 2.500 per jaar.
Afschrijving bedrijfspand Regelmatig hebben ondernemingen een bedrijfsruimte zelf in bezit. De afschrijving op gebouwen wijkt af van de afschrijving op andere bedrijfsmiddelen. De fiscale regels gaan uit van het volgende: • dat de bedrijfsruimte 50 jaar meekan; • dat de hoogte van de afschrijving afhangt van de gebruiksduur van het pand; • de restwaarde van het pand; 281 • dat afschrijven over grond niet is toegestaan.
De aanschafwaarde van het pand is de koopsom inclusief de aankoopkosten van het pand. De aankoopkosten zijn bijvoorbeeld: notariskosten, makelaarskosten en overdrachtsbelasting.
De berekening gaat als volgt: De aanschafwaarde van (het ondernemingsgedeelte van) het pand (= A) minus (een evenredig deel van) de waarde van de grond, die bij het pand hoort (= G). Vervolgens moet rekening gehouden worden met de restwaarde van het pand (= R).
In formule:
A -/- R -/- G x 2%
De toepassing van de jaarlijkse afschrijving op het pand kan alleen als: • de boekwaarde van het pand hoger is dan 50 procent van de WOZ-waarde (= bodemwaarde) en • de jaarlijkse afschrijving over het pand niet groter is dan het verschil tussen de boekwaarde en bodemwaarde.
De afschrijvingen stoppen op het moment dat de boekwaarde op de balans de bodemwaarde heeft bereikt. Het begrip ‘bodemwaarde’ is een fiscaal begrip. Voor gebouwen in box 3 geldt de WOZ-waarde als bodemwaarde. Voor gebouwen in eigen gebruik is de bodemwaarde 50 procent van de WOZ-waarde.
Voorbeeld Silvia heeft als boekwaarde van haar ondernemingspand (inclusief ondergrond) op de balans een bedrag van € 200.000 opgenomen. De WOZ-waarde is € 396.000. De bodemwaarde is € 198.000 (= 50 procent van de WOZ-waarde). Daardoor kan zij maximaal € 2.000 afschrijven in dit boekjaar. Er kan worden afgeschreven omdat de boekwaarde hoger is dan de bodemwaarde. De afschrijving: twee procent op de boekwaarde van het pand € 200.000 = € 4.000. Echter, Silvia mag niet meer afschrijven dan het verschil tussen boekwaarde en bodemwaarde. De afschrijving van het pand is dus maximaal € 2.000.
19.1.6 Voorziening groot onderhoud
Een voorziening wordt gevormd voor verplichtingen die in de toekomst worden afgewikkeld, waarvan onbekend is in welke omvang en/of wanneer de verplichtingen zullen ontstaan. Een voorbeeld hiervan is de voorziening die zorgt voor een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren. Dit is alleen toegestaan als een uitgave eens in de paar jaar voorkomt, en 282 wel betrekking heeft op alle boekjaren. De voorziening groot onderhoud is een concreet voorbeeld.
STUKKEN INTERPRETEREN Silvia uit ons vorige voorbeeld moet eenmaal per vijf jaar onderhoud laten verrichten aan het dak van haar bedrijfspand. Het geeft een vertekend beeld als in het jaar waarin het onderhoud wordt uitgevoerd de gehele last wordt opgevoerd, omdat het dak ieder jaar in een slechtere staat raakt en het onderhoud daardoor betrekking heeft op alle vijf jaren. Door een voorziening ‘groot onderhoud’ op te nemen wordt het eigen vermogen van haar onderneming realistischer weergegeven. Het eigen vermogen zal hierdoor lager zijn. Silvia weet immers al dat dit bedrag zal worden besteed aan groot onderhoud van het dak van haar bedrijfspand. Het eigen vermogen is een van de belangrijke graadmeters voor een geldverstrekker bij een financieringsaanvraag. Hoe groter het eigen vermogen ten opzichte van het balanstotaal hoe gezonder de onderneming is. Dit is de solvabiliteitsratio waarover in een later hoofdstuk meer.
19.2 BALANS
De balans van een IB-onderneming of ZZP-er komt in de regel tot stand aan de hand van de fiscale regels. De jaarrekening wordt dan gebruikt voor het vaststellen van de fiscale winst. Bij kleinere bv’s wordt de jaarrekening vastgesteld door toepassing van de fiscale regels voor vennootschappen. Dit vanwege het feit dat een BV vennootschapsbelastingplichtig is.
Een balans is een momentopname van de financiële status van de onderneming. Een balans geeft een overzicht van de schulden en bezittingen van de onderneming aan het eind van een boekjaar. Een boekjaar loopt in de regel parallel aan een kalenderjaar en de datum van de balans is dan ook meestal 31 december.
De bezittingen (activa) staan aan de linkerkant van de balans. De schulden, verplichtingen en voorzieningen (passiva) staan aan de rechterkant van de balans. Daarnaast is in de balans algemene informatie over de onderneming opgenomen. Denkt u hierbij aan de balansdatum, de lengte van het boekjaar, het aantal werknemers, de bestemming van de winst en welke activiteiten de onderneming heeft. De activa worden onderverdeeld in vaste en vlottende activa en liquide middelen. De passiva worden onderverdeeld in het eigen vermogen, langlopende verplichtingen en kortlopende verplichtingen.
Vanwege de verscheidenheid in activa en passiva worden de bezittingen in vaste categorieën onderverdeeld. Dit is om de balans overzichtelijk te houden. Deze categorieën zijn ingedeeld op basis van grootte. Hierna vindt u een beschrijving van de verschillende soorten activa en passiva. 283
19.2.1 Activa
19.2.1.1 Vaste activa
Vaste activa zijn zaken die langer dan één jaar aan de onderneming verbonden zijn. Voorbeelden van vaste activa zijn: een bedrijfspand, inventaris, vervoermiddelen, machines, computerapparatuur en deelnemingen.
Vaste activa worden als volgt onderverdeeld: • immateriële vaste activa: bezittingen die niet tastbaar zijn en wel een rol spelen in het financiële proces, maar nooit in het fysieke bedrijfsproces. Goodwill en patenten zijn een bekend voorbeeld. • materiële vaste activa: bezittingen waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn grond en gebouwen, machines en installaties, transportmiddelen en computers. Het zijn de bezittingen die een bedrijf langdurig gebruikt voor de bedrijfsvoering, en waarvan zij het economisch eigendom bezit. Dus operationeel geleasede bezittingen vallen hierbuiten. • financiële vaste activa: beleggingen op de lange termijn, zoals aandelen, beleggingen et cetera. • niet toe te wijzen vaste activa: hieronder worden posten vermeld die niet zijn onder te brengen bij een van de andere posten van vaste activa, zoals aankoopsommen.
19.2.1.2 Vlottende activa
Vlottende activa zijn zaken die binnen één jaar in geld omgezet kunnen worden. Ook liquide middelen (geld) vallen hieronder. Voorbeelden zijn onder andere: • voorraden: goederen binnen het bedrijf die dienen om eindproducten te maken en de eindproducten die nog niet zijn verkocht. • vorderingen: openstaande posten en vooruitbetaalde kosten zoals btw en debiteuren. • effecten: waardepapieren die niet als investering voor de lange termijn bedoeld zijn zoals effecten en obligaties. • liquide middelen: geldelijke middelen die direct beschikbaar zijn zoals bankrekeningen en contanten.
19.2.2 Passiva
19.2.2.1 Eigen vermogen
Het eigen vermogen van de onderneming is het bedrag dat de ZZP-er of 284 IB-ondernemer zelf in zijn onderneming heeft geïnvesteerd.
STUKKEN INTERPRETEREN Het eigen vermogen van de bv bestaat uit: • gestort en opgevraagd kapitaal. Het aandelenkapitaal dat in bezit is van de aandeelhouders. • agio. Het bedrag dat de aandeelhouders meer hebben betaald dan de aandelen waard zijn. • herwaarderingsreserve. Een reserve die gelijk is aan het verschil tussen de boekwaarde voor en na de herwaardering van het bezit van de onderneming. • wettelijke en statutaire reserves. Overige wettelijk verplichte en in de statuten van de bv vermelde reserves. • overige reserves. Alle overige reserves zoals dividend. • onverdeelde winst. Gerealiseerde winst die niet aan de aandeelhouders is uitgekeerd.
19.2.2.2 Lang vreemd vermogen
Het lang vreemd vermogen zijn leningen die voor een periode van langer dan een jaar zijn aangegaan zoals een (hypothecaire) geldlening.
19.2.2.3 Kort vreemd vermogen
Het kort vreemd vermogen bestaat uit middelen die de onderneming maar voor een periode korter dan een jaar beschikbaar heeft zoals salarissen en belastingen.
19.2.2.4 Overige passiva
• Voorziening: bedragen die geboekt worden om aan toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen zoals onderhoudsvoorziening en verzekeringen. • Achtergestelde leningen: leningen waarbij de schuldeiser bij een faillissement van de schuldenaar zijn uitgeleende geld terugontvangt nadat alle andere schuldeisers zijn betaald.
Niet toe te wijzen passiva: hieronder worden posten vermeld die niet zijn onder te brengen bij één van de andere posten van de overige passiva, zoals vreemd vermogen en schulden.
Voorbeeld
Balansen per 31 december Activa Huidig jaar Vorig jaar Passiva Huidig jaar Vorig jaar Vaste Activa Eigen vermogen 525.000 500.000 - Pand 650.000 675.000 - Inventaris 250.000 300.000 Lang lopende schulden - Hypotheek o/g 400.000 425.000 Vlottende activa - Lening inventaris 100.000 150.000 - Voorraden 155.000 125.000 - Debiteuren 75.000 85.000 Kort Lopende schulden - Crediteuren 130.000 140.000 Liquide middelen - Belastingen 45.000 35.000 - Bank 60.000 52.500 - Kas 10.000 12.500
Balans totaal 1.200.000 1.250.000 Balans totaal 1.200.000 1.250.00
19.3 WINST-EN-VERLIESREKENING
De winst-en-verliesrekening is onderdeel van de jaarstukken van de onderneming en wordt ook wel resultatenrekening of exploitatierekening genoemd. De winst-en-verliesrekening geeft een overzicht van alle inkomsten en uitgaven, afschrijvingen en bijzondere baten en lasten in een bepaalde periode. Dit overzicht eindigt met de over die periode behaalde nettowinst of -verlies.
De winst-en-verliesrekening geeft inzicht in de ontwikkeling van de winst van een onderneming over een bepaalde periode. Door de kostenstructuur en de omzettoename of -afname in bij te houden. Dit kan door kosten en bruto- en nettowinst uit te drukken in een percentage van de omzet. De omzet is dan 100 procent. Hierdoor kunnen verschillende periodes goed met elkaar vergeleken worden.
De winst-en-verliesrekening geeft belangrijke input voor het berekenen van diverse ratio’s die laten zien wat de financiële situatie van de onderneming is. De berekening van deze ratio’s komt in hoofdstuk 2 aan de orde.
Voorbeeld
STUKKEN INTERPRETEREN Winst-en-verliesrekening Huidig jaar Vorig jaar Omzet 840.500 775.000 Inkopen 325.000 310.000 Bruto marge 515.500 465.000 af: kosten Personeel 265.000 220.000 Huisvesting 27.500 25.000 Vervoermiddelen 30.500 15.000 Verkoopkosten 12.500 7.500 Algemene kosten 32.500 27.500 Kosten rente en leningen 17.500 22.500 Netto winst 130.000 147.500
19.4 TOELICHTING
Hoe groot de omvang van de toelichting is, hangt af van de grootte en soort van de onderneming. Bij een kleine rechtspersoon bestaat de toelichting uit een korte verwijzing waarop de balans tot stand is gebracht en het aantal werkzame personen. Bij een grotere onderneming is de toelichting ook groter, zelfs de betalingen aan de directie kunnen hierop vermeld staan.
Zaken die kunnen zijn opgenomen in de toelichting zijn: • aantal werkzame personen; • manier waarop de balans is opgesteld; • betalingen aan de directie; • leningen verstrekt aan de directie; • specificatie omzetbelasting; • specificatie opnamen en stortingen door directie.
Zeker in de situatie dat de onderneming een geldlening heeft verstrekt aan de ondernemer is de toelichting een belangrijk onderdeel van de jaarrekening bij een financieringsaanvraag. De ondernemer is immers rente verschuldigd over de geldlening waardoor hij minder budget ter beschikking heeft voor de financiering van een woning.
19.5 ACCOUNTANTSVERKLARING
Soms wordt een jaarrekening vergezeld door een accountantsverklaring. De accountant controleert de jaarrekening en schrijft daarover een onafhankelijk rapport. In grote lijnen zijn er vier soorten accountantsverklaringen: • een goedkeurende accountantsverklaring; • een afkeurende accountantsverklaring (wezenlijke bedenking); • een verklaring oordeelonthouding (wezenlijke onzekerheid); • een verklaring met beperking (materiële bedenking of onzekerheid).
Een accountantsverklaring is verplicht zodra de bv voldoet aan twee van de drie hieronder vermelde criteria: • balanstotaal is groter dan € 4.400.000; • netto-omzet is groter dan € 8.800.000; • gemiddeld aantal werknemers is groter dan 50.
ZZP-ers en IB-ondernemers zijn niet verplicht een door een accountant goedgekeurde jaarrekening te laten opmaken. De betrouwbaarheid van de cijfers kan hierdoor een probleem zijn bij de beoordeling van een financieringsaanvraag.
Geldverstrekkers houden voor wat betreft het aanleveren van een accountantsverklaring hun eigen voorwaarden erop na zoals blijkt uit onderstaande quote uit de productkaart van een hypotheekacceptant.
Uit de productkaart van een hypotheekacceptant: ‘Inkomen is de gemiddelde winst uit de onderneming over de laatste drie kalenderjaren. Aan te leveren bescheiden: jaarstukken (door de accountant ondertekend) en aangiften voor de inkomstenbelasting. Bank Y kan nog vragen om een prognose van de resultaten over het lopende boekjaar, een accountantsverklaring of de aanslagen inkomstenbelasting.’
STUKKEN INTERPRETEREN
Landschap met boerderij, Willem Roelofs (I), 1832 - 1897
20. FINANCIËLE RATIO’S
Voor de continuïteit van de onderneming is het van belang inzicht te hebben in hoe de onderneming er financieel voorstaat en welke ontwikkelingen er zijn waar te nemen. Door een vergelijking te maken tussen kengetallen van meerdere jaren ontstaat dit inzicht. Stijgt of daalt het eigen vermogen, stijgt of daalt het rendement, stijgt of daalt de liquiditeit? Hiervoor worden verschillende financiële ratio’s gebruikt.
De jaarstukken van een onderneming alleen zijn onvoldoende om te kunnen bepalen hoe een onderneming ervoor staat en hoe de toekomstige ontwikkeling zal verlopen. Onderlinge verbanden in de gegevens over een langere periode worden ratio’s of kengetallen genoemd. Aan de hand van de ratio’s kan een ondernemer bepalen of de onderneming in een stijgende of dalende lijn zit.
De meest gebruikte ratio’s zijn de liquiditeitsratio, de solvabiliteitsratio en de rentabiliteitsratio. Ze kunnen berekend worden met gegevens uit de balans en de winst-en-verliesrekening.
20.1 LIQUIDITEITSRATIO
De liquiditeit van de onderneming toont aan wat de mate is waarin de onderneming in staat is om aan haar direct (op korte termijn) opeisbare verplichtingen te kunnen voldoen. Dus in hoeverre kan de onderneming kortlopende schulden voldoen zonder daarvoor nieuwe financiële bronnen aan te hoeven boren?
De bekendste liquiditeitsratio is de current ratio. De formule luidt:
Vlottende activa Kort vreemd vermogen
Vlottende activa zijn zaken die binnen één jaar in geld omgezet kunnen worden. Ook liquide middelen vallen hieronder. Het kort vreemd vermogen bestaat uit middelen die de onderneming maar voor korter dan een korte tijd beschikbaar heeft.
Als de current ratio ≥ 1 is de onderneming voldoende liquide. Als de current ratio < 1 dan kan de onderneming in liquiditeitsproblemen komen. Als deze problemen van langdurige aard zijn, kan het uiteindelijk tot een faillissement leiden.
Balansen per 31 december Activa Huidig jaar Vorig jaar Passiva Huidig jaar Vorig jaar Vaste Activa Eigen vermogen 525.000 500.000 - Pand 650.000 675.000 - Inventaris 250.000 300.000 Langlopende schulden - Hypotheek o/g 400.000 425.000 Vlottende activa - Lening inventaris 100.000 150.000 - Voorraden 155.000 125.000 - Debiteuren 75.000 85.000 Kortlopende schulden - Crediteuren 130.000 140.000 Liquide middelen - Belastingen 45.000 35.000 - Bank 60.000 52.500 - Kas 10.000 12.500
Balanstotaal 1.200.000 1.250.000 Balanstotaal 1.200.000 1.250.000
Voorbeeld Bovenstaande balansen gebruiken wij om de current ratio’s te berekenen.
Huidig jaar: Vlottende activa/ kort vreemd vermogen = voorraden + debiteuren + bank + kas/crediteuren + belastingen = (€ 155.000 + € 75.000 + € 60.000 + €10.000)/(€ 130.000 + € 45.000) = € 300.000/€ 175.000 = 1,71.
Vorig jaar:
FINANCIËLE RATIO’S Vlottende activa/ kort vreemd vermogen = voorraden + debiteuren + bank + kas/crediteuren + belastingen = (€ 125.000 + € 85.000 + € 52.500 + € 12.500)/(€ 140.000 + € 35.000) = € 275.000/€ 175.000 = 1,57.
De conclusie is dat de liquiditeit is toegenomen en de onderneming beter aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen. Dit levert zekerheid op voor de ondernemer. De onderneming is immers goed in staat om de rekeningen te voldoen en een faillissement als gevolg hiervan is niet in zicht.
20.2 SOLVABILITEITSRATIO
De solvabiliteit van een onderneming geeft aan in welke mate de onderneming aan haar verplichtingen kan voldoen. Hoe afhankelijk is de onderneming van haar schuldeisers?
De formule luidt: Eigen vermogen x 100% totaal vermogen
Eigen vermogen is het bedrag dat de ondernemer zelf in zijn onderneming heeft geïnvesteerd. De solvabiliteitsratio geeft dus weer hoe het eigen vermogen zich verhoudt tot het totaal vermogen. Ook de verhouding tussen het vreemd vermogen en het totaal vermogen is op deze manier te bepalen.
Een geldverstrekker ziet een onderneming -afhankelijk van de branche en ondernemingsvorm- als ‘financieel gezond’ bij een solvabiliteitsratio van tussen de 25 en 40 procent.
Voorbeeld Bovenstaande balansen gebruiken wij om de solvabiliteitsratio’s te berekenen.
Huidig jaar: (Eigen vermogen/totaal vermogen) x 100% = (€ 525.000/€ 1.200.000) x 100% = 43,75 procent.
Voorgaand jaar: (Eigen vermogen/totaal vermogen) x 100% = (€ 500.000/€ 1.250.000) x 100% = 40 procent.
De conclusie is dat de solvabiliteit van de onderneming goed is en is toegenomen. Dat betekent dat de onderneming goed in staat is aan haar verplichtingen te voldoen. Met name in economisch gezien moeilijker tijden is een solvabiliteitsratio van rond de 25 procent niet prettig. De inkomsten kunnen dan immers teruglopen terwijl de schuldenlast gelijk blijft.
Uit een productkaart van een hypotheekacceptant: ‘De maximale bevoorschotting kan beperkt worden of een renteopslag kan worden toegepast, als bijvoorbeeld het eigen vermogen afneemt of negatief is, als de solvabiliteit van de onderneming slecht is.’
‘De maximale verstrekkingsnorm bedraagt, afhankelijk van de situatie, maximaal 80 tot 103 procent van de marktwaarde. Er kan meer dan 80 procent van de marktwaarde worden gefinancierd indien ten minste over de laatste drie jaar goede jaarcijfers worden overlegd. Bij drie jaar goede cijfers met een positief en stijgend eigen vermogen is een verstrekking van 95 procent van de marktwaarde mogelijk.’
‘Het inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf dient te worden aangetoond middels de volledige jaarrekeningen en de aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen drie boekjaren. Tevens dienen een prognose voor het lopende boekjaar, de aanslagen inkomstenbelasting over de laatste drie jaar en een recent uittreksel handelsregister overlegd te worden. Indien het inkomen van het laatste jaar lager is dan de voorgaande jaren dient dit laagste inkomen opgevoerd te worden. Uit de jaarcijfers dient te blijken dat de solvabiliteit en de liquiditeit van het bedrijf op orde zijn. Indien er sprake is van een negatief eigen vermogen, dient de aanvraag voorgelegd te worden aan X-Bank’.
20.3 RENTABILITEITSRATIO
De rentabiliteit laat het verband zien tussen het financiële resultaat van de onderneming en het geïnvesteerde vermogen. Hierbij gaat het zowel om de kosten van het vermogen, als ook om de opbrengst van het totale vermogen. Deze wordt dan uitgedrukt in een percentage van het totale vermogen. Dit wordt de rentabiliteit van het totaal vermogen (RTV) genoemd.
De formule luidt:
Nettowinst + betaalde rente x 100% Totaal vermogen)
FINANCIËLE RATIO’S Op deze manier is ook de rentabiliteit van het eigen vermogen te berekenen. Deze ratio noemt men de rentabiliteit van het eigen vermogen (REV).
De formule luidt:
Nettowinst x 100% Eigen vermogen
Voorbeeld Bovenstaande balansen gebruiken wij om de RTV te berekenen.
Huidig jaar: (€ 130.000 + € 17.500)/€ 1.200.000) x 100% = (€ 147.500/€ 1.200.000) x 100% = 12,3 procent.
Voorgaand jaar: (€ 147.500 + € 22.500/€ 1.250.000) x 100% = (€ 170.000/€ 1.250.000) x 100% = 13,6 procent.
De conclusie is dat het rendement op het totaal vermogen is gedaald.
Voorbeeld Bovenstaande balansen gebruiken wij om de REV te berekenen.
Huidig jaar: (€ 130.000/€ 525.000) x 100% = 24,8 procent.
Vorig jaar: (€ 147.500/€ 500.000) x 100% = 29,5 procent.
De conclusie is dat het rendement op het eigen vermogen is gedaald.
Drie koeien aan een plas, Willem Roelofs (I), 1832 - 1897
21. VAN COMMERCIËLE WINST NAAR BELASTBAAR BEDRAG
In dit hoofdstuk behandelen wij de stappen die gezet moeten worden om van de commerciële winst van de bv naar de fiscale winst te komen. Dit hoofdstuk kunt u het best bestuderen samen met de module ‘IB-ondernemer en dga’.
Voor de berekening van de verschuldigde Vpb kan meestal worden uitgegaan van de opgestelde commerciële jaarrekening. Hierop worden vervolgens aanpassingen gemaakt, voor zover fiscale wet- en regelgeving dit voorschrijven. Op de fiscale winst kunnen dan nog de giften aan algemeen nut beogende instellingen in aftrek worden gebracht tot 50 procent van de winst, met een maximum van € 100.000.
Na verwerking van de verschillen tussen de commerciële en de fiscale jaarrekening en de aftrekbare giften blijft de belastbare winst over. Indien en voor zover de vennootschap fiscaal compensabele verliezen heeft, kunnen deze verliezen worden verrekend met de (positieve) belastbare winst. Na verwerking van deze verrekening resteert het belastbare bedrag. Als het belastbare bedrag positief is, is hierover Vpb verschuldigd. Over het belastbaar bedrag tot € 200.000 is in 2025 19 procent verschuldigd en over het meerdere 25,80 procent.
Als het belastbare bedrag negatief is, dan kan dit verlies op dit moment in principe worden verrekend met positieve belastbare bedragen van het voorgaande jaar en de komende negen jaren.
In een schema ziet bovenstaande er als volgt uit:
Verschil commerciële en fiscale jaarrekening +/-
Saldo fiscale winst Aftrekbare giften -/-
Belastbare winst Compensabele verliezen -/-
Belastbaar bedrag
Boek 4.indb 299
VAN COMMERCIËLE WINST NAAR BELASTBAAR BEDRAG
17-03-2025 14:35
22. DE OUDEDAGSRESERVE
Vanaf 2023 mag een IB-ondernemer niet meer doteren aan de oudedagsreserve (OR). Waarden, die tot dat moment zijn gereserveerd mogen worden afgewikkeld conform de oude wetgeving van vóór 2023.
In dit hoofdstuk laten wij u het gevolg zien van de oudedagsreserve op de solvabiliteitsratio van een onderneming van een IB-ondernemer.
Sinds 2001 is het verplicht om de voorziening voor de oudedagsreserve daadwerkelijk op de balans op te nemen. Veel IB-ondernemers zien de OR als instrument om de belastingdruk van dat moment te verminderen. Echter, hiermee gaan zij voorbij aan de belastingclaim die op de OR drukt en het risico dat er geen adequate oudedagsvoorziening is omdat het geld niet daadwerkelijk is gereserveerd.
Voorbeeld OR op balans
In onderhavige balansen is de OR niet daadwerkelijk afgesplitst van het eigen vermogen van de onderneming. De OR is opgenomen in de toelichting op de jaarrekeningen.
IB-ondernemer
Balansen per 31 december Activa Huidig jaar Vorig jaar Passiva Huidig jaar Vorig jaar Vaste Activa Eigen vermogen 104.014 102.725 - Inventaris 45.150 35.250 - Vervoermiddelen 30.175 20.500 Langlopende schulden - Lening inventaris 20.000 25.000 Vlottende activa - Voorraden 69.575 60.475 Kortlopende schulden - Debiteuren 25.125 35.950 - Crediteuren 66.561 48.875 - Belastingen 20.150 15.800 Liquide middelen Bank 30.450 29.875 Kas 10.250 10.350
Balanstotaal 210.725 192.400 Balanstotaal 210.725 192.400 301
Bij de beoordeling van een financieringsaanvraag is het eigen vermogen van de onderneming een aanwijzing voor de capaciteit om financiële tegenslagen op te kunnen vangen. De solvabiliteitsratio is een bruikbaar kengetal. De solvabiliteitsratio is in deze balans: Solvabiliteit vorig jaar = 102.725/192.400 = 53,3 procent en solvabiliteit huidig jaar = 104.014/210.725 = 49,4 procent.
Voorbeeld In de volgende balansen is de OR wel afgesplitst eigen vermogen en duidelijker zichtbaar.
IB-ondernemer
Balansen (1 x 1.000) Activa Huidig jaarVorig jaar Passiva Huidig jaar Vorig jaar Vaste Activa Eigen vermogen 54.050 60.950 - Inventaris 45.150 35.250 OR 49.964 41.775 - Vervoermiddelen 30.175 20.500 Totaal eigen vermogen 104.014 102.725
Vlottende activa Langlopende schulden - Voorraden 69.575 60.475 - Lening Inventaris 20.000 25000 - Debiteuren 25.125 35.950 Kortlopende schulden Liquide middelen - Crediteuren 66.561 48.875 - Bank 30.450 29.875 - Belastingen 20.150 15.800 - Kas 10.250 10.350
Balanstotaal 210.725 192.400 Balanstotaal 210.725 192.400
Door de OR rust er een fiscale claim op een gedeelte van het eigen vermogen. Daarnaast neemt de hoogte van de OR in de loop van de jaren verder toe door de dotaties en het gedeelte van het eigen vermogen waarop geen fiscale claim rust, neemt af. Wat gebeurt er als deze trend zich voortzet?
Voorbeeld
DE OUDEDAGSRESERVE IB-ondernemer
Balansen (1 x 1.000) Activa Huidig jaar Vorig jaar Passiva Huidig jaar Vorig jaar4 Vaste Activa Eigen vermogen 5.264 12.164 - Inventaris 45.150 35.250 OR 98.750 90.561 - Vervoermiddelen 30.175 20.500 Totaal eigen vermogen 104.014 102.725
Vlottende activa Langlopende schulden - Voorraden 69.575 60.475 - Lening inventaris 20.000 25.000 - Debiteuren 25.125 35.950 Kortlopende schulden Liquide middelen - Crediteuren 66.561 48.875 - Bank 30.450 29.875 - Belastingen 20.150 15.800 - Kas 10.250 10.350
Balanstotaal 210.725 192.400 Balanstotaal 210.725 192.400
De volgende dotatie aan de OR wordt beperkt door de fiscale regel dat de OR niet hoger mag zijn dan het eigen vermogen van de onderneming. Bij een gelijkblijvende winst en gelijkblijvend eigen vermogen van € 104.014 waarvan € 98.750 bestaat uit opgebouwde OR is de maximale toevoeging € 5.264 (€ 104.014 -/- € 98.750).
Voor de beoordeling van de cijfers van de onderneming in geval van de financieringsaanvraag is een fiscale claim ontstaan op het gehele vermogen van de onderneming. Stel dat de belastingdruk 49,50 procent is bij afbouw van de OR, dan betekent dit een eigen vermogen van € 104.014 minus 49,50 procent.
Bij het beoordelen van een financieringsaanvraag is het van belang de stand van de OR ten opzichte van het eigen vermogen in beeld te brengen in verband met de daarop rustende latente belastingclaim.
In de situatie waarin de opgebouwde OR gelijk is aan het ondernemingsvermogen, is er geen opbouw van de voorziening meer mogelijk en vervalt deze fiscale aftrekpost.
Een ondernemer die jaarlijks belastingdrukverlaging heeft genoten door OR op te bouwen en tegen het plafond van het eigen vermogen aanloopt, gaat er fiscaal minder of niet op vooruit in het geval hij een eigenwoningschuld aangaat en de rente aftrekt.
Breitner RP-T-1999-4
23. DGA EN REKENING-COURANTVERHOUDING
Melvin is enige jaren geleden gestart met zijn onderneming. Hij verkoopt hoogwaardige meubels en interieurartikelen. Melvin wil een eigen woning kopen en doet hiervoor een financieringsaanvraag. Hij levert onder andere de balans en de winst-en-verliesrekening over de laatste drie jaar aan.
Wij gebruiken de cijfers van de afgelopen twee jaar voor dit voorbeeld.
Voorbeeld BV Melvin
Balansen (1 x 1.000) Activa Huidig jaar Vorig jaar Passiva Huidig jaar Vorig jaar4 Vaste Activa Eigen vermogen - Inventaris 45.500 35.000 Aandelenkapitaal 18.000 18.000 - Vervoermiddelen 30.500 20.500 Winstreserve 105.000 85.000 Totaal eigen vermogen 123.000 103.000 Vlottende activa - Voorraden 20.000 25.000 Langlopende schulden - Debiteuren 25.000 50.000 - Lening inventaris 30.000 35.000 - RC dga 35.000 10.000 Kortlopende schulden Liquide middelen - Crediteuren 15.000 17.500 - Bank 10.000 15.000 - Belastingen 3.000 5.000 - Kas 5.000 5.000
Balanstotaal 171.000 160.500 Balanstotaal 171.000 160.500
Winst-en-verliesrekening Huidig jaar Vorig jaar Omzet 425.000 375.000 af: kosten Personeel 175.000 150.000 Salaris directie 100.000 100.000 Huisvesting 27.000 25.000 Vervoermiddelen 30.500 15.000 Verkoopkosten 17.500 12.500 Algemene kosten 32.500 27.500 Kosten rente en leningen 17.500 22.500 Nettowinst 25.000 22.500 af: Vennootschapsbelasting -5.000 Toevoeging reserves 20.000
De vermogensverhouding ziet er prima uit, de solvabiliteit bedraagt 123.000/171.000 = 71,9 procent. De current ratio bedraagt 95.000/18.000 = 5,3 en dat is ook een prima score. Het rendement op het eigen vermogen bedraagt 20.000/1.230 = 16,3 procent. Ook daarmee kan Melvin tevreden zijn.
Melvin heeft een rekening-courantverhouding met zijn bv. Uit de toelichting op de jaarrekening blijkt dat Melvin dit jaar € 25.000 extra heeft opgenomen. Het loon dat Melvin uit zijn bv ontvangt, is op zich toereikend om de financiering te kunnen aanvragen. U vraagt door op de extra privéopname door Melvin van € 25.000. Melvin geeft aan dat hij met zijn uitgavenpatroon van zijn salaris uit de bv onmogelijk kan rondkomen en dat hij het bedrag weer van plan is terug te storten in de bv. Dat betekent dat de privéopname via de rekening-courant eigenlijk nettosalaris is. De cijfers komen nu in een ander daglicht te staan. € 25.000 nettosalaris is ongeveer € 50.000 brutosalaris. De winst-en-verliesrekening komt er dan anders uit te zien. De winst wordt een verlies van € 25.000 -/- € 50.000 = -/- € 25.000.
De financieringsaanvraag staat nu in een heel ander daglicht.
DGA EN REKENING-COURANTVERHOUDING
24. PRAKTIJKVOORBEELDEN TER INSPIRATIE
24.1 PRAKTIJKVOORBEELD I
Harrie en Josézijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Zij kopen in 2015 hun eerste eigen woning voor € 450.000. Joséwerkt als receptioniste in vast dienstverband en kan op haar inkomen € 150.000 lenen. Harrie heeft 13 maanden geleden zijn vaste baan als consultant opgezegd en is als ZZP-er verdergegaan. Zijn salaris was € 65.000 bruto per jaar. In het eerste jaar als ZZP-er heeft Harrie € 100.000 bruto omzet behaald. De kosten bedroegen maar € 5.000. Hij heeft voor zes maanden opdrachten die eenzelfde beeld geven.
Harrie en Joséhebben € 75.000 spaargeld. Dat geld willen zij buiten hun aankoopbudget houden. Ze gaan er wel voor een bedrag van € 60.000 van verbouwen. Ze geven er de voorkeur aan dat hun geld flexibel besteedbaar blijft en willen het daarom niet in een depot storten.
Aan de hand van de CBI-berekening van hun adviseur en omdat er sprake is van een zeer grote resterende ruimte is de geldverstrekker bereid de benodigde hypothecaire geldlening te verstrekken. LTV en LTI gaven beide geen beperkingen. Evenmin was er een verplichting tot een bouwdepot. Na de verbouwing heeft de adviseur op eigen initiatief een nieuw taxatierapport naar de geldverstrekker gestuurd waaruit blijkt dat de geprognosticeerde waarde na verbouwing behaald is. Ook zijn de jaarstukken van het tweede jaar van Harrie op eigen initiatief aangereikt ter verdere bevestiging.
24.2 PRAKTIJKVOORBEELD II
John is chirurg en verlaat zijn loondienstverband om toe te treden tot een bestaande maatschap. Zijn voorschot bedraagt € 20.000 bruto per maand. Elly heeft een vaste baan als radiologe en verdient parttime bruto per jaar € 50.000. John en Elly willen € 800.000 lenen voor een eerste aankoop van een eigen woning. Zij hebben geen eigen vermogen omdat zij dat onlangs hebben gebruikt voor de participatie in de maatschap.
Omdat John pas twee maanden in de maatschap zit, is er eigenlijk geen bestendig inkomen te definiëren. Toch hebben zij de hypothecaire geldlening rond gekregen. Algemene gegevens over het inkomen van chirurgen toonden immers aan dat John ook in loondienst had John voldoende inkomen.
24.3 PRAKTIJKVOORBEELD III
Een ondernemer heeft al jarenlang een eenmanszaak. Wat hij verdient, neemt hij ook op. Het eigen vermogen is daarom nul. Echter, vorig jaar heeft hij een verbouwing aan zijn eigen woning gedaan en heeft deze zelf betaald. Daardoor is het vermogen van de onderneming negatief geworden. Daarnaast heeft hij meerdere jaren dotaties gedaan aan de OR. Als gevolg daarvan is het eigen vermogen toch positief is (vermogen + OR = eigen vermogen). Negatief eigen vermogen is vaak een ‘showstopper’. Echter, in dit geval niet. De ondernemer kon zijn eigenwoningschuld met succes oversluiten.
PRAKTIJKVOORBEELDEN TER INSPIRATIE
Populieren, Willem Roelofs (I), , 1832 - 1897
25. TEN SLOTTE
Een hypothecair advies aan een ondernemer blijkt in de praktijk meer haken en ogen te hebben dan bij een advies aan een werknemer. Dit komt voornamelijk doordat de ondernemer zijn inkomen haalt uit zijn onderneming. Op inkomensgebied heeft een ondernemer met andere krachten te maken dan een werknemer. Voor de hypothecair planner is het van belang dat hij zelf de onderneming van zijn klant kan ‘lezen’. Hiervoor zijn kennis en de competentie nodig om die kennis ook daadwerkelijk toe te passen en met de ondernemer in gesprek te komen.
In deze module hebben wij u hiervoor handvatten gegeven. Wij hebben dit gedaan door praktische voorbeelden af te wisselen met theorie. Op deze manier bent u van nog grotere toegevoegde waarde voor uw ondernemende klant. U bent als het ware een sparringpartner voor hem. Ten slotte komt u beter beslagen ten ijs tijdens uw gesprek met de geldverstrekker. Samen met de acceptant van de geldverstrekker kunt u de cijfers van de onderneming interpreteren en een passende hypotheekconstructie aan de klant adviseren.
DEEL 13 — WONEN
INLEIDING
Voor u ligt de module ‘Wonen’. Deze module is een onderdeel van de opleiding tot Erkend Hypothecair Planner en is bedoeld om u praktische handvatten te geven rond financiële acties die met de eigen woning te maken hebben zoals aankoop, verbetering of onderhoud, verduurzaming en verkoop. Aan de hand van praktijkvoorbeelden werken wij enkele scenario’s uit. Hierbij komen onder ander financieren en verbouwen onder NHG, verschillende woonvormen en klimaatverandering en eigen woning aan bod.
Voor onderliggende kennis en kunde verwijzen wij u naar de modules ‘CBI’, ‘Financieren en Beleggen’ en ‘Fiscaliteit eigen woning’. De praktijkvoorbeelden hebben een enigszins integratief karakter. Daar waar u een tekst tweemaal tegenkomt, hebben we ervoor gekozen deze op twee verschillende plaatsen op te nemen voor de leesbaarheid.
Wij wensen u veel plezier bij het bestuderen van deze module!
NB. In de module gebruiken we afwisselend verschillende aanspreekvormen voor de hypothecair planner. Uiteraard bedoelen we daarmee altijd iedere hypothecair planner, ongeacht geslacht of gender.
In de uiterwaarden van de IJssel, Willem Roelofs (I), 1870 - 1897
26. ADVIESPROCES AANKOOP EIGEN WONING
Sinds de aanpassingen in de maximale hypotheekverstrekking, de gewijzigde fiscale regels en de krapte op de woningmarkt lijkt het erop dat meer consumenten eerst bij een hypothecair planner langsgaan om te horen wat hun financiële mogelijkheden zijn. Het is in elk geval wenselijk. De klant neemt op deze manier de tijd om te bepalen welk budget hij tot zijn beschikking heeft voor de aankoop. In de module ‘CBI’ vindt u hierover meer informatie en rekenvoorbeelden.
Als hypothecair planner kunt u bovendien van toegevoegde waarde zijn bij het proces dat van start gaat op het moment dat uw klant een geschikte (bestaande) woning heeft gevonden en een bod hierop wil uitbrengen. Overigens zijn wij ons er ten volle van bewust dat u naast hypothecair planner geen (aankoop)makelaar bent.
Veel hypothecair planners begeleiden hun klanten bij het aankopen van een woning. Sinds enige tijd bestaat de opleiding tot erkend aankoopbemiddelaar. In deze opleiding leert u onder andere goed op de hoogte te zijn van lokale marktomstandigheden, de marktwaarde van de woning bepalen, juridische regels met betrekking tot koop, bouwkundige gebreken herkennen en onderzoeken te doen naar bijvoorbeeld de bestemming van de woning of naar bodemverontreiniging.
26.1 ZOEKEN
Voordat een klant concreet op zoek kan naar een woning zal hij moeten bepalen wat hij wil. Er is immers zoveel keus: • bestaand of nieuw kopen; • in een stad, dorp of landelijk wonen; • welke voorzieningen moeten er zijn? Winkels, school, dichtbij werk, dichtbij familie, sportfaciliteiten enzovoort; 319
• welke plannen zijn er rond gezinsuitbreiding; • tuin, eigen parkeerplaats, schuur, werkruimte; • vrijstaande woning of een rijtjeswoning, bungalow of aanleunwoning?
26.2 BUDGET BEPALEN
Samen met de klant kunt u een overzicht maken van zijn inkomsten en uitgaven. De klant krijgt dan inzicht in wat hij te besteden heeft voor de nieuwe woning. Aan de hand van het budget kunt u bepalen of het CBI voldoende is om de hypotheeklasten te betalen. Zie Bijlage 1 van deze module voor een budgetteringsformulier.
26.3 BIEDEN ANNO 2025
26.3.1 Inleiding
Als hypothecair planner is het belangrijk om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen in het biedproces bij woningaankopen. In 2025 blijft het biedproces grotendeels gelijk aan voorgaande jaren, maar er zijn enkele significante wijzigingen en trends die invloed hebben op kopers en hun financieringsmogelijkheden.
26.3.2 Biedproces in 2025
26.3.2.1 Open en gesloten biedingen
Open biedingen: Bieden gebeurt transparant, waarbij biedingen zichtbaar kunnen zijn voor andere partijen.
Gesloten biedingen (verkoop bij inschrijving): Geïnteresseerden dienen een bod in vóór een vastgestelde deadline, zonder inzicht in andere biedingen. Dit leidt vaak tot strategisch overbieden.
De vraag is of de vraagprijs een reële vraagprijs is. Wat is de woningwaarde? De klant heeft wellicht een iets te romantisch beeld van de woning. U kunt daarom meegaan met een bezichtiging door uw klant als iemand die niet emotioneel betrokken is bij de woning en objectief onderzoekt in welke staat de woning verkeert. Samen met de hypotheeksom die u heeft berekend voor de klant komt deze nog beter beslagen ten ijs.
De gemiddelde woningwaarde is op te vragen bij het kadaster. Bij het kadas320 ter is sinds 2015 ook de WOZ-waarde van woningen op te vragen.
ADVIESPROCES AANKOOP EIGEN WONING De klant kan besluiten de woningwaarde tegen betaling te laten berekenen door Calcasa Online. Calcasa Online gebruikt voor de waardebepaling van de woning een geavanceerde en nauwkeurige meetmethode: een Automated Valuation Model. Het Calcasa AVM analyseert de locatie en kenmerken van de woning en relateert dit aan vergelijkbare verkopen. De uitkomst is een indicatie van de actuele woningwaarde.
Als de koper echt zeker wil zijn van de woningwaarde vóór zijn eerste bod dan kan hij ervoor kiezen een aankooptaxatie te laten verrichten. Hier zijn kosten aan verbonden. Soms accepteert de geldverstrekker deze aankooptaxatie als taxatierapport voor de financieringsaanvraag.
Bij wat oudere woningen is soms een bouwkundig rapport nodig en onder NHG zelfs onder voorwaarden vereist (zie hiervoor de module ‘Financieren en Beleggen’).
26.3.2.2 Overbieden: markttrends
Hoewel de woningmarkt enigszins is afgekoeld, blijft overbieden gangbaar, vooral in gewilde regio’s.
In 2024 bedroeg het gemiddelde overbiedingspercentage tussen drie en vijf procent, maar in steden als Utrecht kon dit oplopen tot 11 procent.
26.3.3 Veranderingen in financieringsmogelijkheden
26.3.3.1 Startersvrijstelling overdrachtsbelasting
Per 2026 is de grens voor de startersvrijstelling € 555.000 (in 2025 was dat € 525.000). Starters tussen 18 en 35 jaar betalen geen overdrachtsbelasting als de woningwaarde onder deze grens blijft.
26.3.3.2 Nationale Hypotheek Garantie
De NHG-grens is in 2026 € 470.000 (met energiebesparende voorzieningen: € 498.200). De NHG-premie is verlaagd naar 0,4 procent van de hypotheeksom. Alleenstaanden met een bruto-inkomen van minimaal € 28.000 kunnen € 1.000 extra lenen. De totale extra hypotheekruimte voor alleenstaanden in 2025 is € 17.000.
26.3.4 Duurzaamheid en energielabels
Woningen met een hoger energielabel zijn steeds gewilder. Kopers zijn bereid meer te betalen voor een energiezuinige woning, vanwege lagere energiekosten en betere financieringsmogelijkheden.
26.3.5 Stappen in het biedproces
26.3.5.1 Bezichtiging en bieding
Kopers doen een bod op basis van marktanalyse, woningwaarde en financieringsmogelijkheden.
26.3.5.2 Ondertekening voorlopige koopovereenkomst
Het contract is bindend, tenzij er ontbindende voorwaarden (zoals financieringsvoorbehoud) zijn opgenomen.
In de voorlopige koopovereenkomst zijn ontbindende voorwaarden opgenomen. Een vaak opgenomen ontbindende voorwaarde is het niet rond kunnen krijgen van de financiering onder NHG of tegen een bepaalde maximale brutomaandlast.
Het is verstandig om dergelijke ontbindende voorwaarden ook aan de biedingen te verbinden.
26.3.5.3 Financiering regelen
Kopers krijgen doorgaans enkele weken om de hypothecaire geldlening rond te krijgen.
26.3.5.4 Notariële akte en overdracht
De eigendomsoverdracht vindt plaats bij de notaris binnen een maximale termijn van vier maanden.
Als hypothecair planner is het essentieel om klanten goed te informeren over het biedproces en de financieringsmogelijkheden. De ontwikkelingen in 2025, zoals de verhoging van de NHG-grens en de startersvrijstelling, bieden kansen voor sommige kopers. Strategische begeleiding kan kopers helpen een realistisch en haalbaar bod uit te brengen.
26.4 VOORLOPIG KOOPCONTRACT
ADVIESPROCES AANKOOP EIGEN WONING Als koper en verkoper het eens zijn geworden over de koopprijs en de roerende zaken dan kan het voorlopige koopcontract worden getekend nadat de drie dagen bedenktijd (bij nieuwbouw zeven dagen) voor de koper zijn verstreken. Op grond van de Wet koop onroerende zaken heeft de koper drie dagen bedenktijd om zonder opgave van reden af te zien van de koop. Daarnaast bepaalt de wet dat de koop van een onroerende zaak alleen schriftelijk kan plaatsvinden.
Voorbeeld bedenktijd Flip heeft na lang wachten zijn droomhuisje gevonden. Een monumentaal pandje in hartje Den Burg op het mooiste Waddeneiland, Texel. De huisjes zijn erg gewild dus hij moest snel handelen. Op maandagochtend kwam hij erachter dat het te koop stond. Maandagmiddag kon hij het al bezichtigen en maandagavond had hij zijn eerste bod uitgebracht. Na nog wat heen en weer bieden, kwamen hij en de koper op donderdagmiddag tot een akkoord.
De verkopende makelaar liet er geen zand over groeien. Vrijdagmiddag had Flip de verkopende makelaar al op de thee met de koopakte. De verkoper had de koopakte al ondertekend. Om drie uur ‘s middags had ook Flip zijn handtekening gezet.
De makelaar maakte Flip er nog wel op attent dat Flip tot en met de komende dinsdag 00.00 uur de tijd had om zonder de reden door te geven de koop van de woning te ontbinden. Het was allemaal zo snel gegaan. De koper van een bestaande woning moet zelf onderzoeken of er gebreken zijn aan de woning. En natuurlijk is de verkoper verplicht om de koper op de hoogte te brengen van de gebreken.
Aandachtspunten bij het koopcontract zijn: • koopprijs • ontbindende voorwaarden • datum van overdracht • kadastrale gegevens.
In verband met de tijd die nodig is om een financieringsaanvraag geaccordeerd te krijgen is het belangrijk om een ruime periode aan te houden in de ontbindende voorwaarden. Twee maanden is al snel te kort.
Voorbeeldtekst ontbindende voorwaarde ‘Koper zal zo spoedig mogelijk een bouwtechnische keuring laten verrichten door Keuring- en Adviesbureau De Spijker op z’n Kop. Koper heeft het recht om op grond van het rapport van deze keuring zonder enige nadere toelichting, de koopovereenkomst te ontbinden. De ontbinding moet worden ingeroepen per brief die aangetekend met handtekening voor ontvangst wordt verzonden, uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat de aankoopkeuring in opdracht van koper is verricht.’
Voordat de eigendomsoverdracht en de hypotheekverstrekking plaatsvinden bij de notaris kan de klant nog een aantal zaken controleren zoals: • energieleverancier; • welke soort energie, bijvoorbeeld zonnepanelen; • schadeverzekeringen zoals opstal-, inboedel-, aansprakelijkheids-, woonlasten‑, rechtsbijstands- en overlijdensrisicoverzekering; • zelf verhuizen of met een verhuizer; • sleutelverklaring om alvast in de woning aan de gang te gaan.
26.5 FINANCIERINGSBEGROTING
Aan de hand van een financieringsbegroting wordt duidelijk hoeveel geïnvesteerd moet worden in de aankoop van de woning. Hierbij is er verschil tussen aankoop van een bestaande en een nieuwbouwwoning.
De financieringsbegroting levert een eerste indicatieve hypotheeksom op. De hypotheeksom levert een eerste indicatieve maandlast op. Dit is een eerste controle of het beschikbare budget daadwerkelijk aanwezig is. Als blijkt dat dit niet het geval is, zal de klant naar een andere woning op zoek moeten of zijn uitgavenpatroon moeten bijstellen door besparingen door te voeren. Wij verwijzen hiervoor naar de module ‘CBI’.
26.5.1 Bestaande bouw
26.5.1.1 Bepalen benodigde hypotheeksom bestaande bouw
Wij houden rekening met de meest voorkomende kosten:
Koopprijs € ..........
Kosten koper • 0/2% overdrachtsbelasting € .......... • notariskosten aankoop € ..........
ADVIESPROCES AANKOOP EIGEN WONING Hypotheekkosten • notariskosten hypotheek € .......... • taxatiekosten € .......... • afsluitkosten hypotheek € .......... Subtotaal € ..........
Facultatief • kosten NHG € .......... • kosten verbouwing € ..........
Totaal benodigd aankoop woning € ..........
26.5.2 Nieuwbouw
26.5.2.1 Bepalen benodigde hypotheeksom nieuwbouw
• prijs vrij op naam € .......... • kosten meerwerk € .......... • kosten aanleg tuin € .......... • bouwrente € .......... • rente tijdens bouw € .......... • notariskosten hypotheek € .......... • afsluitkosten hypotheek € .......... • Subtotaal € ..........
• Facultatief • kosten NHG € ..........
Totaal benodigd aankoop woning € ..........
26.6 NOTARIS
Vlak vóór de afspraak bij de notaris vindt een laatste controle van de woning plaats. De koper checkt of de woning wordt opgeleverd zoals is overeengekomen. Daarbij controleert hij ook de lijst met roerende zaken.
Zowel de transportakte als de hypotheekakte passeren bij de notaris. Bij aankoop van een bestaande woning mag de koper bepalen bij welke notaris dat gebeurt. Het loont om een prijsvergelijking te maken want notaristarieven zijn vrij. Websites zoals DeGoedkoopsteNotaris.nl, Notaristarieven. nl, ZoekjeNotaris.nl of EenGoedeNotaris.nl zijn daar onder andere voor geschikt.
Bij de aankoop van een nieuwbouwwoning heeft de koper geen vrije keuze van notaris. Hij zal dan gebruik moeten maken van de notaris die het project heeft toegewezen gekregen.
De klant kan meteen andere zaken regelen bij het passeren van de twee aktes zoals samenlevingscontract, testament, algehele notariële volmacht of levenstestament. Een en ander al naar gelang dit van toepassing is voor hem.
26.7 PRAKTIJKVOORBEELD MARGREETH EN FABIAN DEEL 1
Let op: deze casus speelt zich af in het verleden en is bedoeld om het proces van hypothecaire planning te verduidelijken bij bepaalde life events.
Margreeth is alleenstaand en werkt bij de plaatselijke bloemenzaak als bloemist in Haastrecht. Zij verdient € 25.000 bruto per jaar. Zij houdt van het buitenleven en woont daarom op een woonboot die net buiten Haastrecht op de Vlist ligt. Voor de aankoop van de woonboot op 1 januari 2009 heeft zij € 20.000 geleend bij haar grootvader. Zij betaalt over de geldlening 3,5 procent rente per jaar. Haar woonboot valt onder het begrip eigen woning van de Wet IB 2001 omdat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van de Woningwet en hij duurzaam aan één plaats is gebonden. De woonboot wordt door de gemeente Haastrecht als een onroerende zaak gezien en daarom wordt het eigenwoningforfait berekend over de vastgestelde WOZ-waarde. Margreeth kan dus de betaalde rente over de geldlening als inkomsten uit eigen woning aftrekken van de belasting. Bij haar grootvader valt de geldlening als vordering in box 3. Hij ontvangt de rente belastingvrij.
Een voordeel van werken in een bloemenzaak is de vele mensen die dagelijks in de winkel komen. Zo ook Fabian, een jongeman die al enige weken wekelijks bij haar in de winkel bloemen koopt voor zijn moeder. Ze spreken met elkaar af wat te gaan drinken en van het een komt het ander. Fabian trekt op 1 januari 2013 bij Margreeth in.
Fabian werkt als beginnend online marketing medewerker bij een gieterij. Zijn brutojaarsalaris bedraagt € 45.000. Hij heeft op 1 juli 2004 een kapitaalverzekering afgesloten met een looptijd van 35 jaar en een maandpremie van € 175. De premie wordt betaald uit een schenking onder uitsluitingsclausule die Fabian in 2014 van zijn vader heeft ontvangen. De uitsluitingsclausule geldt dus bij overlijden en bij relatiebreuk. Het bedrag van de schenking staat op een vrij toegankelijke bankrekening bij de ABC-Bank. De rentevergoeding wordt jaarlijks bij het saldo bijgeschreven. De bedoeling van de kapitaalverzekering was om alvast te sparen voor een 326 eigen woning in de toekomst. De toenmalige adviseur had hem geadviseerd
ADVIESPROCES AANKOOP EIGEN WONING hiermee op dat moment te beginnen zodat hij de verzekering later kon gebruiken voor het aflossen van een hypotheek. Zowel het bedrag van de schenking als de kapitaalverzekering van Fabian vallen in box 3.
De woonboot wordt al snel te klein voor hen tweeën en daarom gaan zij op zoek naar een woning. Als starters op de woningmarkt is het lastig om een leuke woning te vinden die ook nog betaalbaar is. Er staan voldoende woningen te koop. Echter, de meeste vraagprijzen zijn boven hun budget. Gelukkig vinden zij een betaalbare kwadrantwoning in Gouda. De woning staat te koop voor € 140.000 kosten koper. Ze besluiten de aankoop zonder makelaar te doen en spreken af voor een eerste bezichtiging. De woning is helemaal naar hun zin en al snel komen zij met de koper tot een deal voor € 130.000 kosten koper.
Margreeth en Fabian maken een afspraak met hypotheekadviseur Vogel van ‘De Hypotheekadviseur met Hart voor de Zaak’. Zij overwegen de lopende kapitaalverzekering te gebruiken bij de hypotheek die zij nodig hebben voor de aankoop van de woning. De polis heeft nu een waarde van € 15.000. Daarnaast voorziet de polis in een uitkering bij overlijden van Fabian van € 75.000. Vogel vertelt hen dat dit vanaf 1 januari 2013 niet meer mogelijk is. Als zij de rente over de geldlening willen aftrekken van de belasting zullen zij de hypothecaire geldlening ten minste annuït air in maximaal 360 maanden moeten aflossen. Na wat wikken en wegen besluiten zij de verzekering ongewijzigd door te laten lopen in plaats van af te kopen. De overlijdensdekking op het leven van Fabian is handig in de nieuwe hypotheekconstructie en de uitkering uit de kapitaalverzekering kunnen zij misschien gebruiken voor de opvoeding van hun kinderen. Want dat is al duidelijk: er is een kinderwens!
De waarde van de woning is € 130.000. Dat betekent dat Margreeth en Fabian maximaal op het onderpand (LTV) 104% x € 130.000 = € 135.200 (2014) mogen lenen. Op hun gezamenlijke inkomen (LTI) is dit bedrag geen probleem. Suzanna, het nichtje van Margreeth, hoorde van hun plannen en heeft zich gemeld voor de woonboot. Grootvader wil haar ook wat geld lenen waardoor zij de woonboot van Margreeth voor € 25.000 kan kopen. Hierdoor heeft Margreeth € 5.000 extra om te gebruiken voor de woning in Gouda. Fiscaal gezien is dit ook verstandig, omdat anders de rente over de meegefinancierde rente niet aftrekbaar is. De lopende eigenwoningschuld van Margreeth mag zij op dezelfde wijze voortzetten. Hij bestond immers al op 31 december 2012. Dat houdt in dat zij € 135.200 -/- € 5.000 = € 130.200 financieren. € 20.000 aflossingsvrij en 327
€ 110.200 annuït air. De rest betalen zij uit eigen middelen. De hypotheekakte passeert op 31 december 2014.
Op aanraden van de hypothecair planner hebben zij advies ingewonnen van een estate planner/notaris en een notarieel samenlevingscontract opgesteld met een verblijvingsbeding en ieder een testament. Zij hebben elkaar als erfgenaam aangewezen en de wettelijke verdeling van toepassing gemaakt.
Margreeth en Fabian wonen in hun kwadrantwoning in Gouda als Margreeth in 2015 zwanger blijkt te zijn van een tweeling. Ze zijn beiden ongelooflijk blij. De woning wordt nu wel te klein. Zij gaan op zoek naar een andere woning. In Oudewater vinden zij een ruime nieuwbouw eengezinswoning. Deze kost € 250.000 vrij op naam. Het is een energiezuinige woning en daarom mogen zij op grond van de Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet € 9.000 extra lenen. Nieuwbouw valt ook onder een gunstiger LTV. Bij nieuwbouw mag nog steeds worden uitgegaan van een LTV van 106 procent daar waar bestaande bouw in 2015 inmiddels is gezakt naar 103 procent. De woning in Gouda is op dat moment ongeveer € 140.000 waard. Ook nu besluiten zij een en ander te doen zonder makelaar. Ze maken wel € 500 advertentiekosten voor de verkoop van de woning in Gouda. Zij houden aan de verkoop dus € 140.000 -/- € 130.200 -/- € 500 = 9.300 over. De maximale LTV is 106% x € 250.000 = € 265.000. Zij gaan een financiering aan van € 265.000 + € 9.000 -/- € 9.300 = € 264.700. € 20.000 aflossingsvrij en € 244.700 annuït air.
Na de verhuizing naar de woning in Oudewater, mag de woning in Gouda nog als eigen woning aangemerkt worden voor ten hoogste de periode van het kalenderjaar en nog drie jaar1. Dit geldt als de woning in Gouda te koop wordt aangeboden en in die tussentijd niet wordt verhuurd. Als Margreeth en Fabian besluiten de woning te verhuren om de extra woonlasten beter op te kunnen vangen zal de woning in box 3 vallen zodra deze wordt verhuurd en niet meer als eigen woning wordt gebruikt. Tot slot kunnen zij besluiten de woning in afwachting van verkoop tijdelijk te verhuren onder de Leegstandwet. De woning gaat weliswaar naar box 3, maar als de verhuur is beëindigd kan de woning terug naar box 1 (in verder afwachting van verkoop). Ook in dit geval is sprake van kalenderjaar uit plus maximaal drie jaar. Bij de tijdelijke overgang naar box 3 is de bijleenregeling niet van toepassing (op de inmiddels aangekochte nieuwe woning).
328 1 A rt. 3.111 lid 2 Wet IB 2001.
ADVIESPROCES AANKOOP EIGEN WONING Het eigenwoningforfait2 is van toepassing tot het moment van overgang naar box 3. Als de woning wordt overgeheveld naar box 3 wordt ook de daarbij behorende schuld overgeheveld naar box 3. De rentelast die daarbij hoort, is vanaf dat moment niet meer aftrekbaar in box 13. Als rendementsgrondslag geldt de gemiddelde waarde van de bezittingen minus de waarde van de schulden per begin van het kalenderjaar en het einde van het kalenderjaar4. Een woning die niet als eigen woning kan worden aangemerkt wordt voor de WOZ-waarde in aanmerking genomen in box 3. Deze waarde wordt gecorrigeerd als de woning het hele jaar of een deel van het jaar wordt verhuurd5.
De overgang van de woning in Gouda van box 1 naar box 3 heeft ook consequenties voor de bijleenregeling. Ter gelegenheid van de overgang van de woning uit box 1 wordt een vervreemdingssaldo gerealiseerd6. Dit saldo verhoogt de eigenwoningreserve. Als de nieuwe woning wordt aangekocht en volledig wordt gefinancierd, verschuift op hetzelfde moment een hiermee overeenkomend deel van de nieuwe eigenwoningschuld van box 1 naar box 37.
2 rt. 3.112 Wet IB 2001. A 3 A rt. 3.120 lid 1 Wet IB. 4 A rtt 5.2 en 5.3 Wet IB 2001. 5 A rt. 5.20 Wet IB 2001 en art. 17a Uitv.besl. IB 2001. 6 A rt. 3.119a lid 4 en lid 7 Wet IB 2001. 7 A rt. 3.119a lid 8 Wet IB 2001. 329
Windvlaag, Isaac Israels, ca. 1894 - ca. 1895
27. VERBETERING EN ONDERHOUD EIGEN WONING
Waardebehoud of waardevermeerdering zijn naast vergroten van het woongenot redenen om de woning te verbeteren of onderhouden. Bovendien is de eigenaar van de woning op grond van de Woningwet verplicht de woning goed te onderhouden.
De kosten van gebruikelijk onderhoud zoals schilderen en onderhouden van de tuin van een woning kunnen behoorlijk oplopen. Daarom is het verstandig dat de klant geld reserveert voor dit onderhoud. Hierdoor wordt het onderdeel van zijn benodigde budget en raakt hij eraan gewend. Bij mensen die voor het eerst een woning aankopen is het vaak een eyeopener dat zij naast de hypotheeklasten ook geld kwijt zijn aan het reserveren voor onderhoud van de woning. Als de klant een woning heeft gekocht met achterstallig onderhoud dan is dat terug te vinden in de koopprijs. Die zal in het algemeen lager zijn. Hij kan dan een bedrag opnemen in de financieringsbegroting voor achterstallig onderhoud.
Hoe groot het bedrag is voor onderhoud aan de eigen woning is afhankelijk van het type woning, het bouwjaar en de locatie. Onder onderhoud valt onder andere het schilderen van buitenkozijnen, of groot onderhoud, zoals een cv-ketel vervangen.
De onderhoudskosten voor een eigen woning in Nederland kunnen variëren op basis van factoren zoals het bouwjaar, de staat en type woning. Over het algemeen wordt aangeraden om jaarlijks ongeveer één procent van de woningwaarde te reserveren voor onderhoud. Bij een gemiddelde woningwaarde van € 420.000 komt dit neer op ongeveer € 4.200 per jaar, oftewel € 350 per maand. 331
Vereniging Eigen Huis heeft op basis van analyses van bouwtechnische keuringen vastgesteld dat de gemiddelde onderhoudskosten ongeveer € 11.000 per vijf jaar bedragen.
Het is belangrijk om te benadrukken dat deze bedragen gemiddelden zijn. Voor nieuwbouwwoningen zullen de onderhoudskosten in de eerste jaren waarschijnlijk lager zijn, terwijl oudere woningen mogelijk hogere kosten met zich meebrengen. Het is daarom verstandig om een onderhoudsplan op te stellen en regelmatig geld opzij te zetten voor zowel klein als groot onderhoud, zodat de klant niet voor onverwachte uitgaven komt te staan.
Vanuit de overheid zijn verschillende subsidies beschikbaar voor eigenaren van een monument, onder andere voor onderhoud. Op monumenten.nl is hierover informatie te vinden. Er bestaat ook woonhuissubsidie voor onderhoud aan een rijksmonument.
Het verlaagde btw-tarief voor bepaalde werkzaamheden aan woningen is anno 2025 nog steeds van kracht in Nederland. Voor specifieke werkzaamheden, zoals isoleren, schilderen, stukadoren en behangen van woningen ouder dan twee jaar, geldt het lage btw-tarief van negen procent. Ook schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen vallen onder dit tarief, ongeacht de leeftijd van de woning.
Per 1 juli 2025 gaat een wijziging in voor panden met een gemengd gebruik (zowel woon- als bedrijfsruimte). Vanaf die datum is het verlaagde btw-tarief alleen van toepassing op het gedeelte van het pand dat voor particuliere bewoning wordt gebruikt; voor het zakelijke deel geldt het algemene btw-tarief van 21 procent.
Het is belangrijk om op de hoogte te blijven van eventuele wijzigingen in de btw-regelgeving en bij twijfel contact op te nemen met een belastingadviseur of de Belastingdienst voor de meest actuele informatie.
27.1 STIMULERINGSFONDS VOLKSHUISVESTING
In de module ‘Financieren en Beleggen’ kwamen financieringen via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) al aan bod. In deze module bespraken wij het financieringen via het Nationaal Warmtefonds. Graag verwijzen wij u voor deze materie naar de genoemde module.
27.2 PRAKTIJKVOORBEELD: KOPEN EN VERBOUWEN ONDER NHG
VERBETERING EN ONDERHOUD EIGEN WONING VERBOUWEN ONDER NHG
Let op: deze casus speelt zich af in het verleden en is bedoeld om het proces van hypothecaire planning te verduidelijken bij bepaalde life events.
Ewout (36) heeft náhet overlijden van zijn moeder geen familie meer. Zijn vader is jaren geleden al overleden. Toch gaat het hem goed. Hij is weliswaar alleenstaand, maar hij heeft plezier in zijn werk als steward bij de KLM en hij verdient aardig (€ 2.950 bruto per maand, exclusief vakantiegeld).
Ook heeft hij een kleine, hechte vriendenkring in de omgeving van Haarlem waarmee hij veel tijd doorbrengt als hij weer even niet hoeft te vliegen.
Hij besluit een woning te kopen. Hij heeft tot nog toe altijd gehuurd. Nu zijn moeder is overleden en hij toch al weet dat hij in Haarlem of omgeving wil blijven, gaat hij op zoek naar een appartementje. De huizenprijzen zijn behoorlijk gedaald en hij kan het zich permitteren. Hij heeft namelijk een aardige erfenis ontvangen (€ 65.000). Daarnaast had hij zelf al ongeveer € 15.000 aan spaargeld. In mei 2016 koopt hij een appartement onder voorbehoud van financiering voor € 142.000 kosten koper. Dit is volgens een recent taxatierapport ook de vrije marktwaarde.
Het appartement is klein: 56 m² woonoppervlakte met een woonkamer, een slaapkamer, een kleine keuken en een oude badkamer. Toch is het echt iets voor Ewout. Hij heeft niet veel ruimte nodig, en hij heeft straks een mooi uitzicht vanaf zijn balkon. Bovendien zit hij dichtbij het centrum. Alleen de badkamer wil hij vernieuwen en uit milieuoverwegingen de oude boiler vervangen door een zonneboiler. Dat kost in totaal € 10.000, € 6.500 voor de badkamer zelf en € 3.500 voor de zonneboiler.
De aannemer geeft aan ook te mogen taxeren. Hij schat in dat de woning er direct al € 9.000 meer van waard wordt, dus € 151.000. Ewout besluit te gaan voor de maximaal mogelijke financiering onder NHG bij een rente van 1,9 procent voor vijf jaar vast.
Het inkomen van Ewout op jaarbasis is 1,08 x 12 x € 2.950 = € 38.232. Bij een toetsrente van vijf procent en zijn jaarinkomen is het financieringslastpercentage in 2016 26 procent.
Zijn maximaal toegestane maandlast is dus (€ 38.232 x 26%)/12 = € 828,36.
De annuïteit die hoort bij een toetsrente van vijf procent en maandelijkse betaling achteraf bedraagt 186,2816. De maximale geldlening op basis van inkomen is dan € 828,36 x 186,2816 = € 154.308.
De maximale geldlening op basis van onderpand wordt als volgt berekend: • stap 1. De totale kosten voor de eigendomsverkrijging zijn (koopsom kosten koper € 142.000 + kosten kwaliteitsverbetering € 10.000) x 106% = € 161.120. Het percentage is 106 procent omdat er sprake is van energiebesparende voorzieningen die in de limitatieve opsomming van de V&N van NHG zijn opgenomen. • stap 2. De marktwaarde vóór verbouwing is € 142.000 en na verbouwing € 151.000. De LTV is dan in 2016 102% x € 151.000 = € 154.020. • stap 3. Ewout mag maximaal de laagste van de twee bedragen (€ 154.020) financieren op onderpand (LTV). • stap 4. Dit bedrag past binnen het bedrag dat hij op LTI kan financieren (€ 154.308).
Boek 4.indb 335
VERBETERING EN ONDERHOUD EIGEN WONING
17-03-2025 14:35
Kalme zee, Hendrik Willem Mesdag, 1860 - 1900
28. VERKOOP EIGEN WONING
Zodra een eigenaar besloten heeft om zijn eigen woning te verkopen, zal hij eerst nog wat field research moeten doen. Hoe is de situatie op de woningmarkt? Wat zijn de gemiddelde huizenprijzen? Wat is de stand van de hypotheekrente? Hoeveel woningen staan te koop in de categorie waarin verkocht zal worden?
Wellicht moet hij ook rekening houden met een eventuele restschuld bij verkoop. Komt hij in aanmerking voor de kwijtscheldingsregeling van NHG? Hoe gaat hij de restschuld aflossen; met eigen middelen of meefinancieren bij de volgende hypothecaire geldlening? Wat zijn de kansen op een volgende hypothecaire geldlening?
Tot slot staat hij voor de keuze om de woning zonder makelaar te verkopen (persoonlijk of via internet) en het zelf te doen of juist niet.
28.1 ENERGIELABEL
Uit de hiervoor omschreven exercitie volgt een presentatie van de woning met de koopprijs. De verkoper is verplicht om openheid van zaken te geven over eventuele gebreken. De koper heeft namelijk recht op eerlijke informatie.
Begin 2015 heeft de Rijksoverheid alle huizenbezitters in Nederland (vijf miljoen) een voorlopig energielabel gestuurd. Het label is gebaseerd op onder andere het bouwjaar van de woning en is bedoeld om mensen te stimuleren om van hun woning een comfortabele en energiezuinige woning te maken. Op het moment dat de woning wordt verkocht of verhuurd is een definitief energielabel nodig. 337
In 2025 variëren de kosten voor het verkrijgen van een energielabel voor een woning in Nederland, afhankelijk van het type woning en de tarieven van de energieadviseur. Gemiddeld liggen de prijzen tussen de € 250 en € 500:
Woningtype Geschatte kosten in euro’s Appartement 250 - 280 Tussenwoning 270 - 310 Hoekwoning 290 - 350 Twee-onder-een-kapwoning 300 - 400 Vrijstaande woning 350 - 500
Deze bedragen zijn indicatief en kunnen variëren op basis van factoren zoals de grootte van de woning, de complexiteit van de beoordeling en regionale verschillen. Het is raadzaam om offertes op te vragen bij meerdere erkende energieadviseurs om een nauwkeurige prijsinschatting te krijgen voor een specifieke situatie. Het energielabel is 10 jaar geldig vanaf de datum van afgifte. Als de woningeigenaar náhet verkrijgen van het huidige label energiebesparende maatregelen heeft doorgevoerd, kan het voordelig zijn om een nieuw energielabel aan te vragen. Een beter energielabel kan de waarde van de woning verhogen en maakt deze aantrekkelijker voor potentiële kopers of huurders.
Per 1 januari 2024 zijn de boetebedragen voor het ontbreken van een geldig energielabel verhoogd. Voor particuliere verkopers bedraagt de boete € 515 per woning zonder geldig energielabel. Voor rechtspersonen, zoals bedrijven, is de boete vastgesteld op € 1.030 per woning.
De handhaving van deze verplichting wordt uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Het is belangrijk om tijdig een geldig energielabel aan te vragen om dergelijke boetes te voorkomen.
Let op dat er uitzonderingen zijn waarbij een energielabel niet verplicht is, zoals bij monumentale panden of recreatiewoningen die minder dan vier maanden per jaar worden gebruikt.
Voor de meest actuele informatie en eventuele wijzigingen in de regelgeving is het raadzaam de officiële website van de Rijksoverheid te raadplegen.
Het energielabel is bedoeld om inzicht te geven hoe energie(on)zuinig de woning is.
VERKOOP EIGEN WONING Vanaf 2024 kunnen kopers van een energiezuinige woning een extra hypotheek krijgen. Immers voor energiezuinige woningen gelden beduidend lagere energiekosten waardoor de geldnemers meer overhouden voor de hypotheeklasten. De leencapaciteit voor kopers van een woning met een energielabel E, F of G daalt.
De standaardtabel wordt niet langer geënt op woningen met energielabel C, maar op woningen met energielabel E, F of G. Hiermee wordt meer recht gedaan aan de energiekosten die samenhangen met de woning. Invoering hiervan leidt tot een verkrapping van de standaardtabel. Daarnaast zullen echter hogere hypotheekbedragen dan volgens de standaardtabel mogelijk zijn bij hypotheekverstrekking op woningen met een beter energielabel dan E, F of G. Bij aankopen moet een energielabel aanwezig zijn, hierdoor is deze differentiatie goed uitvoerbaar.
De voorwaarden voor het extra te lenen bedrag zijn: • klant moet aantonen dat de woning daadwerkelijk het opgegeven energielabel heeft. • extra lening wordt toegevoegd aan de reguliere hypothecaire geldlening en heeft invloed op de rente en voorwaarden. • lening is bedoeld om het verschil in maandlasten te compenseren tussen een energiebesparende woning en een minder energiezuinige woning.
Het gaat om de volgende combinaties van energielabel en bedragen:
Energielabel Extra te lenen bedrag EFG €0 CD € 5.000 AB € 10.000 A+ en A++ € 20.000 A+++ € 30.000 A++++ € 40.000 A++++ met energieprestatiegarantie € 50.000
De behandeling van de DUO-studieschuld is veranderd. In plaats van de oorspronkelijke studieschuld wordt nu gekeken naar de daadwerkelijk verschuldigde maandlasten bij het bepalen van de maximale hypotheek. Dit kan leiden tot een minder zware weging van de studieschuld, vooral wanneer er extra wordt afgelost.
Er is een verruiming voor niet-kwetsbare huishoudens, zoals alleenstaanden. Deze verruiming geldt voor alle inkomens en is omgevormd van een hoger financieringslastpercentage naar een vast hypotheekbedrag van € 16.000.
Per 1 januari 2025 is de NHG-kostengrens verhoogd naar € 450.000. Als er wordt geïnvesteerd in energiebesparende voorzieningen, stijgt de NHG-kostengrens naar maximaal € 477.000. Daarnaast is de eenmalige premie voor het afsluiten van een hypotheek met NHG gedaald van 0,6 procent in 2024 naar 0,4 procent in 2025.
28.2 GROENE HYPOTHEEK
Naast de extra lening op basis van het energielabel, bieden sommige geldverstrekkers groene hypotheken aan. Deze hypotheken hebben vaak speciale voordelen voor klanten die een energiezuinige woning kopen of verduurzamen.
Een groene hypotheek is een lening die specifiek bedoeld is voor de financiering van energiezuinige woningen. Banken bieden vaak rentekortingen, cashback-aanbiedingen of andere voordelen aan klanten die hun woning verduurzamen of een woning met een goed energielabel kopen.
De voordelen van een dergelijke hypotheek zijn: • rentekorting: klanten kunnen profiteren van lagere rentepercentages bij geldverstrekkers die een groene hypotheek aanbieden. • cashback: sommige geldverstrekkers bieden cashback-aanbiedingen bij de aankoop van een energiezuinige woning. • verduurzaming: klanten kunnen een lagere rente krijgen als ze energiezuinige maatregelen nemen, zoals het isoleren van hun woning of het installeren van zonnepanelen.
De voorwaarden zijn: • woning moet voldoen aan de eisen voor energiezuinigheid, vaak met een minimaal energielabel A of B. • groene hypotheken zijn vaak alleen beschikbaar voor huizenkopers, maar sommige geldverstrekkers bieden ook groene hypotheken voor bestaande woningen die worden verduurzaamd.
28.3 ONDERHANDELEN
VERKOOP EIGEN WONING Bij verkopen hoort onderhandelen. Als de klant een makelaar in de arm heeft genomen wordt hij daarin begeleid. Anders staat u als hypothecair planner naast hem.
Bij onderhandelen is het van belang om eerst de absolute bodemprijs vast te stellen. Wat is er minimaal nodig en gerechtvaardigd gezien de situatie? De verkoper heeft de keuze om een serieus gegadigde voor de woning een optie te verlenen. Een optie verlenen, houdt in dat de woning voor een bepaalde periode alleen door de aspirant-koper gekocht kan worden als hij dat wil. Naast de eerste optie kan de verkoper ook nog een tweede of een derde verlenen aan anderen.
Wat in de paragrafen 1.3 en 1.4 van hoofdstuk 1 is geschreven voor de koper geldt andersom voor de verkoper.
28.4 PRAKTIJKVOORBEELD MARGREETH EN FABIAN DEEL 2
Let op: deze casus speelt zich af in het verleden en is bedoeld om het proces van hypothecaire planning te verduidelijken bij bepaalde life events.
De bouw van de woning in Oudewater duurt langer dan gepland en de relatie van Margreeth en Fabian strandt. Ze zijn er toch te ondoordacht ingegaan en de verschillen in hun karakters zijn onoverbrugbaar. Zij besluiten eind 2015 uit elkaar te gaan. Zij ontbinden hun samenlevingscontract en herroepen beiden hun testament. Fabian en Margreeth hebben samen het gezamenlijke gezag over de tweeling. Hierdoor hebben zij beiden de wettelijk plicht om de tweeling na de geboorte te verzorgen en op te voeden en zijn zij beiden wettelijk vertegenwoordiger van de tweeling. Tot slot hebben zij hierdoor beiden een wettelijke onderhoudsplicht totdat de tweeling 21 jaar wordt.
Ze komen overeen dat ze de woning in Oudewater verkopen en dat Fabian in de kwadrantwoning in Gouda blijft wonen en de woning en de schuld krijgt toebedeeld. Zij hebben nog niet gewoond in de woning in Oudewater. Op dat moment heeft de woning in Gouda een waarde van € 140.000. De woning in Oudewater staat nog te koop. Fabian betaalt Margreeth (€ 140.000 -/- € 130.200)/2 = € 4.900 uit de schenking.
Margreeth trekt in bij haar nieuwe vriend Stijn. Ze kennen elkaar van hun lagereschooltijd. Stijn wil zijn eigen woning laten verbouwen om de matroesjkaverzameling van Margreeth te kunnen herbergen. Hiervoor gaat hij een geldlening aan van € 20.000. 341
Fabian zal na het uit elkaar gaan een schuld hebben van € 130.200. Hij verwerft het gedeelte van de woning van Margreeth voor € 140.000/2 = € 70.000. Dat betekent dat voor € 70.000 een nieuwe termijn van 30 jaar hypotheekrenteaftrek aanvangt. De overige € 60.200 zet hij ongewijzigd voort. Hiervoor resteert per 1 januari 2016 een renteaftrektermijn van 28 jaar.
De rente over de geldlening aangegaan voor de woning in Oudewater moet natuurlijk ook als eigenwoningrente meegenomen te worden, tot het moment dat duidelijk is dat zij de woning willen verkopen: vanaf dat moment valt de woning in box 3 en is de rente niet meer aftrekbaar. De periode van kalenderjaar plus drie jaar (verhuisregeling) is niet van toepassing omdat ze er niet hebben gewoond.
Bij de verkoop van haar helft van de woning in Gouda aan Fabian realiseert Margreeth een overwaarde van (€ 140.000 -/- € 130.200)/2 = € 4.900. Margreeth heeft dus voor een periode van 3 jaar een eigenwoningreserve van € 4.900. Fabian verkoopt niet en realiseert geen overwaarde.
Voor de woning in Oudewater geldt dat, zodra duidelijk is dat zij de woning gaan verkopen en de woning niet als eigen woning zullen gebruiken, de woning naar box 3 verhuist en er voor de bijleenregeling sprake is van een vervreemding8. Uitgangspunt hierbij is de vrije verkoopwaarde.
Stijn was al eigenaar van de woning toen Margreeth bij hem introk. Voor de renteaftrek van zijn bestaande eigenwoningschuld leidt het samenwonen met Margreeth niet tot een beperking van de renteaftrek. Pas als Margreeth en Stijn, of Margreeth alleen, binnen 3 jaar samen een huis kopen moet rekening worden gehouden met de eigenwoningreserve van Margreeth. De financiering van de verbouwing van € 20.000 kan dus in box 1 plaatsvinden.
342 8 A rt. 3.119a lid 7 Wet IB 2001.
VERKOOP EIGEN WONING
Meisje lezend op sofa, Isaac Israels, ca. 1917
29. HYPOTHEEKADVIES EN DUURZAAMHEID
29.1 INLEIDING
De transitie naar verduurzaming is de komende jaren één van de grootste uitdagingen in Nederland. Veel (aanstaande) huiseigenaren hebben beperkt kennis van de mogelijkheden hun woning te verduurzamen. Ook zijn zij vaak niet of onvoldoende op de hoogte van bestaande regelingen om dat financieel mogelijk én aantrekkelijk te maken. En, wie wil er nu niet door bijvoorbeeld de woning goed te isoleren energie besparen, waardoor minder kosten gemaakt worden voor energieverbruik, het wooncomfort toeneemt, terwijl het ook nog goed is voor het milieu?
De kracht van de hypothecair planner ligt niet zozeer in duurzame bouwkundige oplossingen. Daarvoor is de doorverwijsrol. De rol is wél bepalen wat de financieel gunstigste optie is die het beste bij de klant past. Deze rol wordt uiteraard versterkt en leuker door te beschikken over basiskennis van de technische kant van duurzame energiemaatregelen.
Verduurzaming van de eigen woning is dus een belangrijk onderwerp dat aan bod komt bij het hypothecair planningsproces. Niet om de klant te overtuigen dat hij moet verduurzamen, maar om de klant gerichte vragen te stellen. De klant bewust te laten worden van de mogelijkheden en de consequenties om hem daarna intrinsiek gemotiveerd door te verwijzen naar een partij die de klant hierbij professioneel kan helpen.
In dit hoofdstuk staan wij stil bij verschillende onderwerpen waarmee de hypothecair planner de klant kan helpen.
Voor financieren van verduurzaming van de eigen woning in de reguliere hypothecaire geldlening verwijzen wij u naar de modules ‘Financieren en beleggen’. De leningen die via de SVn te verkrijgen zijn, vindt u ook in onderhavige module.
29.2 ROUTING VERDUURZAMING EIGEN WONING
Voordat een klant start met verduurzaming van zijn eigen woning is het aan te raden een aantal punten te benoemen.
29.2.1 Stap 1 Wat is het doel?
Het is zinvol voor de klant zich af te vragen wat hij wil bereiken met het verduurzamen van zijn woning. Wij hebben hierna een aantal opties opgesomd. Een combinatie van doelen is uiteraard ook mogelijk: • energiegebruik en kosten verlagen • comfort verhogen • duurzaamheidsvoetprint verbeteren • CO2 uitstoot verminderen • maatregelen moeten efficiënt zijn (redelijke terugverdientijd) of geld maakt niet uit • grootte budget • ideaal doelen behalen: – CO2 neutraal – energie neutraal (nul-op-de-meterwoning) – energiekosten neutraal – van het gas af.
29.2.2 Stap 2 Verwarmingsconcept en logica van woning bepalen
De Trias Energetica (eerder bekend als Trias Energica) is een driestappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. Deze strategie werd in 1979 ontwikkeld door de studiegroep StadsOntwerp en Milieu (SOM-1) aan de TU Delft onder leiding van Kees Duijvestein en gepubliceerd in het tijdschrift BOUW. In 1996 heeft Erik Lysen vanuit de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu (Novem, één van de voorlopers van Agentschap NL) de drie stappenstrategie internationaal geïntroduceerd.
De drie stappen van de Trias Energetica zijn basisvuistregels bij het duurzaam ontwerpen van gebouwen:
HYPOTHEEKADVIES EN DUURZAAMHEID • beperk het energieverbruik door te besparen en te isoleren (vloer-, muuren dakisolatie) en kleine verbetermaatregelen (bijvoorbeeld tocht bestrijden, leidingisolatie). • gebruik duurzame energie voor warmte en elektriciteit (bijvoorbeeld met zonnepanelen). • gebruik de energie die nodig is zo efficient mogelijk.
Alle warmteverlies gaat voornamelijk door de buitenschil van de woning. Daarom is het belangrijk vooral en eerst de buitenschil te isoleren. Denk hierbij aan: vloer begane grond, buitenmuren, ruiten en dak.
In het geval dat bepaalde ruimtes ongebruikt of weinig gebruikt zijn, is het onnodig deze te verwarmen en helpt het om de deur en muren naar deze ruimte(n) beter te isoleren. De ruimte wordt dan weliswaar kouder, maar het warmteverlies naar buiten is minder. Het warmteverlies over een element (ruit, muur, dak) is namelijk evenredig met het oppervlakte, het temperatuurverschil en de isolatiecoëfficiënt.
29.2.3 Stap 3 Maak een analyse van de woning en het energieverbruik
en het energieverbruik
Er zijn vele opties om een woning energiezuiniger te maken, waardoor het de klant al snel kan gaan duizelen. Om zinvolle stappen te kunnen zetten in verduurzaming van de woning is het belangrijk om de woning goed te kennen. Hoe leeft de klant in de woning? Daarom is het goed om eerst een energieanalyse te maken. Immers, bijna alles in een woning kost energie. De vraag is echter hoeveel energie? Hoe verhoudt het energiegebruik van de klant zich tot het energiegebruik van anderen? Isoleren en zonnepanelen plaatsen zijn bijna altijd goede maatregelen die zichzelf terugverdienen.
Met warmtefoto’s aan de buitenkant van de woning is zichtbaar te maken waar de warmte uit de woning ontsnapt. Warmtefoto’s maken heeft wel wat voeten in de aarde. Het is namelijk belangrijk dat de gehele woning 12 uur voorafgaand aan het fotomoment op 20 tot 21 °C verwarmd wordt. Dan zijn de muren goed verzadigd met warmte en kan aan de buitenkant van het huis slechte isolatie opgespoord worden.
Voorbeeld Met een warmtebalansmodel van de woning kun men inschatten waar in de huis het grootste warmteverlies optreedt, hoe rendabel alle elementen van de woning zijn, en waar door slimme isolatie-ingrepen het meeste gas bespaard kan wordt. Met een dergelijk model kan men verschillende simulaties doorrekenen en bijvoorbeeld berekenen hoeveel men bespaart als men oud dubbel glas (thermopane) vervangt door HR++, hoeveel vloerisolatie of spouwmuurisolatie oplevert enzovoort.
29.2.4 Stap 4 Maak een stappenplan
Een stappenplan voor verduurzaming geeft houvast. De stappen zijn onder te verdelen in: • kleine maatregelen treffen • isoleren • ventileren • duurzame energie zelf opwekken • duurzaam verwarmen.
Sommige maatregelen zijn altijd zinvol, hoe de techniek zich ook in de toekomst nog ontwikkelt. Kleine maatregelen om energie te besparen zijn bijna altijd zeer efficiënt. De consumentenbond heeft een interessante video hierover opgenomen. Ook de website https://www.consumentenbond.nl/ test/energie staat vol informatie.
Enkele kleine maatregelen, die de Consumentenbond promoot, zijn: • isoleer de woning om warmte binnen te houden door tochtstrips te plaatsen op deuren en ramen. • isoleer de woning om warmte binnen te houden door radiatorfolie te plaatsen. • ook een nieuwbouwwoning is te isoleren. Denk aan dak-, gevel-, vloer- en leidingisolatie. • vervang gloeilampen door LED lampen: binnen één jaar is deze investering in principe terugverdiend. • gebruik een energiemanager om energieverspilling te voorkomen. Een energiemanager geeft inzicht in gas- en elektriciteitsgebruik. Met de
HYPOTHEEKADVIES EN DUURZAAMHEID introductie van de slimme meter is het aanbod van energiemanagers sterk gestegen. Welke het beste past, is uit te zoeken met de Energiemanagervergelijker van Milieu Centraal. • let op zogenoemd ‘sluipverbruik’: apparaten die op stand-by staan of stekkers van opladers die nog in het stopcontact steken terwijl het apparaat losgekoppeld is. Dit kost al snel € 100 per jaar aan stroomverbruik en door deze actie is twee derde hiervan te besparen. Ook een stekkerdoos waarmee in één keer een aantal apparaten wordt uitgezet is aan te raden. • zet de thermostaat van de verwarming twee °C lager en zet de thermostaat minstens één uur vóór het slapengaan lager. • plaats een besparende douchekop en douche korter. • let op het energielabel van witgoed: alleen A+++ apparaten zijn écht zuinig. • draai de was op een lagere temperatuur. • wees kritisch op het gebruik van de wasdroger. • ontdooi regelmatig de koelkast en de vrieskist. Aangevroren verbruiken deze apparaten veel meer energie.
Zonnepanelen op het dak is ook vaak een passende maatregel. Bij andere maatregelen ligt dat ingewikkelder. Een (individuele) warmtepomp installeren kán een goede stap zijn, maar misschien kiest de gemeente op termijn voor een collectieve oplossing als een groot warmtenet. Overweegt de klant toch een warmtepomp, dan is een hybride model (voordeliger) wellicht een betere keus. Op Milieucentraal.nl kan de klant duidelijk en onafhankelijk advies hierover vinden.
Overigens is naast isoleren het belang van ventileren groot! Bij een onvoldoende ventilatie van de woning kunnen schadelijke stoffen in de woning blijven hangen en kunnen er vocht- en schimmelplekken ontstaan. Deze kunnen gezondheidsklachten veroorzaken.
29.3 REALISTISCHE BESPARINGEN
In deze context is het belangrijk te benadrukken dat de klant een kritische houding nodig heeft ten aanzien van door derden voorgespiegelde besparingen die door het treffen van maatregelen op het gebied van verduurzaming bereikt kunnen worden.
Van HR++ glas wordt gezegd dat de investering in principe binnen 12 jaar terug te verdienen is. En voor zonnepanelen spreekt men van 10 jaar. Maar is dat wel écht zo? Welke berekeningen liggen hieraan ten grondslag? Worden alle elementen hierin meegenomen?
Over het algemeen werkt het bij de verduurzaming van de woning zo, dat men eerst een investering doet en daarna maandelijks gaat besparen op de energiekosten. Om erachter te komen of het verduurzamen van de woning winstgevend is, is een berekening nodig. De netto contante waarde (NCW) is een getal dat aangeeft of een investering winstgevend is of niet. Is de NCW boven nul (positief), dan is de verduurzaming winstgevend. Is de NCW onder nul (negatief), dan is de verduurzaming niet winstgevend.
29.3.1 NCW van een investering
De NCW van een investering laat zien wat een investering uiteindelijk over de looptijd aan winst oplevert. De volgende gegevens zijn voor deze berekening nodig: • grootte van de investering (hoeveel de aanleg van zonnepanelen kost); • looptijd (hoelang zonnepanelen meegaan); • jaarlijkse verdiensten (hoeveel je door de zonnepanelen bespaart); • bijkomende kosten (hoeveel het ongeveer zal kosten om de zonnepanelen te onderhouden).
Omdat het over een langere periode gaat, wordt er in de regel ook rekening gehouden met inflatie. Voor nu laten wij deze buiten beschouwing.
Voorbeeld Jannes investeert € 4.000. Deze investering levert hem jaarlijks € 500 aan besparing op. De investering zal 20 jaar zijn werk doen. Tijdens deze 20 jaar maakt Jannes € 1.000 aan kosten aan de investering (bijvoorbeeld voor onderhoud). De NCW van Jannes investering is dan: 20 x € 500 -/- (€ 4.000 + € 1.000) = € 5.000. De investering van Jannes is winstgevend, want de NCW is positief.
29.3.2 Netto contante waarde van zonnepanelen
Voor het berekenen van de winstgevendheid van zonnepanelen gaan wij uit van de volgende gegevens: • grootte investering: € 4.310 (exclusief btw, omdat deze teruggevraagd kan worden, btw-tarief is 21 procent); • looptijd: 30 jaar; • jaarrendement: gemiddeld € 705 per jaar; • bijkomende kosten: circa € 500 voor vervanging van de omvormer na 10 tot 15 jaar (zonnepanelen gaan vaak 25-30 jaar mee, de omvormer heeft meestal een kortere levensduur (gemiddeld 10-15 jaar).
Opmerking: De extra besparing door het zelf gebruiken van de opgewekte energie (tegen kostprijs) is buiten beschouwing gelaten. Als het zelfverbruik van
HYPOTHEEKADVIES EN DUURZAAMHEID opgewekte stroom tegen kostprijs een aanzienlijk voordeel is, kan het de winstgevendheid verder verhogen. Dit kan de besparing per jaar iets verhogen.
De netto contante waarde (NCW) van de zonnepanelen kan als volgt worden berekend:
30 jaar x € 705 per jaar = € 21.150 (jaarlijkse besparing). Investering + bijkomende kosten = € 4.310 + € 500 = € 4.810.
Netto contante waarde = € 21.150 - € 4.810 = € 16.340. Dus, de aanschaf van zonnepanelen blijkt zeer winstgevend. Het rendement op de investering is aanzienlijk wanneer we de jaarlijkse besparingen over de looptijd van de panelen (30 jaar) vergelijken met de initiële kosten.
NB. Als we echt de NCW willen berekenen, moeten we de toekomstige besparingen wellicht verdisconteren naar de huidige waarde (dit wordt vaak gedaan door een rentevoet toe te passen). Zonder verdiscontering is de berekening eenvoudiger, maar minder precies.
29.4 ECONOMISCHE LEVENSDUUR EN LOOPTIJD GELDLENING
Behalve winstgevend, moeten verduurzamingsmaatregelen ook door de woningeigenaar op te brengen zijn. Om de betaalbaarheid te bepalen, moet eerst duidelijk zijn hoe woningeigenaren hun investering financieren: volledig met eigen geld of (gedeeltelijk) met geleend geld.
In het geval er geld geleend wordt, is dat uiteraard altijd duurder dan wanneer het uit eigen middelen betaald wordt. Hierbij gaan we ervan uit, dat de te betalen rente hoger is dan het rendement dat op de liquiditeiten gemaakt wordt. Hoeveel het duurder is, bepaalt of een maatregel voor een woningeigenaar betaalbaar is.
29.4.1 Eigen geld
Voor woningeigenaren met voldoende eigen financiële middelen om de investering te doen is de betaalbaarheid makkelijk te bepalen. Zij betalen de investeringskosten in één keer. Vervolgens gaan de energiekosten door de investering vaak omlaag. In dit geval nemen de maandlasten af. Belangrijk is om te bepalen of deze middelen vrij zijn om aan dit doel te besteden of dat zij eigenlijk bestemd waren voor een andere doel (kinderen, pensioen).
29.4.2 Geleend geld
Woningeigenaren die de investering (gedeeltelijk) financieren met een geldlening betalen in principe maandelijks aflossing en rente. Hiermee stijgen de maandlasten. Tegelijkertijd vindt er in principe energiebesparing plaats. Dit heeft een dempend effect op de stijging van de maandlasten of zelfs een dalend effect.
29.4.3 Betaalbaarheid beoordelen via effect op maandlasten
Het saldo van de aflossing en rente en energiebesparing bepaalt de verandering van de maandlasten. Als de energiebesparing precies genoeg is om de aflossing en rente te dekken, is de financiering ‘woonlastenneutraal’. Als de energiebesparing hoger is dan de aflossing en rente, dalen de maandlasten. In beide gevallen gaat een woningeigenaar er qua maandlasten niet op achteruit vergeleken met een situatie zonder verduurzaming en is een investering betaalbaar. De verduurzamingsmaatregel is betaalbaar als de maandlasten dalen of gelijk blijven.
29.4.4 Financiering verduurzamingsmaatregelen voor woningeigenaren
F voor woningeigenaren
De overheid stimuleert verduurzaming van koopwoningen door financieringsmogelijkheden aan te bieden met langere looptijden en relatief lage rentes. Dit moet het voor woningeigenaren aantrekkelijker maken om energiebesparende maatregelen te nemen. Sinds juli 2021 verloopt deze financiering via het Nationaal Warmtefonds (voorheen Nationaal Energiebespaarfonds). Huiseigenaren kunnen een Energiebespaarlening aanvragen bij het Nationaal Warmtefonds voor het financieren van verduurzamingsmaatregelen, zoals isolatie, warmtepompen en zonnepanelen. Voor zittende woningeigenaren is dit doorgaans een gunstige financieringsoptie, aangezien het fonds leningen verstrekt met aantrekkelijke voorwaarden.
Voor woningkopers kan het echter voordeliger zijn om de kosten van verduurzaming direct mee te financieren in de hypothecaire geldlening. Dit komt doordat hypotheekrentes vaak lager zijn dan de rente op een aparte lening en omdat de kosten dan over een langere periode kunnen worden uitgesmeerd. Per situatie moet daarom per situatie beoordeeld worden welke financieringsvorm het meest passend is voor de klant.
Een belangrijk aandachtspunt bij de financiering van verduurzamingsmaatregelen is de looptijd van de lening in verhouding tot de levensduur van 352 de investering. Het is onwenselijk dat een lening nog doorloopt terwijl de
HYPOTHEEKADVIES EN DUURZAAMHEID gefinancierde maatregel al aan vervanging toe is. Dit kan resulteren in een financiële mismatch.
Een vergelijking: een doorlopend krediet gebruiken voor de aanschaf van een auto kan riskant zijn als de lening nog niet is afgelost terwijl de auto al versleten is. Voor verduurzamingsmaatregelen geldt hetzelfde principe: de looptijd van de lening moet in balans zijn met de verwachte levensduur van de investering.
Naast financiering via het Warmtefonds zijn er ook subsidiemogelijkheden. De Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) biedt financiële ondersteuning voor onder andere warmtepompen, zonneboilers en isolatiemaatregelen. In 2025 is hiervoor een budget van circa € 550 miljoen beschikbaar. An u als hypothecair planner wordt verwacht dat u klanten adviseert over de mogelijkheid om subsidies te benutten, zodat de financieringsbehoefte wordt beperkt.
Daarnaast kunnen eigen middelen of een bouwdepot bij een hypothecaire geldlening een alternatief zijn voor externe financiering. Dit kan vooral aantrekkelijk zijn voor klanten die over voldoende spaargeld beschikken of die verduurzaming als onderdeel van een grotere verbouwing meenemen in de hypotheekaanvraag.
29.5 BIJKOMENDE KOSTEN VERDUURZAMING
Naast de financieringskosten en eventuele rente op geldleningen zijn er verschillende bijkomende kosten bij het verduurzamen van een woning. Dit zijn enkele belangrijke kostenposten waar klanten rekening mee moeten houden: 1. Advies- en inspectiekosten – Energieadvies: een energieadviseur kan een maatwerkadviesrapport opstellen om inzicht te geven in de beste verduurzamingsmaatregelen. Dit kost doorgaans tussen de € 200 en € 400. – Bouwkundige keuring: soms is een inspectie nodig om te bepalen of de woning geschikt is voor bepaalde verduurzamingsmaatregelen. 2. Installatiekosten – De kosten voor het plaatsen van isolatie, warmtepompen, zonnepanelen of andere energiebesparende maatregelen zijn vaak hoger dan alleen de materiaalkosten. – Arbeidskosten: Installateurs en aannemers brengen arbeidskosten in rekening, die afhankelijk zijn van de complexiteit van de werkzaamheden.
3. Vergunningen en leges Voor sommige maatregelen, zoals een warmtepomp met een buitenunit of gevelisolatie aan de buitenkant, kan een vergunning nodig zijn. De kosten hiervan verschillen per gemeente en kunnen oplopen tot enkele honderden euro’s. 4. Onderhoudskosten Duurzame installaties, zoals een hybride warmtepomp, zonneboiler of ventilatiesysteem met warmteterugwinning (WTW), vereisen regelmatig onderhoud. Dit kan jaarlijkse kosten met zich meebrengen. 5. Verzwaring van de meterkast Voor de installatie van een zonnepanelen-systeem of warmtepomp kan het nodig zijn om de meterkast te verzwaren van een 1-fase-aansluiting naar een 3-fasen aansluiting. Dit kost gemiddeld € 250 tot € 1.500, afhankelijk van de netbeheerder. 6. 6. Tijdelijke woonlasten bij verbouwing Als ingrijpende maatregelen worden genomen, zoals vloer- of gevelisolatie, kan de woning tijdelijk onbewoonbaar zijn. Dit kan extra woonlasten veroorzaken, bijvoorbeeld voor tijdelijke huisvesting of opslag van meubels. 7. Verzekeringen en garanties Extra verzekeringen, zoals een constructieverzekering of een uitgebreide opstalverzekering, kunnen nodig zijn bij ingrijpende aanpassingen. Garanties op installaties en materialen brengen soms extra kosten met zich mee, bijvoorbeeld als verlengde garantie gewenst is. 8. Kosten voor energiemanagementsystemen Voor een optimaal rendement uit verduurzamingsmaatregelen kan een energiemanagementsysteem (EMS) worden aangeschaft om energieverbruik en opwekking te monitoren. Dit kan variëren van € 100 tot € 1.000, afhankelijk van de functionaliteit.
29.6 LEADVERGOEDING
Verduurzaming is ‘booming’. Diverse bedrijven benaderen adviseurs actief met het verzoek om leads. De proposities zijn vaak: een digitaal platform gekoppeld aan een rekenmodule, in combinatie met een stoomcursus voor de adviseur. De aanbieder van het platform volgt de leads zelf op of zet die weer uit bij installateurs. De hypotheekadviseur krijgt betaald voor consumenten die daadwerkelijk een order plaatsen.
De NVHP roept haar leden in algemene zin op om kritisch te zijn op het accepteren van leadvergoedingen bij verduurzaming van de eigen woning van klanten. Daarnaast roept de NVHP op om bij accepteren van een leadver354 goeding hierover open te zijn naar de klant. Hier wordt het een hellend vlak.
HYPOTHEEKADVIES EN DUURZAAMHEID Belangrijke vraag bij het doorgeven van een lead is uiteraard hoeveel controle heeft een adviseur nog over de dienst waar hij naar verwijst? Mogelijk komt er een deuk in de vertrouwensband met de klant als het misgaat. niet op het spel wanneer je iets of iemand aanraadt waar je zelf geen verstand van hebt?
30. KLIMAATVERANDERING EN EIGEN WONING
30.1 INLEIDING
Klimaatverandering heeft steeds meer invloed op het dagelijks leven, en dat geldt ook voor eigenwoningbezitters. Er zijn verschillende risico’s die eigenwoningbezitters kunnen tegenkomen als gevolg van de klimaatverandering. Deze risico’s kunnen de waarde van de woning, de verzekeringen, en zelfs de woonlasten beïnvloeden.
30.2 DE RISICO’S
30.2.1 Stijging van de zeespiegel en overstromingen
In kustgebieden en lage-gebieden kunnen woningen het risico lopen om onder water te komen staan door de stijgende zeespiegel en overstromingen. De frequentie en intensiteit van overstromingen nemen toe door de veranderingen in het klimaat.
Overstromingen door zware regenbuien kunnen ook binnendringen in woningen, wat schade aan funderingen, meubels, elektronica en andere bezittingen kan veroorzaken.
Voor de eigenwoningbezitter betekent dit dat de woning beschadigd kan raken, wat leidt tot hoge herstelkosten. Daarnaast kunnen de verzekeringspremies voor overstromingsschade stijgen of de dekking kan beperkter worden. Ten slotte kan de waarde van de woning afnemen, vooral in risicovolle gebieden.
30.2.2 Hittegolven en extreem weer
Hogere temperaturen door hittegolven kunnen leiden tot een verhoogde belasting op koelsystemen (zoals airconditioning), wat resulteert in hogere energiekosten voor de eigenwoningbezitter.
Hevige stormen, extreem weer zoals tornado’s en zware regenval kunnen schade aanrichten aan daken, gevels en tuinen.
Voor de eigenwoningbezitter betekent dit hoge energiekosten door de noodzaak om koelsystemen vaker of intensiever te gebruiken.
Daarnaast kan de schade aan de woning ontstaan door extreme weersomstandigheden leiden tot hoge reparatiekosten. Ten slotte kan de woning kan minder comfortabel worden tijdens hittegolven, wat invloed heeft op de levenskwaliteit.
30.2.3 Daling van de woningwaarde
De waarde van woningen kan dalen in gebieden die gevoelig zijn voor de effecten van klimaatverandering, zoals overstromingen, extreme droogte, of hittegolven. Kopers zullen mogelijk minder geïnteresseerd zijn in woningen in risicogebieden.
Voor de eigenwoningbezitter betekent dit da het lastiger kan worden om diens woning te verkopen als de waarde daalt door klimaatrisico’s.
Daarnaast kunnen er grotere hypotheeklasten ontstaan, omdat de woning mogelijk minder waard is dan het oorspronkelijke bedrag van de hypotheek.
30.2.4 Verhoogde onderhoudskosten
Klimaatverandering kan de vraag naar regelmatig onderhoud verhogen. Bijvoorbeeld, huizen in gebieden die vaker te maken hebben met extreme regenval, kunnen meer last krijgen van vochtproblemen, zoals schimmel en rotting.
Ook hittegolven kunnen het dak en de gevels van een woning sneller verouderen, wat leidt tot hogere onderhoudskosten.
Dit betekent voor de eigenwoningbezitter mogelijk hogere onderhoudskosten, omdat diens woning sneller slijtage vertoont door extreme weersomstandigheden.
KLIMAATVERANDERING EN EIGEN WONING Daarnaast kan herstel van schade door stormen of ander extreem onverwacht dure kosten met zich meebrengen.
30.2.5 Veranderende verzekeringspremie
Verzekeraars kunnen hun premies verhogen of de dekking beperken als gevolg van de toenemende risico’s van klimaatverandering. In risicogebieden (zoals gebieden die gevoelig zijn voor overstromingen, aardverschuivingen, of stormen) kunnen eigenwoningbezitters hogere premies voor opstal- of inboedelverzekeringen ervaren.
Dit betekent dit voor de eigenwoningbezitter dat hogere kosten voor verzekeringen de maandlasten van de woning kunnen verhogen.
Daarnaast kan het in sommige gevallen moeilijker zijn om goede dekking te verkrijgen als het risico op schade door klimaatverandering toeneemt.
30.2.6 Verlies van biodiversiteit en leefomstandigheden
Klimaatverandering kan de biodiversiteit en het ecosysteem in de omgeving van de woning aantasten, bijvoorbeeld door verminderde beschikbaarheid van water, verlies van groenvoorzieningen, of verstoring van lokale flora en fauna.
Dit betekent voor de eigenwoningbezitter dat door een verminderde leefkwaliteit door afname van groenvoorzieningen of natuurschoon de aantrekkelijkheid van de woning kan verminderen.
Daarnaast kan het verlies van groene ruimtes ook invloed hebben op de waarde van de woning, aangezien tuinen en natuur vaak belangrijk zijn voor woningbezoekers.
30.3 BESCHERMING WONING TEGEN DE RISICO’S
Bescherming van de eigen woning tegen deze risico’s kan door: • duurzaamheidsmaatregelen te nemen: denk aan isolatie (om te beschermen tegen hitte en kou), groene daken of regenwateropvangsystemen. • te zorgen voor goede afwatering: het installeren van regenwaterafvoersystemen kan overstromingsrisico’s verkleinen. • de fundering te verbeteren: het versterken van de fundering kan helpen tegen overstromingen en andere schade door extreem weer. • verzekeringen up-to-date te houden: door ervoor te zorgen dat verzekeringen aansluiten bij de veranderende risico’s van klimaatverandering, en met de verzekeraar te bespreken wat de dekking is voor overstroming, 359 stormschade, et cetera.
30.4 FUNDERINGSSCHADE VAN DE WONING
Funderingsschade is een veelvoorkomend probleem voor woningen, vooral in Nederland, waar veel woningen te maken hebben met ondergrondse bewegingen of veranderingen in het grondwaterpeil. Er zijn verschillende oorzaken van funderingsschade, en deze kunnen leiden tot scheuren, kromtrekken, of dalen van de woning.
Dit zijn de belangrijkste oorzaken en de regio’s die bekend staan om hun hogere risico op funderingsproblemen:
1. Grondwaterpeil fluctuaties Het grondwaterpeil speelt een belangrijke rol in de stabiliteit van de fundering. In Nederland ligt veel grondwater dicht bij het aardoppervlak, en veranderingen in het peil kunnen de grond waarop een fundering rust, beïnvloeden. Bij daling van het grondwaterpeil (bijvoorbeeld door langdurige droogte of bemalingswerkzaamheden) kan de bodem inklinken of uitdrogen, wat leidt tot het zakken van de fundering.
Verhoging van het grondwaterpeil (bijvoorbeeld door hevige regen of stijgend grondwater) kan de bodem uitzetten, wat kan zorgen voor scheuren of het opdrijven van de fundering.
2. Bodemgesteldheid De samenstelling van de bodem heeft grote invloed op de stabiliteit van een fundering. In Nederland komen verschillende bodemtypes voor, zoals klei, veen, zand en löss, en sommige bodems zijn gevoeliger voor bewegingen dan andere.
Veen- en kleigronden kunnen inklinken of uitzetten bij schommelingen in het grondwaterpeil. Dit kan leiden tot zakken van de woning. Zand- en lössgronden kunnen ook instabiel worden, vooral wanneer de bodem onvoldoende draagkracht heeft voor zware woningen.
3. Veroudering van de fundering In oudere woningen is de fundering vaak minder sterk of minder diep dan bij modernere woningen. Ook kan de fundering door het verstrijken van de tijd en de invloeden van het weer verzwakken.
Het kan leiden tot scheuren, dalen van de fundering, en instabiliteit door het verzwakken van het materiaal.
KLIMAATVERANDERING EN EIGEN WONING 4. Bodembeweging door aardbevingen of trillingen In gebieden waar aardbevingen optreden (zoals in de Noordelijke provincies van Nederland, in het bijzonder in Groningen), kunnen trillingen en schokken de bodem in beweging brengen. Dit kan de fundering van een woning beschadigen.
Trillingen kunnen ervoor zorgen dat de fundering loskomt van de ondergrond, scheuren veroorzaakt, of het pand verplaatst.
5. Onvoldoende fundering of slechte constructie Bij sommige oudere woningen is de fundering simpelweg onvoldoende diep of niet goed geconstrueerd voor de draagkracht van de woning. Dit kan het gevolg zijn van slechte bouwpraktijken in het verleden.
Het kan leiden tot een onstabiele fundering, die door grondveranderingen of het gewicht van het gebouw zal gaan zakken of scheuren.
6. Slecht onderhoud of schades door indringend water Indringend water door lekkages, slechte afwatering of verstopte rioleringen kan de fundering ondermijnen, vooral als er langdurig water in de bodem aanwezig is. Dit kan leiden tot erosie van de bodem rond de fundering of ondermijning, waardoor de woning kan verzakken of scheuren vertonen.
30.5 REGIO’S MET HOGE RISICO’S VOOR FUNDERINGSSCHADE
1. Veen- en kleigronden Friesland, Groningen, en delen van Drenthe en Flevoland hebben veel veen- en kleigronden. Deze bodems zijn gevoelig voor inklinken en verzakking, vooral bij schommelingen in het grondwaterpeil.
Veen kan uitdrogen en inklinken, waardoor de fundering niet meer goed ondersteund wordt. Kleigronden kunnen samentrekken of uitzetten, wat eveneens funderingsschade veroorzaakt.
2. Stedelijke gebieden met oude woningen Grote steden zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, en Utrecht, die veel oude woningen bevatten (zoals woningen uit de 19e en begin 20e eeuw), hebben vaak onvoldoende diepe funderingen of funderingen die zijn verzwakt door veroudering.
In oudere woningen kan de fundering vaak niet goed omgaan met de bodemgesteldheid en kan deze bezwijken door natuurlijke bodembewegingen, of door toegenomen belasting van de woning.
3. Groningen en het aardbevingsgebied De provincie Groningen heeft door de aardgaswinning te maken met aardbevingen die de bodem kunnen verplaatsen.
Aardbevingen veroorzaken bodembewegingen die schade aan funderingen kunnen veroorzaken, zelfs bij relatief geringe bevingen. Dit heeft geleid tot veel funderingsproblemen in het gebied.
Polders en voormalige veengebieden De Flevolanden en Zuid-Holland (bijvoorbeeld in de buurt van Hollandse Waterlinies) zijn gebieden waar veel polders en voormalige veengebieden zich bevinden.
In poldergebieden kan het waterpeil fluctueren en de bodem kan inklinken door het ontwateren van de polder. Dit zorgt voor een minder stabiele ondergrond voor funderingen.
30.6 PRODUCTVOORWAARDEN KLIMAATRISICO
In het kader van klimaatrisico’s kunnen verschillende productvoorwaarden in hypothecaire geldleningen van belang zijn, omdat immers de gevolgen van klimaatverandering de waarde van onroerend goed, de stabiliteit van de fundering, en de duurzaamheid van woningen kunnen beïnvloeden. Financiële instellingen die hypothecaire geldleningen aanbieden, kunnen productvoorwaarden aanpassen om zowel hun eigen risico’s als die van de klant te beheersen, rekening houdend met de klimaatrisico’s die verbonden zijn aan het financieren van woningen.
Belangrijke productvoorwaarden in hypotheken met betrekking tot klimaatrisico’s zijn:
1. Verzekeringseisen Klimaat gerelateerde risico’s zoals overstromingen, stormschade, of waterschade kunnen de woning beschadigen. Verzekeringen spelen een belangrijke rol in het afdekken van deze risico’s.
Voorwaarden in de hypothecaire geldlening kunnen in dit geval zijn: – verplichte dekking voor klimaatrisico’s: sommige geldverstrek362 kers kunnen eisen dat de woning wordt verzekerd tegen specifieke
KLIMAATVERANDERING EN EIGEN WONING klimaatgerelateerde risico’s, zoals overstromingen of stormschade. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de woning verzekerd moet zijn voor schade door extreem weer, wat steeds vaker voorkomt door klimaatverandering. – aanpassing van verzekeringen: geldverstrekkers kunnen klanten aanmoedigen om hun verzekeringsvoorwaarden aan te passen om goed gedekt te zijn voor de risico’s van overstromingen, aardbevingen (bijvoorbeeld in de regio Groningen), of andere natuurrampen.
2. Duurzaamheidsaspecten en energieprestaties Duurzaamheid wordt steeds belangrijker in het kader van klimaatverandering. Woningen die minder energie-efficiënt zijn, kunnen hogere energiekosten met zich meebrengen en minder aantrekkelijk worden op de vastgoedmarkt.
Voorwaarden in de hypothecaire geldlening kunnen in dit geval zijn: – eisen op energieprestaties: geldverstrekkers kunnen voorwaarden opnemen die betrekking hebben op de energieprestatie van de woning, zoals een minimale energieprestatiecoëfficiënt (EPC) of een verplichting om woningen energiezuiniger te maken (bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen, betere isolatie, of energiezuinige verwarmingssystemen). – groene hypotheken: sommige bankinstellingen bieden groene hypotheken aan, waarbij lagere rentetarieven of andere voordelen worden gegeven aan huizenkopers die een energiebewuste woning kopen of verduurzamen. – energieadviezen en financiering van verduurzaming: geldverstrekkers kunnen klanten ondersteunen bij de financiering van verduurzamingsmaatregelen door extra leenruimte te bieden voor het verduurzamen van de woning.
3. Lening-waarde verhouding (LTV) en waarde van de woning In risicogebieden voor overstromingen of bodembewegingen kan de waarde van de woning afnemen door schade of het lagere investeringspotentieel van het onroerend goed.
Voorwaarden in de hypothecaire geldlening kunnen in dit geval zijn: – risico-informatie en LTV-aanpassing: geldverstrekkers kunnen hogere rentepercentages of een lagere LTV hanteren voor woningen in risicovolle gebieden, zoals gebieden die gevoelig zijn voor overstromingen, bodemdaling of extreem weer. – waardedaling van vastgoed: bankinstellingen kunnen de waarde van de woning anders inschatten in risicogebieden, wat van invloed kan zijn op het bedrag dat geleend kan worden. 363
4. Verplichtingen bij schade of verlies van woningwaarde Schade door klimaatverandering kan leiden tot verlies van woningwaarde of verplaatsing van de woning, wat invloed heeft op het vermogen van de huiseigenaar om aan de hypotheekverplichtingen te voldoen.
Voorwaarden in de hypothecaire geldlening kunnen in dit geval zijn: – verplichting tot herstel bij schade: geldverstrekkers kunnen eisen dat schade die door klimaatrisico’s wordt veroorzaakt, wordt hersteld. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor stormschade of waterschade. De huiseigenaar moet het herstel van de woning mogelijk maken, zodat de waarde van het onderpand behouden blijft. – herstructurering van hypotheekbetalingen: in geval van zware schade kan de geldverstrekker opties bieden voor herstructurering van de hypotheekbetalingen, vooral als de woning tijdelijk onbewoonbaar is door natuurrampen.
5. Bouwen in risicogebieden Woningbouw in risicogebieden zoals laaggelegen gebieden die gevoelig zijn voor overstromingen of andere klimaatrampen kan het risico van schade vergroten, wat ook invloed heeft op de hypotheekvoorwaarden.
Voorwaarden in de hypothecaire geldlening kunnen in dit geval zijn: – verboden of beperkingen op financiering in risicogebieden: geldverstrekkers kunnen beperkingen stellen aan het verstrekken van hypothecaire geldleningen in bepaalde risicogebieden. Bijvoorbeeld, het financieren van woningen in gebieden die vatbaar zijn voor overstromingen, aardbevingen, of extreme droogte kan beperkter worden, omdat de waarde van de woning in zulke gebieden sneller kan afnemen. – hogere rente of eigen middelen vereist: in risicogebieden kunnen geldverstrekkers hogere rentepercentages hanteren, omdat het risico van verlies of schade groter is. Ook kan een grotere eigen bijdrage worden vereist van de huizenkoper.
6. Klimaatrisicodocumentatie en rapportage Klimaatrisico’s kunnen in de toekomst steeds meer impact hebben op woningen, en het is belangrijk dat geldverstrekkers op de hoogte blijven van deze risico’s.
Voorwaarden in de hypothecaire geldlening kunnen in dit geval zijn: – documentatie en rapportage over klimaatrisico’s: geldverstrekkers kunnen eisen dat klanten klimaatrisico-rapportages verstrekken, vooral als de woning zich in een gebied bevindt dat kwetsbaar is voor 364 klimaatverandering. Dit kan helpen om te begrijpen welk effect de klimaatverandering op de waarde van de woning kan hebben.
KLIMAATVERANDERING EN EIGEN WONING – regelmatige herbeoordeling van risico’s: de geldverstrekker kan clausules opnemen waarin de klant verplicht is om, bijvoorbeeld bij herfinanciering of bij het aanvragen van een lening, een herbeoordeling van klimaatrisico’s te laten uitvoeren.
31. HUUR EN VERHUUR
31.1 INLEIDING
In 2025 evalueren investeerders het aankopen van woningen voor verhuur in box 3 met een genuanceerde blik, beïnvloed door recente fiscale en marktontwikkelingen.
31.1.1 Fiscale wijzigingen in box 3
Het kabinet heeft het plan om vanaf 2025 belasting te heffen over het werkelijke rendement in box 3 uitgesteld naar 2026. In 2025 blijft de overbruggingswetgeving van kracht, waarbij fictieve rendementen worden gehanteerd die dicht bij de werkelijke rendementen liggen.
Het belastingtarief in box 3 bedraagt in 2025 36 procent. Het heffingsvrije vermogen is € 57.684 per persoon; voor fiscale partners gezamenlijk € 115.368.
31.1.2 Marktdynamiek
Na een periode van stijgende rentes is er in 2025 sprake van stabilisatie, wat een positief effect heeft op de financieringskosten voor vastgoedbeleggers.
Er is meer duidelijkheid gekomen over de regulering van huurprijzen, met name in het middensegment. Dit biedt investeerders een stabieler kader voor het bepalen van huurinkomsten.
De vraag naar middenhuurwoningen blijft groot, vooral onder huishoudens die te veel verdienen voor sociale huur maar geen woning kunnen kopen. Dit segment biedt investeerders kansen vanwege het lagere risico en de stabiele vraag.
Hoewel fiscale veranderingen en marktreguleringen uitdagingen kunnen vormen, zien investeerders in 2025 nog steeds potentieel in het investeren in huurwoningen binnen box 3. De stabilisatie van rentes, duidelijkheid in huurprijsregulering en de aanhoudende vraag naar middenhuurwoningen dragen bij aan een aantrekkelijk investeringsklimaat. Het is echter essentieel voor investeerders om op de hoogte te blijven van beleidswijzigingen en marktontwikkelingen om weloverwogen beslissingen te nemen.
In dit hoofdstuk gaat het om verhuur van woningen door particuliere investeerders. Hieronder verstaan wij particulieren, die maximaal drie tot vijf woningen in bezit hebben voor verhuur. Hoe deze activiteit fiscaal behandeld wordt is aan de Belastingdienst. Wij gaan hier uit van verhuur in box 3 van de inkomstenbelasting.
In dit hoofdstuk staan wij bij verschillende onderwerpen stil, waaronder het huurrecht. Ondanks het feit dat dit het werkgebied van een jurist is, hebben wij hier toch het een en ander over opgenomen. Dit vooral om u te helpen met de klant bepaalde zaken te signaleren en de klant vervolgens door te verwijzen naar een huurrechtjurist.
31.2 EXPLOITATIE PANDEN BOX 1 OF 3
In het geval een natuurlijk persoon vastgoed exploiteert, is het altijd de vraag of dit in box 1 (hogere belasting, winst) of box 3 (lagere belasting, vermogensbeheer) plaatsvindt. De Belastingdienst zal snel stellen dat er sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, de belegger zal stellen: ‘ik doe niets en er is sprake van normaal vermogensbeheer, dus box 3.’.
Naast deze vraag zijn vragen zoals welke juiste (fiscale) structuur is nodig, geldt er btw of overdrachtsbelasting, wat is een passende financieringsopzet en estate planning. Dit is werk voor een fiscalist en de hypothecair is hiervoor het ‘voorportaal’. Voldoende kennis van zaken om vervolgens te kunnen doorverwijzen is dan aan de orde.
In het geval een natuurlijk persoon zich bezighoudt met het kopen/verkopen en/of verhuren van vastgoed, kan sprake zijn van winst uit onderneming 368 (of resultaat uit overige werkzaamheden). Een harde lijn is er niet binnen
HUUR EN VERHUUR de Belastingdienst en binnen het grijze gebied zijn de feiten uiteindelijk van groot belang. De kern is vaak: ‘wat doet u zelf?’ Bij een box 1 belegging is de winst belast en zijn de (onderhouds)kosten aftrekbaar.
De signalen die duiden op winst uit onderneming (box 1) zijn: • veel eigen werk/actief vermogensbeheer9 • uitponden van panden (kopen, splitsen, verkopen) • ingrijpende verbouwingen • snelle winst (aan-/verkoop).
In de praktijk ontstaan steeds vaker discussies hierover met de Belastingdienst. Er is een grijs gebied waar rechters steeds vaker aan te pas moeten komen.
Richtlijnen die rechters afgeven (signalen voor box 1) zijn: • zelf administratieve werkzaamheden verrichten, zoals advertenties plaatsen, klachten oplossen, huurovereenkomsten opstellen, huur innen, betalingen verrichten et cetera; • zelf werkzaamheden in de panden verrichten (verbouwen/renovatie) • regelmatig aan- en verkopen met winst; • zelf intensief met de panden bezig (kopen, onderhouden contacten met partijen et cetera); • Specifieke kennis, deskundigheid of relaties binnen de onroerendgoedwereld.
Het geheel wordt hierbij gewogen, het voldoen aan één voorwaarde is onvoldoende om te stellen dat er sprake is van een bedrijf/winst uit onderneming.
Echter, de grens blijft onscherp. Dat blijkt uit de volgende zaak. In een arrest van de Hoge Raad (9 oktober 2009, rolnummer 43035) en het Gerechtshof Leeuwarden (13 januari 2006, rolnummer 1129/04) kwam een zaak aan de orde waarbij een ondernemer een appartementencomplex met huurders kocht. Zodra een huurder vertrok, werd het appartement verkocht. De inspecteur wil de winst belasten in box 1. Het Gerechtshof in Leeuwarden stelt de inspecteur in het gelijk, de Hoge Raad niet. De Hoge Raad is helder in zijn bewoordingen:
‘Als de uitponding gepaard gaat met werkzaamheden die naar hun aard en omvang onmiskenbaar zijn gericht op het behalen van - redelijkerwijs te verwachten - voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan, is sprake van box 1 inkomen. Dit kan ook voorkomen bij bijzondere (voor)kennis.’
9 A rtt. 3.90 en 3.91 Wet IB 2001.
Voorbeeld X heeft 60 panden in bezit en verhuurt deze panden. De rechter is van mening dat er sprake is van winst uit onderneming, de redenen hiervoor zijn: Kopen panden met achterstallig onderhoud die door hem (of met bemiddeling van hem) worden opgeknapt. Panden worden verkocht, opgeknapt en met winst verkocht (binnen korte termijn). Administratieve werkzaamheden worden door Henk zelf verricht (leningen, huurontvangsten, opstellen huurcontracten et cetera).
Volgens de rechter is er dan ook sprake van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee X in het economische verkeer beoogt winst te behalen. De activiteiten/werkzaamheden van X gaan ver uit boven hetgeen bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Gerechtshof Den Haag 5 augustus 2016 ECLI NL GHDHA 2016 2627. X gaat in cassatie bij de Hoge Raad, de Hoge Raad heeft de uitspraak van het Gerechtshof bevestigd (Hoge Raad d.d. 2 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:992).
Conclusie fiscaal jurist: Het is maatwerk met een grijs gebied. Op grond van de jurisprudentie zal een investeerder zijn eigen betrokkenheid en werkzaamheden zoveel mogelijk moeten beperken. Een goed advies met juiste richtlijnen en controle op de daadwerkelijke uitvoering is hierbij van essentieel belang. Het beleggen in box 3 heeft voor veel vastgoedbeleggers de voorkeur omdat het vaak minder belastingdruk zal opleveren. Als de belegger zelf passief is en blijft, wordt de belegging in box 3 geaccepteerd. Als de belegger actief is en het vastgoedbeheer zelf verricht, verschuift de belegging van box 3 naar box 1. Actieve vastgoedbeleggers zullen schrikken van de uitspraak van het Gerechtshof Den haag in augustus 2016. Het actief drijven van een vastgoedexploitatie is een onderneming, dat staat vast. De grens? Tja dat is een grijs gebied.
31.3 HUURRECHT
Het huurrecht is het onderdeel van het burgerlijk recht, dat zich bezighoudt met de huurovereenkomst. Particulieren die besluiten een woning te gaan verhuren krijgen hiermee te maken. De huurovereenkomst wordt geregeld in titel 4 van boek 7 van het BW, bijzondere overeenkomsten. Daarbij zijn ook de algemene regels voor de overeenkomst in Boek 6 van belang.
Definitie huurovereenkomst10: Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een
10 A rt. 7:201 BW.
HUUR EN VERHUUR gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Van huur is sprake als de ene partij, de verhuurder, het gebruik van een zaak verstrekt aan de andere partij, de huurder, die daarvoor een tegenprestatie moet betalen.
Voor de vraag of een bepaalde overeenkomst een huurovereenkomst is of niet is de tekst van de schriftelijke overeenkomst uiteindelijk niet doorslaggevend, maar de praktijk. Als de overeenkomst in de praktijk voldoet aan de wettelijke definitie, is sprake van een huurovereenkomst. Partijen kunnen bijvoorbeeld spreken over lease, of in het schriftelijke contract kan ‘lease contract’ staan, als in de praktijk de overeenkomst voldoet aan de definitie van de huurovereenkomst in de wet, dan is sprake van een huurovereenkomst en is er wettelijke bescherming.
31.3.1 Verplichtingen verhuurder
De verplichtingen van de verhuurder staan in afdeling 7:4.2 BW.
• De verhuurder moet de zaak ter beschikking stellen en laten aan de huurder voor gebruik11. Dit moet tijdig gebeuren, anders is de verhuurder schadeplichtig zonder ingebrekestelling, omdat dan gewoonlijk een fatale termijn is geschonden12. • De verhuurder moet instaan voor gebreken, die niet aan de huurder zijn toe te rekenen13. Immateriële gebreken, zoals overlast en het niet plegen van preventief onderhoud vallen er ook onder. • De verhuurder is verplicht gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk of te duur is14. Deze plicht ontstaat pas als de huurder daarom heeft verzocht. Alleen kleine herstellingen die voor rekening van de huurder komen op grond van artikel 7:217 BW vallen er niet onder15.
Bij niet-naleving van deze plicht, kan de huurder drie vorderingen instellen: 1. Gedeeltelijke ontbinding16: na kennisgeving van het gebrek aan de verhuurder, vermindering van de huurprijs te vorderen overeenkomstig artikel 6:270 BW.
11 A rt. 7:203 BW. 12 A rt. 6:83 sub a BW. 13 A rtt. 7:204-210 BW. 14 A rt. 7:206 lid 1 BW. 15 A rt. 7:206 lid 2 BW. 16 A rt. 7:207 BW. 371
2. Gehele ontbinding17 wanneer de verhuurder niet op grond van artikel 7:206 BW verplicht is het gebrek te verhelpen. 3. Recht op schadevergoeding18: bij een later gebrek dat aan de verhuurder is toe te rekenen of bij een eerder gebrek, dat hij heeft verzwegen of waarover hij heeft gelogen.
• De verhuurder moet de huurder vrijwaren tegen rechtsstoornis door derden19: wanneer de verhuurder in zijn gebruik van de gehuurde zaak wordt verstoord, is er sprake van een gebrek 20. Nadat de huurder het hem heeft meegedeeld, is de verhuurder verplicht zich in een rechtsgeding tussen de huurder en een derde te voegen, om de belangen van de huurder te verdedigen21. De huurder blijft wel procespartij.
Wanneer de verhuurder deze verplichting niet nakomt, zijn de kosten voor zijn rekening22.
31.3.2 Verplichtingen huurder
• Voldoen van de huurprijs23: het gaat hierbij om een fatale termijn24, waarbij het verzuim automatisch intreedt zonder voorafgaande ingebrekestelling (aanmaning), tenzij de betalingstermijn een andere strekking heeft. De huurder hoeft dus niet eerst herinnerd te worden aan zijn huurachterstand. Huurverplichtingen zijn namelijk ‘voortdurend’ van aard en moeten per termijn betaald worden en daarom levert het niet op tijd betalen van de huur al verzuim op, zonder dat eerst een ingebrekestelling vereist is. • Goed huurderschap25. Dit betreft een open norm en is uitgewerkt in diverse bepalingen, zoals overlast door andere huurder(s). Dit levert een gebrek op aan de huurovereenkomst in de zin van artikel 7:204 BW. De huurder is hierbij ook aansprakelijk voor overlast die door anderen in zijn gehuurde ruimte wordt veroorzaakt26. • Gebruik overeenkomstig de (contractuele) bestemming27: wanneer het gehuurde wordt gebruikt in strijd met de bestemming, dan is dat
17 A rt. 7:210 BW juncto art. 6:267 BW. 18 A rt. 7:208 BW. 19 A rt. 7:211 juncto art. 7:204 lid 2 BW. 20 A rt. 7:204 lid 3 BW. 21 A rt. 7:211 lid 1 BW. 22 A rt. 7:211 lid 2 BW. 23 A rt. 7:212 BW. 24 A rt. 6:83 sub a BW. 25 A rt. 7:213 BW. 26 A rt. 7:219 BW. 372 27 A rt. 7:214 BW.
HUUR EN VERHUUR wanprestatie dat voor ontbinding in aanmerking komt. Je mag bijvoorbeeld niet een gehuurde woonruimte gebruiken als bedrijfsruimte en andersom ook niet.
De huurder is onbevoegd veranderingen aan het gehuurde aan te brengen, tenzij de verhuurder hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven28 en bij het einde van de huurovereenkomst zonder ‘noemenswaardige kosten kunnen worden verwijderd’29. Het gaat hierbij om (zeer) geringe veranderingen zoals het aanbrengen van een zonnescherm, gordijnrails, luxaflex, buitenverlichting, badkamerkastjes enzovoort. Zulke veranderingen kunnen dus zonder voorafgaande toestemming van de verhuurder worden aangebracht.
Het begrip ‘zonder noemenswaardige kosten’ slaat op het geval, dat de verhuurder het weinig geld zou kosten om de zaken te verwijderen náhet einde van de huurovereenkomst. Deze kosten komen dan voor rekening van de verhuurder.
Bij huur van woonruimte geeft de verhuurder altijd binnen acht weken toestemming voor het aanbrengen van veranderingen aan het gehuurde, als deze de verhuurbaarheid niet schaden en niet leiden tot een waardedaling van het gehuurde30. Wanneer de verhuurder geen toestemming hiervoor geeft, kan de huurder naar de rechter stappen en van de rechter vervangende toestemming vragen31. De rechter geeft altijd toestemming als de verhuurder aan de huurder van de woonruimte toestemming had moeten geven32 of als de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde pand door de huurder, het woongenot verhogen en geen zwaarwegende bezwaren aan de zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen van de veranderingen verzetten33.
De huurder is gedurende de hele looptijd van de huur tot ontruiming bevoegd de door hem aangebrachte veranderingen weg te nemen en in oude staat te herstellen (wegneemrecht). De huurder is aansprakelijk voor door hem aangerichte schade34. De beginstaat van het gehuurde wordt vermoed in onbeschadigde staat te zijn en de huurder kan hiertegen tegenbewijs leveren, dat hij het beschadigd heeft
28 A rt. 7:215 lid 1 BW. 29 A rt. 7:215 lid 1 BW. 30 A rt. 7:215 lid 2 BW. 31 A rt. 7:215 lid 2 BW. 32 A rt. 7:215 lid 4 BW. 33 A rt. 7:215 lid 4 laatste zin BW. 34 A rt. 7:218 lid 1 BW. 373
ontvangen35. Zo is hij ook aansprakelijk voor schade die door derden is veroorzaakt36.
• De huurder moet dringende werkzaamheden aan de verhuurde zaak toestaan én groot preventief onderhoud dat niet kan worden uitgesteld tot náhet einde van de huurovereenkomst37. De huurder moet dan ook renovatie (waaronder ook sloop en nieuwbouw valt) toestaan, als het voorstel daartoe redelijk is38. Een dergelijk voorstel is bij een renovatie van 10 of meer woningen of bedrijfsruimtes redelijk, wanneer 70% van de huurders ermee instemt39. • Wanneer de huurder een gebrek ontdekt aan het gehuurde, moet hij dit meteen melden aan de verhuurder40. • De huurder is verplicht gelegenheid te geven tot bezichtiging bij verkoop door de verhuurder41. • De huurder moet het gehuurde aan het einde van de huur teruggeven42. Wanneer de huurder en verhuurder een beschrijving hebben opgemaakt van de verhuurde zaak, moet het verhuurde in de oorspronkelijke staat worden opgeleverd, behoudens geoorloofde veranderingen en toevoegingen in de zin van artikel 7:215 lid 1 BW43.
Wanneer de huurder en verhuurder geen beschrijving hebben opgemaakt, moet de gehuurde zaak in oorspronkelijke staat worden opgeleverd44; bewijslast rust op de verhuurder.
Voor de nakoming van de opleveringsverplichting is geen ingebrekestelling (aanmaning) vereist: automatisch verzuim op grond van artikel 6:83 sub b BW45.
Wanneer de huurder náhet einde van de huurovereenkomst in het gehuurde blijft zonder de huurprijs door te betalen, kan de verhuurder schadevergoeding vorderen ten bedrage van de gemiste huurtermijnen of meer wanneer de schade hoger is46.
35 A rt. 7:218 lid 3 BW. 36 A rt. 7:219 BW. 37 A rt. 7:220 lid 1 BW. 38 A rt. 7:220 lid 2 BW. 39 A rt. 7:220 lid 3 BW. 40 A rt. 7:222 BW. 41 A rt. 7:223 BW. 42 A rt. 7:224 lid 1 BW. 43 A rt. 7:224 lid 2 eerste zin BW. 44 A rt. 7:224 lid 2 slot BW. 45 A rrest Van der Meer/Wbv. Beter Wonen; HR 27-11-1998, NJ 1999, 380. 374 46 A rt. 7:225 BW.
HUUR EN VERHUUR
31.3.3 Woonruimte
Wonen is één van de meest essentiële levensbehoeftes. Voor de eigenaar-bewoner van een eigen woning geldt dat, maar dat geldt ook voor de huurder van een woning. Daarom heeft titel 4 van boek 7 van het BW een aparte Afdeling 5 Huur van woonruimte47.
Om de positie van de huurder te beschermen geeft de wet regels die ervoor moeten zorgen dat de huurder niet zomaar uit zijn huis gezet kan worden (huurbescherming), en evenmin onverwacht met een flinke huurverhoging geconfronteerd kan worden (huurprijsbescherming). Vanwege het beschermingskarakter zijn de regels met betrekking tot de huur van woonruimte van dwingend recht, er kan dus niet van worden afgeweken.
Huur van woonruimte houdt in dat er een gebouwde onroerende zaak als zelfstandige of onzelfstandige woonruimte wordt verhuurd, of een woonwagen met standplaats (kavel waarop de woonwagen geplaatst wordt met voorzieningen48. De onderhuur van kamers valt ook onder de huur van woonruimte49.
De verhuur van woonboten en stacaravans valt niet onder de huur van woonruimte.
31.3.4 Wel huur van woonruimte, géén huurbescherming
Het betreft een gebruik van woonruimte dat naar zijn aard slechts van korte duur is50. Hierbij moet men letten op ‘de aard van het gebruik’ (de reden van verblijf) of ‘de aard van de woning’ (vakantie- of sloopwoning) of ‘hetgeen partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen hebben gestaan (bijvoorbeeld dat de woning op termijn bestemd is voor verkoop). In het arrest ‘Oostenrijkse zomerwoningen’ (NJ 1999, 495) bepaalde de Hoge Raad dat er nog geen sprake is van korte duur wanneer geen permanente bewoning was toegestaan.
Het betreft hospitakamers51: de huurbeschermingsregels zijn in beperkte mate van toepassing gedurende een proefperiode van negen maanden. In die periode is er opzegging zonder opgave van redenen mogelijk, omdat artikel
47 A rtt. 7:232 – 282 BW. 48 A rt. 7:236 BW. 49 A rrest Zonshofje I, HR 20 september 1985, NJ 1986, 260. 50 A rt. 7:232 lid 2 BW. 51 A rt. 7:232 lid 3 BW. 375
7:271 lid 4 BW niet van toepassing is. En er is dan ook geen beëindiging door de rechter vereist.
Het betreft gemeentelijke afbraakpanden52: een dergelijk pand is eigendom van de gemeente en bij aangaan van de overeenkomst was al bekend dat het zou worden gesloopt. Hierbij geldt eveneens een beperkte huurbescherming: een aantal artikelen is niet van toepassing, zoals opgave van redenen bij opzegging van de huurovereenkomst in de zin van artikel 7:271 lid 4 BW. Bij niet-gemeentelijke afbraakpanden is tijdelijke verhuur mogelijk met een vergunning op grond van artikelen 15 en 16 Leegstandwet.
31.3.5 Huurprijzen van woonruimte
Voor woningen waarvan de kale huur bij de aanvang van de huur boven een bepaalde huurprijsgrens ligt of lag, gelden andere regels. Dit noemen wij de ‘vrije sector’ en de huurprijsgrens heet ‘liberalisatiegrens’. Huurwoningen met een huurprijs beneden deze grens noemen wij ‘sociale huurwoning’ en vormen de zogenoemde ‘gereguleerde sector’. De grens wordt jaarlijks door de overheid vastgelegd. Bij de bepaling welke regels voor een woning gelden, is het huurcontract maatgevend en niet de woning of de huurprijs op zich want bij wisseling van huurders kan de huurprijs ongewijzigd blijven, maar de woning toch overgaan van de gereguleerde naar de vrije sector doordat de huur met huurverhogingen harder is gestegen dan de liberalisatiegrens.
De maximale toegestane huurprijs van een woning wordt bepaald aan de hand van het Woningwaarderingsstelsel, ook wel het ‘puntensysteem’ genoemd. Dit systeem kent punten toe op basis van kenmerken van de woning, zoals oppervlakte en voorzieningen. De totale punten bepalen de maximale (kale) huurprijs.
Bij totstandkoming van een huurcontract zijn partijen vrij de huurprijs vast te leggen. De wet houdt echter rekening met de praktijk, waar een particuliere huurder bij de onderhandeling in de regel geen inbreng heeft. Huurders is daarom het recht gegeven, binnen zes maanden náingangsdatum van het huurcontract de hoogte van de huurprijs te laten toetsen door een onafhankelijke instantie, de Huurcommissie. Bij bepaling of een woning boven de liberalisatiegrens ligt of niet, is doorslaggevend wat de maximale kale huur voor de woning zou mogen zijn volgens het Woningwaarderingsstelsel, populair de puntentelling en niet de huurprijs waarvoor is getekend in een nieuw contract. De huurder moet voor deze toetsing binnen een bepaalde termijn een verzoek indienen bij de Huurcommissie, na deze termijn kan een huurder om verlaging van de huurprijs vragen.
52 A rt. 7:232 lid 4 BW.
HUUR EN VERHUUR Via artikel 3 lid 2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte wordt in artikel 2 van het Besluit huurprijzen woonruimte bepaald dat de genoemde grens gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 13 lid 1 letter a Wet op de huurtoeslag: de maximale rekenhuur voor huurtoeslag (2025: € 1.184,82 per maand). De liberalisatiegrens wordt daarom ook ‘huurtoeslaghuurprijsgrens’ genoemd.
Het begrip ‘rekenhuur’ is alleen aan de orde voor de huurtoeslag zelf. De rekenhuur is de kale huurprijs plus eventuele servicekosten die in aanmerking komen voor huurtoeslag. Het is mogelijk dat de kale huurprijs onder de liberalisatiegrens ligt (waardoor de woning in de gereguleerde sector valt), maar dat de rekenhuur boven de grens voor huurtoeslag uitkomt, waardoor de huurder geen recht heeft op huurtoeslag. Voor de liberalisatiegrens gaat het om de kale huur. Het kan dus zijn dat bij aanvang van de huur de kale huur laag genoeg is voor de gereguleerde sector, maar de rekenhuur te hoog is voor huurtoeslag. Bovendien is het zo dat een woning in de gereguleerde sector daarin blijft zolang de huur met dezelfde huurder voortduurt, want zoals gezegd gaat het om criteria bij aanvang van de bewoning.
31.3.6 Huurovereenkomsten voor bepaalde tijd
Sinds 1 juli 2016 bevat de wet een regeling die het mogelijk maakt een zelfstandige woning te verhuren voor bepaalde tijd54. Deze bepaalde tijd mag maximaal twee jaar bedragen, en kan door de verhuurder niet eerder dan tegen de overeengekomen termijn opgezegd worden. De huurder kan wel tussentijds opzeggen55, maar hoeft hierbij niet de in artikel 7:271 lid 5 onder a bedoelde opzegtermijn in acht te nemen. Deze termijn is minimaal één maand en maximaal drie maanden, maar bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd van maximaal twee jaar mag hij opzeggen tegen een termijn van één maand.
Normaliter gelden strikte bepalingen inzake beëindiging van de huurovereenkomst, maar deze zijn bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd niet van toepassing. In dit geval geldt het ‘eenvoudige’ artikel 7:228 lid 1 BW, dat alleen vereist dat de verhuurder de huurder schriftelijk informeert over de dag waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Anders dan veel mensen denken, eindigt de huurovereenkomst voor bepaalde tijd dus niet van rechtswege na het einde van de overeengekomen huurtermijn. De opzegging mag niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat de bepaalde tijd verstrijkt plaatsvinden. Er geldt hiervoor geen vormvereiste: een
53 E r moet een onderscheid gemaakt worden tussen de ‘zelfstandige woning’ en de ‘niet-zelfstandige woning’. In dit stuk is uitgegaan van de zelfstandige woning. 377 54 A rt. 7:271 lid1 BW. 55 A rt. 7:271 lid 1 vierde volzin BW.
aangetekende brief heeft de voorkeur maar zelfs een WhatsApp bericht kan volstaan. De verhuurder zal wel aan moeten tonen dat het bericht de huurder daadwerkelijk heeft bereikt. De regels hieromtrent zijn strikt en de verhuurder kan de mededeling niet omzeilen. Een beding opnemen in de huurovereenkomst met woorden als ‘de huurovereenkomst zal zonder opzegging eindigen’ is dan ook niet toegestaan56. Het niet in acht nemen van deze mededelingsplicht kan vergaande gevolgen hebben: de huurovereenkomst wordt na het verstrijken van de bepaalde tijd voor onbepaalde tijd verlengd. Deze verlenging vindt ook plaats als na afloop van de bepaalde tijd met dezelfde huurder aansluitend een nieuwe huurovereenkomst wordt aangegaan. De verlenging wordt dan opgevat als een verlenging voor onbepaalde tijd van de eerste huurovereenkomst57. Dit heeft als gevolg dat de huurder een veel grotere beschermingsomvang geniet, de reguliere huurbeëindigingsbepalingen zijn dan van toepassing58. De huurder kan zich overigens wél op het standpunt stellen dat de huurovereenkomst zonder waarschuwing is beëindigd aan het einde van de overeengekomen huurtermijn.
Tot 1 juli 2016 gold voor alle huurovereenkomsten van bepaalde tijd met betrekking tot woonruimte, dat zij in afwijking van de in artikel 7:228 lid 1 BW opgenomen regel niet eindigen door alleen het verlopen van de overeengekomen huurtijd. Destijds gold dat de overeenkomst door elk van de partijen kon worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag, niet vallend vóór het verstrijken van de bepaalde tijd.
Voor verhuurders is deze sinds 2016 geldende regeling gunstig, omdat zij nu nieuwe mogelijkheden hebben gekregen om de woning voor bepaalde tijd te verhuren, zonder het risico te lopen ongewenst geconfronteerd te worden met een overeengekomen huurovereenkomst van onbepaalde tijd. Voor de huurders is het voordelig, omdat ze nu maar één maand opzegtermijn hebben en zo op eenvoudige wijze de huurovereenkomst op kunnen zeggen.
Verwart u de huurovereenkomst voor bepaalde tijd overigens niet met de huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is (bijvoorbeeld de verhuur van een vakantiehuisje). Tussen deze overeenkomsten is het grote verschil dat het stelsel van huurprijsbescherming niet geldt. Bij de huurovereenkomst voor bepaalde tijd moeten de wettelijke bepalingen omtrent de huurprijsbescherming wel in acht worden genomen, die inhouden dat de huurprijs tot zes maanden nábeëindiging van de huurovereenkomst getoetst kan worden bij de huurcommissie. In beginsel zijn huurder en verhuurder vrij om de huurprijs te bepalen, maar de bepalingen van huurprijsbescher-
378 56 A rt. 7:271 lid 7 BW. 57 S lot art. 7:271 lid 1 BW. 58 A rt. 7:271 lid 2 – 7:274 BW.
HUUR EN VERHUUR ming voorkomen dat de verhuurder een onevenredig hoog bedrag vraagt voor bewoning van het gehuurde59.
Kortom: de huurovereenkomst voor bepaalde tijd biedt voor zowel de verhuurder als de huurder verschillende mogelijkheden. Houd altijd nauwlettend in de gaten dat ook deze vorm van het huurcontract tijdig moet worden opgezegd en niet eindigt na verloop van de overeengekomen termijn.
31.3.7 Gevolgen marktwaarde bij huurovereenkomst voor onbepaalde tijd
G voor onbepaalde tijd
De verhuurder kan er uiteraard ook voor kiezen om een langdurige overeenkomst aan te gaan met de huurder. Hij sluit dan een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd en spreekt af met de huurder dat er tussentijds geen opzegging plaats kan vinden. De overeenkomst kan verschillende vormen aannemen: veelal wordt er een initiële minimale periode afgesproken van één of twee jaar. De verhuurder heeft hiermee de zekerheid van het kunnen innen van de huur voor in ieder geval die periode. Na het verstrijken van de periode heeft de huurder het recht tegen een opzegtermijn van minimaal één en maximaal drie kalendermaanden op te zeggen. De verhuurder kan de overeenkomst alleen opzeggen via een deurwaardersexploot of aangetekende brief tegen een termijn van minimaal drie en maximaal zes maanden. Voor hem geldt echter de extra voorwaarde dat de opzegging plaatsvindt tegen een geldige opzeggingsgrond. Opzegging door de verhuurder leidt dus niet automatisch tot beëindiging van de huurovereenkomst in het geval de huurder hier niet mee instemt. Deze instemming is niet vereist in geval van een geldige opzeggingsgrond. Enkele voorbeelden hiervan zijn: slecht huurderschap, het wijzigen van een bestemmingsplan of het dringend nodig hebben voor eigen gebruik60. Bij slecht huurderschap kunt u denken aan het veroorzaken van overlast voor omwonenden door bijvoorbeeld geluidsoverlast of het niet goed verzorgen van de woning. Het ontstaan van huurachterstand valt hier ook onder.
Voor de marktwaarde kan de overeenkomst voor onbepaalde tijd verschillende nadelige gevolgen hebben. Een belangrijk beginsel binnen het huurrecht is ‘koop breekt geen huur’61. Dit houdt exact in wat het beginsel beschrijft: wil de verhuurder zijn pand verkopen, kan hij de huurders niet dwingen de woning te verlaten. Overdracht van het verhuurde door de verhuurder, bijvoorbeeld op grond van koop, maakt geen einde aan de huurovereenkomst. Dit beginsel is van dwingend recht, wat inhoudt dat er niet contractueel van afgeweken kan worden. Het kan bijvoorbeeld spelen als er
59 A rt. 7:249 lid 2 BW. 379 60 A rt. 7:274 BW. 61 A rt. 7:226 BW.
sprake is van inflatie en de huizenmarkt verandert. Als verhuurder ben je niet zomaar in staat je investering te verkopen of te verhuren tegen een hogere huurprijs. Het spreekt voor zich dat een woning in niet-verhuurde staat meer waard is dan in verhuurde staat. Het beginsel ‘koop breekt geen huur’ heeft alles te maken met de grote beschermingsomvang die huurders genieten bij een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Als de partijen er (al dan niet bewust) voor gekozen hebben langere tijd aan elkaar gebonden te zullen zijn, is de bescherming voor de huurder groot en kan hij zoals beschreven niet zomaar uit de woning worden gezet.
Bij een exclusieve woning in het hogere segment is het aan te raden om toch voor een onbepaalde tijd overeenkomst te kiezen. De zekerheid van huurpenningen in het hogere segment met een kleine doelgroep is verhuurders veel waard. In een opgaande markt waarbij een verhuurder eventueel de overwaarde wil verzilveren of op termijn voor een hogere prijs wil verhuren, is het aan te raden om een bepaalde tijd overeenkomst te sluiten. In de praktijk is de kans klein dat huurder de overeenkomst binnen het jaar opzegt. Hiernaast is gebleken dat de huurder die huurt voor onbepaalde tijd meer zorgvuldigheid betracht met het omgaan van de staat van de woning. Hij zal kleinere ingrepen vaker (laten) uitvoeren en bij gebreken sneller de verhuurder contacteren. Het is dus afhankelijk van de woning om te bepalen of de overeenkomst voor onbepaalde tijd van invloed is op de marktwaarde.
31.4 OVERDRACHTBELASTING
Overdrachtsbelasting is een belasting die in principe moet worden betaald op het moment dat iemand de juridische- of economische eigendom verwerft van onroerend goed of aandelen in een onroerend goed bv. Het bedrag waarover de overdrachtsbelasting verschuldigd is, is de waarde in het economisch verkeer van het onroerend goed of de aandelen in de onroerend goed bv. Zie ook de module ‘Fiscaliteit’. Wij beperken ons hier tot onroerend goed.
In het geval iemand een eigen woning koopt anders dan als ‘starter’, is over de koopprijs in principe twee procent overdrachtsbelasting verschuldigd.
Starters op de woningmarkt krijgen sinds 2021 een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting als zij aan de voorwaarden hiervoor voldoen. Een starter in deze context is iemand tussen de 18 en 35 jaar, die voor de eerste keer de startersvrijstelling aanvraagt en een woning koopt voor zelfbewoning. Als de woning wordt gekocht door twee personen, moeten beide personen tussen de 18 en 35 jaar zijn.
HUUR EN VERHUUR
31.4.1 Woningwaardegrens vanaf 1 april 2021
‘Om budgettaire ruimte te creëren voor het volkshuisvestingsfonds wordt een woningwaardegrens ingevoerd op € 400.000 voor de eenmalige vrijstelling van de overdrachtsbelasting voor huizenkopers jonger dan 35 jaar.”, aldus de brief van Minister Ollongren van 6 november 2020 aan de Tweede Kamer. Een woningwaardegrens maakt de vrijstelling van de overdrachtsbelasting gerichter voor de starters. De woningwaardegrens is geïndexeerd: € 525.000 in 2025, € 555.000 vanaf 2026.
Van 1 januari 2023 tot en met 2025 was de overdrachtsbelasting voor niet-eigen-woningen én niet-woningen verhoogd naar 10,4 procent; per 1 januari 2026 is dit verlaagd naar acht procent. Twee procent geldt voor de woning waarin de koper zélf voor langere tijd gaat wonen en waarvoor de startersvrijstelling niet geldt. Acht procent geldt voor alle andere onroerende zaken, zoals percelen onbebouwde grond, vakantiewoningen, bedrijfspanden en bijvoorbeeld een garage bij de woning die separaat van de woning wordt aangekocht.
Als belegger is de klant dus een tarief van 10,4 procent verschuldigd. Met ‘belegger’ bedoelen wij iemand die een tweede woning koopt als beleggingspand of bijvoorbeeld voor zijn kinderen.
31.5 ZELFBEWONINGSPLICHT
Een zelfbewoningsplicht wordt door gemeenten in principe opgelegd bij de uitgifte van bouwgrond. Wij kennen dit beter als het zogenoemde ‘anti-speculatiebeding’. Het voorschrijven van zelfbewoning om speculatie tegen te gaan is toegestaan. Dit werd recent nog door de Hoge Raad bevestigd in het arrest van 14 februari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:257).
31.5.1 Uitbreiden zelfbewoningsplicht: opkoopbescherming
Sinds 2022 staat de zelfbewoningsplicht politiek inmiddels ook (weer) op de agenda. De oververhitte woningmarkt is hiervan de oorzaak.
De woningmarkt in Nederland is steeds verder onder druk komen te staan. De vraag naar woningen neemt toe en het aanbod blijft beperkt.
Gezinnen en alleenstaanden die op zoek gaan naar een woning en daar al hun spaargeld en een groot deel van hun inkomen aan willen spenderen hebben de afgelopen tijd niet of nauwelijks een woning kunnen aanschaffen. Het grote probleem voor hen is deels dat er opkopers en investeerders zijn 381
die het beleggen in woningen interessant vinden. Het beleggen in onroerend goed blijkt tijdens de coronacrisis populair. Woningen worden aangeschaft door investeerders om deze vervolgens tegen hoge bedragen te verhuren in de zogenoemde ‘vrije sector’.
Verschillende gemeenten hebben inmiddels besloten om hier een grens te trekken. Het opkopen van woningen en deze vervolgens tegen forse bedragen verhuren is in sommige gemeenten verboden vanaf januari 2022. Het gaat hier onder andere om Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. De lijst van gemeenten die opkoopbescherming hanteren is aanzienlijk: 30.
Opkoopbescherming houdt in dat mensen die de woningen kopen deze ook zelf moeten gaan bewonen (zelfbewoningsplicht). Dit betekent dat koopwoningen die onder deze plicht vallen niet meer voor de verhuur mogen worden aangekocht.
Het doel van de maatregel is het bevorderen van kansen voor gezinnen en alleenstaanden die een woning voor ‘eigen gebruik’ zoeken. Beleggers worden door deze maatregelen zoveel mogelijk van de woningmarkt geweerd.
In Nederland is de zelfbewoningsplicht een onderwerp van discussie en beleidsontwikkeling. Deze plicht zou huiseigenaren verplichten om hun aangekochte woning zelf te bewonen, met als doel te voorkomen dat vastgoedbeleggers woningen opkopen en deze vervolgens verhuren, wat de beschikbaarheid van woningen voor particuliere kopers zou beperken.
Er is geen landelijke wetgeving die een zelfbewoningsplicht oplegt aan particuliere huiseigenaren. Echter, woningcorporaties en gemeenten kunnen in specifieke gevallen een zelfbewoningsplicht opnemen in verkoopovereenkomsten of leveringsakten bij de verkoop van woningen. Dit gebeurt vaak in combinatie met een anti-speculatiebeding, dat voorkomt dat de koper de woning binnen een bepaalde periode met winst doorverkoopt.
Een voorbeeld hiervan is de gemeente Maashorst, die vanaf 1 januari 2025 de zelfbewoningsplicht uitbreidt. Wanneer de gemeente grond verkoopt aan een ontwikkelaar, kan aan de kopers van de nieuw te bouwen woningen een zelfbewoningsplicht worden opgelegd. Dit beleid is bedoeld om ervoor te zorgen dat nieuwbouwwoningen beschikbaar blijven voor de juiste doelgroepen en niet snel met winst worden doorverkocht.
Hoewel er op lokaal niveau initiatieven zijn, is er op nationaal niveau geen wetgeving die een zelfbewoningsplicht voor particuliere huiseigenaren 382 verplicht stelt. Het eigendomsrecht wordt in Nederland als een fundamen-
HUUR EN VERHUUR teel recht beschouwd, en het opleggen van een zelfbewoningsplicht zou een inbreuk op dit recht betekenen. Dergelijke maatregelen moeten zorgvuldig worden afgewogen en goed onderbouwd zijn om juridische en praktische bezwaren te voorkomen.
In de toekomst kunnen er veranderingen optreden, afhankelijk van politieke besluitvorming en de woningmarktontwikkelingen. Het is daarom belangrijk om op de hoogte te blijven van de laatste wet- en regelgeving met betrekking tot de zelfbewoningsplicht.
31.6 WERKELIJK RENDEMENT
Er zijn verschillende voordelen van verhuur van een pand in box 3 om rendement te behalen uit vermogen: • kans op een hoger rendement dan bij alternatieve beleggingen; • waardestijging van het vastgoed; • geen vermogen in euro’s (onderhevig aan inflatie) en wel vermogen in stenen (met hogere kans op waardestijging); • het plezier om vastgoed te bezitten.
Uiteraard zijn er ook nadelen: • het kost tijd en is minder passief dan bijvoorbeeld sparen; • mogelijke waardedaling van het vastgoed; • problemen met huurders (vinden), overheid et cetera.
Risico’s bij deze vorm van beleggen zijn: • huursubsidiegrens; • Belastingdienst met (nog onbekende) regels en eisen; • gemeente met (nog onbekende) regels en eisen; • (rijks)overheid met (nog onbekende) regels en eisen.
Risico’s VvE (meestal bij appartementen) • VvE discussie over bewoner; • overlast door verhuurder (vooral bij actieve VvE lastig); • huisdieren.
Overige risico’s • waardedaling woning; • leegstand; • betalingsachterstand; • discussie over huurprijs (en in het ongelijk gesteld worden); • brandschade; • waterschade; 383
• overige schade; • discussie met bewoners om de woning heen; • schade aan de woning (huis zelf of inboedel); • huurbescherming (waardoor huur echt naar beneden kan, dit kan zelfs met terugwerkende kracht).
31.6.1 Rendement berekenen
Om het rendement te kunnen berekenen is minstens nodig: • aankoopbedrag • overdrachtsbelasting • notariskosten overdracht • kosten aankoopmakelaar • taxatie in verband met financiering • notariskosten in verband met hypothecaire geldlening • bouwkundige keuring • kosten VvE eenmalig • afsluitprovisie hypothecaire geldlening • advieskosten hypothecair planner • eenmalige verbouwkosten voor verhuur • hypotheeklasten in verband met leegstand eerste verbouwing • beheerkosten • verzekeringen • kosten VvE • onderhoud • kosten WOZ • rioolrecht • rente hypothecaire geldlening • aflossing hypotheek • kosten hypothecaire geldlening • kosten eigen geld • kosten leegstand • (huur)inkomsten per jaar • inkomstenbelasting (in box 1 of 3).
Al deze punten bepalen het werkelijke rendement van de verhuur van onroerend goed. Niet alleen de cijfers, maar ook de bijkomende zaken en risico’s. De vraag is dus of het wel geschikt is voor de klant. Of: past het bij zijn beleggingsprofiel?
HUUR EN VERHUUR
Zelfportret, Isaac Israels, ongedateerd
32. AFLOSSINGSVRIJE HYPOTHEEK
32.1 AFLOSSINGSVRIJE HYPOTHEEK DISCUSSIEPUNT
In Nederland hebben bijna drie miljoen huishoudens een (geheel of gedeeltelijk) aflossingsvrije hypothecaire geldlening. Vanwege de lage maandlast en hypotheekrenteaftrek willen deze eigenwoningbezitters hun hypothecaire geldlening graag aflossingsvrij houden.
Geldverstrekkers en overheid doen al enige tijd hun best om met eigenwoningbezitters in gesprek te komen over deze hypotheekvorm. De aflossingsblij-campagne van de AFM zult u zich in dat opzicht nog wel herinneren. In de campagne wijst de AFM erop dat een hoge hypothecaire geldlening aan het einde van de looptijd om meerdere redenen mogelijk risicovol is voor de geldnemer.
Of het verstandig is om de hypothecaire geldlening aflossingsvrij te houden is afhankelijk van de situatie van de klant. Hierin spelen de cijfers een rol (blijven de lasten ook op latere leeftijd betaalbaar?) en de wensen van de klant (wat vindt hij ervan om een schuld te hebben?).
32.1.1 Wetenswaardigheden over de aflossingsvrije hypotheek
In 2025 is het nog steeds mogelijk om een nieuwe aflossingsvrije hypothecaire geldlening af te sluiten. Mogelijk is een gedeelte aflossingsvrij te lenen. De maximale grens op grond van de GHF is principe 50 procent van de waarde van de woning als aflossingsvrije geldlening.
Mogelijk is er geen recht op hypotheekrenteaftrek. Echter, alleen rente betalen in plaats van rente én aflossing kan wenselijk zijn in het kader van de maandlasten. Hypotheekrenteaftrek kan dan geofferd worden.
Een aflossingsvrije hypothecaire geldlening moet wel degelijk op enig moment worden afgelost. In de meeste hypotheekaktes staat namelijk een einddatum vermeld, meestal 30 jaar. Dit is de economische looptijd van de geldlening. Hierna kan de geldgever de hypotheeksom opeisen. Er zijn op dit moment zeker ook geldgevers die geldnemers aanbieden om de restschuld opnieuw te financieren (‘doorrollen’).
De geldnemer is daarbij volledig afhankelijk van het aanbod van zijn geldgever. Het is denkbaar dat de geldgever vraagt om na het doorrollen te gaan aflossen op de schuld en een hogere rente rekent. Dit vormt een mogelijk financieel risico voor de geldnemer. Hij is meer geld kwijt aan de hypothecaire lasten, terwijl andere kosten zoals zorgkosten of levensloopbestendig maken van de woning eraan zitten te komen.
Als het om de maandlast gaat, dan is de aflossingsvrije hypothecaire geldlening in principe de goedkoopste hypotheekvorm. De geldnemer betaalt alleen rente en deze is over het algemeen aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscale voordeel neemt uiteraard af sinds de hypotheekrenteaftrek versneld wordt afgebouwd.
Het rentepercentage voor een aflossingsvrije hypothecaire geldlening is wel het hoogste. Dit komt door de renteopslag die de geldgever hanteert vanwege het niet aflossen. Op termijn is de geldnemer dus duurder uit.
Bij een aflossingsvrije hypotheek ‘verdwijnt’ het vermogen niet in de stenen. Vrij over vermogen beschikken is voor veel klanten een prettig idee en soms ook noodzakelijk. Door een combinatie van lage tot geen spaarrente, prijsinflatie en wellicht vermogensrendementsheffing, neemt het vrije vermogen jaarlijks af. Het kan voor sommige klanten dus interessant zijn om de aflossingsvrije hypothecaire geldlening (gedeeltelijk) af te lossen om inkomstenbelasting te besparen.
Liquide middelen zijn overigens altijd nodig voor onverwachte uitgaven (buffer). Met de bufferberekenaar van het Nibud kan de klant uitrekenen welke buffer voor hem aan te raden is.
Daarnaast zorgt de afbouw van de Wet Hillen ervoor dat geldnemers de komende jaren steeds duurder uit zijn met een geheel of grotendeels afgelos388 te hypothecaire geldlening.
AFLOSSINGSVRIJE HYPOTHEEK Ook met overwaarde in de stenen kan de aflossingsvrije hypothecaire geldlening een risico zijn. Bij het verlengen van de hypothecaire geldlening (ná30 jaar) toetsen geldverstrekkers de nieuwe hypothecaire geldlening namelijk op het inkomen. Dit inkomen kan lager zijn, bijvoorbeeld ná pensionering.
Daarnaast vervalt na 30 jaar de hypotheekrenteaftrek. De brutomaandlast wordt dus de nettomaandlast. De hypothecaire geldlening verhuist van box 1 naar box 3. Dit betekent dat de hypothecaire geldlening strenger wordt getoetst op basis van het inkomen.
Ondanks de overwaarde komen mogelijk tienduizenden 65-plus-huishoudens in de knel door hun aflossingsvrije hypothecaire geldlening. In dat kader wordt er wel gesproken van dat deze groep ‘steenrijk’ is maar ‘geldarm’.
32.2 AFM
In de module ‘Financieren en Beleggen’ leest u meer over de uitkomsten van de onderzoeken van de AFM.
32.3 GELDGEVERS
Geldgevers vinden verlenging van een aflossingsvrije hypothecaire geldlening geen probleem, zolang de geldnemer de rentelasten van de hypothecaire geldlening maar kunnen betalen.
Sinds 2013 gaan geldgevers bij het beoordelen of doorrollen past bij de geldnemer ook bij aflossingsvrije hypothecaire geldleningen uit van rente plus aflossing. Het doorrollen lukt dan alleen als de geldnemer rente en (fictieve) aflossing kan betalen.
Bij sommige geldgevers kan de aflossingsvrije hypothecaire geldlening niet worden verlengd. Wel kan er een nieuwe recht van hypotheek worden gevestigd bij de notaris. Uiteraard onder de voorwaarde dat het inkomen van de geldnemer toereikend is.
Bij weer andere geldgevers kan de geldlening wel worden doorgerold maar moet de geldnemer wel voldoen aan de standaard inkomensnormen.
De laatstgenoemde geldgevers overwegen om deze norm te versoepelen.
De regel dat het aflossingsvrije deel maximaal 50 procent van de waarde van de woning mag zijn op grond van de GHF geldt overigens onverminderd.
Voorbeeld 1 Sara heeft een woning met een waarde van € 300.000 en een hypothecaire geldlening van € 160.000, die zij wil doorrollen.€ 150.000 mag aflossingsvrij doorlopen en € 10.000 moet Sara annuïtair of lineair gaan aflossen.
Voorbeeld 2 Klaas is bij het doorrollen van zijn hypothecaire geldlening gepensioneerd. De geldgever kijkt naar zijn pensioeninkomen om te beoordelen of Klaas de lasten verantwoord kan dragen. Voor zijn broer, Roel, die 10 jaar vóór zijn pensioenleeftijd zit, geldt hetzelfde!
Op bovenstaande voorwaarden bestaan ook nog uitzonderingen.
Concluderend hoeft de geldnemer bij de meeste geldgevers zich geen zorgen te maken op het moment dat hij met pensioen gaat. Als hij de rente maar goed kan betalen uit zijn inkomen en de aflossingsvrije lening maximaal 50 procent van de waarde van zijn woning is.
AFLOSSINGSVRIJE HYPOTHEEK
33. ALTERNATIEVE WOONVORMEN
33.1 INLEIDING
De meesten van onze klanten wonen in flats, appartementen of rijtjeshuizen. Wat deze woningen gemeen hebben is dat zij meestal niet heel duurzaam zijn, te duur en ver verwijderd van de natuur.
In Nederland hebben wij anno 2025 nog steeds te maken met een fors woningtekort en daarbij: bestaande woningen zijn duur. De prijzen van koopen huurwoningen zijn de laatste paar jaar behoorlijk gestegen.
Tegen deze achtergrond zijn mensen op zoek naar alternatieve woonvormen met een zachter prijsje, dichterbij de natuur en samen met mensen.
Ook de vergrijzende maatschappij zorgt voor een ontwikkeling van alternatieve woonvormen. Vroeger was het eenvoudig: als men op leeftijd was, verhuisde men vaak naar een verzorgingshuis. Nu zijn er andere opties, van samenwonen met studenten of met meerdere generaties tot appartementen met gezamenlijke voorzieningen. Er ontstaan steeds meer nieuwe woonvormen voor ouderen.
33.2 AANLEUNWONING
Aanleunwoningen zijn woningen die vaak zijn gelegen vlak bij een verzorgingstehuis of een zorgcentrum. Dit type woning biedt oudere volwassenen de mogelijkheid om zelfstandig te wonen, maar met de nabijheid van zorg- en dienstverlening wanneer dat nodig is. Aanleunwoningen zijn vooral bedoeld 393
voor mensen die nog redelijk mobiel zijn en zelfstandig kunnen wonen, maar wel willen profiteren van de zorg en ondersteuning die het verzorgingstehuis biedt.
Voor een aanleunwoning komen doorgaans de volgende groepen mensen in aanmerking: • leeftijd: de meeste gemeentes hanteren een minimumleeftijd van 55 of 65 jaar. Dit kan variëren per gemeente. • zelfstandigheid: de aanvrager moet redelijk goed ter been zijn en zelfstandig kunnen wonen, zonder directe zorgbehoefte. • inschrijving in de gemeente: de persoon moet ingeschreven staan in de gemeente waar de aanleunwoning zich bevindt.
Het aanbod van aanleunwoningen varieert sterk per gemeente. Omdat de beschikbaarheid afhankelijk is van lokale woningmarktomstandigheden en de vraag, kunnen de wachttijden verschillen. Het Wmo-loket in de gemeente biedt meer informatie over de beschikbare aanleunwoningen en de specifieke voorwaarden.
Aanleunwoningen zijn vaak onderdeel van een complex dat in de buurt van zorginstellingen ligt, maar het biedt meer zelfstandigheid dan een verpleeghuis. De bewoners kunnen gebruikmaken van de zorgdiensten van het verzorgingstehuis als dat gewenst is.
Seniorenwoningen daarentegen zijn zelfstandige woningen voor oudere volwassenen, met eigen voorzieningen en zonder directe zorgbehoefte. Seniorenwoningen kunnen zowel koop- als huurwoningen zijn. In het geval van een huurwoning worden huur en servicekosten betaald door de bewoners. De servicekosten kunnen variëren afhankelijk van de diensten die worden geboden, maar zorgkosten worden meestal niet vanuit de huur vergoed. Het kan wel zijn dat er huurtoeslag beschikbaar is, afhankelijk van het inkomen van de huurder.
In een aanleunwoning kunnen bewoners gebruikmaken van zorg thuis, onder de voorwaarde dat daarvoor een indicatie is. De zorg wordt vergoed door de gemeente of via de zorgverzekering, afhankelijk van de aard van de zorg. Voorbeelden van zorg thuis zijn: • huishoudelijke hulp (bijvoorbeeld hulp bij het schoonmaken van het huis); • persoonlijke verzorging (zoals hulp bij het wassen of aankleden); • verpleging (bijvoorbeeld medische zorg en behandeling); • begeleiding in het dagelijks leven (zoals hulp bij administratie of het regelen van sociale contacten).
ALTERNATIEVE WOONVORMEN De indicatie voor deze zorg wordt gegeven door de gemeente of het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Zij bepalen welke zorgbehoeften er zijn en welke zorgverlening noodzakelijk is. Wanneer er geen indicatie voor zorg is, kan de bewoner zich niet beroepen op zorgvergoedingen.
Het is belangrijk te weten dat de zorgverlening in een aanleunwoning vaak optioneel is. Bewoners kunnen dus kiezen om geen zorg aan te vragen zolang zij deze niet nodig hebben. Aanleunwoningen bieden zelfstandigheid en kunnen aantrekkelijk zijn voor ouderen die de overgang naar een verzorgingshuis willen uitstellen. De overgang naar een zorginstelling kan relatief eenvoudig zijn, aangezien de zorginfrastructuur al in de buurt aanwezig is.
33.3 KANGOEROEWONING
Een kangoeroewoning bestaat uit twee afzonderlijke woningen die via een trap of een tussendeur met elkaar verbonden zijn. Dit maakt het mogelijk dat iemand zelfstandig woont, terwijl familieleden of mantelzorgers naast hen wonen. Op deze manier kunnen mensen dicht bij elkaar wonen zonder volledig afhankelijk te zijn van elkaar.
Kangoeroewonen is een vorm van samenwonen waarbij meerdere huishoudens in één woning leven, bijvoorbeeld met ouders, vrienden of zelfs onbekenden. Dit kan plaatsvinden in zowel een eengezinswoning als een meergezinswoning.
In een eengezinswoning speelt het wettelijk gezien geen rol wie de eigenaar van de woning is. De bewoners kunnen onderling afspraken maken over de verdeling van (huur)kosten en verantwoordelijkheden.
In een meergezinswoning worden afzonderlijke wooneenheden gecreëerd voor elk huishouden. Met een notariële akte worden de gemeenschappelijke delen van het gebouw (zoals de hal, tuin en lift) onderscheiden van de privéeigendommen. Voor de gemeenschappelijke delen geldt een gedwongen mede-eigendom, wat betekent dat de eigenaren gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het onderhoud en gebruik van deze gedeelde ruimtes.
Een specifieke vorm van kangoeroewonen is ‘zorgwonen’, waarbij een ondergeschikte woonunit wordt toegevoegd aan een bestaande woning. Dit type woning is bedoeld voor de huisvesting van hulpbehoevende personen, bijvoorbeeld wanneer ouderen bij hun kinderen intrekken. Het doel van zorgwonen is om zorgbehoevende personen zo lang mogelijk in hun
vertrouwde omgeving te laten wonen, terwijl de mantelzorgers in de nabijheid zijn.
In de praktijk betreft het meestal een bijgebouw of een zelfstandige unit waarin maximaal twee hulpbehoevende personen kunnen wonen.
Het aanpassen van een woning om deze om te vormen tot een kangoeroewoning of het creëren van meerdere wooneenheden binnen één gebouw is stedenbouwkundig vergunningplichtig. Dit betekent dat er een vergunning van de gemeente vereist is om een bestaande woning om te bouwen tot een kangoeroewoning.
In sommige gevallen kan het zijn dat een gemeente het omvormen van een eengezinswoning tot een meergezinswoning niet toestaat, vooral wanneer dit in strijd is met de bestemmingsplannen of stedenbouwkundige voorschriften. Dit is afhankelijk van de locatie en de gemeentelijke regelgeving. Uitsluitsel over de haalbaarheid kan verkregen worden via de stedenbouwkundige dienst van de betreffende gemeente.
Voor zorgwonen gelden vaak afwijkende regels. In veel gevallen is er geen vergunningplicht, maar wel een meldingsplicht bij de gemeente. Dit geldt onder de voorwaarde dat de inrichting van de zorgwoning geen invloed heeft op de constructie van de woning en men binnen het bestaande woonvolume blijft. Als er sprake is van een uitbreiding van het woonvolume, zoals bij een nieuw bijgebouw, is er wel een stedenbouwkundige vergunning nodig.
Het beëindigen van de zorgsituatie (bijvoorbeeld door overlijden of verhuizing naar een zorginstelling) moet ook gemeld worden aan de gemeente. Wanneer de woning daarna niet meer als zorgwoning wordt gebruikt en bijvoorbeeld opnieuw wordt verhuurd of verkocht, moet er mogelijk een vergunning worden aangevraagd.
De fiscale behandeling van kangoeroewoningen verschilt afhankelijk van of het gaat om een eengezinswoning of een meergezinswoning: • in een eengezinswoning worden alle bewoners fiscaal beschouwd als deel van hetzelfde gezin. Dit betekent dat de inkomens van alle bewoners worden opgeteld. Dit heeft invloed op diverse uitkeringen en toeslagen, zoals ziektevergoedingen, werkloosheidsuitkeringen, studietoelagen, en inkomensgarantie voor ouderen. Ook de belasting wordt op basis van het gezamenlijke inkomen berekend. • in een meergezinswoning worden de verschillende huishoudens als afzonderlijke gezinnen beschouwd. Dit betekent dat elk huishouden een eigen kadastraal inkomen en onroerende voorheffing heeft, en financieel
ALTERNATIEVE WOONVORMEN en fiscaal los van elkaar staat. Dit kan voordelig zijn voor de bewoners, omdat hun inkomens niet worden opgeteld. • bij zorgwonen moet elke bewoner worden geregistreerd in het rijksregister. In dit geval wordt een speciale zorgcode toegepast, waarmee inwonende zorgbehoevenden of ouderen als een apart gezin worden beschouwd. Dit heeft gevolgen voor de belastingaangifte, omdat de zorgbehoevende bewoners afzonderlijk worden belast. Het is belangrijk dat de woning officieel wordt erkend als zorgwoning om in aanmerking te komen voor deze regeling.
Kangoeroewoningen bieden een flexibele en praktische oplossing voor families die samen willen wonen, bijvoorbeeld met ouderen of hulpbehoevenden, terwijl ze toch voldoende privacy behouden. Het is belangrijk om goed op de hoogte te zijn van de stedenbouwkundige regels en vergunningsvereisten bij het omvormen van een woning naar een kangoeroewoning. Ook de fiscale en financiële gevolgen van kangoeroewonen kunnen variëren afhankelijk van het type woning en het aantal huishoudens dat erin woont.
33.4 MANTELZORGWONING
Een mantelzorgwoning biedt een oplossing voor mensen die zorg verlenen aan een naaste en die voor deze zorgbehoevende persoon een zelfstandige woning willen creëren op of nabij hun eigen terrein. Dit kan zowel door het bouwen van een nieuwe woning als door het aanleggen van een aanbouw aan de bestaande woning. In sommige gevallen kan de mantelzorger zelf in de mantelzorgwoning gaan wonen, terwijl de zorgbehoevende in de hoofdwoning verblijft. Ook is het mogelijk dat de mantelzorger blijft wonen in de hoofdwoning en de zorgbehoevende in het bijgebouw woont.
Er zijn verschillende typen mantelzorgwoningen, afhankelijk van de behoeften van de zorgbehoevende en de beschikbare ruimte: • mantelzorgchalet: dit type woning is een zelfstandige unit die in de tuin wordt geplaatst en afgestemd is op de zorgbehoeften van de bewoners. Het grote voordeel van een mantelzorgchalet is dat het, wanneer het niet meer nodig is, weer eenvoudig kan worden verwijderd. Het is een tijdelijke oplossing die vooral geschikt is als er weinig ruimte is in het huis zelf. • zorgunit: een zorgunit bestaat uit enkele kamers die aan de bestaande woning worden aangebouwd. Dit type woning wordt vaak gekozen wanneer er in de tuin onvoldoende ruimte is voor een aparte woning, maar er wel behoefte is aan een zorg specifieke ruimte. Net als het chalet heeft de zorgunit een eigen voordeur en wordt het vaak als tijdelijke oplossing beschouwd. • kangoeroewoning: zie 8.3 van deze module. 397
Voor het bouwen van een mantelzorgwoning gelden de reguliere bouwregels. In de meeste gevallen is er geen aparte vergunning nodig, zolang de woning wordt gebouwd binnen de grenzen van het terrein en niet in strijd is met het bestemmingsplan. Een belangrijke stap bij het bouwen van een mantelzorgwoning is het aanvragen van een huisnummer bij de gemeente. Dit is noodzakelijk omdat beide huishoudens als zelfstandige eenheden kunnen worden beschouwd. Dit kan voordelen hebben voor bijvoorbeeld AOW-regelingen of toeslagen, maar het kan ook leiden tot hogere kosten voor gemeentelijke heffingen.
Bij de keuze voor twee huisnummers, moet de bewoner van de mantelzorgwoning ingeschreven staan op het eigen huisnummer bij de gemeente. Dit betekent dat de persoon die in de mantelzorgwoning woont, een eigen adresregistratie heeft.
Omdat mantelzorgwoningen relatief nieuw zijn, zijn er nog niet veel bestaande woningen op de markt. De meeste mensen die voor een mantelzorgwoning kiezen, bouwen deze zelf. De financiering kan op verschillende manieren worden geregeld: • eigen middelen: dit kan bijvoorbeeld met spaargeld of door een lening tussen familieleden. • hypothecaire geldlening: een hypothecaire geldlening kan worden afgesloten om de bouw of verbouwing van de woning te financieren. Dit kan zowel voor een nieuw gebouwde mantelzorgwoning als voor de verbouwing van een bestaande woning.
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) biedt gemeentelijke ondersteuning voor aanpassingen die nodig zijn voor mensen die zorgbehoevend zijn. De wet verplicht gemeenten om te zorgen dat deze mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. De Wmo dekt aanpassingen zoals het plaatsen van een traplift of het verbreden van deuren, en kan ook ondersteuning bieden aan mantelzorgers om hen te ontlasten.
Voor belastingaftrek geldt dat de kosten van de aanschaf of verbouwing van een mantelzorgwoning niet aftrekbaar zijn voor de inkomstenbelasting, omdat de woning als een tussentijdse oplossing wordt beschouwd. De investering in de mantelzorgwoning geldt evenmin als aftrekbare zorgkosten.
De mantelzorgwoning valt wel buiten de WOZ-waarde van de hoofdwoning, wat voordelig kan zijn voor de belastingheffing.
In sommige gevallen kunnen er juridische en fiscale gevolgen zijn met 398 betrekking tot eigendom. Als bijvoorbeeld een mantelzorgwoning wordt gefi-
ALTERNATIEVE WOONVORMEN nancierd door de ouders, maar het eigendom van de woning komt op naam van de mantelzorger (bijvoorbeeld de zoon of dochter), kan de Belastingdienst dit zien als een schenking. Dit kan leiden tot het betalen van schenkbelasting. Dit kan worden voorkomen door het vestigen van een opstalrecht, waarbij de ouders eigenaar blijven van de woning, maar de mantelzorger er gebruik van kan maken.
Er kunnen verschillende financiële gevolgen zijn van het inschrijven op hetzelfde adres. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op: • hoogte van uitkeringen: het inschrijven op hetzelfde adres kan leiden tot een herberekening van uitkeringen zoals bijstands- of ouderdomspensioenen (AOW). • zorg- en huurtoeslag: de gezamenlijke inschrijving kan ook effect hebben op de zorgtoeslag en huurtoeslag. Het is belangrijk om de gevolgen hiervan goed te begrijpen, vooral als beide huishoudens aanspraak maken op toeslagen.
Een mantelzorgwoning biedt een praktische en vaak noodzakelijke oplossing voor mantelzorgers die dichtbij hun zorgbehoevende naaste willen wonen. Bij het bouwen van een mantelzorgwoning moeten de relevante wet- en regelgeving, evenals de fiscale en financiële gevolgen, zorgvuldig worden overwogen. Het kan financieel mogelijk zijn door eigen middelen of via hypothecaire geldleningen, en er kunnen subsidies en steun vanuit de Wmo beschikbaar zijn. Een goede planning en advies van een hypothecair planner kan de klant helpen om de financiering en juridische aspecten optimaal te regelen.
33.5 COLLECTIEF PARTICULIER OPDRACHTGEVERSCHAP (CPO)
Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) is een organisatievorm waarbij toekomstige bewoners samen de regie nemen in de ontwikkeling van hun eigen woning. In deze constructie hebben de bewoners veel meer invloed op het ontwerp en de uitvoering van hun woning, wat hen in staat stelt om te voldoen aan persoonlijke wensen en behoeften. Dit model draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt en kan stedelijke vernieuwing stimuleren doordat het risico voor ontwikkelaars wordt verminderd en de afzet van woningen wordt gegarandeerd.
Toekomstige bewoners vormen een stichting of vereniging zonder winstoogmerk. Deze organisatie is verantwoordelijk voor het gezamenlijk realiseren van koopwoningen, hetzij door nieuwbouw, hetzij door herstructurering van bestaande bouw. Door vanaf het begin betrokken te zijn bij het proces, kunnen bewoners invloed uitoefenen op de manier waarop hun woning 399
wordt ontwikkeld. Dit maakt CPO niet alleen aantrekkelijk voor mensen die zelf hun ideale woning willen bouwen, maar ook voor gemeenten en ontwikkelaars die op deze manier zekerheid hebben over de afzet van de woningen.
De overheid speelt vaak een ondersteunende rol in CPO-projecten. Dit kan variëren van het verstrekken van subsidies tot het faciliteren van de vergunningverlening of het beschikbaar stellen van grond.
Bijna alle provincies in Nederland stimuleren CPO-projecten door middel van subsidies. Deze subsidies zijn bedoeld om de aanloopkosten te dekken, zoals de kosten voor het oprichten van de stichting of vereniging, het maken van de ontwerptekeningen, en de honoraria van de architect of bouwbegeleider. De hoogte van de subsidie en de specifieke voorwaarden variëren per provincie en kunnen ook afhankelijk zijn van het type project (nieuwbouw of herstructurering).
Bij de financiering van een CPO-project komt het grootste deel van het proces neer op het bepalen van het budget. Omdat het om een collectief project gaat, is het belangrijk dat elke deelnemer zijn eigen financiering regelt. Dit kan een uitdaging zijn, maar is mogelijk bij enkele geldverstrekkers die bereid zijn hypothecaire geldleningen te verstrekken voor CPO-projecten.
Bij het afsluiten van een hypothecaire geldlening voor een woning in een CPO-project gelden bepaalde voorwaarden, waaronder: • eigen financiering per deelnemer: iedere deelnemer moet zijn eigen financiering regelen. Dit kan via een persoonlijke hypothecaire geldlening of een gezamenlijke lening, afhankelijk van de afspraken binnen de groep. • afbouwgarantie: er moet een afbouwgarantie zijn geregeld. Dit zorgt ervoor dat de woning kan worden afgebouwd als de aannemer failliet gaat. Dit is een belangrijke voorwaarde om te voorkomen dat het project stil komt te liggen door financiële problemen bij de aannemer. • achtervang: de achtervang moet geregeld zijn. Dit houdt in dat er een partij (bijvoorbeeld een woningcorporatie of andere investeerder) aanwezig is die het project overneemt als een of meerdere deelnemers zich terugtrekken of als er andere onvoorziene omstandigheden zijn. • professionele CPO-begeleider: er moet een professionele CPO-begeleider worden aangesteld. Deze begeleider heeft ervaring met het proces en zorgt ervoor dat alles volgens de wet- en regelgeving verloopt en dat de bouw in goede banen wordt geleid. • vergunningen: alle benodigde vergunningen moeten geregeld zijn voordat de financiering wordt goedgekeurd. Dit kan onder andere betrekking hebben op de omgevingsvergunning voor bouwen.
ALTERNATIEVE WOONVORMEN • kadastrale splitsing van de grond: de kadastrale splitsing van de grond moet uiterlijk bij het passeren van de hypotheekakte geregeld zijn. Dit is belangrijk, omdat de hypotheekverstrekker zekerheid wil dat het onroerend goed als afzonderlijk eigendom kan worden geregistreerd. • taxatierapport en CAR-verzekering: sommige geldverstrekkers vereisen een taxatierapport en/of een CAR-verzekering (Construction All Risk-verzekering). De taxatie zorgt ervoor dat de waarde van het project goed in kaart wordt gebracht, en de CAR-verzekering dekt schade aan het project tijdens de bouwfase.
Voor CPO-projecten zijn er verschillende manieren om de benodigde financiering te verkrijgen. Dit zijn enkele opties: • subsidie voor aanloopkosten: verschillende gemeenten of provincies bieden subsidies voor de aanloopkosten van een CPO-project. Deze subsidies dekken kosten zoals het oprichten van een stichting of vereniging, het ontwerp van de woningen, de kosten van de architect, en de bouwbegeleider. Het doel van deze subsidie is om initiatieven te stimuleren die bijdragen aan de verduurzaming en de sociale woningbouw. • stimuleringslening: sommige gemeenten hebben een stimuleringslening in samenwerking met het SVn. Deze geldlening kan de aanloopkosten dekken en biedt gunstige voorwaarden voor collectieve woningbouwprojecten. De geldlening kan worden verstrekt voor de kosten die gemaakt worden in de voorbereidende fase, voordat daadwerkelijk begonnen wordt met de bouw. • groepsfinanciering: een andere mogelijkheid is dat de deelnemers gezamenlijk een geldlening aangaan, bijvoorbeeld via een groepsfinanciering of een vereniging van eigenaren die de benodigde middelen verzamelt om het project te realiseren.
Het CPO biedt een kans voor bewoners om de controle te nemen over hun woningbouwprojecten, terwijl het ook bijdraagt aan het verbeteren van de woningmarkt en stedelijke vernieuwing. De financiering van CPO-projecten kan complex zijn, maar er zijn verschillende mogelijkheden en subsidies beschikbaar. Hypothecair planners moeten goed op de hoogte zijn van de voorwaarden die gelden voor het afsluiten van hypothecaire geldleningen voor CPO-projecten en moeten klanten adviseren over de verschillende financieringsstructuren en financieringsmogelijkheden.
33.6 HUIS BOUWEN MET ACHTERVANG
Een achtervang is een partij, zoals een woningcorporatie of een andere investeerder, die tijdelijk de rol van koper of deelnemer overneemt in een woningbouwproject. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer een particu- 401
liere koper zich tussentijds terugtrekt, of als bij de start van de bouw nog niet alle woningen verkocht zijn. De achtervang zorgt ervoor dat het project doorgang kan vinden, zelfs als er niet voldoende particuliere kopers zijn op het moment van de oplevering.
De achtervang is in principe een vangnet voor de ontwikkelaar. Door een achtervang te betrekken, wordt het risico voor de projectontwikkelaar en andere betrokken partijen (zoals financiers) verkleind. Dit is met name belangrijk in situaties waarin het risico bestaat dat de woningen niet op tijd worden verkocht, wat anders kan leiden tot vertragingen of financiële problemen voor het project.
De achtervang zorgt ervoor dat het risico voor de koper zelf beperkt blijft, aangezien de ontwikkelaar verzekerd is van een afzet voor de woningen, zelfs als het verkoopproces in het begin trager verloopt.
Voor u als hypothecair planner is het belangrijk te weten dat de aanwezigheid van een achtervang invloed kan hebben op de financieringsmogelijkheden voor de koper. De achtervang kan namelijk de kredietwaardigheid van het project verhogen, wat gunstig kan zijn voor de hypotheekverstrekker.
Voorbeeld Stelt u zich voor dat een projectontwikkelaar een nieuw woningbouwproject lanceert, en een aantal woningen wordt pas ná de start van de bouw verkocht. In dit geval kan de projectontwikkelaar een woningcorporatie als achtervang betrekken. De woningcorporatie neemt tijdelijk de rol van koper op zich totdat de woningen definitief verkocht zijn aan particuliere kopers. Hierdoor krijgt de ontwikkelaar zekerheid over de voortgang van het project en kunnen de woningen op tijd worden opgeleverd, terwijl de risico’s voor de koper en ontwikkelaar afnemen.
Als hypothecair planner is het belangrijk om te weten of er een achtervang is bij het woningproject waar u een klant mee helpt. Dit kan namelijk de financiering vergemakkelijken, omdat de achtervang de bankinstelling of geldverstrekker zekerheid biedt over het succes van het project. Als het risico voor de ontwikkelaar en de kopers vermindert, kan dit de kans op goedkeuring van een hypothecaire geldlening verhogen, zelfs als er een minder gunstige marktomstandigheid is.
Daarnaast kan de aanwezigheid van een achtervang van invloed zijn op de voorwaarden van de hypothecaire geldlening, zoals de rente en de looptijd, omdat het de risicoprofielen van zowel de ontwikkelaar als de koper beïnvloedt.
ALTERNATIEVE WOONVORMEN Het is voor u als hypothecair planner van groot belang om goed op de hoogte te zijn van de afspraken tussen de ontwikkelaar en de achtervang, aangezien dit invloed kan hebben op de uiteindelijke financiële structuur van de aankoop en de voorwaarden die gesteld worden voor de financiering. Een gedetailleerd begrip van deze contracten is essentieel om klanten optimaal te adviseren over hun hypotheekmogelijkheden.
33.7 TINY HOUSE
Een tiny house is een kleine woning die doorgaans een woonoppervlak heeft van maximaal 50 m². Tiny houses zijn vooral geschikt voor huishoudens van één of twee personen, maar worden ook steeds populairder bij mensen die eenvoudiger willen leven, of die milieubewust willen wonen. Door de beperkte ruimte en het efficiënte gebruik van materialen, wordt de ecologische voetafdruk van de bewoners verkleind.
Ondanks de kleine oppervlakte biedt een tiny house verrassend veel comfort. Dankzij slimme indelingen en multifunctionele meubels kunnen bewoners alles binnen handbereik hebben, zonder concessies te doen op het gebied van leefruimte.
Tiny houses zijn aantrekkelijk voor mensen die bewust willen leven, met name op het gebied van duurzaamheid. Door het beperkte energieverbruik, het gebruik van duurzame materialen en de mogelijkheid om off-grid (zelfvoorzienend) te wonen, verkleinen bewoners hun ecologische voetafdruk.
Een groot voordeel van tiny houses is dat de bouwkosten relatief laag zijn. De prijs voor een tiny house varieert tussen € 25.000 en € 100.000, afhankelijk van de afmetingen, de mate van afwerking en de gebruikte materialen. Hierdoor kunnen tiny houses aantrekkelijk zijn voor starters op de woningmarkt of mensen die minder willen uitgeven aan hun woning.
Bewoners van tiny houses ervaren vaak een gevoel van vrijheid. De woning is namelijk vaak verplaatsbaar, en sommige tiny houses kunnen worden ingericht als rijdende woningen. Dit biedt de mogelijkheid om op verschillende locaties te wonen, afhankelijk van de voorkeuren van de bewoners. Dit aspect maakt tiny houses bijzonder voor mensen die van avontuur en verandering houden. In de praktijk worden de meeste tiny houses echter op een vaste standplaats geplaatst, vooral om praktische redenen zoals voorzieningen en vergunningen.
Er zijn verschillende mogelijkheden om een tiny house te financieren, maar het is belangrijk om te weten dat de financiering niet altijd via de traditio- 403
nele hypotheekkanalen kan verlopen. De drie voornaamste financieringsopties zijn: • persoonlijke lening: dit is een veelgebruikte manier om een klein bedrag te lenen voor de aanschaf van een tiny house. De rente is vaak hoger dan bij hypothecaire kredieten, en het geleende bedrag is meestal lager. Persoonlijke leningen zijn geschikt voor tiny houses met een prijs tot ongeveer € 25.000. • doorlopend krediet: dit is een kredietvorm waarbij men flexibel kan lenen en aflossen. De mogelijkheid bestaat om het bedrag dat geleend wordt opnieuw op te nemen zodra het is terugbetaald. Dit kan handig zijn voor de aanschaf van een tiny house, vooral wanneer er onregelmatige inkomsten zijn of als men van plan is meer aanpassingen te doen. • hypothecair krediet: het financieren van een tiny house via een hypothecaire geldlening kan een uitdaging zijn, maar het is zeker mogelijk, vooral wanneer het tiny house op een permanente basis wordt geplaatst op vaste grond. Dit is doorgaans de beste optie voor hogere bedragen. Er zijn echter wel specifieke voorwaarden aan verbonden: – tiny house moet permanent op de grond staan en niet verplaatsbaar zijn. Dit is een belangrijke voorwaarde, omdat banken doorgaans hypothecaire geldleningen verstrekken voor onroerend goed dat als ‘vast’ wordt beschouwd. – omgevingsvergunning: voor het plaatsen van een tiny house moet er een omgevingsvergunning voor bouwen zijn afgegeven. Dit houdt in dat het tiny house moet voldoen aan de lokale wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, bestemmingsplannen en ruimtelijke ordening. – grondbezit of erfpacht: de koper moet eigenaar of erfpachter zijn van de grond waar het tiny house wordt geplaatst. Dit betekent dat er een juridisch eigendom moet zijn van de grond waarop het tiny house staat, of een langdurige erfpachtovereenkomst moet bestaan. Het ontbreken van eigendom van de grond kan het verkrijgen van een hypothecaire geldlening bemoeilijken.
Voor hypothecair planners is het belangrijk om te begrijpen dat de financiering van tiny houses complexer kan zijn dan reguliere woningen. Er zijn enkele aandachtspunten om mee te nemen: • waarde van het tiny house: de waarde van het tiny house wordt vaak lager ingeschat dan traditionele woningen, wat invloed kan hebben op de hoogte van de hypothecaire geldlening en de rentetarieven. Dit is te wijten aan het feit dat een tiny house minder gebruikelijke eigendomskenmerken heeft en het als een minder stabiele investering kan worden gezien door geldverstrekkers. • vastgoedbeperkingen: zoals eerder genoemd, kan het tiny house alleen 404 worden gefinancierd met een hypothecaire geldlening als het op een
ALTERNATIEVE WOONVORMEN permanente standplaats staat en aan de juiste vergunningseisen voldoet. Hypothecair planners moeten ervoor zorgen dat de klant voldoet aan de lokale regelgeving en dat de financiering haalbaar is binnen de eisen van de geldverstrekker. • verzekerbaarheid: omdat tiny houses vaak onroerend goed zijn, kan het lastiger zijn om een passende verzekering te vinden. Het is van belang om goed te informeren naar de mogelijkheden voor het verzekeren van de woning, zodat de klant goed beschermd is tegen risico’s. • toekomstige waarde: de waarde van een tiny house kan fluctueren en is vaak minder stabiel dan die van een reguliere woning. Dit kan gevolgen hebben voor de hoogte van de te verkrijgen hypotheeksom, omdat de onderpandwaarde van een tiny house vaak minder aantrekkelijk is voor de geldverstrekker. Het is belangrijk om klanten hierover goed te informeren en hen te helpen bij het plannen van de financiering.
Concluderend bieden tiny houses een innovatieve en duurzame manier van wonen, met voordelen zoals lagere kosten, een kleinere ecologische voetafdruk en een gevoel van vrijheid. Voor hypothecair planners is het belangrijk om goed op de hoogte te zijn van de specifieke voorwaarden en financieringsmogelijkheden voor tiny houses. Het vergt extra kennis van lokale wet- en regelgeving en de bijbehorende eisen voor hypothecaire kredietverlening.
BIJLAGE
Bij deze module hoort een aanvullende bijlage die digitaal beschikbaar is.
Scan de QR-code hieronder met je smartphone of tablet om direct toegang te krijgen.
Scan de QR-code en bekijk de bijlage!
Mocht de QR-code niet werken of wil je de bijlage op je computer bekijken, ga dan naar: https://www.hypothecairplanner.nl/redirect/syllabi (op deze site ook te vinden via de bijlagenpagina).
